Note 5 — EEN KERSTLIED.
Cilia Stoffel translation
Ik was nauwelijks den muur over, toen ik stilstond bij ’t hooren van een nieuw vogellied, zoo verwonderlijk liefelijk, dat het niet anders dan een kerstboodschap kon zijn, en toch paste het daar zoo heelemaal niet, dat de hoorder er aan stond te twijfelen of zijn ooren hem bedrogen, en zich afvroeg of de muziek of het landschap niet plotseling als iets onwezenlijks zou verdwijnen. Het lied duurde voort—een zacht, welluidend gekweel vol lieflijkheid en geheimzinnige bekoring, maar ’t wekte herinneringen aan weiden in Juni en een zomerschen zonsopgang, veel meer dan aan sparren met sneeuw beladen en Kerstmis. Om alles nog onwerkelijker te maken, kon geen oor onderscheiden waar ’t gezang vandaan kwam; het eigenaardige gedempte er van verborg de herkomst volkomen. Ik doorzocht de boomen vóór me,—daar was geen vogel. Ik keek om,—daar was geen plek waar een vogel kon zingen. Ik herinnerde me den roodstaart5 en hoe die soms van tusschen de rotsen roept en weigert zich te vertoonen, en snel verdwijnt en zich verstopt als je naar hem zoekt. Ik onderzocht den muur, maar geen vogelspoor teekende zich af op de sneeuw. Al dien tijd ging het wonderbaarlijke gezang voort, nu in de lucht, dan dicht bij me, en ’t werd hoe langer hoe verwarrender naarmate ik luisterde. Het kostte me een goed half uur, om de plek waar ’t geluid vandaan kwam te bepalen; toen begreep ik het.