EEN KERSTLIED.
Cilia Stoffel translation
Het kerstlied door een koor van frissche kinderstemmen gezongen is misschien de volmaaktste uitdrukking van den geest van Kerstmis.
Dit geldt vooral van de oude Engelsche en Duitsche kerstliederen, die naarmate de jaren vlieden steeds lieflijker, heerlijker, volmaakter uitdrukking van de liefde en het welbehagen worden die ze deden ontstaan. Toch wordt altijd met kersttijd de herinnering bij me wakker aan een lied, het lieflijkste van alle, dat voor mij alleen werd gekweeld door een zanger uit het hooge Noorden, terwijl de wind in de dennen een zachte begeleiding zoemde.
Ongetwijfeld hebben veel lezers ’s winters wel vluchten vreemde vogels gezien—donzige, grijze gasten, bijna zoo groot als een roodborst, die met zacht fluitende loktonen over ’t gras rondvliegen, of op den grond aan ’t pikken zijn zoo tam en onbevreesd, dat ze ternauwernood op zij gaan wanneer je aankomt. De snavel is kort en dik, de kop van achteren en een groote vlek juist boven den staart zijn goudbruin, en over de vleugels loopen dubbele, smalle, witte strepen. Verder is hij heelemaal zachtgrijs: donker bovenop en licht van onderen. Wanneer je er op den grond bespiedt, zul je zien dat ze een eigenaardige manier van zich voort te bewegen hebben, als de gouden specht in dezelfde omstandigheden. Soms zetten ze ’t eene pootje voor het andere in een grappig poginkje om deftig te stappen als de lijsters; dan weer hippen ze als een roodborst, maar veel onhandiger, alsof ze niet aan loopen gewend waren en niet precies wisten hoe ze hun pootjes gebruiken moesten—wat dan ook zoo is.
Iets merkwaardigs, dat we bij die vluchten ’s winters zien, is dat ze bijna geheel uit wijfjes bestaan. Het mannetje komt heel zelden bij ons voor. Je kunt hem onmiddellijk aan zijn vroolijke kleur en zijn mooie, roode borst herkennen. Soms zijn er een paar jonge mannetjes in de vluchten; maar voordat de eerste paartijd hun borstveeren dieproode tipjes gegeven heeft, zijn ze bijna niet te onderscheiden van hun sobergetinte metgezellen.
Op een Kerstmorgen, een jaar of wat geleden, lag de versch gevallen sneeuw smetteloos wit over alle bosschen en velden. Ze was zacht en hechtte zich, toen ze op Kerstavond viel. Nu was elke oude muur en heining een glinsterend wit gebeeldhouwde bank, elke paal en boomstomp had een zachten, witten mantel en een groote witte muts, struiken en boschjes waren een heerlijk tooverland van witte bogen en flonkerende zuilen en donkere grotten, ingesloten door ragfijn vrieswerk van zilver en juweelen. En dan de heerlijkheid, zoo oogverblindend schoon dat er geen woorden voor te vinden zijn, toen de zon opging en er over scheen!
Voor zonsopgang was ik buiten. Al gauw bracht de springende vlucht en ’t opgewekte goedenmorgen van een donzigen specht me naar een oud stuk land, waar groepjes sparren verspreid stonden. Er is geen beter tijd om eens rustig de vogels te begluren dan ’s morgens na een sneeuwjacht, en geen beter plaats dan tusschen de sparren. Als je ze kunt snappen (wat nog niet zoo zeker is, want ze kunnen soms geheimzinnig vóór een storm verdwijnen), zul je ze ongekend rustig vinden; ze willen je onderzoek wel verdragen, ’t kan hun niet schelen nu, terwijl ze anders zouden wegvliegen naar nog dichter schuilplaatsen.
Dicht bij me stond een eenzame sparreboom met een ruigen top. De vogel, wie hij dan ook was, was daar gaan slapen dicht tegen den stam gedrukt, zooals vogels dat doen om zich te beschermen. Gedurende den nacht had de sneeuw zich steeds dikker en dikker op de buigzame takken getast. Hun toppen bogen onder ’t gewicht, tot ze lager den stam raakten en een groen priëel vormden, waar omheen de sneeuw zich den heelen nacht door opstapelde, zoodat het geheel ingesloten was. De vogel zat er in gevangen en zong toen de ochtendzon door de muren van zijn gevangenis scheen.
Eens, veel later, heb ik zijn zachter minnelied gehoord en zijn nest gevonden in ’t hartje van een woud in Nieuw-Brunswijk. Tot dien tijd was het niet bekend dat hij ooit zuidelijker dan Labrador nestelde. Maar dat zelfs en de vreugde over de ontdekking misten de bekoring van zijn zeldzaam lieflijken zang, die geheel ongezocht en onverwachts kwam zooals alle goede zaken, terwijl onze eigen vogels hun kersttijd doorbrachten en den zonneschijn zingend begroetten in Florida.