Note 4 — De ontnuchtering.
Reading edition
Er zijn heel wat vermakelijke voorbeelden te vinden van de hardnekkigheid, waarmee vele menschen, eenmaal beneveld op het punt van geld en papiergeld, vasthouden aan het waandenkbeeld. dat het maken en uitgeven van betalingsbeloften en vervolgens deze dingen geld te noemen, gelijk staat met het scheppen van rijkdom; en omgekeerd dat het inlossen van zulke beloften door ze te betalen, hetzelfde is als vernietiging van rijkdom en er ook toe bijdraagt om het geld (in den zin van kapitaal) schaarsch te maken en de interest hoog; en zulke verhalen maken gewoonlijk meer indruk dan de sterkste argumenten. Daar heeft men bijvoorbeeld in de eerste plaats die uitspraak van een invloedrijk Senator van de Ver. Staten (waarop trouwens reeds gewezen werd en die ongeloofelijk zou schijnen, als het niet zwart op wit stond), dat, daar de prijs van paarden en varkens op de markt steeds daalt wanneer er meer van deze dieren te koop worden aangeboden, daarom ook een vermeerderde hoeveelheid bewijzen, dat kapitaal geleend, gebruikt, en nooit terugbetaald was, het kapitaal, waarvan uitgeleend kan worden, vergrooten en den rentevoet er van volgens hem verlagen moet.
Een soortgelijk voorbeeld is ook aangehaald van een lid van het Continental Congress, medegedeeld door Pelatiah Webster, dat, toen het voorstel van een verhoogde belasting om de oorlogskosten te dekken, ter sprake kwam, verontwaardigd vroeg: “of men soms van hem verwachtte, dat hij het volk zou helpen belasten, wanneer zij slechts naar de drukkerij behoefden te gaan om geld bij karrevrachten tegelijk te krijgen?”
Hier is het ook de plaats om te herinneren aan het geval in Ierland, toen het gepeupel een vreugdevuurtje stookte van een menigte biljetten, uitgegeven door een minderwaardigen bankier; weinig vermoedend, toen zij rondom het vuur dansten en schreeuwden van puur genot, dat zij feitelijk bezig waren hun vijand te verrijken, inplaats van hem te verarmen.
De volgende geschiedenis, die eveneens dezelfde algemeene vergissing illustreert, is algemeen bekend in een der steden van Oostelijk Connecticut: tijdens de ernstige finantiëele paniek van 1875, richtte een boer daar in de buurt het verzoek aan een van zijn vrienden, een eerzamen landbouwer en diaken, die een plaats van schijndirecteur gekregen had aan een plaatselijke Bank, omdat hij er een der voornaamste aandeelhouders van was, om hem te helpen een kleine leening met die Bank te sluiten. De diaken, wel wetend, dat het een critieke tijd was, verbond zich niet dadelijk om den wensch van zijn vriend te vervullen, maar beloofde dezen, dat hij naar de Bank zou gaan en zou zien wat hij doen kon, in verband met den toestand, dien hij daar zou vinden. Zoo trokken dus de twee vrienden den volgenden dag naar de stad (toevallig juist op den datum, toen de crisis haar hoogtepunt bereikte en in den algemeenen staat van wantrouwen alle biljetten, onverschillig door welke Bank ze waren uitgegeven, aangeboden werden ter inlossing); en terwijl degene, die de leening wilde sluiten, buiten bleef wachten, ging de directeur de Bank binnen om het terrein te verkennen. Hij ging naar de directeurskamer en vervolgens achter het loket, zeide niet veel, maar zette zijn oogen goed open en bemerkte zoodoende de buitengewoon groote paketten bankbiljetten in de brandkasten en laden, die in den laatsten tijd aangeboden waren om uitbetaald te worden. Verdere bewijzen van de finantieele sterkte van zijn Bank achtte hij overbodig, en hij liep dus weer naar buiten om zijn vriend mee te deelen dat alles in orde was. Daarop ging deze naar binnen, en vroeg, vol vertrouwen op een gunstig antwoord, of men hem geld wilde verschaffen. Tot zijn groote verbazing ontving hij evenwel het gebruikelijke beleefde antwoord, “dat zij hem gaarne terwille zouden zijn, maar dat zij waarlijk geen geld hadden.”
“Geen geld!” zeide de diaken, toen hij den uitslag van de aanvrage te hooren kreeg. “Geen geld! Hoe kunnen zij zoo liegen, terwijl ik zooeven gezien heb dat de brandkasten en alle laden vol met geld zijn? Als een Christenmensch en lid van het kerkbestuur kan ik het niet met mijn geweten overeenbrengen om nog langer directeur en aandeelhouder te te blijven van zulk een immoreel kantoor.” En toch, wanneer de brave diaken in zijn latafel thuis een aantal schuldbewijzen van hemzelf gevonden had, onderteekend en klaarliggend om uitgegeven te worden, maar nog niet uitgegeven, dan zou hij zichzelf niet veel rijker geacht hebben door het feit van hun bestaan, maar integendeel zou het een groote rust voor hem geweest zijn om die papieren veilig achter slot en grendel te weten, of nog beter ze voor zijn oogen te zien verbranden tot een hoopje asch. En toch kon hij maar niet begrijpen, waarom de bankbiljetten geen geld waren, dat ten allen tijde en onder alle omstandigheden gebruikt kon worden.