← Table of contents
Het intieme leven der vogels

DE ZWARTE STERN.

Reading edition

Het zal niet lang duren, of ook dit vogeltje komt in het gedrang. Deze bewering moge wat pessimistisch lijken, vooral voor hen, die de zwarte stern kennen en weten, hoevele honderden er ’s zomers ons drassig land bewonen en hoe veelzijdig het diertje zelf is.

Maar met die drassigheid van ons land wordt het al minder en minder, stuk voor stuk worden door landbouw en veeteelt de verwaarloosde terreinen opgeëischt. De droogmaking van de Zuiderzee, de regulatie van de Vecht, de draineering van Friesland, ’t is alles slechts een kwestie van tijd. Het turfbaggeren geschiedt met groote activiteit en overal verandert het laagveenlandschap met zijn poelen en breede slikkige slooten in netjes verkavelde kleipolders met een zoo gering mogelijk wateroppervlak.

En als nu de zwarte stern niet bijtijds de huik naar den wind hangt, dan zal het hem hier gaan als in Engeland, waar hij, ook al tengevolge van draineering en intensieve cultuur, sedert een halve eeuw het broeden heeft moeten opgeven.

Ik moet eerlijk zeggen, dat het mij moeite kost, mij daarvan een voorstelling te maken: heel Engeland zonder zwart sterntje. ’t Is haast ongelooflijk. Maar ’t staat in de boeken, en als die zoo iets erkennen, dan zijn ze wel te gelooven. En er staat bij, dat ieder jaar enkele paren zich langs de Oostkust vertoonen, om een broedgelegenheid te zoeken, maar die vallen meestal als slachtoffers van verzamelaars en rariteiten-jagers.

Zwarte Zeezwaluw hare jongen koesterend. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)
Zwarte Zeezwaluw hare jongen koesterend. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)

Zwarte Zeezwaluw hare jongen koesterend. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)

Naardermeer, 30 Juni 1904.

Over het algemeen worden de menschen nog al eens tamelijk bezorgd, wanneer er cholera of pest in de buurt is. Nu hebben wij hier iets in de buurt, dat wel niet zoo onmiddellijk ons hachje raakt, maar toch heel onaangenaam aandoet: een land, dat slag op slag zijn broedvogels verliest, zonder dat er zich nieuwe soorten vestigen.

Ziehier het lijstje van de Engelsche verliezen in de laatste eeuwen: kraanvogel, trapgans, ooievaar, kwak, woudaapje, roerdomp, kluit, kemphaan, grutto, wielewaal, spotvogel, snor, wouw, buizerd, havik, bruine kiekendief, geoorde fuut, zwarte stern. En dan kunnen nog wel een tiental soorten genoemd worden, die er zoo goed als niet meer broedend voorkomen.

Ik heb mij vroeger wel eens vroolijk gemaakt over de naargeestige declamaties van al te ijverige vogelbeschermers—en ik houd nog altijd vol, dat ze rare dingen beweerd hebben—maar in den laatsten tijd is er bij mij den schrik ook ingekomen en heb ik wel eens medelijden met mijn achterkleinkinderen. Dat moet toch niet aardig zijn, als de mooie verscheidenheid van dieren- en plantenleven vermindert en de zoo levendig gestoffeerde vogellandschappen van tegenwoordig zullen verdwijnen. Die achterkleinkinderen zullen vechten om een roeibeurt in ’t Naardermeer.

Na de koeten is er niet een vogel, die ’t Meer zoo aardig stoffeert als ’t zwarte sterntje. Van zijn aankomst in ’t laatst van April tot zijn vertrek in September zwerft hij rond over plassen en poelen, langs waterlanen en kreken, den heelen langen zomerdag, spiedend naar zijn veelvormig voedsel, zorgend voor zijn steeds hongerig kroost.

Hij lijkt nog meer op een zwaluw dan de andere sterntjes, zijn staart is iets korter, zijn vleugels langer en de nek niet zoo geprononceerd. Het gewone witte vischdiefje en vooral de groote stern vertoonen onder ’t vliegen een heel stuk nek, wat soms niet mooi is. Bij het zwarte sterntje is de aansluiting van kop en romp mooi gelijkmatig en daardoor wordt het mooie vogeltje een echte compacte vliegmachine.

Toch bestaat er een groot verschil tusschen zwaluwvlucht en sterntjesvlucht. Zwaluwen slaan hun vleugels uit in een veel sneller tempo, om telkens weer geruimen tijd op uitgespreide wieken te zweven. Nu zweven de zwarte sterntjes ook wel, maar nooit lang achtereen en hun vleugelslag is dikwijls zoo langzaam en bedaard, dat iedere beweging is na te gaan. Je kunt de slagen tellen en dat lukt bij de zwaluw nooit.

Door dien langzamen slag lijkt het sterntje zeer gemakkelijk te vliegen. ’t Is, alsof het hem in ’t geheel geen inspanning kost en alsof hij alleen uit speelschheid zijn loodkleurige wieken veerend op en neer slingert.

Dat zou ik zijn wandelvlucht willen noemen. Anders is het, wanneer hij druk werk heeft: kikkervischjes vangen, schrijvertjes en schaatsenloopers oppikken, muggenlarven en watertorren verschalken, visschen, vliegende insecten ophappen, wormen zoeken en wat al meer, want zoo’n sterntje doet van alles.

Kikkervischjes vangt hij aan den waterkant, net als een schooljongen, met dit onderscheid evenwel, dat hij niet aan den waterkant gaat zitten met een schepnetje, maar klapwiekend in de lucht even stilstaat, tot hij zijn prooi goed in ’t zicht heeft, om dan bliksemsnel neer te schieten in ’t ondiepe water en den bullekop in zijn zwarten snavel te pakken. De mondhoeken zijn rood.

Nesten en eieren van de Zwarte Zeezwaluw. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)
Nesten en eieren van de Zwarte Zeezwaluw. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)

Nesten en eieren van de Zwarte Zeezwaluw. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)

Naardermeer, 25 Mei 1905.

Hij heeft een zoo groote juistheid van blik en een zoo zekere vlucht, dat hij de schaatsenloopers, die op hun ranke pooten rondloopen op het wateroppervlak er afpikt, zonder dat hij ’t water zelf raakt: een verschilletje van een millimeter. En dat hij schrijvertjes kan vangen moet ieder met verbazing vervullen, die weet hoe snel deze wezentjes elk naderend gevaar bespeuren en op hoeveel manieren zij zich uit de voeten kunnen maken.

Het spreekt vanzelf, dat voor zoo’n vogel het vangen van watertorren, muggenlarven en kleine vischjes kinderspel is.

Hij is veel meer insectenvanger dan visscher en wordt dan ook op bouw- en weiland meer aangetroffen, dan eenig andere sterntjessoort. Evenals de zwaluwen vliegen ze meestal in gezelschap en al naar den aard en hoeveelheid van de prooi kunt ge ze dan in wolken zien dwarrelen of in rijen onstuimig zien voorwaarts schieten. Haften, schietmotten en elzenvliegen worden zonder moeite vermeesterd, maar de groote libellen, vlugge zweefvliegen of grillige vlinders vereischen veel zwenken, draaien en stilstaan, met veel vleugelgeklep en staartgesprei.

Sprinkhanen pakken ze heel netjes van den grond op, zelfs de veldkrekel is aan den ingang van zijn hol niet voor hem veilig. Heel dikwijls heb ik gezien, wat bij Naumann verteld wordt, nl. dat ze langs hoopen paardenmest of koevla heenvliegen, om de insecten op te schrikken en dan ineens rechtsomkeert maken om ze te vangen. Dat is eigenlijk kwikstaartjeswerk.

Ofschoon het zwarte sterntje bij het bouwen van zijn nest een minder groote verscheidenheid vertoont dan het gewone vischdiefje, volgt hij toch ook niet een vast schema en zijn er zelfs in ’t Naardermeer drie verschillende typen op te merken, terwijl elders in ons land nog een vierde wordt aangetroffen.

Het meest traditioneel, maar niet ’t meest algemeen is het zwarte sterntjesnest op levende waterplanten. In het meer vinden we dan ook in één vaart de nesten op de dicht opeen groeiende rozetten van de water-aloe of krabbeschaar en op een andere plek rusten ze op een mooien effen vloer van waterleliebladeren. Het nest zelf bestaat dan uit weinige dorre stengels en bladeren, ligt zeer dicht op ’t water en gaat bij iederen golfslag op en neer. Dat is nu niet zoo heel erg, want de golfslag heeft in zulke dichtbegroeide slooten niet veel te beduiden.

Verreweg de meeste nesten worden gevonden op saamgewaaide hoopen van stengels en bladeren van oeverplanten, voornamelijk van riet, egelskop, kalmoes en lischdodden. Deze planten vermenigvuldigen zich door hun uitloopers zoo sterk, dat men genoodzaakt is telkens de kanten der vaarten af te steken, anders zou er in korten tijd geen doorkomen aan zijn. De afgesneden stengels laat men ronddrijven en die vormen dan in rustige en beschutte hoekjes uitgestrekte vlotten.

Hierop nestelden nu de zwarte sterntjes en we hebben gezien, dat ook de zwartkopmeeuw zijn voordeel er mee doet. Steenhuizen geeft hiervan in zijn stereoscoop-collectie een zeer mooi en uiterst leerzaam voorbeeld.

Niet minder belangrijk echter is de foto van Tepe, die het derde type bijzonder gelukkig illustreert. Dit is een zeer verlaten uithoek van het Meer, geheel begroeid met egelskop, dat nu weer opnieuw zijn donkergroene stijve bladeren omhoog steekt. De planten ontwikkelen zich daar ongestoord, niemand komt het vergeten modderhoekje bezoeken en tegen den winter sterft alles af, zooals het stond.

De afgestorven bladeren en stengels blijven gedurende den winter staan, knikken bij hevigen wind door en vormen dan verwarde bundels, zooals in den linker-bovenhoek van de plaat, schuin boven het nest met de eieren heel mooi te zien is.

De sterntjes hebben nu niets anders te doen, dan die massa nog wat ineen te drukken, hier en daar een stengel of blad door te breken en dan hebben ze een onderlaag voor een nest, even ongenaakbaar als krabbeschaar of rommelvlot en veel steviger, want de oude stengels en bladeren zijn nog in verbinding met den modderbodem, terwijl nieuwe bladbundels door het nest heengroeien en het zoo op twee, drie plaatsen vaststeken.

Sommige individu’s zijn hiermee tevreden, andere sleepen nog een massa materiaal er bovenop, waardoor zoo’n nest van het derde type ook weer een zeer aanzienlijken omvang kan krijgen.

Een groot contrast met deze drie typen vormt een vierde, dat wij op Texel aantroffen. Daar nestelt het zwarte sterntje op natte hooilanden. Geen vlot, geen trilbodem, geen waterplanten: de eieren liggen op een klein bodempje van doode stengels en dorre grasjes vlak op den grond, haast net als kievitseieren. Toch is het altijd niet zonder eenige moeite te bereiken, daar het dier steeds de laagste plekken van het hooiland kiest, die altijd min of meer overstroomd zijn.

Het legsel bestaat in den regel uit drie eieren, dikwijls uit twee, een heel enkele maal uit vier. De eieren zijn betrekkelijk groot, meer peervormig dan de andere sterntjeseieren en zeer donker van kleur: bruin met bijna zwarte vlekken.

Zoodra de zwarte stern eieren of jongen heeft, stormt hij als een kleine zwarte furie op alles los, wat hem te dicht naar zijn zin in de buurt van zijn nest komt. Er komt geen eind aan hun geschreeuw van „krie-ie, krie-ie” en ze chargeeren zonder ophouden. Ik geloof dan ook niet, dat de kraaien en bruine kiekendieven er dikwijls in slagen hun een ei te ontfutselen, vooral omdat ze elkander trouw bijstaan.

De jongen blijven niet heel lang op ’t nest. Ze kunnen, zoodra ze uit ’t ei komen al wel een beetje loopen, maar daar maken ze heel weinig gebruik van, als wisten ze, dat het niet goed met hen zou afloopen, als ze van hun vlotje rolden. Want al die meeuwen en sterntjes zijn een heel ander genre van zwemvogels dan eenden en ganzen. Deze kunnen dadelijk zwemmen, maar een sternjong of een meeuwenjong zou al heel gauw nat worden en verdrinken.

Wanneer nu de sterntjes en meeuwen nestelen op de weilanden of zandvlakten van den polder, dan is voor de jongen ’t gevaar van verdrinken niet zoo groot, maar in ’t Naardermeer hebben de ouden er steeds voor te zorgen, dat de jongelui niet van ’t nest afdwalen. Wie de broedplaatsen bezoekt, mag daar wel om denken, want die jonge vogels zijn zeer schuw en als ze worden opgeschrikt, loopen ze om een haverklap van ’t nest af.

Dan gaan de ouden allerjammerlijkst te keer en wij hebben wel gezien, dat ze zoo’n reislustig jong met stompen en duwen weer op het nest brachten.

Het liefst brengen ze hun jongen naar de plaatsen waar de waterlelies dicht opeen groeien. Daar kun je dan in Juli de jonge zwarte sterntjes bij troepen op de groote groene plompeblaren zien zitten, wachtend op ’t voedsel dat de ouden hun brengen. Als ze wat vlugger worden, gaan ze met de ouden meevliegen, als die op jacht zijn, en dat ziet er dan wel naar uit, alsof ze onderricht genoten.

In Augustus zijn de jongen groot. Ze hebben dan een wit voorhoofd, witte wangen en ook veel wit aan de onderzijde van ’t lichaam. Nog eenige dagen blijven ze in ’t Meer rondzwerven, tot troepen vereenigd. Ze houden ervan, om in rijtjes stil te zitten op schuttingen en palen, en op den middag en ’s nachts slapen ze op de nu ongebruikte woonvlotten, die bij langdurig droog weer weldra wit zien van de uitwerpselen.

Als ze de groote reis gaan aanvaarden, dan verlaten ze hun geboorteplaats in het uur na zonsondergang.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings