IN DE GERECHTSZAAL. (continued 2)
Margaretha Meijboom translation
„Ja, we moeten zeker nog blij zijn, dat hij nu spreekt, zoodat we niet in zijn ellende worden meegesleept,” zei de rechter bitter.
Gudmund hield voortdurend zijn oogen op Hildur gericht. Ze was gekleed met krans en sluier en nu zag hij hoe zij de hand ophief en een van de grootste haarspelden uittrok, die den krans vasthielden. Ze scheen het onwillekeurig gedaan te hebben. Toen ze merkte, dat Gudmund haar aanzag, stak zij de haarspeld weer in den krans.
„’t Is immers nog niet volkomen bewezen, dat Gudmund dien doodslag heeft begaan,” zei de vader, „maar ik begrijp wel, dat u de bruiloft wilt uitstellen tot alles tot klaarheid is gekomen.”
„We hoeven niet over uitstel te spreken,” zei de rechter. „Ik denk wel, dat Gudmund zoo zeker van zijn zaak is, dat we het er over eens kunnen worden, dat het tusschen hem en Hildur dadelijk uit is.”
Gudmund antwoordde niet dadelijk op dat voorstel, dat tot hem gericht werd. Hij ging naar zijn bruid en stak de hand uit. Ze bleef onbewegelijk zitten en scheen hem niet te zien.
„Wil je geen afscheid van me nemen, Hildur?”
Nu zag zij op en haar groote oogen vonkelden koud toen ze hem aanzag.
„Heb je met die hand het mes gebruikt?” vroeg ze.
Gudmund antwoordde haar met geen enkel woord, maar wendde zich tot den rechter.
„Ja, nu ben ik zeker van mijn zaak,” zei hij. „Het dient nergens toe de bruiloft uit te stellen.”
Hiermeê was het gesprek uit en Gudmund en Erland gingen heen. Ze moesten door verscheidene kamers en gangen voor ze buiten waren en overal zagen zij toebereidselen voor de bruiloft. De deur van de keuken stond open en ze zagen hoe een menigte menschen daar druk in beweging waren. Een geur van gebraad en gebak kwam hun te gemoet; de geheele haard stond vol groote en kleine pannen; de koperen potten, die anders aan den muur hingen, waren afgenomen en in gebruik.
„Dat is nu voor mijn bruiloft, dat ze zoo’n drukte maken,” dacht Gudmund, toen hij voorbij ging.
’t Was als moest hij nog een glimp zien van den rijkdom van die oude boerenhoeve terwijl hij door het huis ging. Hij zag de eetzaal waar groote tafels gedekt stonden, met lange rijen zilveren bekers en kannen. Hij ging voorbij de kleedkamer waar de vloer vol groote kisten stond en de wanden met een eindelooze massa kleeren waren bedekt. Toen hij later op de plaats kwam, zag hij een menigte nieuwe en oude wagens; prachtige paarden werden uit den stal geleid en sierlijke dekens in de wagens gelegd. Hij zag uit over een paar binnenplaatsen omgeven met koe- en paardenstallen, schapenhokken, magazijnen, schuren en nog veel andere gebouwen.
„Dat alles had het mijne kunnen zijn,” dacht hij, toen hij in den wagen stapte.
Op eens kwam een bitter berouw over hem. Hij had wel uit het rijtuig willen springen en naar binnen gaan en zeggen, dat het niet waar was wat hij gezegd had. Hij had alleen willen schertsen, en ze aan het schrikken maken. ’t Was onzinnig dom van hem geweest te bekennen. Waar was dat nu goed voor. Voor niemand was het er beter door geworden. De doode was immers dood. Neen, die bekentenis had geen ander gevolg dan dat hij ook in het verderf werd gestort.
De laatste weken was hij niet zoo erg op dat huwelijk gesteld geweest, maar nu hij ’t moest opgeven, voelde hij eerst wat het waard was. ’t Was veel Hildur Eriksdochter te verliezen en alles wat zij meebracht.
Wat beteekende het of ze eigenzinnig en met zichzelf ingenomen was? Ze was toch de allerbeste van allen daar in de streek en door haar zou hij tot groote macht en eer gekomen zijn.
’t Was niet alleen Hildur en haar bezittingen die hij nu miste—’t waren ook kleiner dingen. Op dit oogenblik zou hij naar de kerk gereden zijn en allen, die hem zagen, zouden hem benijd hebben. En vandaag zou hij aan ’t hoofd van den bruiloftsdisch hebben gezeten;—vandaag zou hij rondom in vreugde en dans geweest zijn. ’t Was zijn groote geluksdag, die hem nu ontviel.
Erland keerde zich naar zijn zoon en zag hem aan. Nu was hij niet meer zoo mooi en bezield als dien morgen; maar hij zat onverschillig en zwaarmoedig neer, met doffen blik. De vader vroeg zich zelf af of zijn zoon berouw had, dat hij bekend had en wilde ’t hem vragen, maar hij vond het ’t beste te zwijgen.
„Waar zullen we nu heen rijden?” vroeg Gudmund na een poos. „Is het niet het beste maar dadelijk naar ’t politiebureau te rijden?”
„Je moet liever eerst naar huis om te rusten en uit te slapen,” zei de vader. „Je hebt de laatste nachten zeker niet veel geslapen.”
„Moeder zal wel schrikken, als ze ons ziet.”
„Ze zal niet zoo verwonderd zijn,” zei de vader. „Ze weet evenveel als ik. Ze zal er blij om zijn, dat je ’t bekend hebt.”
„Ik geloof, dat Moeder en u en allen thuis blij zullen zijn, als ik in de gevangenis kom,” zei Gudmund bitter.
„We weten, dat je veel verloren hebt, doordat je goed gehandeld hebt,” zei de vader. „Maar we kunnen toch niet anders dan blij zijn, omdat je jezelf overwonnen hebt.”
Gudmund meende, dat hij ’t niet zou kunnen verdragen nu naar huis te rijden en te hooren hoe allen hem prezen, omdat hij zijn toekomst verwoest had. Hij zocht naar een voorwendsel om te voorkomen, dat hij iemand ontmoeten zou eer hij zich zelf tot meerder kalmte had gebracht. Nu reden ze voorbij de plaats, waar ’t pad naar het groote moeras begon.
„Wilt u hier stilhouden, Vader? Ik geloof, dat ik naar Helga zal gaan en met haar spreken.”
Gewillig hield de vader ’t paard in. „Kom maar zoo gauw mogelijk thuis om te rusten!” zei hij.
Gudmund ging het bosch in en was spoedig uit het gezicht. Hij dacht er niet aan om Helga op te zoeken; hij was maar blij, dat hij alleen was en zich niet hoefde te bedwingen. Hij voelde een onredelijke boosheid tegen alles, schopte tegen de steenen, die hem in den weg lagen en bleef nu en dan staan om een grooten tak af te breken, alleen omdat een blad hem tegen ’t gezicht getikt had.
Hij volgde den weg naar het groote moeras maar ging de hoeve voorbij en liep den berg op, die daarachter lag. Hier werd het hem al gauw moeilijk om vooruit te komen. Hij had het pad willen verlaten en om den hoogsten top te bereiken, moest hij over een breeden zoom van hoekige rotsblokken.
’t Was een gevaarlijke wandeling over die scherpe rotspunten en hij had armen en beenen kunnen breken als hij misgestapt had. Dat wist hij heel goed, maar hij ging door, alsof hij er pleizier in had zich aan gevaar bloot te stellen.
„Als ik val en een ongeluk krijg, kan niemand me hier boven vinden,” dacht hij. „Maar wat zou dat? Ik kan even goed hier liggen sterven als jaren lang in de gevangenis zitten.”
Maar alles ging goed en een paar minuten later was hij boven op den grooten berg. De bovenste top was nog kaal en van daar uit had men een mijlenver uitzicht. Hij zag dalen en meren, donkre bosschen en rijk bebouwde streken, kerken en landgoederen, kleine boschhoeven en groote dorpen. Heel in de verte lag de stad in een witten sluier van zonnelicht gehuld, waaruit een paar glinstrende torens omhoog staken. Wegen slingerden zich door de dalen en een trein schoot snel voorbij den zoom van het bosch. Hij overzag een heel rijk.
Hij wierp zich neer op ’t veld, maar hield voortdurend de oogen op dat groote panorama gericht. Dat landschap daar voor hem was grootsch en trotsch; er was iets in, dat hem zich zelf en zijn zorgen zoo klein en onbeduidend deed voorkomen.
Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was en gelezen had hoe de Verzoeker Jezus op een hoogen berg had gebracht en Hem alle heerlijkheid van de wereld had getoond, altijd gedacht had, dat ze hier op den grooten berg hadden gestaan; en hij herhaalde de oude woorden: „Dit alles zal ik u geven, als ge nedervalt en mij aanbidt.”
Toen kwam ’t hem op eens voor alsof een dergelijke verzoeking dezer dagen tot hem gekomen was. Voorwaar! had niet de Verzoeker hem op een hoogen berg gebracht en hem alle macht en heerlijkheid van den rijkdom getoond.
„Verzwijg het kwaad maar, dat je gelooft, dat je gedaan hebt,” zei hij, „en ik zal je alle heerlijkheid van deze wereld geven.”
En toen Gudmund hieraan dacht, kwam een klein beetje tevredenheid over hem.
„Ik heb immers: „Neen!” gezegd,” zei hij. En op eens begreep hij wat er voor hem op het spel had gestaan. Als hij gezwegen had, zou hij den Verzoeker levenslang hebben moeten aanbidden. Een schuw, moedeloos man was hij geworden, niet meer dan een slaaf van zijn bezittingen. De vrees ontdekt te worden, zou hem altijd gedrukt hebben. Nooit meer zou hij zich als een vrij mensch hebben gevoeld.
Er kwam een gevoel van groote rust over Gudmund. Hij was er blij om, dat hij begreep, dat hij goed gehandeld had. Als hij terugdacht aan de dagen, die voorbij waren, was ’t hem alsof hij tastend door een groote duisternis was gegaan. ’t Was wonderlijk, dat hij eindelijk nog terecht gekomen was. Hij vroeg zich af hoe ’t gekomen was, dat hij niet verdwaald was.
„Dat kwam, omdat ze thuis zoo goed voor me waren,” dacht hij, „en de beste hulp was, dat Helga kwam en me gelukwenschte.”
Hij bleef nog een poos op den berg liggen, maar al spoedig vond hij, dat hij naar huis moest gaan, naar zijn vader en moeder om hun te zeggen, dat hij vrede met zichzelf gekregen had. Toen hij opstond om heen te gaan, zag hij Helga zitten op een terras wat lager op den berg.
Ze had niet dat groote, wijde vergezicht, waar zij zat;—alleen een klein stukje van het dal was zichtbaar voor haar. Dien kant uit lag Närlunda, en ze kon waarschijnlijk een gedeelte van de hoeve zien. Toen Gudmund haar ontdekte, voelde hij hoe zijn hart, dat dien heelen dag moeilijk en angstig gewerkt had, blij en vroolijk begon te kloppen, en op ’t zelfde oogenblik ging er zulk een storm van geluk door zijn ziel, dat hij bleef staan—over zichzelf verbaasd.
„Wat gebeurt er met mij? Wat is dat? Wat is dat?” dacht hij, terwijl het bloed hem door ’t lichaam bruiste, en het geluk hem zóó machtig aangreep, dat hij het bijna pijnlijk voelde. Eindelijk zei hij verwonderd tot zichzelf: „Maar ik heb immers háár lief! En dat wist ik niet voor nu!”
’t Kwam over hem met de kracht van een losgebroken waterval. Hij was al dien tijd, dat hij haar kende, gebonden geweest. Alles wat hem naar haar heentrok, had hij teruggehouden. Nu eerst was hij vrij van de gedachte, dat hij met een ander trouwen moest, vrij om van haar te houden.
„Helga,” riep hij, en begon op ’t zelfde oogenblik de helling af te klauteren om bij haar te komen. Ze keerde zich om met een uitroep van schrik. „Wees niet bang! Ik ben het maar.”
„Maar ben je dan niet in de kerk om te trouwen?”
„Och neen, er wordt geen bruiloft gevierd vandaag. Ze wil mij niet hebben, zij … Hildur.”
Helga stond op. Ze drukte de hand op het hart en sloot de oogen. Ze dacht zeker op dat oogenblik, dat het Gudmund niet was, die daar aankwam. ’t Was zeker zoo, dat haar oogen en ooren betooverd waren daar in ’t bosch. Maar ’t was zoo heerlijk dat hij kwam, al was ’t maar in een visioen, en ze sloot de oogen en bleef onbewegelijk staan om dien waan nog een oogenblik langer te behouden.
Gudmund was wild en als in een roes door die groote liefde, die in hem opgevlamd was. Zoodra hij bij Helga kwam, sloeg hij de armen om haar heen en kuste haar—en zij liet het toe, want ze was geheel bedwelmd en overweldigd door de verrassing. ’t Was immers veel te wonderlijk om te gelooven, dat hij, die nu juist in de kerk moest staan naast zijn bruid, werkelijk hier in ’t bosch gekomen zou zijn. Die verschijning of dubbelganger van hem, die bij haar gekomen was, mocht haar gerust kussen.
Maar op eens, terwijl hij haar kuste, kwam ze tot zich zelf en stootte hem van zich af. En ze begon hem met vragen te bestormen. Was hij ’t wezenlijk zelf? Wat had hij in het bosch te doen? Was er een ongeluk gebeurd? Waarom was de bruiloft uitgesteld? Was Hildur ziek? Had de predikant een beroerte gekregen in de kerk?
Gudmund had met haar niet over iets anders in de wereld willen spreken, dan over zijn liefde, maar zij dwong hem te vertellen hoe alles gegaan was. Terwijl hij sprak, zat ze stil toe te luisteren in gespannen aandacht.
Ze viel hem niet in de rede, vóór hij over het afgebroken lemmet sprak. Toen sprong ze op en vroeg of het zijn gewone mes was, dat, wat hij gebruikte toen zij nog bij hem diende.
„Ja, dat was het juist.”
„Hoeveel van de lemmeten waren afgebroken?”
„Niet meer dan één.”
Het begon te werken in Helga’s hoofd. Ze zat met rimpels in het voorhoofd en trachtte zich iets te herinneren. Hoe was dat ook weer? Ja zeker, ze herinnerde zich duidelijk, dat ze dat mes van hem geleend had om er spanen mee te snijden, den dag vóór ze wegging. Toen had ze ’t gebroken, maar ze was er niet toe gekomen het hem te zeggen. Hij was haar ontweken en had niet met haar willen spreken in dien tijd. En hij had zeker het mes al dien tijd in den zak gehad en niet gemerkt, dat het gebroken was.
Zij hief het hoofd op en wilde er met hem over spreken; maar hij ging voort te vertellen van zijn bezoek op de bruidshoeve dien morgen en ze wilde hem alles laten zeggen. Toen ze hoorde hoe hij van Hildur was heengegaan vond ze dat dit zulk een verschrikkelijk ongeluk was, dat ze in verwijten tegen hem losbarstte.
„Dat is je eigen schuld,” zei zij. „Daar kom je met je vader aan en maakt haar doodelijk verschrikt met dat vreeslijk bericht. Zóó zou ze niet geantwoord hebben, als ze meester over zich zelf was geweest. Dit wil ik je wel zeggen, dat ik geloof, dat ze er nu al spijt van heeft.”
„Ze mag om mij zooveel spijt hebben als ze maar wil,” zei Gudmund. „Ik weet nu, dat ze een van die menschen is, die alleen aan zich zelf denken. Ik ben blij, dat ik van haar af ben.”
Helga drukte de lippen opeen, alsof ze wou beletten, dat haar groot geheim haar ontsnappen zou. Hier was zooveel om over te denken. ’t Was niet alleen de vraag hoe ze Gudmund vrij maken zou van de verdenking van moord. Die had ook de oneenigheid tusschen hem en zijn bruid ten gevolge gehad. Zou ze die niet kunnen probeeren bij te leggen met behulp van wat zij wist?
Weer zat ze stil te peinzen, tot Gudmund er over begon te spreken, dat hij nu zijn liefde aan haar gewijd had. Maar dat kwam haar als ’t grootste ongeluk voor, dat hem op dien dag overkomen was. Droevig was het, dat waarschijnlijk zijn voorgenomen huwelijk hem ontgaan zou; maar nog erger was het als hij zou trouwen met iemand als zij.
„Neen, zooiets moet je mij niet komen vertellen,” zei ze en stond knorrig op.
„Waarom moet ik je dat niet zeggen?” vroeg Gudmund en werd bleek. „Is het met jou misschien als met Hildur—dat je bang voor me ben?”
„Neen, daarom is het niet.”
Ze wilde hem uitleggen, dat hij zijn eigen ongeluk wilde, maar hij luisterde niet naar haar.
„Ik heb gehoord, dat er vroeger vrouwen waren, die aan de zij van hun man stonden, als ze in nood geraakten, maar die vindt je zeker niet meer tegenwoordig.”
Een schok ging Helga door de leden. Ze had zoo graag de armen om zijn hals geslagen, maar ze bleef stil staan. Vandaag moest zìj verstandig zijn.
„’t Is wel waar, dat ik je niet had moeten vragen mijn vrouw te worden, op denzelfden dag, dat ik naar de gevangenis moet; maar, zie je, als ik maar wist, dat je op me wou wachten tot ik weer vrijkwam, dan zou ik al dat akelige gemakkelijk dragen.”
„Niet ìk moet op je wachten, Gudmund.”
„Alle menschen zullen me nu voor een misdadiger houden, voor een, die drinkt en moordt. Maar als er nu maar iemand was, die me met liefde kon aanzien! Dat zou me moed geven, meer dan iets anders.”
„Dat weet je wel, dat ik nooit anders dan goed over je denken zal, Gudmund.”
Helga was heel stil geworden. Gudmunds smeeken werden haar bijna te zwaar. Ze wist niet meer hoe ze hem ontkomen zou. Maar Gudmund begreep er niets van; hij begon te gelooven, dat hij zich vergist had. Zij moest niet hetzelfde voor hem voelen als hij voor haar. Hij kwam dicht naar haar toe en zag haar aan, alsof hij door haar heen wilde zien.
„Zit je nu niet hier op deze rotshelling om naar Närlunda te kunnen zien?”
„Ja, dat doe ik.”
„Verlang je niet daar te zijn, dag en nacht?”
„Ja, maar ik verlang niet naar iemand.”
„Van wien houd je dan?”
Helga zweeg.
„Is het Peter Maartenszoon?”
„Ja, ik heb immers gezegd, dat ik van hem houd,” zei ze—en ze was als gepijnigd boven haar kracht.
Gudmund stond een poos naar haar te zien met een gezicht—doorgroefd van smart.
„Nu—goeden dag dan! Nu scheiden onze wegen,—die van mij en jou,” zei hij.
En op ’t zelfde oogenblik nam hij een grooten sprong van de rots naar het dichtstbijzijnd terras op den berg en verdween toen tusschen de boomen.
VI.
Nauwelijks was Gudmund uit het gezicht, of Helga haastte zich langs een anderen weg naar beneden, den berg af. Ze sprong voorbij ’t groote moeras zonder stil te houden en liep zoo hard ze kon tusschen de boschheuvels uit naar den weg. In de eerste hoeve, waar ze aankwam, vroeg zij een paard en wagen te leen om naar Elvakker te rijden. Ze zei, dat er een leven op het spel stond, als ze er niet kwam en beloofde er voor te betalen. De menschen uit de kerk waren al thuis gekomen en hadden van de uitgestelde bruiloft verteld. Allen waren heel verontwaardigd en vol medelijden en men wilde niet weigeren Helga te helpen, omdat ze een gewichtige boodschap voor de bruidshoeve scheen te hebben. Op Elvakker zat Hildur Eriksdochter in een kleine kamer boven in het huis, waar zij zich als bruid had gekleed. Zij had haar moeder en verscheidene boerenvrouwen bij zich. Hildur schreide niet, maar ze was buitengewoon stil en zoo bleek, dat het scheen alsof ze elk oogenblik ziek kon worden. De vrouwen spraken steeds door over Gudmund. Allen keurden zijn handelwijze af en schenen ’t als een geluk voor Hildur te beschouwen, dat ze niet aan hem verbonden werd. Sommigen vonden, dat Gudmund zijn schoonouders te weinig had ontzien, door niet reeds in de Pinksterdagen te spreken over wat hij gedaan had. Andren zeiden, dat hij, die zulk een groot geluk te wachten had, beter op zichzelf had moeten toezien. En andren wenschten Hildur geluk, omdat ze ontsnapt was aan de ellende te huwen met iemand, die zóóveel drinken kon, dat hij niet wist wat hij deed.
Onder dit alles scheen Hildur ongeduldig te worden en stond op om heen te gaan. Zoodra ze buiten de deur was, kwam haar beste vriendin, een jong boerenmeisje en fluisterde haar toe: „Er is iemand beneden, om je te spreken.”
„Is het Gudmund?” vroeg Hildur en even straalden haar oogen.
„Neen, maar ik geloof, dat het iemand zijn kan, die hij gezonden heeft. Zij wil aan niemand anders de boodschap afgeven dan aan jou.”
Nu had Hildur den heelen dag zitten denken, dat er iets komen moest om een eind te maken aan deze ellende. Ze kon maar niet begrijpen, dat zulk een vreeselijk ongeluk haar treffen zou. Ze meende, dat er iets moest gebeuren, zoodat ze de bruidskroon en den krans weer kon opzetten, zoodat de bruidsstoet naar de kerk kon gaan en de bruiloft beginnen. Toen ze nu hoorde van iemand, die Gudmund gezonden had werd ze levendig en liep snel naar buiten naar Helga, die in de bijkeuken op haar stond te wachten.
Hildur was er wel verwonderd over, dat Gudmund Helga naar haar toezond, maar ze dacht, dat hij misschien niemand anders had kunnen vinden op den feestdag en groette haar vriendelijk.
Ze wenkte Helga haar te volgen naar de melkkamer, die aan den anderen kant van de binnenplaats lag.
„Ik weet geen andere plaats waar we alleen kunnen zijn,” zei ze. „We hebben het huis nog vol menschen.”
Zoodra ze daarbinnen waren, ging Helga dicht op Hildur toe en zag haar aan.
„Eer ik iets zeg, zou ik willen weten of Hildur van Gudmund houdt.”
Hildur week ontstemd terug. Het was haar al pijnlijk een enkel woord met Helga te moeten wisselen en ze had al heel weinig lust haar tot haar vertrouwde te maken. Maar nu was zij in nood, en ze dwong zich te antwoorden:
„Waarom denk je dan, dat ik met hem zou willen trouwen?”
„Ik meen, of je nu nog van hem houdt.”
Hildur werd als versteend, maar ze kon niet liegen onder den vorschenden blik van Helga.
„Misschien heb ik vroeger nog nooit zooveel van hem gehouden als vandaag,” zei ze; maar zóó zacht, dat men gelooven kon, dat ieder woord, dat ze zei, haar pijn deed.
„Kom dan gauw met me meê,” zei Helga. „Ik heb een wagen daar op den weg. Ga nu alleen even naar binnen om iets om te doen en dan rijden we dadelijk naar Närlunda.”
„Waar zal dat voor dienen, dat ik daarheen rijd?” vroeg Hildur.
„Je moet daarheen rijden en zeggen, dat je Gudmund wilt toebehooren, wat hij ook heeft gedaan, en dat je trouw op hem wachten zult, terwijl hij in de gevangenis zit.”
„Waarom moet ik hem dat zeggen?”
„Omdat alles weer goed zal worden tusschen jelui.”
„Maar dat is immers onmogelijk! Ik wil niet trouwen met iemand, die in de gevangenis heeft gezeten.”
Helga ging een paar stappen achteruit, alsof ze tegen een muur geloopen was. Maar ze vatte spoedig weer moed. Ze kon immers wel begrijpen, dat iemand, die zoo machtig en rijk was als Hildur, zoo denken moest.
„Ik zou niet gekomen zijn, om je te vragen naar Närlunda te rijden, als ik niet wist dat Gudmund onschuldig was.”
Nu deed Hildur een stap naar Helga toe.
„Weet je dat? Of is ’t maar alleen iets, dat je gelooft?”
„’t Zou beter zijn als we gauw in den wagen gingen, dan kon ik onderweg vertellen.”
„Neen, je moet eerst uitleggen wat je bedoelt. Ik moet weten wat ik doe.”
Helga was in zulk een spanning van verlangen, dat ze bijna niet stil kon staan, maar ze moest toch aan Hildur vertellen, hoe ze wist, dat Gudmund de moordenaar niet was.
„Heb je dat niet dadelijk aan Gudmund gezegd?”
„Neen, ik zeg het nu aan jou. Niemand anders weet het.”
„En waarom kom je daarmeê bij mij?”
„Omdat nu alles weer in orde kan komen tusschen jelui. Hij zal nu wel gauw hooren, dat hij geen kwaad heeft gedaan; maar ik wil dat je als uit jezelf bij hem komen zult en alles weer goed maken.”
„Moet ik niet zeggen, dat ik weet, dat hij onschuldig is?”
„Je moet heelemaal uit jezelf komen,—nooit laten merken, dat je mij gesproken hebt. Anders vergeeft hij nooit, wat je van morgen hebt gezegd.”
Hildur luisterde zwijgend toe. Hier was iets, wat ze nog nooit in haar leven had ontmoet en ze trachtte het te begrijpen.
„Weet je, dat ik het was, die wilde, dat je van Närlunda weg zou gaan?”
„Ik weet wel, dat het niet de familie op Närlunda was, die me weg wilde hebben.”
„Ik kan niet begrijpen, dat je vandaag hier komt en me helpen wilt.”
„Ga nu maar met me meê, zoodat alles weer goed kan worden!”
Maar Hildur zag Helga aan, steeds in dezelfde gedachten verdiept.
„Misschien houdt Gudmund wel van jou,” zei ze. Maar nu was Helga’s geduld ten eind.
„Wat zou ik nu voor hem kunnen zijn?” vroeg ze heftig. „Je weet wel, dat ik niets anders ben dan het kind van een armen keuterboer—en dat is nog niet het ergste met mij.”
De twee jonge meisjes slopen onbemerkt van de hoeve weg en zaten spoedig in den wagen. Helga reed, en ze spaarde het paard niet, maar ’t ging in snelle vaart. Beiden zwegen. Hildur zat Helga aan te zien. ’t Was alsof ze meer over haar verwonderd was en meer over haar dacht, dan over den heelen rit.
Toen ze bij de hoeve kwamen, gaf Helga de teugels aan Hildur. „Rijd nu alleen naar de hoeve en spreek met Gudmund. Ik kom later en zal dan over het mes spreken. Maar je moet er geen woord van aan Gudmund zeggen, dat ik je gehaald heb.”
Gudmund zat in de groote kamer op Närlunda naast moeder Ingeborg en sprak met haar. De vader zat op een kleinen afstand van die beiden te rooken. Hij zag er vergenoegd uit en sprak geen woord. ’t Was duidelijk, dat hij vond, dat alles nu goed ging en dat hij niet hoefde in te grijpen.
„Ik zou wel eens willen weten, Moeder, wat u zoudt gezegd hebben, als u Hildur als schoondochter hadt gekregen,” zei Gudmund.
Moeder Ingeborg hief het hoofd op en zei kalm:
„Ik zal met vreugde iedere schoondochter ontvangen, wie ze ook zijn mag, als ik maar weet, dat ze zóó van je houdt, als een vrouw van haar man houden moet.”
Nauwlijks had ze dat gezegd of ze zagen Hildur Eriksdochter de hoeve oprijden. Ze kwam dadelijk daarop de kamer in en was in menig opzicht anders dan gewoonlijk. Ze kwam niet als anders vlug het vertrek binnen, maar ’t scheen bijna, alsof ze lust had aan de deur te blijven staan als een bedelaarster.
Ze kwam toch naar voren en reikte Moeder Ingeborg en Erland de hand. Toen wendde ze zich naar Gudmund en zei: „Ik zou je wel even willen spreken.”
Gudmund stond op en zij gingen in de kleine kamer. Hij bood Hildur een stoel aan, maar ze ging niet zitten. Ze was rood van verlegenheid, en de woorden kwamen langzaam en schuw over haar lippen.
„Ik was zeker … Ja, ’t was zeker al te hard, wat ik je van morgen zei.”
„Wij hebben je ook overrompeld,” zei Gudmund. Hildur werd nog meer verlegen en beschaamd.
„Ik had moeten nadenken. Wij konden .…. ’t Moest immers …”
„’t Is zeker ’t beste zoo als ’t nu is, Hildur. We moeten er maar niet meer over spreken. Maar ’t is lief van je dat je kwam.”
Ze verborg ’t gezicht in de handen, haalde zoo diep adem, dat het klonk als een snik; maar hief het hoofd weer op.
„Neen!” zei ze. „Zóó kan ik het niet. Ik wil niet, dat je me voor beter houdt dan ik ben. Er was iemand, die bij me kwam om te zeggen, dat je onschuldig was, en me raadde gauw hierheen te gaan en alles weer goed te maken. En ik moest niet zeggen, dat ik al wist, dat je onschuldig was, want dan zou je niet vinden, dat het iets groots was, dat ik kwam. Nu zeg ik je, dat ik wou, dat ik zelf op die gedachte gekomen was, maar dat ben ik niet. Maar ik heb den heelen dag naar je verlangd en gewenscht, dat het tusschen ons weer goed zou kunnen worden. En hoe het ook gaat, ik wil je toch zeggen, dat ik er blij om ben, dat je onschuldig ben.”
„Wie heeft je dien raad gegeven?” vroeg Gudmund.
„Dat mocht ik niet zeggen.”
„Ik ben er verwonderd over, dat iemand het weet. Vader komt nu juist van den commissaris van politie. Hij heeft naar de stad getelegrafeerd, en er is antwoord gekomen, dat de moordenaar al gevonden is.”
Toen Gudmund dat zei, voelde Hildur dat haar knieën knikten en ze ging haastig zitten. Ze werd bang, omdat Gudmund zoo kalm en vriendelijk was, en begon te merken, dat zij in ’t geheel geen macht meer over hem had.
„Ik begrijp wel, dat je nooit kunt vergeten hoe ik van morgen gedaan heb.”
„Ja, dat kan ik je wel vergeven,” zei hij op den zelfden kalmen toon. „Daar zullen we nooit meer over spreken.”
Ze rilde, sloeg de oogen neer en bleef zitten, alsof ze op iets wachtte.
„’t Was een groot geluk, Hildur,” zei hij, terwijl hij op haar toekwam en haar hand vatte, „dat het tusschen ons uit is; want vandaag is ’t me helder geworden, dat ik van een ander houd. Ik geloof, dat ik lang van haar gehouden heb, maar ik heb het niet geweten vóór vandaag.”
„Wie is het, waar je van houdt,” klonk het dof.
„Dat doet er niet toe. Ik zal niet met haar trouwen, want zij houdt niet van mij. Maar ik kan ook niet met een ander trouwen.”
Hildur hief het hoofd op. ’t Was niet gemakkelijk te zeggen wat er in haar omging. Maar ze voelde op dit oogenblik, dat zij de dochter van een grooten boer, met al haar schoonheid en al haar bezittingen niets beteekende voor Gudmund. En zij was trotsch en ze wilde niet van hem scheiden zonder hem te toonen, dat zij zèlf iets waard was, ook zonder haar bezittingen.
„Ik wil, dat je me zeggen zult of ’t Helga van de hoeve in ’t groote moeras is, waar je van houdt.”
Gudmund zweeg.
„Want als het Helga is, dan weet ik, dat ze van je houdt. Zij was het, die bij me kwam en me zei, wat ik doen moest om alles tusschen ons weer goed te maken. Zij wist, dat je onschuldig was, maar ze zei het je niet; ze vertelde het mij het eerst.”
Gudmund zag haar voortdurend diep in de oogen.
„Meen je, dat dit een bewijs is, dat ze een groote liefde voor mij voelt?”
„Daar kun je zeker van zijn, Gudmund. Dat kan ik getuigen. Niemand in de wereld heeft je liever dan zij.”
Hij deed snel een paar stappen door de kamer. Daarna bleef hij voor Hildur staan.
„Maar jij dan … Waarom zeg je mij dat?”
„Ik wilde niet bij Helga achterstaan in edelmoedigheid.”
„O, Hildur, Hildur!” zei hij en legde de handen op haar schouders en schudde haar om zijn ontroering lucht te geven. „Je weet niet, neen! je weet niet hoeveel ik op dit oogenblik van je houd. Je weet niet hoe gelukkig je me hebt gemaakt.”
Helga zat aan den weg te wachten. Ze zat met de handen onder de kin en keek over ’t veld. Ze zag Gudmund en Hildur voor zich en dacht er aan hoe gelukkig ze nu zouden zijn.
Terwijl ze daar zat kwam een jongen van Närlunda voorbij. Hij bleef staan toen hij haar zag.
„Heb je dat gehoord van Gudmund?” zei hij.
Ja, dat had ze gehoord.
„’t Was niet waar, zooals we wel dachten. De rechte moordenaar is al gepakt.”
„Ik wist wel, dat het niet waar kon zijn,” zei Helga. Ze voelde zich zoo wonderlijk buitengesloten. Dien morgen was ze zoo vol vuur geweest. Ze had niet aan zich zelf gedacht, alleen aan dit ééne, dat de bruiloft van Gudmund en Hildur zou kunnen doorgaan. Maar nu kwam het over haar, ’t besef hoe alleen ze was. En ’t was hard niets te kunnen wezen voor hen van wie ze zooveel hield. Nu had Gudmund haar niet noodig, en haar eigen kind had haar moeder haar afgenomen. Zij gunde haar nauwelijks er naar te zien.
Ze dacht er aan, dat ze nu moest opstaan en naar huis gaan. Maar de weg over de heuvels scheen haar zoo lang en zoo zwaar. Ze wist niet hoe zij dien zou kunnen gaan. Er kwam een rijtuig aan van de zijde van Närlunda. Gudmund en Hildur zaten er in. Nu reden ze zeker naar Elvakker om te zeggen, dat ze weer verzoend waren. En morgen zou de bruiloft wezen.
Toen ze Helga zagen, hielden zij het paard in. Gudmund gaf de teugels aan Hildur en sprong uit den wagen. Hildur knikte Helga toe en reed voort.
Gudmund bleef op den weg voor Helga staan.
„Ik ben er blij om, dat je hier zit, Helga,” zei hij. „Ik dacht, dat ik naar ’t groote moeras zou moeten gaan om je te vinden.” Hij zei dat zoo heftig, bijna hard, en op hetzelfde oogenblik greep hij haar hand en hield die vast. En zij zag aan zijn oogen, dat hij nu wist wat in haar omging. Nu kon zij hem niet meer ontsnappen.
VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
SELMA LAGERLÖF
VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
GÖSTA BERLING, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE ƒ 3.90.
INGRID, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; IN PRACHTBAND ƒ 1.—.
DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; IN PRACHTBAND ƒ 1.—.
DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90; IN PRACHTBAND ƒ 3.50.
JERUZALEM 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 4.50; IN PRACHTBANDEN ƒ 5.50.
ONZICHTBARE KETENEN, PRIJS INGENAAID ƒ 3.50; IN PRACHTBAND ƒ 3.90.
CHRISTUSLEGENDEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
ELSA, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90.
LEVENSGEHEIMEN, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90.
OUD EN NIEUW, PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
Eenige Nederlandsche Bladen over „Christuslegenden”.
„De Oprechte Haarlemsche Courant”.
Er ligt een toon in van heerlijke warmte. Er zingt een klank in van geloovige wijding. Elk der verhaaltjes, hoe eenvoudig ook en schijnbaar kinderachtig, wordt onder haar hand vlammend van mystisch schoon. Zij bracht in deze legenden een toon van volkomen-overtuigd zijn. Zij beschouwt die legenden niet als bloote, lieve vertelseltjes; maar dadelijk voelde zij hoe de kern van elk verhaaltje brandend was van liefde voor het Kindeken Gods en zij puurde die kern eruit, omstreelde die met den geur heurer poëzie, vertelde toen kinderlijk-naïef, subliem-eenvoudig, wat zoo eene sproke voor haar geweest was en wat het anderen zijn moest: prediking van liefde en trouw en geloof en godsvrucht. In elk der legenden is als hoofdelement: de hoogste liefde loutert en verreint, maakt goed wat slecht was, verandert het onschoone tot schoon. En dit is wellicht ook Selma Lagerlöf’s hoogste begeeren in al haar werk: te getuigen van de macht der liefde, die elk gelooven grootsch maakt, te getuigen van liefde en geloof, die onafscheidelijk bij elkaar behooren en te zamen, vereend, leidsters zijn van al wat goed is en schoon.…
„Het Weekblad voor Litteratuur”.
Zonder voorbehoud kunnen wij dezen bundel legenden, als reine, ernstige ontspannings-lectuur aanvaarden. Wanneer men nu niet vergeet dat het geen historie is, en het ook als zoodanig niet wordt gegeven, zal niemand ze onvoldaan ter zijde leggen.
„Boekenschouw”.
Dit boek, vol poëzie en piëteit worde in ons land door jong en oud, geleerde en niet geleerde gelezen, omdat de wereldberoemde schrijfster van „Gösta Berling” en „Jeruzalem” hier iets geleverd heeft, dat eenig is in onze hedendaagsche literatuur, doordat zij de uitnemendste voorstellingen van de moderne vertelkunst als werktuig eener religieuze inspiratie gebruikt, waarvan de uitingen, door hun echte en spontane naïveteit ongezocht herinneren aan wat de godsdienstige genieën der oude Christelijke kerk eens gaven, als ze in gedichten en kunstwerken hun ingevingen en droomen vereeuwigden.
Henri H. van Calker.
„De Nederlander”.
Ofschoon wij met zulke legenden, waarin het zuiver-historische achter al die voortbrengselen der fantasie schuil gaat, over ’t algemeen niet zijn ingenomen, moeten wij toch verklaren dat het der schrijfster gelukt is werkelijk treffende wenken daartusschen te voegen. Een enkel voorbeeld: Aan het einde van De Kaarsvlam verklaart de schrijfster: „Wat er uitgewerkt is door het Licht, dat in donkere dagen van Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten, noch te berekenen.”
„De Tijdspiegel”.
Aan wien is ’t beter toevertrouwd dan aan deze auteur, om zulke stukjes achter lijst en glas te zetten; aan haar, die ’t ongekunstelde zoo weet te vereenigen in spontane naïveteit met hetgeen goede smaak en kunstgevoel eischen! Dat Selma Lagerlöf daarin geslaagd is, bewijzen deze studiën; vooral de kleine stukjes zijn juweeltjes, welke waarlijk geen gouden randje meer noodig hebben.
Bij den Uitgever dezes verscheen mede:
JERUZALEM I EN II
(IN DALECARLIË en IN HET HEILIGE LAND).
Prijs in twee deelen ing. ƒ 4.50; geb. ƒ 5.50.
DE NEDERLANDSCHE PERS OVER „JERUZALEM”.
De Nieuwe Courant:
Dit is weer een heerlijk boek van de geniale dichteres-in-proza. Frissche oorspronkelijkheid, stoute fantasie, diepe zielkunde, forsche stijl en krachtige typeering. Al deze menschen leven een sterk persoonlijk leven. Zooals in Gösta Berling bestaat het boek uit hoofdstukken, die, hoewel ze in verband staan met elkaar, elk op zichzelf een mooi fragment vormen, zonder overgang, abrupt zonder dorheid. Het boek is zoo vol, dat elke andere schrijver verscheidene deelen had noodig gehad om het leven van deze menschengroep te vertellen. Maar Selma Lagerlöf geeft dan ook enkel het essentiëele, zonder beschrijvingen. En welk een kracht ligt er niet in deze zelfbeperking! Prachtig zijn de Inleiding, De ondergang van l’Univers, De verkooping, Gertrud. Dit is een boek vol intens zieleleven, dat ons alleen daarom niet zoo verrast als Gösta Berling, omdat wij gewend zijn van Selma Lagerlöf niet anders dan gaven van schoonheid te ontvangen. Want zij is als de bevoorrechte koningsdochter uit oude sprookjes: van haar dichterlippen regent het rozen en paarlen.
De Nederlander:
Wij hebben hier met een belangrijk verschijnsel op godsdienstig gebied te doen. Gewone roman-lectuur is ’t niet. Maar wie walgt van het alledaagsche, zal Selma Lagerlöf danken, en daartoe zal zeker medewerken de uitnemende wijze, waarop Mej. Meijboom haar taak heeft volbracht.
Wij verklaren in langen tijd niets te hebben gelezen, dat zooveel te genieten en te denken gaf.
De Amsterdammer:
Selma Lagerlöf is een andere Zweedsche nachtegaal. Zij zingt uit de ziel en de ziel uit van haar volk. En zij doet dat als een nachtegaal. Niet in diep-doordachte, kunstig geweven zangen. Als een nachtegaal gaat zij zonder gezochte overgangen van de eene stemming in de andere, rapsodisch maar bekorend.
GOEDKOOPE UITGAAF
VAN
GÖSTA BERLING
Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF
Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM
Prijs ingenaaid ƒ 1.50, in prachtband ƒ 1.90
Het Algemeen Handelsblad:
Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.
Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij het geheel genoten heeft.
Het Vaderland:
Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. „Gösta Berling” is een boek om tweemaal te lezen.
De Kerkelijke Courant:
Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in de schaduw staat.
Verder verscheen bij denzelfden Uitgever:
INGRID
Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF
DOOR
MARGARETHA MEIJBOOM
VIERDE, GOEDKOOPE UITGAVE
PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; GEBONDEN ƒ 1.—
De Nederlandsche Pers over „INGRID”.
De Kerkelijke Courant:
Weer hebben wij een zonderling en een mooi boek voor ons. Het is of de Zweedsche schrijfster droomen vertelt, zoo vrijmoedig schildert zij de vreemdste toestanden, en tegelijk heerscht zij over den mooien vorm en echt diep gevoel. Ingrid, bijna levend begraven en later met liefde en geduld den krankzinnige genezend, staat voor ons als de heldin uit een sprookje, maar een sprookje, uit een rijk gemoed gevloeid.
Het Vaderland:
De auteur van „Gösta Berling” is hier weer op haar eigenaardige wijze voor den dag gekomen en de mengeling van reëel en onreëel is haar uitnemend gelukt. Dit boek heeft iets van een sprookje en is toch zoo gewoon menschelijk roerend. Een boek als „Ingrid” is een buitenkansje; de vertaling verdient warm te worden geprezen.
De Avondpost:
Wie Gösta Berling van de Zweedsche schrijfster Selma Lagerlöf heeft gelezen—een van de weinige boeken waarvan de herinnering ook na jaren levendig blijft—zal verlangend zijn, kennis te maken met haar jongste werk: Ingrid, dat Margaretha Meijboom op zoo uitnemende wijze verdietschte. Niet minder dan van Gösta Berling gaat er van dit wonderlijke sprookjesachtige verhaal een eigenaardige bekoring uit. Het vertelt van de zwerftochten van een waanzinnige door groote bosschen en uitgestrekte gemeenten, van de macht welke de muziek over zijne ziel heeft; van de demonen, van zijn waanzin, die hem geen rust gunnen, tot een jong meisje, „Ingrid met de sterrenoogen”, hen op de vlucht drijft.
Het is een dichtwerk van buitengewone waarde, deze verheerlijking van de alvermogende macht der liefde. Zulke hooge poëzie, naïef en diepzinnig tegelijk, kan slechts ontstaan in een land, waar de lucht nog vervuld is van sagen en legenden.