← Table of contents
Het Geld van Robinson Crusoe

De ontnuchtering.

Reading edition

Men verwachtte algemeen, dat de nieuwe en onmetelijke hoeveelheid papiergeld, welke op de raderen van den handel werd uitgestort, deze raderen onmiddellijk in beweging zou brengen. Maar die verwachting werd wel zeer teleurgesteld. Niet alleen wilden de raderen nog volstrekt niet gaan wentelen, maar de wrijving, die hen onbewegelijk deed blijven, scheen hardnekkiger en onoverwinnelijker dan ooit te zijn geworden. Inderdaad had de verdubbeling der hoeveelheid papiergeld, inplaats van den handel te bevorderen, dezen in waarheid nog meer bemoeilijkt, want alle kooplieden, die hun artikelen in ruil wilden geven voor het nieuwe papiergeld, verdubbelden hun prijzen of gaven slechts de helft der hoeveelheid voor wat zij als de helft van het vroegere geld beschouwden, zoodat er tenslotte voor al deze menschen geen grootere hoeveelheid ruilmiddelen bestond dan tevoren. Maar het meerendeel der menschen, die iets te verkoopen hadden, wilden het ideëele geld in het geheel niet aannemen als betaling. Zij maakten er geen aanspraak op, zeiden zij, om financiers te zijn, of philosophen, of zelfs maar bijzondere menschenvrienden; maar wel meenden zij niet zulke groote gekken te zijn, dat men hun goedschiks kon wijsmaken, dat de helft van een ding gelijk was aan het heele ding of dat een schepel graan in twee schepels kon worden omgezet, door één schepel in twee halve-schepel-maten te doen.

Het eenige waarlijk positieve effect van de kunstmatige verdubbeling der hoeveelheid ruilmiddelen, was bijgevolg, dat alle schulden gehalveerd werden, en op een wijze, die alle crediteuren volkomen machteloos maakte, om zichzelven recht te verschaffen: want volgens de wet was ieder oud biljet van één dollar, nu een wettig betaalmiddel voor twee dollars geworden.

Er was zooveel oorspronkelijkheid en gezond verstand in deze opmerkingen, zooveel verheven minachting voor alle leerstellingen van duffe oude ervaring, dat de vrienden van den redenaar hem meer dan ooit waardig achtten voor den zetel van het uitvoerend bewind, vroeger bezet door den wijzen Robinson Crusoe. Maar ongelukkig voor den redenaar was hij niet ver genoeg gevorderd te zijn “A.B.C. Boek van het geldwezen”, om het verschil te kennen tusschen kapitaal en papiergeld en in den eenvoud zijns harten meende hij, dat het allemaal om het even was of de menschen prentjes hadden van paarden, varkens en geld of werkelijke paarden, varkens en geld, die arbeid gekost hadden om ze te verkrijgen. Daarom wilden de grondprincipes, die hij had opgesteld in tegenstelling met die van theorie en ervaring, maar geen steek houden en de eilandbewoners kwamen na tijd en wijle tot de ontdekking der volgende waarheden: dat, hoe meer niet-inwisselbaar papier er in ontzaglijke hoeveelheden wordt uitgegeven, hoe meer dit in waarde achteruitgaat; en hoe meer het deprecieert, hoe meer men er van noodig heeft om een koop te sluiten: en ook dat, wanneer iemand gedeprecieerd papier opneemt om er zaken mee te doen, hij daarvan een grooter nominaal bedrag moet vragen, dan hij noodig zou hebben van niet-gedeprecieerd geld; en dat de rentevoet altijd naar het aantal nominale dollars berekend wordt en niet naar hun koopkracht. De onvermijdelijke stijging van prijzen tengevolge van de depreciatie van het geld (prijs is immers de koopkracht van een artikel of dienst uitgedrukt in geld) spoort de menschen nog meer aan tot het leenen van geld om er mee te speculeeren; en hoe meer geld-opnemers, hoe meer wedijver: en hoe meer wedijver er is om een artikel of dienst te krijgen, hoe hooger de prijs, die er voor gevraagd wordt.

Zoo moesten de bewoners van het eiland een harde leerschool van bittere ervaringen doorloopen alvorens zij leerden begrijpen, dat er enkele economische waarheden bestaan, die men te accepteeren heeft en waarnaar men dient te leven, wil men zoowel zijn individueele als de nationale welvaart verzekeren. Zij begrepen eindelijk, dat eigendom een stoffelijk bestaand iets is, de uitkomst van den een of anderen vorm van arbeid; dat kapitaal, dàt gedeelte is van de voortbrengselen der productie, hetwelk men bewaren kan om het te bestemmen voor nieuwe en verdere productie; dat geld een middel is om de verdeeling en het gebruik van kapitaal te vergemakkelijken zoowel als den ruil van producten en diensten; dat met productie alleen productie gekocht kan worden; dat wanneer iemand goederen koopt met een papieren plaatsvervanger of symbool van geld, die goederen niet betaald zijn, alvorens het symbool vervangen is door een waarde in den vorm van arbeid of geld of een ander artikel; en, tenslotte, dat een land en zijn inwoners eerder vooruitgaan door hun productie te vergrooten, dan door op willekeurige wijze hun hulpmiddelen voor het ruilen van producten te vermeerderen. Zij zagen ook in, dat de betalingsbeloften, die zij als geld beschouwd en gebruikt hadden, schulden waren, en dat schuldbrieven zoowel als andere soorten van eigendomsbewijzen slechts een schijnbeeld zijn van den eigendom, dien zij vertegenwoordigen; en dat zij, in hun pogingen om eerst allen rijk te worden door schuldbrieven te creëeren, die schuldbrieven geld te noemen, en dat geld wederom rijkdom, achtereenvolgens waren vervallen van speculatie en verkwisting tot luiheid en verarming. En evenals de hond in de fabel, die het stuk vleesch in de rivier liet vallen om de schaduw te grijpen, hadden zij heel wat werkelijken rijkdom, uit vroegeren arbeid verkregen, verloren laten gaan door dat schijnbeeld van rijkdom voor de werkelijkheid te houden.

De vraatzuchtige hond naar het schijnbeeld happende.
De vraatzuchtige hond naar het schijnbeeld happende.

De vraatzuchtige hond naar het schijnbeeld happende.

Nu gingen zij ook inzien, dat een der eerste vereischten voor een uitbreiding van den handel was, dat er vertrouwen zou bestaan tusschen kooper en verkooper, maar dat zulk een vertrouwen nooit bestaan kon zoolang de plaatsvervanger van waarde of andere symbolische ruilmiddelen, gebruikt om het sluiten van koopen te vergemakkelijken, onderhevig waren aan waardevermindering; en tegelijkertijd kwamen zij tot de conclusie dat het geen zuinigheid was om goedkoop geld te gebruiken; of m. a. w. dat het verlies en de verspilling van tijd en materiaal, die het onvermijdelijke gevolg moesten zijn van het gebruik van gebrekkige gereedschappen (en geld is een gereedschap) doorgaans grooter was dan het renteverlies, voortspruitende uit de hoogere kosten van goede gereedschappen. En toen zij dat alles begrepen hadden, kwam goud of onaanvechtbare beloften om in goud te betalen, opnieuw als geld in gebruik op het eiland.

Nu vreesde men evenwel, dat de voorspelling bewaarheid zou worden, dat het veel moeite kosten zou om weer voldoende goud te krijgen, dat als geld zou dienen of als een basis voor papiergeld; vooral toen men zich herinnerde, dat de gebeurtenissen van den laatsten tijd den uitvoer zoozeer bevorderd hadden van al het goud, hetwelk het eiland produceerde, of reeds bezat. Maar daar het den goudsmeden en juweliers nooit de minste moeite had gekost om tijdens den oorlog met de Kannibalen of daarna, al het goud, dat zij noodig hadden te verkrijgen, onverschillig hoe schaarsch en waardevol het ook was in vergelijking met het papiergeld, en daar zij zelfs nog wel honderdmaal zoo veel hadden kunnen krijgen, als zij genoeg klanten hadden gehad, die het wilden koopen; zoo kostte het ook den kooplieden, den winkeliers en het geheele volk op het eiland geen moeite om goud in overvloed te krijgen, zoodra zij overtuigd waren, dat het zuinig was om goudgeld te gebruiken. Trouwens, nog voordat de ongegrondheid van hun vrees door de uitkomst bewezen was, werden zij op dit punt al zeer gerustgesteld door het bericht in verschillende buitenlandsche nieuwsbladen, dat het in sommige betrekkelijk arme landen—zooals Oregon, Arizona, Nevada en Washington Territory—de bevolking volstrekt niet meer moeite kostte om al het goud te krijgen, dat zij voor geld wilde hebben, dan om alle kruiwagens en stoommachines te krijgen, die zij wilde gebruiken om handel te drijven en dat iedereen, die er van sprak om hun het gebruik van het goudgeld te ontnemen, uitgelachen werd.

Toen zoodoende de eerste stap in de goede richting gedaan was, werd een reeks van andere goede maatregelen op een even natuurlijke wijze genomen en met even gunstige gevolgen als in het beroemde geval van de oude vrouw en haar geitje, waarin, zooals men zich zal herinneren, op hetzelfde oogenblik dat het water het vuur begon te blusschen, het vuur den stok ging verbranden, de stok den hond ging slaan, de hond het geitje beet en tengevolge van deze reeks gebeurtenissen de oude vrouw veilig thuis kwam met haar geitje, hoewel veel later in den avond, dan zij ’t gewenscht had en onder gewone omstandigheden had kunnen zijn. En zoo keerde de welvaart langzaam maar zeker weder terug op het eiland.

Wat de Vrienden der Menschheid betreft, die zooveel verwarring in geld- en handelszaken en zoovele nationale rampen op hun geweten hadden: zij verloren weldra al hun invloed, werden vervolgens overladen met spot en hoon, en tenslotte verdwenen zij geheel uit de herinnering der eilandbewoners, die het nu allen veel te druk hadden met het herstel van hun vermogen, om nog te blijven denken aan onaangename ervaringen, die tot het verleden behoorden. Sommigen der philosophen kwamen tot het inzicht van hun vergissingen en werden goede burgers, maar bij de meerderheid werd het geloof, dat het geven van den naam van geld aan dingen zonder intrinsieke waarde, alleen reeds het scheppen van rijkdom tot gevolg had, een chronische kwaal, welke tenslotte ontaardde in een onschadelijk soort van krankzinnigheid. Op mooie dagen kon men hen vaak op de hoeken der straten zien bezig bladeren, stokjes en strootjes te vergaâren en aan de kinderen, die zich om hen heen verzamelden, te vertellen, dat er slechts één ding noodig was om deze waardelooze voorwerpen in geld om te zetten en dat was niets anders dan het geloof en het vaste vertrouwen dat die voorwerpen werkelijk geld waren. Maar het was wel wat al te veel gevergd om zelfs bij kinderen zooveel goedgeloovigheid te kunnen verwachten.

Weegschaal van vraag en aanbod, met tekst: “Gold is gold for all that.”
Weegschaal van vraag en aanbod, met tekst: “Gold is gold for all that.”

Notes in this chapter

Note 1 · Dit is de Amerikaansche vertolking. De Engelsche vertolking van het begrip “wettig betaalmiddel”, werd vastgesteld in een debat in het HoogeNote 2 · Na den oorlog tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten werd het als een schandelijke daad beschouwd om partij te trekken van het wettig Note 3 · Ieder die mocht willen weten, in hoever de schrijver in het bovenstaande zijn verbeelding den vrijen teugel heeft gelaten, zij verwezen naarNote 4 · Er zijn heel wat vermakelijke voorbeelden te vinden van de hardnekkigheid, waarmee vele menschen, eenmaal beneveld op het punt van geld en pNote 5 · Tusschen de jaren 1860 en 1870 verdubbelden de Ver. Staten de hoeveelheid papiergeld bestemd voor het gebruik der burgers, maar toch was de Note 6 · Zoo werd het Continentale papiergeld tenslotte werkelijk gebruikt. Zie Summer: “History of American Currency” blz. 46.Note 7 · Op deze wijze leerde de bevolking van het eiland weldra een der grondwaarheden van het geldwezen kennen, n.l. dat het eenige attribuut van eNote 8 · Ter eere van de bevolking van het eiland dient gezegd, dat zij doorgaans te eerlijk waren om partij te trekken van de nieuwe muntwet om zooiNote 9 · Verder deed zich nog een merkwaardig verschijnsel voor in verband met den rentevoet, dat de gemoederen en tongen zeer in beweging bracht. IeNote 10 · Buitendien was de ruilwaarde van het papiergeld, door de kunstmatige wijze waarop het overvloedig was gemaakt, zoo onzeker, dat de kapitalisNote 11 · Nadat zij een tijdlang al deze grondstellingen proefondervindelijk getoetst hadden, kwamen de bewoners van het eiland tot het inzicht, dat hNote 12 · Het eenige wat nog te verhalen valt, is, dat er als aandenken aan deze veelbewogen geschiedenis in een der openbare gebouwen op het eiland n
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings