EEN SAGE VAN JERUZALEM.
Margaretha Meijboom translation
In de oude eerwaardige moskee El Aksa te Jeruzalem is in een lage gang, die in bochten achter het hoofdgebouw omloopt, een buitengewoon diepe en breede vensternis. In die nis ligt een oude versleten mat en op de mat zit dag in dag uit de oude Mesullam, die waarzegger en droomuitlegger is en tegen een kleine betaling de bezoekers van de moskee hun toekomstig lot voorspelt.
Nu gebeurde het eenige jaren geleden op een namiddag, dat Mesullam, die als gewoonlijk in zijn venster zat, zoo slecht gehumeurd was, dat hij niet eens de groeten der voorbijgangers wilde beantwoorden.
Niemand dacht er toch aan om zich over zijn onbeleefdheid te ergeren, omdat men wist, dat hij bedroefd en gekwetst was door een vernedering, die hem dien dag was overkomen.
Jeruzalem werd namelijk in dien tijd bezocht door een machtig monarch uit het Westen, en op dien morgen had de hooge vreemdeling met zijn gevolg de El Aksa bezocht. Vóór zijn komst had de bestuurder der Moskee alle hoeken en gaten in het oude gebouw laten vegen en stoffen, en hij had ook bevolen, dat Mesullam van zijn plaats zou heengaan. Hij had het volstrekt onmogelijk gevonden hem daar te laten zitten gedurende dat hoog bezoek. Niet alleen omdat zijn mat kapot en versleten was en omdat hij om zich heen een menigte vuile zakjes had opgestapeld, waarin hij zijn toebehooren bewaarde, maar hij zelf, Mesullam, was op verre na geen sieraad voor de moskee. Hij was eigenlijk een ongeloofelijk leelijke, oude neger. Zijn lippen waren monsterachtig groot, zijn onderkaak stond ver vooruit, zijn voorhoofd was bizonder laag en zijn neus leek ’t meest op een snuit. Als men daar nog bij denkt, dat Mesullam een grove en rimpelige huid en een dik, lomp lichaam had, dat maar armoedig gehuld was in, en omwonden met een vuile, witte shawl, dan kan men er zich niet over verwonderen, dat het hem verboden werd, zich in de moskee te vertoonen zoo lang de gevierde gast daar vertoefde.
De arme Mesullam, die wist, dat hij niettegenstaande zijn leelijkheid een buitengewoon wijs man was, voelde ’t als een bittere teleurstelling, dat hij den hoogen reiziger niet zou zien. Hij had gehoopt hem eenige bewijzen te mogen geven van de groote kennis van verborgen zaken, die hij bezat en op die wijze zijn eer en aanzien te verhoogen. Nu die hoop verijdeld was zat hij uur in, uur uit, te treuren, in een wonderlijke houding, met de lange armen omhoog geheven, alsof hij den hemel om rechtvaardigheid aanriep en met het hoofd ver achterover gebogen.
Toen het tegen den avond liep, werd Mesullam uit dien toestand van alles overweldigende smart gewekt door dat een vroolijke stem hem riep. ’t Was een Syrische tolk, die, door een eenzamen reiziger gevolgd, bij den waarzegger kwam. Hij zei hem, dat de vreemdeling, die hem vergezelde, verlangd had een proeve van de wijsheid der Oosterschen te zien en dat de tolk hem toen gesproken had van Mesullams talent om droomen uit te leggen.
Mesullam antwoordde hier in ’t geheel niet op, maar bleef onbeweeglijk in zijn vorige houding. Eerst toen de tolk hem nog eens vroeg of hij naar de droomen wilde luisteren, die de vreemde hem wenschte te vertellen en of hij die wilde uitleggen, liet hij de armen zinken, legde die gekruist over de borst en terwijl hij de ootmoedige houding van een verongelijkt man aannam, antwoordde hij, dat zijn ziel dien avond zóó vervuld was van zijn eigen bekommeringen, dat hij niet helder kon oordeelen over iets wat een ander aanging.
Maar de vreemde, die er heel levendig en gebiedend uitzag, scheen zich om zijn tegenspraak niet te bekommeren. Daar er geen stoel bij de hand was schopte hij eenvoudig Mesullams mat op zij en ging in de vensternis zitten. Toen begon hij met een heldere stem, duidelijk sprekend, een paar droomen te vertellen, die later door den tolk voor den ouden waarzegger werden vertaald.
„Zeg hem,” zei de reiziger, „dat ik eenige jaren geleden in Kaïro in Egypte was. Daar hij een geleerd man is, weet hij natuurlijk, dat daar een moskee is, El Azhar genaamd, die de beroemdste inrichting voor onderwijs in het Oosten is. Ik ging er op een dag heen om die te zien en ik vond het geheele reusachtige gebouw, alle vertrekken en arcaden, alle gangen en zalen vol met leerlingen. Daar waren oude mannen, die geheel hun leven aan het zoeken van kennis hadden gewijd, en kinderen, die juist bezig waren de eerste letters te leeren schrijven. Daar waren sterk gebouwde negers uit het hart van Afrika, schoone, tengere jongelingen uit Indië en Arabië, vreemdelingen, die van verre kwamen, uit Berberye en Georgië en alle landen, die den Koran aannemen. Binnen de rij pilaren—men zei mij, dat er in El Azhar evenveel leeraren als pilaren waren—zaten zij, die onderwijs gaven, neergehurkt op hun matten van schapenvel, en hun leerlingen, die in een kring om hen heen zaten, volgden met graagte hun voordracht, met wiegende lichaamsbewegingen.
„En zeg hem, dat, hoewel El Azhar in geen enkel opzicht beantwoordt aan de voorstellingen, die wij ons in het Westen van een groote geleerde school maken, ik toch verbaasd was over wat ik zag. En ik zei tot mij zelf: „Ziehier! dit is de groote vesting en ’t bolwerk van den Islam. Van hier gaan Mohammeds jonge helden uit. Hier in El Azhar wordt de drank der wijsheid gemengd, die de leer van den Koran frisch en levenskrachtig houdt.””
Dit alles zei de reiziger bijna in één adem. Hij hield nu even op om den tolk tijd te geven dit voor den waarzegger te vertalen.
Daarop ging hij voort:
„Zeg hem nu verder, dat El Azhar zulk een sterken indruk op mij maakte, dat ik haar den volgenden nacht in den droom weer zag. Ik zag het witte marmeren gebouw en de vele studenten, allen in zwarte mantels gekleed met witte tulbanden op, zooals het gebruik is in El Azhar. Ik zwierf door de zalen en binnenhoven en was er opnieuw verbaasd over, dat hier zulk een burcht en vesting was voor het Mohammedanisme. Eindelijk kwam ik in den droom aan den voet van de minaret, waar de oproeper voor het gebed gewoonlijk opklimt om den geloovigen te verkondigen, dat het uur van het gebed geslagen is. Ik zag de trap, die naar boven kronkelde in de minaret, en ik zag een oproeper voor het gebed er op naar boven gaan. Hij had een zwarten mantel aan en een witten tulband op zooals alle anderen, en toen hij de trap opging, kon ik in het eerst zijn gezicht niet zien. Maar toen hij een wending om geloopen had op de spiraalvormige trap, keerde hij het aangezicht naar mij toe, en toen zag ik, dat hij de Christus was.”
De spreker hield een oogenblik op en zijn borst rees onder een diepe ademhaling. „Ik zal nooit vergeten, al was het maar een droom,” barstte hij uit, „welk een diepen indruk het op mij maakte, Christus de trap te zien opgaan naar de minaret in El Azhar. ’t Scheen me zoo heerlijk, zoo veelbeteekenend, dat Hij hier gekomen was, naar de vesting van het Islamisme om de gebeds-uren uit te roepen, dat ik oprees in mijn droom en ontwaakte.”
Hier hield de reiziger weer even op om den tolk het gesprokene voor den waarzegger te laten vertalen. Maar dat scheen bijna een nutteloos werk te zijn. Mesullam zat den geheelen tijd met de handen in de zij en wiegde het bovenlijf met halfgesloten oogen heen en weer. Hij scheen te willen zeggen: „Nu ik deze opdringerige menschen niet kan ontkomen, zal ik hun ten minste toonen, dat ’t mij niet schelen kan wat ze vertellen. Ik zal probeeren mijzelf in slaap te wiegen. Dat zal de beste manier zijn om hun te toonen hoe weinig ik om hen geef.”
De tolk doelde er ook bij den reiziger op, dat al hun moeite te vergeefs zou wezen en dat ze geen verstandig woord uit Mesullam zouden krijgen, als hij in die stemming was; maar de europeesche vreemdeling scheen bekoord te wezen door Mesullams ongeloofelijke leelijkheid en wonderlijke manieren. Hij keek hem aan met het genoegen van een kind, dat een wild dier in een menagerie bekijkt, en hij had lust het gesprek voort te zetten.
„Zeg hem, dat ik hem niet zou zijn lastig gevallen om dien droom uit te leggen,” zei hij, „als die niet min of meer nog eenmaal tot mij was teruggekomen. Vertel hem, dat ik voor een paar weken de Sofia-moskee te Konstantinopel bezocht en dat ik, toen ik het geheele heerlijke gebouw had doorloopen, naar een galerij ging om een beter overzicht van de schoone koepelzaal te hebben. Zeg hem verder, dat men mij in de moskee had binnengelaten onder een godsdienstoefening, toen die geheel vol menschen was. Op ieder van de ontelbare gebedsmatten, die den vloer van de middelste hal bedekten, stond een man, die zijn gebed deed. Allen, die aan de godsdienstoefening deelnamen, maakten dezelfde bewegingen te gelijk. Allen knielden neer, wierpen zich voorover en stonden te gelijk op. Allen fluisterden hun gebed heel zacht; maar door de bijna onmerkbare bewegingen van zóó veel lippen ontstond er een geheimzinnig suizen. Dat steeg op in de hooge gewelven en stierf langzamerhand geheel weg. Toen kwam het in melodisch gefluister terugzweven uit de meest afgelegen gangen en galerijen. ’t Was zoo eigenaardig, dat men zich verwonderd afvroeg of het niet de adem Gods was, die door het oude heiligdom bruiste.”
Weer hield de reiziger op. Hij sloeg Mesullam nauwlettend gade, terwijl de tolk zijn woorden vertaalde. ’t Scheen werkelijk, alsof hij zich had ingespannen om de aandacht van den neger door zijn welsprekendheid te winnen. Het scheen ook, alsof het hem gelukken zou, want Mesullam’s halfgesloten oogen vonkelden een enkelen keer als kolen, die beginnen vuur te vatten. Maar koppig, als een kind, dat zich niet wil laten vermaken, liet de waarzegger snel het hoofd op de borst zinken en begon nog ondragelijker te wiegen met zijn bovenlichaam.
„Zeg hem,” begon nu de vreemdeling opnieuw, „zeg hem, dat ik nooit menschen met zulk een aandacht heb zien bidden. ’t Kwam mij voor, dat het de heilige schoonheid van dat wonderbare gebouw was, waardoor die stemming van extase ontstond. Voorwaar, dacht ik, dit is nog een der bolwerken van den Islam. Hier is de woning der vroomheid; van deze machtige moskee gaat het geloof en de geestvervoering uit, die den Islam tot een geweldige macht maken.”
Hier hield hij opnieuw op en volgde met aandacht de bewegingen op Mesullam’s gezicht onder het vertalen van den tolk. Er was geen zweem van belangstelling te zien. Maar de vreemdeling was klaarblijkelijk een man, die zich zelf graag hoorde spreken. Zijn eigen woorden brachten hem als in een roes. Hij zou droevig geworden zijn als hij niet had kunnen voortgaan.
„Welnu,” zei hij, toen het weer zijn beurt werd om te spreken. „Ik kan nu niet recht verklaren wat mij gebeurde. ’t Is mogelijk, dat de lichte damp van die honderden olielampen, het doffe gefluister en de eentonige bewegingen van de biddenden mij in een soort verdooving brachten. Ik kon niet laten de oogen te sluiten, toen ik daar tegen een pilaar geleund stond. Dadelijk kwam er iets over mij, dat op slaap of bedwelming geleek. Dat duurde waarschijnlijk niet langer dan een minuut, maar in dien tijd was ik volkomen buiten de werkelijkheid. In dien bedwelmden toestand zag ik steeds de Sofia-moskee voor mij, en al die biddende menschen; maar nu merkte ik, wat ik eerder niet had gezien, dat boven onder den koepel steigers waren opgeslagen, en dat daarop eenige arbeiders stonden, met kwasten en verfpotten voorzien.”
„Zeg hem nu,” ging de verteller voort, „als hij het niet al weet, dat de Sofia-moskee eens een Christenkerk is geweest, en dat haar gewelven en koepel met heilige Christelijke mozaiekschilderingen zijn bedekt, hoewel de Turken al die mozaiekwerken met éénkleurige gele verf hebben overgeschilderd. En nu in den droom kwam het mij voor, alsof de gele verf op een paar plaatsen was afgevallen en dat de schilders op den steiger waren geklommen om het schilderwerk bij te werken. Maar zie, toen een van hen zijn kwast ophief om de verf in te vullen, liet in plaats daarvan een groot stuk los en dadelijk zag ik daar een schoon beeld van den Christus te voorschijn komen. De schilder hief opnieuw zijn arm op om over het beeld heen te schilderen, maar de arm scheen verlamd en machteloos neer te zinken tegenover dat heerlijk gelaat. Op ’t zelfde oogenblik liet de verf in den geheelen koepel en ’t gewelf los en Christus verscheen daar in al Zijn heerlijkheid, te midden van engelen en hemelsche heirscharen. Toen slaakten de schilders een kreet, en alle biddenden beneden in de moskee hieven het hoofd op. En toen zij de hemelsche heirscharen zagen, die den Verlosser omgaven, hieven zij een geroep van verrukking aan en allen strekten de handen omhoog. Maar, toen ik die verrukking zag, werd ook ik door een zóó sterke aandoening aangegrepen, dat ik oogenblikkelijk ontwaakte. Toen was alles als gewoonlijk. De mozaiekbeelden in den koepel waren verborgen onder de gele verf en de biddenden gingen voort Allah aan te roepen.”
Toen de tolk dit vertaald had, opende Mesullam een oog en zag den vreemdeling aan. Hij zag een man, die er naar zijn meening uitzag als andere Westerlingen, die door zijn moskee gingen.
„Ik geloof niet, dat deze bleeke vreemdeling visioenen heeft gezien,” dacht hij. „Hij heeft de donkre oogen niet, die achter den sluier van het verborgene kunnen zien. Ik geloof eerder, dat hij hier gekomen is om den draak met mij te steken. Ik moet me in acht nemen, opdat ik niet op dezen vervloekten dag door een nieuwe vernedering getroffen word.”
De vreemde sprak voort.
„Ge weet, o droomuitlegger,” zei hij en wendde zich nu rechtstreeks tot Mesullam, alsof hij een gevoel had, dat deze hem kon verstaan, niettegenstaande zijn vreemde taal, „ge weet, dat een gevierde vreemdeling dezer dagen Jeruzalem bezoekt. De regeering heeft alles gedaan wat zij kon om hem te behagen, en er is zelfs sprake van geweest dat om zijnentwil de dichtgemetselde poort in den ringmuur van Jeruzalem zou worden geopend, die men meent, dat de poort is, waardoor Jezus op Palmzondag Zijn intocht in Jeruzalem hield. Men heeft er werkelijk over gedacht om den hoogen gast de groote eer te bewijzen hem de stad in te laten rijden door een poort, die eeuwen geleden is dichtgemetseld geworden, maar men werd daarvan teruggehouden door een oude voorspelling, dat, als de poort geopend wordt, de Westerlingen er door zullen trekken om Jeruzalem in bezit te nemen.
„Maar nu zult ge hooren wat mij gisteren nacht gebeurde. ’t Was een heerlijke maneschijn, ’t weer was prachtig en ik was alleen uitgegaan om ongestoord een wandeling om de heilige stad te maken. Ik liep buiten den ringmuur op het smalle pad, dat om de muren loopt en mijn gedachten gingen onder het wandelen terug naar zóó lang verleden tijden, dat ik nauwelijks meer wist waar ik was. Opeens begon ik toch moe te worden, ik vroeg me verwonderd af of ik niet spoedig aan een poort in den muur zou komen, waardoor ik in de stad terug kon keeren, en langs een korter weg mijn herberg bereiken.
„Nu, juist terwijl ik daarover denk, zie ik een man een groote poort in den ringmuur vlak naast mij openen. Hij sloeg die wagenwijd voor me open en wenkte mij toe, dat ik daardoor kon gaan. Ik liep in mijn droomerijen verdiept en wist niet recht hoe lang ik had geloopen. Ik was er wat verwonderd over, dat er juist hier een poort was; maar ik dacht er niet verder over, en ging er door. Zoodra ik het diepe gewelf door was, sloegen de poortdeuren met een sterk gedreun tegen elkaar dicht. Toen keerde ik mij om; achter mij zag ik geen poortopening meer, maar enkel een dichtgemetselde poort, juist die gij „de gulden” noemt.
„Voor mij lag de tempelplaats, het ruime Haramsplateau, waarop in het midden Omars Moskee troont. En ge weet, dat geen poort in den ringmuur daarheen leidt, dan alleen de Guldene, die niet alleen gesloten, maar dichtgemetseld is.
„Ge kunt begrijpen, dat ik meende, dat ik gek geworden was, dat ik droomde, dat ik te vergeefs een verklaring trachtte te vinden. Ik keek rond naar den man, die mij had binnen geleid. Hij was verdwenen, ik kon hem niet vinden. Maar toen zag ik hem in plaats daarvan zooveel te duidelijker in mijn herinnering: de lange, een weinig voorovergebogen gestalte, de fraaie lokken, het vriendelijke gezicht, de in tweeën gedeelde baard. ’t Was Christus, waarzegger, weer Christus!
„En zeg mij nu, gij die in het verborgene kunt zien: Wat beteekenen mijn droomen en visioenen? Wat beteekent allereerst dit, dat ik werkelijk en in waarheid door de gulden poort ben gegaan? Nog op dit oogenblik weet ik niet hoe het toeging; maar ik hèb het gedaan. Zeg mij nu wat deze drie zaken te beteekenen hebben.”
De tolk vertaalde dit voor Mesullam, maar de waarzegger was nog altijd in dezelfde kwaaddunkende en knorrige stemming. „Dit is zeker, dat deze vreemde den draak met mij steekt,” dacht hij. „Misschien wil hij me boos maken met al dat praten over Christus.”
Hij zou liever in het geheel niet geantwoord hebben, maar toen de tolk er op aandrong, sprak hij eenige woorden.
De tolk aarzelde die te vertalen.
„Wat zegt hij?” vroeg de vreemdeling levendig.
„Hij zegt, dat hij niet anders te antwoorden heeft, dan dat droomen droomen zijn.”
„Zeg hem dan voor mij,” antwoordde de vreemdeling, een beetje geërgerd, „dat dit niet altijd waar is! Dat komt er alleen op aan, wìe ze droomt.”
Eer nog deze woorden voor Mesullam waren vertaald, was de Europeër opgestaan en met vlugge stappen weggegaan door de lange gang.
Maar Mesullam zat vijf minuten lang stil over zijn antwoord na te denken. Toen viel hij geheel vernietigd op zijn aangezicht.
„Allah, Allah! Tweemaal op denzelfden dag ging het geluk mij voorbij, zonder dat ik het greep! Wat heeft Uw knecht gedaan om U te mishagen?”