IN DE GERECHTSZAAL.
Margaretha Meijboom translation
I.
We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.
Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het onderhoud van een onecht kind.
Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse de dochter van een armen keuterboer en de beklaagde een getrouwd man is.
Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.
Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.
Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich heel goed; hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het minst bezwaart.
Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed af te leggen.
Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint te zoeken in zijn vestzakje en haalt een bewijs van den predikant voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en niets hem verhindert om dien af te leggen.
Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde in het aangezicht heeft kunnen zien.
Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar stappen naar de stoel van den rechter, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer staan.
„Het is toch niet mogelijk,” schijnt ze in zichzelf te zeggen, „hij kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.”
Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te krijgen, die onder stapels folianten ligt verborgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.
De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. Ze dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.
Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de rechter moet het hem immers beletten.
De rechter is zoo’n verstandig man en hij weet wel, wat de menschen denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was? De rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar werk hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd hebben, als zij daar geen recht toe had.
De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man. En als hij dat weet, moet hij immers de eedaflegging beletten.
Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan is in te grijpen.
Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.
Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop moet hebben.
Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gevaar van een valschen eed heeft overwogen.
De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.
De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.
Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.
Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.
Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort—dat het in het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in het hoofd.
Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.
Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.
Er was niets verschrikkelijker dan een meineed, er was iets geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.
Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel moet leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het eedsformulier te vinden.
Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn hand wegstooten.
Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.
De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.
Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal voor dit en zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar hulpeloosheid, het is alles háár schuld, omdat zij hem heeft aangeklaagd.
Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te krijgen?
Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo’n vreeselijke zonde zou begaan.
Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. Over een oogenblik zal de daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.
Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen eed, dat zal hij niet.
De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet zich ook tegen hem.
„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”
Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte,” en allen blijven onbeweeglijk staan.
„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de rechter met dezelfde harde en strenge stem.
Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
„Hij zal den eed niet doen.”
„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.
Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.
„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met steeds scherper stem.
„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”
„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand verloren?”
Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
Ze zegt langzaam, ernstig, duidelijk, terwijl ze den rechter strak aanziet: „Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”
Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van haar af.
Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
Al het slappe en ontevredene in zijn trekken verdwijnt, en zijn groot, grof gezicht wordt mooi, door zijn mooie ontroering.
„Zie eens,” denkt de rechter, „zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal mij niet meer over hen ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de geringsten te vinden is.”
Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt. En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun ziel.
En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
Het laatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat hij met gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” zegt hij tegen den griffier.
De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”
De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: „Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”
De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij zijn zwaren stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse toe.
„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.
Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar tranen met den opgerolden zakdoek.
„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand en schudt die alsof het de hand van een echten, flinken man was.
II.
Niemand moet nu meenen, dat het meisje na zoo’n moeilijk uur te hebben doorgemaakt daar voor de rechtbank, zelf meende, dat ze iets prijzenswaardigs had gedaan. Ze meende integendeel, dat ze te schande was gemaakt voor de heele gemeente. Ze begreep niet, dat er iets vereerends in was, dat de rechter naar haar toe gekomen was en haar de hand gedrukt had. Ze meende, dat dit enkel beteekende, dat de zaak was afgedaan en dat zij moest heengaan.
Ze zag ook niet, dat de menschen haar vriendelijk aanzagen, en dat er velen waren, die haar de hand wilden drukken. Ze sloop maar weg en wilde heengaan. Maar ginds bij de deur was gedrang. De zitting was opgeheven en er waren velen, die zich haastten om naar buiten te komen. Zij trok zich terug en was ongeveer de laatste, die de gerechtzaal verliet. Zij vond, dat alle anderen haar voor moesten gaan.
Toen ze eindelijk naar buiten kwam stond Gudmund Erlandssons wagentje ingespannen voor de stoep. Gudmund zat in ’t rijtuig met de leidsels in de hand, en scheen op iemand te wachten. Zoodra hij haar zag onder de menschen, die de gerechtszaal uitstroomden, riep hij haar toe: „Kom hierheen Helga. Je kunt met mij meerijden. We moeten toch denzelfden kant uit.”
Maar hoewel ze haar naam hoorde, kon zij toch niet gelooven, dat hij háár riep. Dat was niet mogelijk, dat Gudmund Erlandsson met haar zou willen rijden. Hij was de aanzienlijkste jonge man uit de heele gemeente. Jong en mooi, van goede familie en algemeen bemind. Zij kon niet gelooven, dat hij iets met haar te maken wilde hebben.
Zij had den hoofddoek ver over het voorhoofd getrokken en liep hem haastig voorbij, zonder op te zien of te antwoorden.
„Hoor je niet, Helga, dat je met mij meê kunt rijden,” zei Gudmund toen, en er was iets heel vriendelijks in zijn stem. Maar zij kon maar niet begrijpen, dat hij het goed met haar meende. Ze dacht, dat hij haar op de een of andere manier voor den gek wilde houden, en verwachtte, dat zij die er bij stonden, zouden beginnen te proesten en te schateren van ’t lachen. Ze wierp hem een verlegen, half boozen, half bedroefden blik toe en liep bijna hard van ’t plein voor de rechtszaal weg om buiten ’t gehoor te wezen als ’t geschater begon.
Gudmund was toen nog ongetrouwd en woonde bij zijn ouders thuis. Zijn vader bezat een hoeve. ’t Was geen groote boerderij en hij was niet rijk, maar hij was toch welgesteld. De zoon was naar het Ting gegaan om koopwaren voor zijn vader te halen; maar omdat hij ook nog een andere bedoeling met zijn tocht had, was hij bizonder goed toegerust. Hij had den nieuwen wagen genomen, die nog geen enkel barstje in de verf had, ’t paard had hij geroskamd tot het glansde als zijde en hij had het tuig gepoetst. Naast zich op den wagen had hij een mooi rood dek gelegd en zelf had hij een kort jachtbuis aan, hooge laarzen, die over de broek gingen, en een kleinen grijzen vilten hoed op. Dat was geen feestcostuum, maar hij wist wel, dat hij er deftig en manlijk uitzag.
Gudmund had alleen in ’t wagentje gezeten, toen hij dien morgen van huis ging, maar hij had iets prettigs om over te denken en de tijd was hem niet lang gevallen. Toen hij ongeveer halfweg gekomen was reed hij een arm meisje voorbij, dat heel langzaam liep en er uitzag, alsof zij van vermoeidheid de voeten bijna niet verzetten kon. ’t Was herfst, de weg was van regen doorweekt en Gudmund zag hoe zij bij iederen stap diep in de modder zonk. Hij hield stil en vroeg waar zij heen moest en toen hij hoorde, dat zij naar het Ting zou gaan, bood hij haar aan meê te rijden. Zij nam dat aanbod dankbaar aan en klom achter op het smalle plankje, waaraan de hooizak was vastgebonden, alsof ze het roode dek naast Gudmund niet durfde aan te raken. ’t Was ook zijn bedoeling niet geweest, dat zij naast hem zou gaan zitten. Hij wist niet wie zij was, maar hij dacht wel, dat zij de dochter van een of anderen armen hutbewoner was en hij vond, dat het goed genoeg voor haar was achter op den wagen te zitten.
Toen de weg een heuvel opging en ’t paard langzamer liep, begon Gudmund te praten. Hij wilde weten hoe ze heette en waar zij thuis hoorde. Toen hij hoorde, dat zij Helga heette en van een kleine keuterboerderij bij ’t bosch kwam, die de Moerashoeve heette, begon hij onrustig te worden.
„Ben je altijd thuis geweest, of heb je ook gediend,” vroeg hij.
’t Laatste jaar was zij thuis geweest; vroeger had ze gediend.
„Bij wie?” vroeg Gudmund heel snel.
Hij vond, dat het lang duurde eer ’t antwoord kwam.
„Op de Westerhoeve, bij Peter Maartenszoon,” zei ze eindelijk en haar stem klonk zóó zacht, alsof ze liever niet had, dat hij ’t hoorde. Maar Gudmund hoorde het wel.
„O zoo. Dan ben jij dat, die …” zeide hij, maar ging niet verder. Hij wendde zich van haar af, ging recht in ’t wagentje zitten en zei geen woord meer tegen haar.
Gudmund gaf de paarden den eenen zweepslag na den anderen, vloekte luid over den slechten weg en scheen heel slecht gehumeurd. ’t Meisje zweeg een poos; maar al spoedig voelde Gudmund haar hand op zijn arm.
„Wat wil je?” vroeg hij, zonder om te zien.
Ja, hij moest even stilhouden, zoodat ze van den wagen springen kon.
„Och waarom?” zei Gudmund verachtelijk. „Zit je niet goed?”
„Ja, dank je wel:—maar ik wil liever loopen.”
Gudmund was wat in tweestrijd. ’t Was vervelend, dat hij juist dien dag iemand als Helga had aangeboden om mee te rijden. Maar hij vond ook, dat hij, nu hij haar op den wagen genomen had, er haar niet weer afjagen kon.
„Houd stil, Gudmund!” zei ’t meisje nog eens. Zij sprak vast besloten en Gudmund hield de teugels in.
„Ze wil immers zelf uitstappen,” dacht hij. „Ik hoef haar toch niet te dwingen tegen haar zin mee te rijden.”
Zij stond al op den weg, bijna nog vóór het paard stilhield.
„Ik dacht, dat je wist wie ik was, toen je me aanbood om mee te rijden,” zei ze. „Anders zou ik niet op den wagen gekomen zijn.”
Gudmund zei haar kortaf goedendag en reed door.
Ze had wel reden gehad te denken, dat hij haar kende. Hij had immers ’t meisje van de Moerashoeve zoo dikwijls als kind gezien, maar ze was zoo veranderd, nadat zij volwassen was. Eerst was hij heel blij, dat hij die reisgenoot kwijt was; maar zoo langzamerhand begon hij ontevreden over zich zelf te worden. Hij had niet best anders kunnen doen, maar vond het toch niet prettig iemand pijn te doen …
Een poosje nadat Gudmund van Helga was weggereden, week hij van den weg af, reed een nauwe laan in en kwam aan een groote, prachtige hoeve. Toen hij voor de stoep stilhield, ging de deur open en een van de dochters vertoonde zich op den drempel. Gudmund nam den hoed af en groette en tegelijk ging een lichte blos over zijn gezicht.
„Ik zou graag weten of de rechter thuis is,” zeide hij.
„Neen, Vader is naar het Ting,” antwoordde de dochter.
„O zoo, is hij al weg?” zei Gudmund. „Ik kwam hier om te vragen of hij met mij meê wilde rijden. Ik ga ook naar het Ting.”
„Vader heeft altijd zoo’n haast,” klaagde de dochter.
„Nu, ’t is zoo erg niet,” zei Gudmund.
„Vader zou wel graag met zoo’n prachtig paard en in zoo’n mooien wagen gereden hebben,” zei ’t meisje vriendelijk.
Gudmund glimlachte even bij ’t hooren van dien lof.
„Ja, dan moet ik weer weg,” zei hij.
„Wil je niet binnen komen?”
„Neen dank je, Hildur, ik moet immers naar het Ting. Ik mag niet te laat komen.”
Gudmund reed nu regelrecht naar het Tinggebouw. Hij was heel opgewekt en dacht niet meer aan zijn ontmoeting met Helga. Wat een geluk, dat Hildur juist op de stoep gekomen was, zoodat zij den wagen en het dek en ’t paard met het tuig gezien had. Ze had op dat alles zeker wel gelet.
’t Was voor ’t eerst, dat Gudmund op het Ting kwam. Hij vond, dat daar veel te hooren en te zien was en bleef er den geheelen dag. Hij zat in de gerechtszaal, toen Helga’s zaak vóór kwam, zag hoe zij den Bijbel naar zich toe trok en volhield tegenover de politieagenten en de rechters.
Toen alles voorbij was en de rechter Helga de hand gedrukt had, stond Gudmund haastig op en ging naar buiten. Hij spande vlug het paard voor den wagen en reed voor de stoep. Hij vond, dat Helga dapper was geweest en nu wilde hij haar eer bewijzen. Maar ze was zóó schuw, dat zij de bedoeling niet begreep, maar weg sloop van de eer, die haar was toegedacht.
Denzelfden dag kwam Gudmund naar de Moerashoeve, laat op den avond. ’t Was een klein boerderijtje, dat aan den rand van een met bosch begroeiden bergrug lag, die de gemeente omgaf. De weg, die daarheen ging, was alleen in den winter te berijden, als de wegen hard waren en Gudmund had te voet moeten gaan. Hij had moeite gehad om voort te komen. Hij had bijna zijn beenen gebroken over stokken en steenen, en had door beken moeten waden, die op verscheidene plaatsen midden over het pad liepen. Als het geen heldere maneschijn geweest was dan had hij de boerderij niet kunnen vinden en hij dacht er aan, dat ’t een zware gang was, dien Helga dien dag had moeten doen.
De Moerashoeve lag op een ontgonnen plek, ongeveer half tegen den bergrug op. Gudmund was er vroeger nooit geweest, maar hij had de plaats dikwijls van uit het dal gezien, en hij kende die genoeg om te weten, dat hij terecht was.
Rond om de plaats was een haag van dorre takken, die heel dicht was en moeilijk om over te springen. Die moest zeker als ’t ware een verweer vormen tegen al de woeste velden, die om de boerderij lagen. De hut stond bovenaan in de omheinde plek. Daarvoor breidde zich een afhellende plaats uit, met kort groen gras begroeid en daar onder aan lagen een paar grijze bijgebouwtjes en een kelder met een dak van groene zoden. ’t Was een kleine armoedige hoeve, maar toch kon men niet ontkennen, dat het mooi was daarboven.
’t Moeras, waar de boerderij naar heette, lag ergens in de buurt en zond zijn dampen omhoog; ze kwamen prachtig zilver-glanzend aanrollen in den maneschijn en vormden een krans om den bergrug. De hoogste top van den berg stak nog boven den nevel uit en de bovenste kant, met puntige dennenbosschen afgezet stak scherp af tegen den hemel. Beneden over ’t dal lag ’t maanlicht, zóó helder, dat men ’t veld en de omliggende hoeven en de kronkelende beek kon onderscheiden waarover de nevel zweefde als fijne rook. ’t Lag alles niet ver weg; maar het eigenaardige was, dat het dal daar lag als een vreemde wereld, waarmee al wat bij het bosch hoorde, niets scheen te maken te hebben. ’t Was alsof de menschen, die daar in de hoeve bij ’t bosch woonden, altijd onder de boomen moesten blijven. Ze zouden even weinig daar beneden in het dal kunnen aarden als het korhoen, de steenuil, de los, het heikruid en de boschbloemen.
Gudmund ging over ’t open grasveld naar het huisje. Door het raam stroomde licht naar buiten; er hing niets voor de ruiten en hij keek naar binnen om gewaar te worden of Helga in de kamer was. Een klein lampje brandde op een tafel voor ’t venster en daar zat de huisvader oude schoenen te lappen. De huismoeder zat verder achter in de kamer bij den haard, waar een flauw vuur brandde. Zij had een spinnewiel voor zich, maar ze was met het werk opgehouden om met een klein kindje te spelen. Ze had het uit de wieg genomen en Gudmund kon hooren, waar hij stond, hoe ze er tegen praatte. Haar gezicht was vol rimpels, en zij zag er streng uit; maar als ze zich over ’t kind boog, werden haar oogen zacht en ze lachte even teer tegen het kleintje, als de eigen moeder zou gedaan hebben.
Gudmund zag rond naar Helga; maar kon haar nergens in de kamer ontdekken. Hij vond toen, dat het ’t beste was buiten te blijven tot ze kwam. Hij was er verwonderd over, dat ze nog niet thuis gekomen was. Misschien was ze onderweg bij bekenden binnengegaan om te rusten en iets te eten. Maar in alle geval moest ze spoedig komen, als ze vóór den nacht onder dak wezen wou.
Gudmund stond een poos stil midden in de hoeve en luisterde of hij ook voetstappen hooren kon. ’t Was doodstil, geen windje bewoog zich. ’t Was hem of hij vroeger nooit zóó’n stilte had opgemerkt. ’t Was alsof ’t heele bosch den adem inhield en op iets bizonders stond te wachten. Niemand liep door ’t bosch. Geen tak werd gebroken, geen steentje rolde weg. Helga was nog in lang niet te verwachten.
„Ik ben benieuwd wat ze zeggen zal als ze me hier ziet,” dacht Gudmund. „Ze zal misschien schreeuwen en ’t bosch inloopen en den heelen dag niet weer thuis durven komen.”
Op eens viel ’t hem in hoe wonderlijk het toch was, dat hij nu in eens zooveel te maken kreeg met dat arme boerenmeisje.
Toen hij van het Ting was thuisgekomen was hij zooals gewoonlijk naar zijn moeder gegaan om haar alles te vertellen, wat hij dien dag beleefd had. Gudmunds moeder was wijs en groot van ziel en had altijd zoo met hem weten om te gaan, dat hij nog even vertrouwelijk met haar sprak, als toen hij een kind was. Zij was reeds verscheiden jaren ziek; ze kon niet loopen, maar zat den geheelen dag stil in haar stoel. ’t Was altijd een goed oogenblik voor haar, als Gudmund van een reis thuiskwam en nieuwtjes meebracht.
Toen Gudmund van Helga van de Moerashoeve verteld had, zag hij, dat zijn moeder nadenkend werd. Ze zat lang stil voor zich uit te kijken.
„Er schijnt toch wat goeds in dat meisje te zitten,” zei ze toen. „’t Gaat toch niet aan, iemand uit te stooten, omdat ze eenmaal wat verkeerds heeft gedaan. ’t Zou wel kunnen zijn, dat ze zich er dankbaar voor toonde, als iemand haar nu bijstond.”
Gudmund begreep dadelijk waar zijn Moeder aan dacht. Ze kon nu zich zelf niet langer helpen, maar moest voortdurend iemand om zich heen hebben, die tot haar dienst was. Maar ’t was altijd moeilijk iemand te vinden, die daar bij haar wilde blijven. Zijn moeder was veeleischend en ’t was haar niet gemakkelijk naar den zin te maken, en bovendien wilden alle jonge menschen liever ander werk hebben, waarbij ze meer vrijheid hadden. Nu was zijn moeder waarschijnlijk op de gedachte gekomen, dat ze Helga van de Moerashoeve in haar dienst wilde hebben, en Gudmund vond, dat dit een goed voorstel was. Helga zou zeker veel van zijn moeder gaan houden. ’t Zou wel kunnen gebeuren, dat zij op die manier voor langen tijd geholpen waren.
„’t Zal ’t ergste zijn met het kind,” zei de moeder een oogenblik later, en Gudmund kon wel merken, dat zij ernstig over de zaak dacht.
„Dat zou bij de grootouders moeten blijven,” zei Gudmund.
„’t Is niet zeker, dat zij het afstaan wil.”
„Ze zal wel niet zoo heel veel moeten denken over wat ze wil of niet wil. Ik vond, dat ze er uitgehongerd uitzag. Ze hebben zeker niet veel te eten op de Moerashoeve.”
Daarop antwoordde de moeder niet; maar begon over wat anders te spreken. ’t Was merkbaar, dat ze op nieuwe bezwaren gestuit was, die haar beletten een besluit te nemen.
Gudmund begon nu te vertellen hoe hij een boodschap bij den rechter bedacht en Hildur gezien had. Hij sprak over wat ze van zijn paard en den wagen had gezegd en ’t was duidelijk, dat hij blij met die ontmoeting was. Zijn moeder was er ook zeer over tevreden. Terwijl ze zoo onbewegelijk in de kamer zat was zij voortdurend bezig allerlei plannen te maken voor de toekomst van haar zoon, en zij was ’t, die ’t eerst op de gedachte gekomen was, dat hij moest probeeren de mooie rechtersdochter het hof te maken. ’t Was ’t allerbeste huwelijk, dat hij doen kon. De rechter was een van de aanzienlijkste boeren. Hij bezat de grootste hoeve in de gemeente en was een machtig en rijk man. ’t Was eigenlijk àl te vermetel om te hopen, dat hij een schoonzoon zou aannemen, die geen grooter vermogen had dan Gudmund; maar het was ook mogelijk, dat hij zich zou voegen naar den wensch van zijn dochter. En dat Gudmund Hildur zou kunnen winnen, als hij wilde—daar was de moeder van overtuigd.
’t Was de eerste keer, dat Gudmund zijn moeder liet merken, dat die gedachten bij hem wortel geschoten had en nu spraken zij lang over Hildur en over al de rijkdommen en voordeelen, die ten deel zouden vallen aan den man, die haar tot vrouw kreeg. Maar spoedig werd het gesprek weer gestaakt, omdat de moeder opnieuw in haar overdenkingen was verdiept geraakt.
„Zou je nu niet iemand om die Helga kunnen sturen? Ik zou haar wel willen zien, eer ik haar in dienst nam,” zei ze eindelijk.
„’t Zou goed zijn als u zich over haar wildet ontfermen, Moeder,” zei Gudmund en dacht in stilte, dat als zijn moeder een verzorgster had, waar zij het goed mee kon vinden, zijn vrouw een prettiger leven zou hebben. „U zult zien, dat u met dat meisje wel tevreden zult zijn,” ging hij voort.
„’t Zou ook een goed werk wezen haar nu in bescherming te nemen,” zei de moeder.
Toen het donker begon te worden ging de zieke naar bed en Gudmund naar den stal om de paarden te verzorgen. ’t Was mooi weer, de lucht was helder en de geheele streek werd overstroomd met maanlicht. Hij kwam op de gedachte, dat hij naar de Moerashoeve moest gaan om nog dienzelfden avond zijn moeders groeten over te brengen. Als het weer zich goed hield zouden ze het den volgenden dag druk krijgen met het binnenbrengen van de haver, zoodat hij, noch een van de anderen tijd zou hebben om daarheen te gaan.
Toen nu Gudmund buiten stond te luisteren, voor de Moerashoeve, hoorde hij wel is waar geen voetstap, maar er waren andre geluiden, die met korte tusschenpoozen scherp door de stilte klonken. ’t Was een zacht klagen, een stil en gesmoord gejammer en nu en dan snikken. Gudmund meende op te merken, dat het uit de schuur kwam en ging daarheen. Toen hij er dicht bij kwam hield het snikken op; maar ’t was duidelijk te merken, dat iemand zich bewoog in de bewaarplaats voor het brandhout. Gudmund meende op eens te begrijpen wie daarbinnen was.
„Ben jij het, Helga, die hier zit te schreien?” zei Gudmund en ging in de deur staan, om te voorkomen, dat het meisje zou wegloopen vóór hij met haar gesproken had.
Weer werd het volkomen stil. Gudmund had goed geraden, dat het Helga was, die daar zat te schreien; maar zij beproefde haar snikken te smoren, opdat Gudmund meenen zou, dat hij verkeerd gehoord had en heen zou gaan. Het was pikdonker in het hok en ze wist, dat hij haar niet zien kon.
Maar Helga was zóó wanhopend dien avond dat het niet gemakkelijk voor haar was haar tranen in te houden. Ze was nog niet in huis geweest om haar ouders te zien. Daar had ze geen moed voor gehad. Toen zij in de schemering de groote heuvels opklom en er aan dacht, dat zij nu aan haar ouders moest vertellen, dat zij geen steun van Peter Maartenszoon zou krijgen voor de opvoeding van haar kind, was ze zoo bang geworden voor al het harde en wreede, dat ze meende te zullen moeten aanhooren, dat ze niet naar binnen had durven gaan. Ze vond, dat ze maar buiten moest blijven, tot haar ouders naar bed waren; want dan hoefde zij over dat ongeluk niet te spreken vóór den volgenden dag. En daarom had zij zich in het schuurtje met brandhout verstopt.
Maar terwijl ze daar zat en koude en honger leed werd het haar eerst recht duidelijk hoe arm en verlaten zij was. Alle schande en angst, die ze al had doorgemaakt en alle angst en schande, die ze nog zou moeten doormaken stond haar helder voor oogen en drukte haar als lood. Ze schreide om zichzelf, omdat ze zóó ellendig was, dat niemand van haar weten wou. Ze herinnerde zich hoe ze eens als kind in een modderpoel in ’t groote moeras was gevallen en recht naar beneden gezonken. Hoe meer ze zich had ingespannen om naar boven te komen, hoe dieper ze er in was neergezakt. Alle grasbosjes en kleine struiken, die ze had gegrepen, hadden losgelaten. Zoo was het nu ook. Alles waar ze naar probeerde te grijpen, om zich boven te houden, begaf haar. Niemand wilde haar helpen. Toen ze in het moeras zakte, was er eindelijk een herdersjongen gekomen, die haar er uitgetrokken had, maar nu kwam er niemand om haar te redden. Nu zou ze zeker moeten vergaan.
Toen Helga aan het moeras begon te denken werd het haar op eens duidelijk, dat het beste wat ze doen kon was daarheen te gaan—den modderpoel in—en zich daar te laten zinken en begraven. Wie zóó slecht was, dat geen mensch iets met haar te maken wou hebben, kon wel niets beters doen dan sterven. Het zou ook het beste voor het kind wezen, als zij weg was; want Helga’s moeder had het lief, hoewel ze dat niet toonen wou als Helga thuis was. Maar als Helga voor goed weg was, dan zou de grootmoeder het kind verzorgen, alsof het haar eigen was.
Ze begreep niet, dat ze midden in haar grootste ellende iets gedaan had, dat de menschen beter over haar deed denken. Ze werd er met ieder oogenblik meer van overtuigd, dat het groote moeras het eenige geschikte toevluchtsoord voor haar was. En hoe beter ze dat begreep, hoe meer ze schreide. ’t Was daarom niet gemakkelijk voor haar heur tranen te bedwingen. Het duurde niet lang voor ze opnieuw begon te snikken.
Gudmund kon zich niets ergers denken dan vrouwen, die schreiden. Hij had ’t allermeeste lust dadelijk heen te gaan; maar hij vond, dat nu hij de moeite gedaan had naar de hoeve te komen, hij toch ook zijn boodschap moest overbrengen.
„Wat scheelt je?” zei hij op scherpen toon tot Helga. „Waarom ga je niet naar binnen?”
„Och, ik durf niet,” antwoordde Helga en haar tanden klapperden terwijl ze sprak. „Ik durf niet.”
„Waar ben je bang voor? Je hieldt je vandaag immers goed voor de veldwachters en de rechters samen. Je kunt toch niet bang zijn voor je ouders.”
„Ach ja, ach ja, die zijn veel erger dan alle anderen.”
„Waarom zouden ze nu juist vandaag boos zijn?”
„Ik krijg immers geen geld.”
„Je ben toch wel zoo’n flink meisje, dat je het brood verdienen kunt voor jou en je kind.”
„Ja, maar niemand wil me in dienst hebben.”
Op eens kwam ’t Helga in de gedachten, dat ’t gebeuren kon, dat haar ouders hun stemmen hoorden en naar buiten kwamen om te vragen wie daar samen spraken. En dan zou ze genoodzaakt zijn hun alles te vertellen. Dan zou ze zich niet meer kunnen redden daar beneden in ’t moeras. En in haar schrik sprong ze op en wilde Gudmund voorbij loopen. Maar hij was haar te vlug. Hij greep haar bij den arm en hield haar vast. „Neen, je komt hier niet vandaan voor ik met je gesproken heb.”
„Laat me gaan!” zei ze en zag hem woest aan.
„Je ziet er uit, alsof je in ’t moeras wilt springen,” zei hij, want nu stond ze buiten in ’t maanlicht, en hij kon haar gezicht zien.
„Ja, dat zou er ook niets toe doen, als ik dat deed,” zei Helga en wierp op eens ’t hoofd in den nek en zag hem vlak in de oogen. „Van morgen wilde je me niet eens achter op je wagen laten zitten. Niemand wil iets met me te maken hebben. Je kunt toch wel begrijpen, dat het ’t allerbeste is voor zoo’n stumper als ik, dat ik er een eind aan maak.”
Gudmund wist niet wat hij doen moest. Hij wenschte zich mijlen ver; maar hij vond ook dat hij een mensch, dat zóó wanhopig was, niet aan haar lot kon overlaten.
„Luister nu. Beloof me, dat je zult luisteren naar wat ik je te zeggen heb, en dan mag je gaan waar je wilt.”
Ja, dat beloofde ze.
„Is hier iets om op te zitten?”
„Ja, daar staat immers het hakblok.”
„Ga daar dan op zitten en wees stil.”
Ze liep heel gehoorzaam naar ’t blok en ging zitten.
„Schrei nu niet meer,” zei hij, want hij vond, dat hij begon macht over haar te krijgen. Maar dat had hij niet moeten zeggen, want ze legde dadelijk haar hoofd in de handen en schreide erger dan ooit.
„Schrei niet,” zei hij en hij was op het punt van te stampvoeten. „Er zijn er wel, die het erger hebben dan jij.”
„Neen, niemand kan het erger hebben.”
„Je bent jong en gezond. Je moest eens weten hoe mijn moeder het heeft. Ze is zóó geplaagd door rheumatiek, dat ze zich niet verroeren kan; maar ze klaagt nooit.”
„Zij is niet door iedereen verlaten zooals ik.”
„Jij ben ook niet verlaten. Ik heb met Moeder over je gesproken. En Moeder heeft me naar je toe gestuurd.”
Het snikken hield een oogenblik op. ’t Was alsof men de groote stilte hooren kon in ’t bosch, dat altijd als met ingehouden adem op iets wonderlijks wachtte.
„Ik moest je haar groeten doen en zeggen, dat je eens bij Moeder moest komen, zoodat Moeder je eens zien kon. Moeder denkt er over je te vragen of je bij ons in dienst wilt komen.”
„Denkt ze er over mij dat te vragen?”
„Ja, maar ze wil je eerst zien.”
„Weet ze, dat …”
„Ze weet evenveel van je als ieder ander.”
’t Meisje sprong op met een kreet van verwondering en blijdschap en ’t volgend oogenblik voelde Gudmund een paar armen om zijn hals. Hij was heelemaal verschrikt en zijn eerste gedachte was zich los te rukken, maar toen werd hij kalm en bleef staan. Hij begreep, dat het meisje zoozeer buiten zich zelf was van blijdschap, dat zij niet wist wat zij deed. Op dat oogenblik zou ze den eersten den besten schooier om den hals hebben kunnen vallen, alleen maar om wat meêgevoel te hebben in dat groote geluk, dat over haar gekomen was.
„Als ze mij in dienst nemen wil, dan kan ik immers blijven leven,” zei ze, legde haar hoofd aan Gudmunds borst, en schreide weer; maar niet zóó heftig als te voren. „Je kunt wel begrijpen, dat ik ’t ernstig meende, dat ik in ’t moeras loopen wou,” zei ze toen. „O, ik dank je, dat je gekomen bent. Je hebt mijn leven gered.”
Gudmund was tot nu toe onbewegelijk blijven staan, maar nu voelde hij iets warms en teers, in zijn binnenste in beweging komen. Hij hief de hand op en streek haar over het haar. Toen sprong ze op, alsof hij haar uit een droom had gewekt.
„Ik dank je, dat je gekomen bent,” zei ze nog eens. Ze was vuurrood geworden en hij bloosde ook.
„Ja, dan kom je morgen bij ons,” zei hij en reikte haar de hand om afscheid te nemen.
„Ik zal nooit vergeten, dat je van avond bij me gekomen bent,” zei Helga, en haar groote dankbaarheid verdrong haar verlegenheid.
„Ach ja, ’t was misschien goed, dat ik kwam,” zei hij kalm, maar hij voelde zich heel tevreden over zich zelf. „Nu ga je zeker naar binnen?” vroeg hij.
„Ja, nu zal ik wel naar binnen gaan.”
Gudmund kreeg opeens een warm gevoel voor Helga, zooals we gewoonlijk voor iemand hebben wien ’t ons gelukt is te helpen. Hij bleef staan en wilde niet heengaan.
„Ik zou je graag onder dak willen zien, vóór ik heenga.”
„Ik dacht, dat ze maar naar bed moesten gaan, eer ik binnen kwam.”
„Neen, je moet nu dadelijk gaan, zoodat je wat eten kunt en tot rust komen,” zei hij, en vond het prettig voor haar te zorgen.
Ze ging dadelijk naar het hutje en hij ging meê, blij en trotsch omdat ze hem gehoorzaamde. Toen ze op den drempel stond, namen ze weer afscheid van elkaar; maar eer hij een paar stappen gedaan had, kwam zij hem weer achterna.
„Blijf hier buiten tot ik binnen ben. ’t Zal gemakkelijker gaan, als ik weet, dat je hier buiten staat.”
„Ja,” zei hij, „ik zal hier blijven tot je door het ergste heen bent.”
Toen deed Helga de deur van het hutje open en Gudmund merkte, dat ze die op een kier liet staan. Het was alsof ze zich niet gescheiden wilde voelen van haar helper, die daar buiten stond. Hij maakte er zich ook geen gewetenszaak van alles te hooren en te zien wat er in de hut gebeurde.
De oude lieden knikten Helga vriendelijk toe toen ze binnen kwam. De moeder legde dadelijk het kind in de wieg, ging toen naar de kast, haalde een kom melk en een stuk brood en zette dat op de tafel.
„Zie hier. Ga nu zitten en eet,” zei ze. Daarop ging ze naar den haard en stookte het vuur op. „Ik heb het vuur aangehouden, opdat je je goed zou kunnen drogen en je warmen, als je kwam. Maar eet nu eerst. Je zult wel allereerst behoefte aan eten hebben.”
Helga was al dien tijd aan de deur blijven staan.
„U moet me zoo vriendelijk niet ontvangen, Moeder,” zei ze zacht. „Ik krijg geen geld van Peter. Ik heb zijn hulp geweigerd.”
„Er is van avond al iemand hier geweest, die in de rechtszaal was geweest en gehoord had hoe het je ging,” zei de moeder. „Wij weten alles.”
Helga bleef bij de deur staan en keek, alsof ze niet wist hoe ze ’t had.
Toen legde de hutbewoner zijn werk neer, schoof zijn bril naar boven op zijn voorhoofd, en kuchte om een toespraak te houden, waar hij den heelen avond over gedacht had.
„Het is zóó, Helga,” zei hij. „Moeder en ik hebben altijd fatsoenlijke en eerlijke menschen willen wezen, maar we vonden, dat we door jou te schande gemaakt waren. ’t Was alsof wij je het verschil tusschen goed en kwaad niet geleerd hadden. Maar toen we hoorden wat je vandaag gedaan hebt, zeiden we tegen elkaar, Moeder en ik, dat nu konden de menschen toch zien, dat je een goede opvoeding genoten hadt en we meenden, dat we misschien nog pleizier van je beleven konden. En Moeder wou niet, dat wij naar bed zouden gaan vóór je kwam, opdat je een goede ontvangst zoudt hebben bij je thuiskomst.”
III.
Helga van de hoeve bij ’t groote moeras kwam nu op Närlunda en daar ging alles goed. Ze was gewillig en leerzaam, en dankbaar voor elk vriendelijk woord, dat men tot haar sprak. Ze voelde zich altijd als de geringste en wilde zich nooit op den voorgrond dringen. Het duurde niet lang of haar meester en meesteres en haar kameraden waren met haar ingenomen.
De eerste dagen scheen het, alsof Gudmund vermeed met Helga te praten. Hij vreesde dat dat kind van de groote Moerashoeve zich wat zou gaan verbeelden, omdat hij haar te hulp gekomen was. Maar dat was onnoodige zorg. Helga vond hem al te heerlijk en te ver boven haar verheven, dan dat zij ’t wagen zou haar oogen naar hem op te heffen. Gudmund merkte al spoedig, dat hij haar niet op een afstand behoefde te houden. Ze was voor hem nog schuwer dan voor ieder ander.
En ’t zelfde najaar, dat Helga op Närlunda kwam, bracht Gudmund menig bezoek bij den rechter op Elvakker, en er werd veel over gesproken, dat zijn kans om daar in de familie te komen, goed stond. Heelemaal zeker, dat zijn aanzoek goed opgenomen werd, was men toch eerst in de Kerstdagen. Toen kwam de rechter met zijn vrouw en dochter naar Närlunda, en het was duidelijk, dat zij gekomen waren om te zien hoe Hildur het zou hebben als ze met Gudmund trouwde.
’t Was voor ’t eerst, dat Helga ’t meisje, waarmeê Gudmund trouwen zou, van nabij zag. Hildur Eriksdochter was nog geen twintig jaar, maar ’t was vreemd, dat niemand haar kon zien zonder er dadelijk aan te denken wat een uitstekende en deftige huismoeder ze eens worden zou. Ze was groot, sterk gebouwd, blond en mooi en zag er uit alsof ze ’t prettig vond veel menschen om zich heen te hebben, die ze verzorgen kon. Ze was nooit schuw of verlegen, sprak veel en scheen alles beter te weten dan degene, waar ze meê sprak. Ze was een paar jaar in de stad op school geweest en had de mooiste kleeren, die Helga ooit gezien had; maar ze scheen toch niet ijdel of onbeduidend. Rijk en mooi als ze was, had ze, als ze maar gewild had, de vrouw van een heer kunnen worden, maar ze zei altijd, dat ze geen deftige mevrouw worden wou en met de handen over elkaar zitten. Ze wilde met een boer trouwen en zelf haar huis verzorgen als een echte boerenvrouw.
Helga vond Hildur een echt wonder. Nooit had ze iemand gezien, die zoo prachtig was. Ze had niet gedacht, dat een mensch zóó volmaakt kon zijn in alle opzichten. ’t Kwam haar voor, dat ’t een groot geluk zou zijn ooit onder zulk een huismoeder te mogen dienen.
Alles was goed gegaan onder het bezoek van den rechter en zijn familie, maar als Helga aan dien dag terugdacht, kwam er een zekere onrust over haar. Dat was zoo gegaan: toen de gasten pas waren aangekomen, had zij de koffie rondgediend. Toen ze met het blad binnenkwam had de vrouw van den rechter zich voorover gebogen naar de gastvrouw en had gevraagd of zij het meisje van de Moeras-hut was. Ze had dit niet zóó zacht gevraagd of Helga had de vraag gehoord. Moeder Ingeborg had „ja” geantwoord en toen had de andere iets gezegd wat Helga niet had kunnen verstaan. Maar ’t was zooiets geweest van … dat ze ’t vreemd vond, dat men zoo’n mensch in zijn huis wilde hebben. Dat maakte Helga zeer bekommerd, maar ze trachtte er zich mee te troosten, dat het de moeder—en niet Hildur zelf was, die dat gezegd had.
Op een Zondag, heel vroeg in ’t voorjaar kwamen Helga en Gudmund samen uit de kerk. Toen ze over ’t kerkplein gingen waren ze met een groote massa andre kerkgangers mee geloopen, maar al spoedig was de een na de ander heengegaan en eindelijk bleven Helga en Gudmund alleen over.
Gudmund moest toen dadelijk er aan denken, dat hij niet alleen geweest was met Helga, na dien avond op de hut, en de herinnering daaraan kwam nu sterk bij hem boven. Hij had dien winter dikwijls genoeg aan hun eerste ontmoeting gedacht en daarbij altijd iets liefs en prettigs door zijn ziel voelen gaan. Als hij alleen aan het werk was, trachtte hij zich gewoonlijk dien heelen mooien nacht weer voor den geest te brengen. Den witte nevel, de heldere maneschijn, de zwarte boschheuvel, het lichte dal en dan het meisje, dat de armen om zijn hals had geslagen en van blijdschap geschreid had. Dat alles werd steeds mooier, hoe vaker hij ’t zich herinnerde. Maar als Gudmund Helga bij zich thuis met de anderen zag werken en zwoegen, had hij moeite er aan te denken, dat zij bij dat alles geweest was. Nu hij alleen met haar op den kerkweg liep, kon hij niet laten te wenschen, dat zij voor een poosje dezelfde zou worden, die zij dien avond was geweest.
Helga begon dadelijk over Hildur te praten. Zij roemde haar zeer; ze zei, dat zij het mooiste en verstandigste meisje uit de heele buurt was en wenschte er Gudmund geluk meê, dat hij zulk een uitnemende vrouw zou krijgen.
„Je moet haar zeggen, dat zij mij altijd op Närlunda moet laten blijven,” zei ze. „Het zal prettig zijn onder zulk een huismoeder te dienen.”
Gudmund glimlachte om haar opgewondenheid, maar hij gaf er niet veel antwoord op, alsof hij intusschen aan iets anders dacht. Maar dat was immers goed, dat zij zoo met Hildur ingenomen was en dat zij er zoo blij om was, dat hij ging trouwen.
„Je hebt je bij ons zeker wel thuis gevoeld van den winter,” zei hij.
„Ja, dat heb ik! Ik kan niet zeggen hoe goed Moeder Ingeborg en jelui allen voor me geweest zijn.”
„Heb je nog naar ’t bosch verlangd?”
„O ja, in ’t begin; maar nu niet meer.”
„Ik dacht, dat zij, die in ’t bosch thuis hoorden niet konden laten er naar te verlangen.”
Helga keerde zich half om en zag hem aan zooals hij daar aan de andere zijde van den weg liep. Gudmund was haar anders heelemaal vreemd geworden; maar nu was er iets in zijn toon en zijn glimlach, dat zij herkende.
Ja, hij was nog dezelfde, die haar was komen redden in den hoogsten nood. Al zou hij ook met een ander trouwen, zij was er toch zeker van, dat hij voor haar een goed vriend en een trouw helper zou zijn. Ze werd zoo blij: ze voelde, dat ze hem vertrouwen kon, zooals niemand anders en ze vond, dat ze hem alles zeggen moest wat met haar gebeurd was, sedert ze elkaar het laatst gesproken hadden.
„Ik moet je zeggen, dat ik het heel moeilijk heb gehad de eerste weken op Närlunda,” begon ze. „Maar daar moet je niet met Moeder Ingeborg over spreken.”
„Als je dat niet hebben wilt, zal ik zwijgen.”
„Je weet niet hoe vreeselijk ik verlangde in ’t begin. Ik was bijna naar het bosch teruggegaan.”
„Verlangde je? Ik dacht, dat je blij was omdat je bij ons waart.”
„Ik kon ’t heusch niet helpen,” zei ze verontschuldigend. „Ik begreep wel hoe goed het voor me was hier te mogen zijn. Jelui waart allemaal zoo goed voor me, en ’t werk was niet zoo zwaar of ik kon ’t best doen—maar ik verlangde toch. ’t Was alsof er iets aan me trok en zoog en me terug wou brengen naar het bosch. Ik had een gevoel alsof ik iemand, die recht op me had, ontrouw werd of verried, als ik hier in ’t dorp bleef.”
„Dat was misschien …” begon Gudmund, maar hield half in den zin op.
„Neen, ’t was niet de jongen, waarnaar ik verlangde. Ik wist immers, dat hij het goed had en dat Moeder lief voor hem was. ’t Was niet iets bepaalds. Ik had een gevoel, alsof ik een wilde vogel was, die in een kooi was gezet, en ik dacht dat ik zou sterven, als ik niet los gelaten werd.”
„Neen maar, heb je ’t zóó zwaar gehad!” zei Gudmund, en op ’t zelfde oogenblik glimlachte hij, want op eens was het hem, alsof hij haar herkende. Nu was het alsof er niets meer tusschen hen stond, maar alsof ze eerst den vorigen avond van elkaar waren gegaan bij de hoeve in ’t woud. Helga glimlachte ook, maar vertelde verder van haar verdriet.
„Ik sliep geen enkelen nacht,” zei ze, „maar zoodra ik in bed lag begon ik te schreien, en als ik opstond, was mijn hoofdkussen doornat. Overdag, als ik bij jelui was kon ik mijn tranen wel inhouden, maar zoodra ik alleen was kwamen ze mij weer in de oogen.”
„Je hebt veel geschreid in je leven,” zei Gudmund, maar hij zag er in ’t geheel niet medelijdend uit, toen hij dat zei. Helga vond, dat het was alsof hij haar aldoor stilletjes liep uit te lachen.
„Je kunt zeker niet begrijpen, hoe moeilijk ik ’t had,” zei ze, en ze sprak al levendiger in haar pogingen om te maken, dat hij haar begreep. „Er was een verlangen over me gekomen, dat me buiten me zelf bracht. Geen oogenblik kon ik me gelukkig voelen. Niets was mooi, niets was prettig, aan geen mensch kon ik me hechten. Jelui waren me allemaal even vreemd als toen ik voor ’t eerst in de kamer kwam.”
„Maar zei je zoo juist niet, dat je bij ons wilde blijven?” vroeg Gudmund verwonderd.
„Ja zeker zei ik dat.”
„Dan verlang je nu toch niet meer.”
„Neen, dat is overgegaan. Ik ben beter geworden. Wacht maar, dat zal ik je wel vertellen.”
Toen ze dat zei, kwam Gudmund dwars over den weg en ging naast haar loopen. Hij glimlachte aldoor. Hij scheen haar graag te hooren spreken, maar hij lette niet veel op wat ze vertelde. Zoo langzamerhand kwam Helga in dezelfde stemming. Ze vond, dat alles gemakkelijk en helder werd. De kerkweg was lang en moeilijk te begaan, maar vandaag werd ze niet moe. Er was iets, dat haar droeg. Ze ging door met vertellen, omdat ze nu eenmaal begonnen was, maar nu gaf ze er niet zooveel om te mogen spreken. Ze zou ’t even prettig gevonden hebben stil naast hem te loopen.
„Toen ik me ’t ongelukkigst voelde,” zei ze, „vroeg ik Moeder Ingeborg op een Zaterdagavond of ik naar huis mocht en daar den Zondag overblijven. En toen ik dien avond de heuvels opliep naar ’t groote moeras, geloofde ik vast, dat ik nooit meer naar Närlunda terug zou komen. Maar Vader en Moeder waren zoo blij, dat ik een dienst gevonden had bij zoo’n aanzienlijke familie, dat ik het niet over mijn hart verkrijgen kon hun te zeggen, dat ik het bij jelui niet uithouden kon. Zoodra ik in het bosch kwam waren ook alle angst en verdriet heelemaal weg. Ik dacht, dat het allemaal maar verbeelding van mij was. En dan was dat ook zoo moeilijk met het kind. Moeder had het nu heelemaal overgenomen en het tot haar kind gemaakt. Het was niet meer van mij. En dat was immers heel goed, maar ’t was moeilijk om er aan te wennen.”
„Je begon toen misschien naar ons te verlangen,” viel Gudmund haar in de rede.
„O neen! Toen ik Maandagmorgens wakker werd, en er aan dacht, dat ik weg moest, kwam het verlangen weer over mij. Ik lag te schreien en was angstig, want het eenige wat ik doen kon was immers in mijn dienst blijven. Maar ik had een gevoel of ik ziek worden zou of het verstand verliezen als ik terug ging. Maar opeens herinnerde ik mij, dat ik eens iemand had hooren zeggen, dat, als men wat asch van den haard in zijn eigen huis nam en dat over den haard in een ander huis strooide, het verlangen overging.”
„Dat was nu een geneesmiddel, dat je gemakkelijk probeeren kon,” zei Gudmund.
„Ja, maar daar zou ook van komen, dat men later nooit meer ergens anders gelukkig zou kunnen zijn. Als men van de hoeve wegging, waar men de asch heen gebracht had, dan verlangde men even hard daarheen terug, als men vroeger naar huis verlangd had.”
„Zou men de asch niet kunnen meenemen als men wegging?”
„Neen, dat kun je niet meer dan ééns doen. En het is niet meer ongedaan te maken. ’t Was dus een heel gevaarlijk ding om zooiets te probeeren.”
„Ik zou zooiets niet gewaagd hebben,” zei Gudmund en ze hoorde wel, dat hij den draak met haar stak.
„Maar ik waagde het nu toch,” zei Helga. „’t Was beter, dan als een ondankbare te staan tegenover Moeder Ingeborg en jou, die mij hadden willen helpen. Ik nam een beetje asch van huis mee, en toen ik in Närlunda terug kwam nam ik mijn kans waar, toen niemand binnen was en strooide dat uit over den haard.”
„En nu meen je dus, dat de asch je geholpen heeft?”
„Wacht maar. Ik zal je vertellen hoe het ging. Ik kwam dadelijk in ’t werk en dacht den heelen dag niet aan de asch. Ik verlangde precies als vroeger en vond alles even akelig, als ik ’t gewoonlijk vond. Er was dien dag veel te doen, binnen en buitenshuis en toen ik ’s avonds de schuur had gesloten en naar binnen zou gaan, was het vuur in den haard al aan.”
„Nu ben ik toch nieuwsgierig hoe het ging,” zei Gudmund.
„Ja, stel je voor!—al toen ik over de plaats liep vond ik, dat er iets gezelligs bekends aan het schijnsel van het vuur was, en toen ik de deur opendeed, was het me alsof ik in onze eigen kamer zou komen en dat Vader en Moeder bij den haard zouden zitten. Ja, dat ging me even door ’t hoofd als een droom, maar toen ik binnenkwam, was ik er verwonderd over, dat het zóó mooi en huiselijk in de kamer was. Ik had nooit gevonden, dat Moeder Ingeborg en jelui allemaal er zoo vriendelijk uitzagen als dien avond, toen je bij het schijnsel van ’t vuur zaten. ’t Was zoo’n prettig gevoel binnen te komen en dat was vroeger nooit zoo geweest. Ik was zóó verbaasd, dat ik op ’t punt was te schreeuwen en de handen in elkaar te slaan. Ik vond, dat jelui heelemaal veranderd waren. Jelui waren me niet meer vreemd, ik kon overal met jelui over praten. Je kunt wel begrijpen, dat ik blij was, maar ik kon toch niet laten er me over te verwonderen. Ik vroeg mezelf af of ik betooverd was. En op eens dacht ik aan de asch, die ik over den haard gestrooid had.”
„Ja, dat was toch wonderlijk,” zei Gudmund. Hij geloofde heelemaal niet aan spokerij of tooverij, maar hij vond ’t wel aardig Helga over zulke dingen te hooren praten. „Nu is dat malle boschkind teruggekomen,” dacht hij. „Hoe kan nu iemand, die zooveel heeft doorgemaakt als zij, nog zóó kinderlijk zijn!”
„Ja, zeker is het wonderlijk,” hernam Helga. „En dat zelfde is den heelen winter teruggekomen. Zoodra ’t vuur op den haard brandde, had ik datzelfde gevoel van veiligheid en gezelligheid bij jelui, als ik thuis had. Maar dat is toch ook wonderlijk met het vuur. Niet met ander vuur misschien, maar met vuur op een haard, waar alle menschen in huis avond aan avond omheen komen zitten. Dat wordt als een goede bekende. Dat speelt en danst en praat tegen je en nu en dan ziet het zuur en is treurig. Het is, alsof het de macht heeft gezelligheid of ongezelligheid te scheppen. Nu kwam ’t me voor alsof ’t vuur van thuis met mij meegegaan was en dat het over alles hier ’t zelfde waas van gezelligheid legde, dat het thuis gaf.”
„Maar als je nu gedwongen wordt van Närlunda weg te gaan?” zei Gudmund.
„Dan zal ik er mijn leven lang naar terug verlangen,” antwoordde ze, en aan haar stem was het te hooren hoe hoog ernstig zij dat meende.
„Ja, ìk zal er je nooit vandaan zenden,” zei Gudmund, en hoewel hij lachte, was er iets warms in zijn toon.
Daarna begonnen zij geen nieuw gesprek, maar liepen zwijgend terug naar de hoeve. Gudmund wendde nu en dan het hoofd om en zag haar aan, terwijl zij naast hem liep. Zij was bijgekomen na den moeilijken tijd, dien ze het vorige jaar gehad had. Er was iets frisch en teers over haar. Haar trekken waren fijn, de haren stonden haar kroesig om ’t hoofd, in de oogen was iets onbegrijpelijks. Ze liep vlug en licht. Als ze sprak kwamen haar woorden snel, maar ze was verlegen. Ze was altijd bang om uitgelachen te worden, maar ze moest toch zeggen wat ze op haar hart had.
Gudmund dacht er over of hij wilde, dat Hildur zoo was, maar dat wilde hij toch niet. Met die Helga kon je toch niet gaan trouwen.
Een paar weken later hoorde Helga, dat ze van Närlunda weg moest tegen April, omdat Hildur Eriks dochter niet met haar onder één dak wilde wonen.
’t Was niet zoo, dat de menschen op de hoeve dat rechtuit tegen haar zeiden. Maar Moeder Ingeborg begon er over te spreken, dat zij wel zooveel hulp van de nieuwe schoondochter zouden hebben, als die kwam, dat zij niet zooveel bedienden behoefden te houden. Een andre keer zeide zij dat ze over een goeden dienst had hooren spreken, waar Helga het beter zou hebben dan bij hen.
Helga behoefde niet meer te hooren om te begrijpen, dat zij weg moest; en ze zei dadelijk, dat ze weg zou gaan, maar dat zij geen andren dienst wilde hebben, en dat ze naar huis zou gaan.
’t Was wel te merken, dat men niet uit eigen beweging Helga den dienst op Närlunda opzei.
Toen ze weg zou gaan, was er zóóveel eten klaargezet, dat het wel een feestmaal scheen, en Moeder Ingeborg stopte haar zulk een menigte kleeren en schoenen toe, dat zij, die gekomen was met een bundeltje kleeren in een doek geknoopt onder den arm, nu nauwlijks haar bezittingen in een kist bergen kon.
„Ik krijg nooit zoo’n goed dienstmeisje meer, als jij geweest ben,” zei Moeder Ingeborg. „En denk nu niet te slecht over me, omdat ik je laat heengaan. Je begrijpt wel, dat het niet met mijn toestemming gebeurt. Ik zal je niet vergeten. Zoolang ik iets te zeggen heb, zul je geen nood lijden.”
Zij sprak met Helga af, dat ze lakens en handdoeken voor haar zou weven. Ze gaf haar werk voor minstens een half jaar.
Gudmund stond in de schuur voor ’t brandhout en hakte hout, toen Helga heenging. Hij kwam niet binnen om afscheid te nemen, hoewel het paard voor was. Hij scheen het zoo druk te hebben, dat hij niet merkte wat er gebeurde. Zij moest naar hem toe gaan om hem goeden dag te zeggen. Hij legde de bijl neer, gaf Helga de hand, en zei wat haastig: „Ik dank je voor den tijd, dat je hier waart,” en begon toen weer te hakken.
Helga had iets willen zeggen, dat ze wel begreep, dat het niet mogelijk voor hen was haar te houden, en dat alles haar eigen schuld was. Zij zelf had het er naar gemaakt. Maar Gudmund hakte, dat de spaanders om hem heen vlogen en ze kwam er niet toe iets te zeggen.
Maar het wonderlijkst van alles was, dat de boer zelf—de oude Erland Erlandsson—Helga naar de Moerashoeve reed.
De vader van Gudmund was een kleine uitgedroogde man met een kaal hoofd en mooie, verstandige oogen. Hij was heel teruggetrokken en zóó stil, dat hij soms den heelen dag geen woord sprak. Zoolang alles goed ging merkte men niets van hem, maar als er iets in de war raakte, kwam hij altijd en zei of deed wat er gezegd of gedaan moest worden om alles weer in orde te maken. Hij was bekwaam in administratie, en genoot veel vertrouwen bij het gemeentebestuur. Hij kreeg alle kommunale opdrachten en was meer in aanzien, dan menigeen, die een groote hoeve had en heel rijk was.
Erland Erlandsson reed Helga naar huis over den slechten weg en liet niet toe, dat ze uitstapte bij ’t oprijden van een of anderen heuvel.
Toen ze aan de Moerashoeve kwamen, zat hij lang in de hut met Helga’s ouders te praten, en vertelde hun hoe tevreden hij en Moeder Ingeborg over haar geweest waren. ’t Was alleen omdat ze niet zooveel personeel meer noodig hadden, dat ze haar moesten wegzenden. Zij als de jongste, moest heengaan. Zij hadden gemeend, dat het niet billijk was iemand weg te zenden, die hun lang gediend had.
Erland Erlandssons gesprek met Helga’s ouders had de bedoelde uitwerking, en zij ontvingen Helga vriendelijk. Toen zij hoorden, dat zij zulke groote bestellingen gekregen had, dat zij van weven zou kunnen leven, waren zij er blij om, dat ze thuis bleef.
IV.
Gudmund meende, dat hij Hildur Eriksdochter lief had tot op den dag, dat ze hem de belofte afdwong, dat Helga van Närlunda zou heengaan. Tenminste tot dien tijd toe was er niemand geweest, die hij meer had bewonderd en hooger geacht. Geen jong meisje scheen hem toe met Hildur gelijk te staan, en hij was er heel trotsch op geweest, dat het hem gelukt was haar te winnen. Het was hem een genot geweest aan de toekomst met haar samen te denken. Ze zouden rijk en aanzienlijk worden, en hij voelde, dat het goed wezen zou te leven in een huis, dat door Hildur bestuurd werd. Hij dacht er ook graag aan, dat hij volop geld hebben zou, als hij met haar getrouwd was. Hij zou zijn akkers kunnen verbeteren, de oude gebouwen sloopen en nieuwe opbouwen, de hoeve vergrooten en een echte groote boer worden.
Denzelfden Zondag, toen hij met Helga op den kerkweg geloopen had, was hij ’s avonds naar Elvakker gereden. Toen was Hildur begonnen over Helga te spreken en ze had gezegd, dat ze niet naar Närlunda wilde komen vóór dat meisje daar vandaan was. Gudmund had eerst geprobeerd, dat als scherts op te vatten; maar het bleek al gauw, dat Hildur ’t in vollen ernst meende. Gudmund verdedigde Helga uitstekend; hij zei, dat ze zoo jong geweest was toen ze voor ’t eerst in een dienst werd gezonden, dat het geen wonder was, dat het verkeerd ging, toen zij met zoo’n slecht mensch als Peter Maartenszoon in aanraking kwam. Maar sinds zijn moeder haar in bescherming genomen had, had zij zich altijd goed gedragen.
„’t Kan niet goed zijn haar nu te verstooten,” zei hij. „Dan kan ’t wel gebeuren: dat ze weer in ellende komt.”
Maar Hildur had niet willen toegeven. „Als dat meisje op Närlunda moet blijven, kom ik er nooit,” zei ze. „Ik kan zoo’n mensch in mijn huis niet dulden.”
„Je weet niet wat je doet,” zei Gudmund. „Niemand heeft ooit Moeder zoo goed op kunnen passen als Helga. Wij zijn er allen blij om geweest, dat ze bij ons is gekomen. Vroeger was Moeder vaak knorrig en gedrukt.”
„Ik zal je niet dwingen haar weg te zenden,” zei Hildur, maar het was duidelijk te merken, dat ze bereid was hun huwelijk op te geven, als hij in deze zaak niet toegaf.
„Neen, dan moet het maar gaan, zooals je wilt,” zei Gudmund. Hij vond niet, dat hij voor Helga zijn heele toekomst kon opofferen. Maar hij werd heel bleek, toen hij toegaf en was den heelen avond stil en ontstemd.
Het was nu hierdoor, dat Gudmund bang was geworden, dat Hildur misschien niet heelemaal zóó was als hij zich had voorgesteld. Hij vond ’t ook niet prettig, dat zij haar wil tegenover den zijnen had doorgezet, maar ’t ergste was, dat hij ’t niet anders kon inzien, dan dat zij ongelijk had. Hij voelde, dat hij graag zou toegegeven hebben als ze getoond had groot van hart te zijn; maar in dit geval vond hij, dat ze alleen kleingeestig en harteloos was geweest.
Iedere keer, dat Gudmund nu Hildur ontmoette zat hij te onderzoeken en er over te denken of dat wat hij gemeend had bij haar te vinden ook weer voor den dag zou komen.
Nu zijn wantrouwen eenmaal gewekt was, duurde het ook niet lang of hij vond het een en ander, dat niet was zooals hij ’t wenschte.
„Zij is wel iemand, die ’t eerst aan zich zelf denkt,” mompelde hij, telkens als hij van haar weg ging, en hij vroeg zich af, hoe lang haar liefde voor hem zou duren, als die op de proef werd gesteld. Hij beproefde er zich meê te troosten, dat alle menschen ’t eerst aan zich zelf dachten, maar toen kwam plotseling Helga hem in de gedachte. Hij zag haar weer zooals zij op het Ting stond en den Bijbel naar zich toe rukte en hij hoorde haar roepen: „Ik trek mijn aanklacht in! Ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”
Zóó had hij gewild, dat Hildur wezen zou. Helga was voor hem een maat geworden waarmee hij iedereen mat. Voorwaar! daar waren niet velen, die zich in liefdevolle toewijding met haar zouden kunnen meten.
Met den dag hield hij minder van Hildur; maar hij kwam niet op de gedachte, dat hij van dat huwelijk zou kunnen afzien. Hij trachtte zich zelf wijs te maken, dat dit alles maar verbeelding was. Want voor enkele weken nog hield hij haar voor het beste meisje dat er op de wereld bestond.
Was het in ’t begin van hun verloving geweest, dan zou hij zich misschien hebben teruggetrokken. Maar nu was hun huwelijk al in de kerk afgekondigd, de dag van de bruiloft was bepaald en bij hem thuis waren ze al met groote reparaties begonnen. Hij wilde ook niet den rijkdom en de goede positie, die hem wachtten, verliezen. En wat zou hij voor reden opgeven voor ’t verbreken van hun verloving? Wat hij op Hildur had aan te merken waren zulke kleinigheden, dat ze op zijn lippen zouden opgaan in lucht als hij ze probeerde uit te spreken.
Maar zijn hart was dikwijls bezwaard en telkens als hij in het kerspel of in de stad wezen moest, kocht hij daar bier of wijn in een winkel om zich daarmee in de goede stemming te brengen. Als hij een paar flesschen gedronken had was hij weer trotsch op zijn huwelijk en ingenomen met Hildur. Dan begreep hij niet wat het was, dat hem kwelde.
Gudmund dacht veel aan Helga en verlangde haar weer te ontmoeten. Maar hij meende, dat Helga hem een stumper vond, omdat hij de belofte niet had gehouden, die hij haar geheel vrijwillig had gedaan, maar integendeel haar had laten heengaan. Hij kon het niet uitleggen, noch zich verontschuldigen, en daarom vermeed hij haar te ontmoeten.
Op een morgen toen Gudmund op den weg liep, ontmoette hij Helga, die naar het dorp was geweest om melk te koopen. Gudmund keerde om en ging met haar terug. Ze scheen dat niet prettig te vinden, en liep hard, alsof ze van hem af wilde komen en zei niets. Gudmund zweeg ook, omdat hij niet recht wist hoe hij het gesprek zou beginnen.
Een rijtuig kwam aan op den weg, heel in de verte. Gudmund liep in gedachten en merkte het niet, maar Helga had het gezien en keerde zich naar hem toe.
„’t Is beter, dat je niet met mij loopt, want als ik me niet vergis, is het de familie van den rechter van Elvakker, die daar komt aanrijden.”
Gudmund zag snel op, herkende het paard en den wagen en maakte een beweging alsof hij wilde omkeeren. Maar onmiddellijk daarna richtte hij zich op en liep kalm voort naast Helga, tot het rijtuig voorbij was. Toen liep hij langzamer. Helga bleef snel doorloopen en zij scheidden zonder dat hij een woord tot haar had gesproken. Maar dien heelen dag was hij tevredener over zichzelf dan hij in lang was geweest.
V.
Het was nu bepaald, dat de bruiloft van Gudmund en Hildur den tweeden Pinksterdag op Elvakker zou worden gevierd. Op den Vrijdag vóór Pinksteren reed Gudmund naar de stad om eenige inkoopen te doen voor een feest voor de thuiskomst van het jonge paar, dat op Närlunda den dag na de bruiloft zou worden gegeven. In de stad kwam hij in gezelschap met een paar jongelieden uit zijn gemeente. Zij wisten, dat dit Gudmunds laatste tocht naar de stad was vóór zijn huwelijk en naar aanleiding daarvan zetten zij een groot drinkgelag op touw.
Allen legden het er op aan, dat Gudmund drinken zou en het gelukte hun eindelijk hem geheel buiten westen te maken.
Hij kwam op den Zaterdagmorgen zóó laat thuis, dat zijn vader en de jongen reeds naar ’t werk waren gegaan en sliep toen nog tot laat op den namiddag. Toen hij opstond en zich aankleeden wilde zag hij, dat zijn jas op een paar plaatsen gescheurd was. „Het schijnt wel of ik vannacht gevochten heb,” zei hij, en probeerde te bedenken wat hij gedaan had. Hij kon zich wel herinneren, dat hij de herberg tegen elf uur had verlaten met een paar kameraden; maar waar zij toen heen gegaan waren wist hij niet meer. ’t Was alsof hij in een dikke duisternis probeerde te kijken. Hij wist niet of ze alleen maar op straat hadden rondgezworven of dat ze bij iemand binnen waren geweest. Hij kon zich niet meer herinneren of hij zelf of een ander het paard had opgetuigd en wist niets meer van de thuisreis.
Toen hij in de groote kamer kwam was die geschuurd en in orde gebracht voor het feest. Al het werk voor dien dag was afgeloopen en de huisgenooten zaten aan de koffie. Niemand zei iets van Gudmunds tocht. Zij schenen overeengekomen te zijn, dat hij deze laatste weken de vrijheid zou hebben te leven zooals hij wilde.
Gudmund zette zich aan de tafel en kreeg zijn kop koffie. Terwijl hij daar zat en de koffie op het schoteltje goot en weer terug in de kop om ze af te koelen, was Moeder Ingeborg met haar koffie klaargekomen en nam de courant op, die pas gekomen was, om er uit voor te lezen. Ze las de eene kolom na de ander en Gudmund, zijn vader en de anderen luisterden. Onder allerlei wat zij voorlas, was ook het bericht van een gevecht, dat den vorigen nacht op de groote markt had plaats gehad tusschen een bende dronken boeren en een paar arbeiders. Zoodra de politie kwam, vluchtten de vechtersbazen, maar een van hen bleef levenloos op de markt liggen. De gevallene werd naar het politiebureau gedragen, en daar geen uiterlijke beschadiging aan hem gevonden werd, probeerde men hem weer bij te brengen. Maar alle pogingen waren te vergeefs geweest en eindelijk had men ontdekt, dat het lemmet van een mes in zijn schedel stak. ’t Was het lemmet van een buitengewoon groot zakmes, dat door den schedel in de hersens gedrongen en dicht bij het hoofd was afgebroken.
De moordenaar was met het heft gevlucht, maar daar de politie hen, die aan het gevecht hadden deelgenomen, zeer goed kende, had men hoop hem spoedig te zullen vinden.
Terwijl Moeder Ingeborg voorlas, zette Gudmund zijn kop koffie neer, stak de hand in den zak, haalde zijn zakmes er uit en keek er vluchtig naar. Op eens ging hem een schok door de leden; hij keerde het mes om en stak het daarna zóó snel in den zak, alsof hij zich er aan gebrand had. Hij raakte daarna zijn koffie niet meer aan; maar zat lang volkomen onbewegelijk met een peinzende uitdrukking op ’t gezicht. In zijn voorhoofd kwamen diepe plooien. ’t Was duidelijk, dat hij ingespannen over iets nadacht.
Eindelijk stond hij op, rekte zich uit, snakte naar adem en liep langzaam naar de deur. „Ik moet me eens wat bewegen. Ik ben den heelen dag nog niet buiten geweest,” zei hij en ging de kamer uit.
Ongeveer op ’t zelfde oogenblik stond ook Erland Erlandsson op. Hij had zijn pijp leeggerookt en ging naar de kleine kamer om nieuwe tabak te halen. Toen hij daar zijn pijp stond te stoppen, zag hij Gudmund aankomen. De kleine kamer zag niet op de plaats uit, zooals de groote kamer, maar op een kleinen tuin, waar een paar hemelhooge appelboomen stonden. Achter dien tuin lag een moeras, waar in het voorjaar groote plassen water lagen, die in den zomer bijna droog werden. Zelden ging iemand dien kant uit. Erland Erlandsson vroeg zich verwonderd af wat Gudmund daar te maken had en volgde hem met de oogen. Hij zag toen, dat zijn zoon de hand in den zak stak, daar iets uit nam en het ver weg in ’t moeras slingerde. Daarop liep hij door het tuintje, sprong over een heg en ging den weg op.
Zoodra zijn zoon uit het gezicht was ging Erland op zijn beurt naar buiten en liep naar het moeras. Hier waadde hij door de modder, maar bukte zich spoedig en nam iets op, waar hij met den voet tegen gestooten had. ’t Was een groot zakmes, waarvan een lemmet was afgebroken. Hij keerde het om en om, bekeek het aan alle kanten, terwijl hij nog in het water stond. Toen stak hij het in den zak, maar nam het er weer uit en onderzocht het nog een paar maal, vóór hij weer in huis ging.
Gudmund kwam niet thuis voor allen ter ruste gegaan waren. Hij ging dadelijk naar bed, zonder het avondeten, dat in de groote kamer klaar stond, aan te roeren.
Erland Erlandsson en zijn vrouw sliepen in de kleine kamer. Tegen het aanbreken van den dag meende Erland voetstappen bij het venster te hooren. Hij stond op, schoof het gordijn ter zijde en zag, dat Gudmund naar het moeras ging. Hij trok schoenen en kousen uit, en liep in het water heen en weer, als iemand, die iets zoekt. Hij deed dit lang achter elkaar, ging toen naar den kant, alsof hij van plan was heen te gaan, maar keerde spoedig terug en begon weer te zoeken. Een vol uur stond de vader naar hem te kijken. Toen ging Gudmund naar huis en naar bed.
Den eersten Pinksterdag zou Gudmund naar de kerk rijden. Toen hij ’t paard begon op te tuigen, kwam zijn vader over de plaats. „Je hebt vandaag vergeten het tuig te poetsen,” zei hij, terwijl hij voorbij ging, want de wagen en het tuig waren vuil en ongepoetst.
„Ik had wat anders om aan te denken,” zei Gudmund lusteloos en reed weg zonder er iets aan te doen.
Na de godsdienstoefening ging Gudmund met zijn verloofde naar Elvakker en bleef daar den geheelen dag. Daar kwamen veel jongelieden bij elkaar om Hildurs laatsten avond als meisje te vieren en er werd tot laat in den nacht gedanst. Er werden velerlei soorten wijn en andre dranken rondgediend, maar Gudmund roerde ze niet aan. Dien heelen avond sprak hij bijna met niemand, maar hij danste woest en lachte nu en dan luid en schel, zonder dat iemand wist waarom.
Gudmund kwam niet thuis voor ongeveer twee uur en zoodra hij het paard op stal gebracht had, ging hij naar het moeras achter het huis. Hij trok schoenen en kousen uit, stroopte zijn broek op en liep in het water. ’t Was een lichte zomernacht en de vader stond in de kleine kamer achter het gordijn en keek naar zijn zoon. Hij zag hem gebogen over ’t water loopen en zoeken als den vorigen nacht. Hij ging nu en dan naar den kant, alsof hij wanhoopte iets te vinden, maar een poos later begon hij weer door het water te waden. Eens ging hij een emmer halen uit den stal en begon water uit de kleine plassen te scheppen, alsof hij van plan was die leeg te maken; maar dat vond hij zeker een hopeloos werk, en hij zette den emmer weg. Hij probeerde het ook met een net en ploegde daarmee ’t heele moeras door, maar hij scheen niets anders dan modder omhoog te werken. Hij ging niet naar binnen voor ’t zóó laat in den morgen werd, dat de menschen in huis begonnen op te staan. Toen was hij zoo moe en uitgeput door ’t waken, dat hij wankelde onder ’t loopen en zich op zijn bed wierp, zonder zijn kleeren uit te trekken.
Toen de klok acht uur sloeg, kwam zijn vader hem roepen. Gudmund lag op bed met zijn kleeren vol modder en klei; maar zijn vader vroeg niet wat hij gedaan had; hij zei alleen, dat het nu tijd was om op te staan en sloot de deur. Na een uur kwam Gudmund beneden in de groote kamer in zijn mooie bruidegomskleeren. Hij was bleek en zijn oogen brandden onrustig, maar niemand had hem ooit zoo mooi gezien. Zijn trekken waren als door een inwendigen glans verhelderd. ’t Was alsof men iemand zag, die niet meer uit vleesch en bloed bestond, maar alleen uit wil en ziel.
’t Was plechtig in die groote kamer. De moeder had haar zwarte kleeren aan en een mooie zijden shawl om de schouders, ofschoon zij niet mee naar de bruiloft kon gaan. Alle knechts hadden ook hun beste kleeren aan. Frisch berkenloof was op den haard gezet. De tafel was met een tafellaken gedekt en er stonden veel spijzen op den disch.
Na het eten las Moeder Ingeborg een psalm en een stuk uit den bijbel. Daarop wendde zij zich tot Gudmund, dankte er hem voor, dat hij een goede zoon geweest was, wenschte hem geluk in de toekomst en gaf hem haar zegen. Moeder Ingeborg kon haar woorden goed kiezen en Gudmund was zeer aangedaan. Telkens kwamen hem de tranen in de oogen, maar het gelukte hem ze te bedwingen. Zijn vader sprak ook een paar woorden. „’t Zal je ouders zwaar vallen je te moeten missen,” zei hij en Gudmund was weer op het punt in schreien uit te barsten. Alle knechts traden ook naar voren, schudden hem de hand en dankten hem voor den tijd, die voorbij was. De tranen stonden Gudmund al dien tijd in de oogen. Hij kuchte, en probeerde een paar keer te spreken, maar hij kon nauwelijks een woord over de lippen krijgen.
Zijn vader zou hem naar ’t huis van zijn bruid brengen en de bruiloft mee vieren. Hij ging naar buiten, spande het paard voor den wagen en kwam toen binnen en zei, dat het tijd was om te gaan. Toen Gudmund in den wagen stapte zag hij, dat die was schoongemaakt. Alles was zoo keurig en goed verzorgd, als hij ’t altijd placht te willen hebben. Op ’t zelfde oogenblik zag hij ook hoe de hoeve er uitzag. Er lag nieuw grint in de oprijlaan, hoopjes oud bouwmateriaal en ander afval, die daar in zijn tijd voortdurend gelegen hadden, waren weggeruimd. Aan beide zijden van het hek stonden een paar geschoren berken als een eerepoort; een groote krans meidoorn hing aan den weerhaan, en uit alle luikjes staken bouquetten lichtgroen berkenloof. Weer was Gudmund op het punt in schreien uit te barsten. Hij greep de hand van zijn vader, juist toen die ’t paard wilde aanzetten, alsof hij hem beletten wou weg te rijden.
„Is er nog iets?” zei zijn vader.
„Ach neen,” zei Gudmund. „Er is niets. ’t Is maar het best, dat we wegrijden.”
Gudmund moest nog ééns afscheid nemen eer hij ver van de hoeve was. Helga van ’t groote moeras stond te wachten aan ’t hek, waar het boschpad van haar hoeve uitkwam op den weg. De vader reed zelf en hij hield het paard in, toen hij Helga zag.
„Ik heb op jelui gewacht, want ik wilde Gudmund vandaag gelukwenschen,” zei Helga. Gudmund boog zich voorover, uit den wagen en drukte Helga de hand. ’t Kwam hem voor, dat zij mager geworden was en dat haar oogen rood waren. Ze had zeker iederen nacht liggen schreien, omdat zij naar Närlunda verlangde. Maar nu deed ze haar best er vroolijk uit te zien en lachte hem vriendelijk toe. Hij werd weer heel bewogen, maar kon niets zeggen. Zijn vader, die immers den naam had, dat hij niet sprak, voor de nood op het hoogst was, zei toen: „Ik denk, dat Gudmund met dezen gelukwensch wel eens zoo blij is als met ieder ander.”
„Ja, dat is zeker,” zei Gudmund.
Zij drukten elkaar nog eens de hand, en de vader reed voort. Gudmund lag achterover in den wagen en keek Helga na. Toen ze achter een paar boomen verdween, schoof hij haastig het voetkleed weg en stond op, alsof hij uit den wagen wilde springen.
„Wou je Helga nog iets zeggen?” vroeg de Vader.
„Neen, och neen,” antwoordde Gudmund en ging weer zitten.
Zij reden nog wat verder. De vader reed langzaam; ’t was alsof hij ’t prettig vond zoo te rijden met zijn zoon naast zich. Hij deed geen moeite om snel vooruit te komen.
Op eens legde Gudmund het hoofd tegen zijn vaders schouder en barstte in hevig schreien uit.
„Wat scheelt er aan?” vroeg Erland en trok zoo heftig aan de teugels, dat het paard stilstond.
„Iedereen is zoo goed voor me en ik verdien het niet.”
„Je hebt toch ook geen kwaad gedaan?”
„Ja, vader, dat heb ik wel.”
„Dat kunnen we toch niet gelooven.”
„Ja, ik heb een mensch vermoord!”
De vader haalde diep adem. Dat klonk bijna als een zucht van verlichting en Gudmund hief verwonderd ’t hoofd op en zag hem aan.
De vader zette het paard weer aan; toen zei hij zacht: „Ik ben blij, dat je er zelf over spreekt.”
„Wist u ’t dan, Vader?”
„Ik zag het wel Zaterdagavond, dat er iets niet in orde was, en ik heb je mes in ’t moeras gevonden.”
„O! was u het, die ’t mes vond.”
„Ik vond het en zag, dat het eene lemmet afgebroken was.”
„Ja, Vader, ik weet, dat het lemmet er afgebroken is, maar ik kan toch maar niet begrijpen dat ik het gedaan heb.”
„’t Is zeker in woestheid en dronkenschap gebeurd.”
„Ik weet niets; ik kan me niets herinneren. Ik kan aan mijn kleeren zien, dat ik aan ’t vechten ben geweest en ik weet, dat het lemmet van mijn mes weg is.”
„Ik begrijp, dat je van plan was het te verzwijgen,” zei de vader.
„Ik dacht, dat de andre kameraden misschien even erg buiten westen waren als ik en zich niets herinnerden. Misschien was er ook geen ander bewijs tegen me dan dat mes, en daarom gooide ik het weg.”
„Ik kon wel begrijpen, dat je zoo redeneeren zou.”
„U kunt wel begrijpen, Vader.… ik weet niet wie er dood is; ik heb hem misschien nooit gezien. Ik herinner me niet, dat ik het gedaan heb. Ik vond niet, dat ik hoefde te lijden voor wat ik niet met opzet heb gedaan. Maar al gauw kwam ik op de gedachte, dat ik gek geweest was, toen ik het mes in het moeras gooide. Dat droogt immers zomers uit en dan kon iedereen het vinden. En daarom probeerde ik het terug te krijgen, gistrennacht en vannacht.”
„Dacht je er niet over, dat je bekennen moest?”
„Neen; gistren dacht ik er alleen aan hoe ik het geheim kon houden en ik probeerde te dansen en vroolijk te zijn, zoodat niemand iets aan me merken zou.”
„Was je dan van plan vandaag te trouwen zonder het te bekennen? Dat was een groote verantwoording, die je op je nam. Begreep je dan niet, dat je, als je ontdekt werd, Hildur en haar familie meê in je ellende zou brengen?”
„Ik dacht, dat ik hen ’t beste spaarde door niets te zeggen.”
Zij reden langs den weg in vliegende vaart. De vader scheen nu haast te hebben. Hij sprak voortdurend met zijn zoon. Hij had nog nooit in zijn leven zooveel woorden gesproken.
„Ik zou graag willen weten hoe je op andere gedachten gekomen was,” zei hij.
„Dat kwam door dat Helga me geluk wenschte. Toen brak er iets hards in me. Ik werd zoo bewogen, toen ik haar zag. Ik werd ook bewogen door Moeder en u van morgen en ik wilde spreken en zeggen, dat ik uw liefde niet waard was; maar dat harde was toen nog in me en bood weerstand. Maar toen Helga kwam, was het uit. Ik vond, dat ze eigenlijk boos op me moest zijn, omdat ik er schuld aan had, dat ze van ons weg moest.”
„Nu denk ik, dat je ’t met me eens ben, dat we ’t zoo gauw mogelijk aan Hildur’s familie moeten zeggen,” zei de vader.
„Ja,” antwoordde Gudmund zacht. „Ja zeker,” voegde hij er dadelijk daarop luider en met vaster stem bij. „Ik wil Hildur niet meêsleepen in mijn ongeluk. Zij zou het mij nooit vergeven.”
„De menschen op Elvakker zijn op hun eer gesteld, even goed als andren,” zei de Vader. „En dit moet ik je zeggen Gudmund, dat toen ik van morgen van hier reed, dacht ik, dat ik er over spreken moest met den rechter hoe het met je gesteld was, als je niet besloot het zelf te doen. Want ik kon er niet zwijgend bij staan en Hildur laten trouwen met iemand, die ieder oogenblik voor moord kon worden aangeklaagd.”
Hij klapte met de zweep en reed al sneller.
„Dit wordt het moeilijkste voor je,” zei hij. „Wij zullen maken, dat het gauw voorbij is. Ik denk dat de rechtersfamilie het goed van je zal vinden, dat je je zelf aangeeft; ze zullen wel vriendelijk voor je zijn.”
Gudmund antwoordde niet. Zijn gezicht kreeg een steeds pijnlijker uitdrukking, naarmate zij Elvakker naderden. Zijn vader bleef doorpraten om den moed er bij hem in te houden.
„Ik heb nog eens zooiets gehoord,” zei hij. „Er was een bruidegom, die een kameraad op een jacht had doodgeschoten. Dat was niet zijn bedoeling geweest en het werd niet ontdekt, dat hij het gedaan had. Maar een paar dagen daarna zou hij trouwen en toen hij op de hoeve kwam, waar zijn bruiloft gevierd zou worden, ging hij naar zijn bruid en zei:
„Van onze bruiloft kan niets komen. Ik wil je niet meêsleepen in de ellende, die mij wacht.”
Maar zij stond daar in haar bruidskleed met krans en sluier, en ze nam hem bij de hand en leidde hem binnen in de zaal, waar de gasten bijeen waren en waar alles gereed stond voor de huwelijksplechtigheid. Zij vertelde nu aan allen met luider stem wat haar bruidegom haar zoo juist was komen zeggen.
„Ik heb hierover gesproken, opdat allen zouden weten, dat je niet oneerlijk tegenover me bent geweest,” zei ze toen, zich tot haar bruidegom wendende. „Maar nu wil ik dadelijk ons huwelijk laten sluiten. Want je blijft dezelfde—al is je nu een ongeluk overkomen en wat je ook wacht—ik wil het samen met je dragen.”
Juist toen de Vader dit verhaal verteld had, waren ze bij de lange straat, die naar Elvakker leidde. Gudmund wendde zich met een weemoedigen glimlach naar hem toe: „Zoo zal het ons niet gaan,” zei hij.
„Wie weet,” zei de Vader en richtte zich op in den wagen. Hij keek zijn zoon aan en zag weer met verwondering hoe mooi hij dien dag was.
„’t Zou me niet verwonderen als hem iets groots en onverwachts gebeurde,” dacht hij.
Het huwelijk zou in de kerk gesloten worden, en veel menschen waren al verzameld op de hoeve om mee te rijden in den bruidsstoet. Verscheidene familieleden van den rechter, die ver weg woonden, waren ook gekomen. Zij zaten op de stoep voor ’t huis in hun mooiste kleeren, gereed voor den tocht naar de kerk. Wagens en sjeezen stonden op de plaats en men hoorde de paarden in den stal stampen, terwijl ze geroskamd werden.
De speelman zat alleen op de trap bij de schuur en stemde de viool. Voor een venster op de bovenverdieping stond de bruid in haar bruidstooi en keek ter sluiks naar buiten om haar bruidegom te zien voor hij haar in het oog kon krijgen.
Erland en Gudmund stapten uit den wagen en vroegen dadelijk of zij Hildur en haar ouders alleen mochten spreken. Spoedig stonden zij allen in een kleine kamer, waar de schrijftafel van den rechter stond.
„Ik denk wel, dat u in de courant gelezen hebt van dat gevecht in de stad, den nacht van Vrijdag op Zaterdag, toen er een mensch vermoord werd,” zei Gudmund tegen den rechter, zóó rad alsof hij een les opzei.
„Ja, dat heb ik wel gelezen,” zei de rechter.
„Ik was in de stad dien nacht,” zei Gudmund.
Nu antwoordde niemand. Het werd doodstil, Gudmund vond, dat zij hem allen met zulk een ontzetting aanstaarden, dat hij niet doorspreken kon. Maar zijn vader kwam hem te hulp.
„Gudmund was door een paar vrienden uitgenoodigd. Hij had zeker wel te veel gedronken dien nacht, en toen hij thuis kwam, wist hij niet, wat hij gedaan had. Maar hij kon wel merken, dat hij gevochten had, want zijn kleeren waren gescheurd.”
Gudmund zag, dat de ontzetting, die de anderen voelden, toenam bij elk woord, maar zelf werd hij kalmer. Er werd een gevoel van verzet bij hem wakker en hij nam weer het woord over.
„Toen nu de courant kwam, Zaterdagavond, en ik van dat gevecht las, en van het lemmet, dat in den schedel gestoken was, nam ik mijn mes uit den zak en zag toen, dat er een lemmet aan ontbrak.”
„Dat zijn ernstige berichten, die Gudmund ons brengt,” zei de rechter. „’t Zou beter geweest zijn, als hij ons dat gistren had verteld.”
Gudmund zweeg, maar nu kwam zijn vader hem weer te hulp.
„Dat was niet zoo gemakkelijk voor Gudmund. ’t Was wel een groote verzoeking alles te verzwijgen. Hij verliest veel door deze bekentenis.”