← Table of contents
Goden- en Heldensagen

HET ONTSTAAN DER WERELD EN DER GODEN.

J. S. (Johann Samuel) Theissen translation

[

Inhoud

]

DE REGEERING VAN OERANOS (URANUS)

(HESÌODUS: THEOGONIE).

Allereerst is, naar de voorstelling van de Grieken, de Chaos ontstaan, de wijdgapende oneindigheid, de raadselachtige oorsprong van heel de bezielde en onbezielde wereld. Daaruit ontstonden Gaia (Gaea), de aarde, en de Tàrtaros, de afgrond diep onder de aarde; ook Eros, de liefde, de macht die alles verbindt. Uit den Chaos kwamen eveneens voort de Duisternis en de Nacht; zij werden op hun beurt de oorsprong van het Licht en van den Dag. Verder werden uit Gaia nog geboren Oèranos, de hemel, de gebergten der aarde en Pontos, de zee.

Aarde en hemel huwden elkaar en kregen achttien kinderen. Daarvan waren er drie met honderd armen en vijftig koppen; boven de hoogste bergen staken zij uit, en zij waren afgrijselijk om te zien. Drie andere hadden ieder maar één oog, rond van vorm en midden in het voorhoofd geplant. De honderdarmigen heetten Hekatoncheiren, de éénoogigen: Cyclopen. De twaalf vroeger geborenen, zes jongens en zes meisjes, waren goed gevormd; zij heetten Titanen.

Oèranos echter koesterde maar weinig vaderlijke gevoelens ten opzichte van zijn kinderen; zoo gauw er een geboren was, stopte hij het weg in diepe duisternis in het binnenste der aarde. Toen verzon Gaia een list om zich van de geweldenarijen van haar man te bevrijden; zij maakte een groote sikkel en sprak tot haar kinderen: „Als ge nu wilt, zullen wij ons gemakkelijk op Uw vader kunnen wreken.” Allen zwegen, vol ontzetting; alleen Kronos, de jongste der Titanen, bood zich aan om de vreeselijke daad te volbrengen. Gaia verborg hem nu in een hinderlaag, gaf hem de scherpgetande sikkel in handen en toen in donkeren nacht de hemel zich uitbreidde over de aarde, greep Kronos hem aan, verminkte hem op afschuwelijke wijze en verdreef hem uit zijn heerschappij. Uit het bloed, dat neerdruppelde, kwamen de Erìnyen (Furiën) voort, de godinnen van de wraak, de geweldige Giganten en de melische nymphen; „melia” is de esch, uit welks hout de bloedige lans werd gemaakt. En terzelfder tijd baarde ook de nacht allerlei vreeselijke wezens: het noodlot, den dood, den slaap en zijn benauwende droomen, den haat en de tweedracht, die de moeder werd van laster, van strijd en van moord.

[

Inhoud

]

DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)

(HESÌODUS: THEOGONIE).

Kronos regeerde nu; zijn zuster Rhea nam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot: Hera, Demèter en Hestia, Hades en Poseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geit Amalthèa hem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt, zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.

Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.

[

Inhoud

]

ZEUS EN DE GIGANTEN.

Toen Zeus nu de regeering in handen had gekregen, koos hij zich zijn zuster Hera tot vrouw. Aan ieder van zijn broeders gaf hij een deel der heerschappij; Poseidon werd de beheerscher van de zee, Hades de vorst van de onderwereld. Ook de geit Amalthèa werd niet vergeten; Zeus maakte een van haar horens tot een wonderhoren: wie deze bezat, kon wenschen, wat hij goed vond en zeker zijn van de vervulling; sedert spreekt men van den „Hoorn van overvloed.”

Maar Gaia, ontstemd over de opsluiting der Titanen, zette nu de Giganten op tot strijd tegen de goden. Met forsche kracht wierpen zij groote rotsblokken tegen den hemel: de goden echter spotten met hun geweld, de steenen rolden, zonder uitwerking, terug, en geen berg was hoog genoeg om van daar uit een bestorming te kunnen ondernemen. Toen scheurden de reuzen den Pelion uit den grond en wentelden dien boven op den Ossa. Te vergeefs echter; Zeus slingerde een geduchten bliksem tegen den berg, zoodat hij kantelde en naar beneden rolde. Daarop stormden de goden, onder een vervaarlijk krijgsgeschreeuw, van den Olympus af en begonnen een gevecht. De Giganten waren zeer sterk en de slag duurde een geheelen dag; eindelijk werden zij overwonnen en gevangen genomen.

Om ze nu goed in bedwang te houden, werd op iederen Gigant een zwaar rotsblok gewenteld, zóó, dat ze niet meer aan opstaan konden denken. Een der reuzen trachtte over de Middellandsche Zee te ontvluchten. Maar de dochter van Zeus, de krijgshaftige Athene, die ook een groot aandeel aan den strijd had genomen, bemerkte die poging, scheurde een ontzaglijk, driehoekig stuk land los en wierp dat den vluchteling achterna. De worp was raak, en de Gigant werd midden in zee onder de aarde bedolven. De aarde zelve bleef daar liggen, droeg langzamerhand bosschen en steden, en heet tegenwoordig Sicilië. Soms roeren de Giganten zich nog onder hun last en trachten dien van zich af te schudden; dan wordt door de menschen een aardbeving gevoeld. En als zij in hun ongeduld erg driftig worden, blaast hun vurige adem door de rotsblokken heen en werpen zij gesmolten erts en steenen uit.

Een voorstelling van de gigantomachie kwam voor op het altaar van Pergamum en op een deel der metopen van het Pàrthenon.

1. Athene-groep van het groote fries van het altaar van Pergamum.
1. Athene-groep van het groote fries van het altaar van Pergamum.

1. Athene-groep van het groote fries van het altaar van Pergamum.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

TYPHOEUS

(HESÌODUS: THEOGONIE).

Na de overwinning op de Giganten gaf Gaia het nog niet op, maar schiep een ontzettend monster, den Typhon. Krachtig waren zijn armen; zijn voeten onvermoeibaar en uit zijn schouders staken honderd vuurspuwende drakenkoppen op. Ieder van die koppen had zijn eigen geluid; nu eens klonk het als de taal der goden, dan weer als het loeien van een stier of het brullen van een leeuw, soms ook als het geblaf van honden of het gesis van een slang. Haastig greep Zeus zijn bliksemschichten en ging het ondier te lijf; van de zware donderslagen dreunden de aarde, de hemel en de zee, ja zelfs de donkere diepten van den Tàrtaros. Hoog bruiste het water op en weer sidderde de Olympus; van een lichtenden vuurgloed werd alles vervuld; Hades huiverde in zijn duister rijk en de Titanen werden bevreesd door het ontzaglijk tumult van dien woedenden strijd. Eindelijk gelukte het Zeus het monster neer te slaan; zijn koppen zengde hij hem af met bliksem op bliksem, en toen hij ten slotte, verlamd, op den bodem lag uitgestrekt, stegen rossige vlammen op uit het doorboorde lichaam. De aarde dampte over een groote uitgestrektheid en begon te smelten als tin in den smeltkroes; toen greep Zeus hem beet en slingerde hem toornig in de diepte van den Tàrtaros.

[

Inhoud

]

DE GODENWERELD.

De heerschappij der jongere goden was nu voor goed gevestigd.

Zeus (Jùpiter) was de oppergod, de god van den hemel, de verzamelaar der wolken, die de bliksemschichten slingerde en donderslagen deed rollen. Hij was bekleed met het opperste gezag; aan hem ontleenden de vorsten hun macht; door hem werden beschermd, wie bijzondere bescherming noodig hadden. In zijn prachtig paleis op den Olympus zat hij voor bij de vergaderingen der goden en bevestigde het genomen besluit door zijn stevigen hoofdknik. Feestmalen werden hier gehouden; dan bediende Hebe en soms ook Hephaistos; nectar en ambrozijn werden gebruikt en een groote vroolijkheid uitte zich vaak in een gullen lach.

Ook op den berg Ida, in de nabijheid van Troje, mocht Zeus graag vertoeven.

In het bijzonder werd Zeus geëerd op Creta, waar hij immers opgevoed zou zijn. Een oud heiligdom van Zeus bevond zich in Dodòna; daar gaf hij orakels; uit het ruischen der bladeren van een aan hem gewijden eik wist men zijn wil af te leiden. Maar vooral Olympia was aan Zeus gewijd. Hier stond binnen de altis, het heilige terrein, de groote Zeustempel met het kolossale Zeusbeeld in goud en ivoor, door Phidias vervaardigd. Hier werden ter eere van Zeus om de vier jaar de beroemde Olympische spelen gegeven. Hier eindelijk, evenals in Dodòna, konden orakels worden verkregen.

Elische munten hebben de voorstelling bewaard van het groote Zeusbeeld te Olympia. Het bekendste beeld is nu de Zeus van Otricoli.

Onder de dieren was de adelaar aan Zeus gewijd.

Boven Zeus nog stond de macht van het noodlot, de Moira, het Fatum, waarvan Zeus de voltrekker was.

Hera (Juno) was de vrouw van Zeus, de koningin van den hemel, de beschermgodin van het huwelijk. Vooral in Argos werd zij geëerd, waar in een aan haar gewijden tempel een groot beeld van Polykleitos voorkwam. Ook in Olympia was het Heraion een bekende tempel. De meest verspreide voorstelling in beeld is de Hera Ludovisi.

Pallas Athene (Minerva), een dochter van Zeus, uit zijn hoofd geboren, was oorspronkelijk ook een hemelgodin. Later was zij de godin van den tactischen krijg, gewapend met helm en schild en speer: zóó stond zij op het plateau van de Acròpolis te Athene. Zij was verder de godin van de wijsheid en de beschermster van alle kunstvaardigheid, vooral van de vrouwelijke handwerken. Om de vereering van de stad Athene had zij met Poseidon moeten kampen; wie het nuttigste geschenk zou geven zou de gevierde zijn. Toen deed Poseidon een bron ontstaan; Pallas Athene schonk den olijfboom en kreeg den prijs. Op de Acròpolis stond het Pàrthenon, een groote tempel, aan haar gewijd; op de gevelvelden waren haar geboorte en haar wedstrijd met Poseidon afgebeeld. In het Erechtheion werd een oud, houten beeld van Athene bewaard, dat uit den hemel heette gevallen te zijn; ieder jaar, bij gelegenheid van het feest der Panathenaeën, werd in plechtigen optocht aan dit beeld een nieuw kleed gebracht. Een voorstelling van dien optocht was afgebeeld op het fries van het Pàrthenon en bevindt zich nu in het Britsch Museum te Londen.

Een kleine copie van de Athene Parthenos bevindt zich in Athene; ook andere verre copieën van Phidias’ werk zijn bewaard; zoo b.v. de Athene Farnese te Napels.

Uil en olijfboom waren aan Pallas Athene gewijd.

2. Ruiters van het fries van het Parthenon.
2. Ruiters van het fries van het Parthenon.

2. Ruiters van het fries van het Parthenon.

P. Noordhoff, Groningen.

Apollo en Àrtemis (Diana) waren kinderen van Zeus en Leto (Latòna). Apollo, oorspronkelijk vooral in Klein-Azië en op de eilanden geëerd, was de god van het licht, de beschermer van dichtkunst en zang, het hoofd van de Muzen op Helicon en Parnassus. Op Delos was hij geboren; daar o.a. stond een heiligdom van hem. Maar vooral Delphi met zijn grooten Apollo-tempel was hem gewijd; hier gaf de Pythia, zijn priesteres, orakels, die langen tijd zeer gezien waren in Griekenland en daar buiten; hier werden groote wedstrijden te zijner eere gehouden.

Gewoonlijk wordt Apollo afgebeeld met boog en pijlen of met een lier; bekend zijn de Apollo van Belvedère, de Apollo als zanger bij de lier, en de Apollo Sauròktonos, hagedissendooder, de laatste van Praxìteles.

Aan Apollo was de laurierboom gewijd; met lauwerkransen werden de overwinnaars in de Delphische spelen beloond.

Àrtemis was de godin der maan, de godin ook van de jacht, met hoog opgeschort kleed om des te sneller te kunnen loopen. Haar bekendste beeld is de Artemis van Versailles.

Hephaistos (Vulcanus) was de god van het vuur en de smid der goden. De mooi bebeitelde deuren van de woningen van sommige onsterfelijken, de bliksems, die Zeus hanteerde, de wapenrustingen van godenkinderen als Achilles en Aenèas, kwamen uit zijn werkplaats. Nu en dan hielp hij ook bedienen op den Olympus.

Hestia (Vesta) was de godin van den huiselijken haard, voor wie te Rome van staatswege door de Vestaalsche maagden voortdurend een vuur werd brandende gehouden.

Ares (Mars) was de god van den woesten krijg; bekend is de Ares Ludovisi.

Aphrodìte (Venus) was de godin van schoonheid en liefde; vooral Praxìteles heeft getracht haar in beeld te brengen en velen hebben hem nagevolgd. Bekend is de Aphrodìte van Knidos; bekender nog de Venus van Milo.

Eros (Amor, Cupido) was geworden tot Aphrodìte’s zoon, de god van de liefde, gewoonlijk voorgesteld met pijl en boog.

Hermes (Mercurius) was de bode der goden, toegerust met vleugelschoenen en herautstaf, de geleider der dooden naar de onderwereld, de god van den handel en de beschermer van de reizigers. In Olympia werd, voor een groot gedeelte nog gaaf, de Hermes van Praxìteles gevonden; bekend is ook het beeld van den rustenden Hermes van Napels.

Poseidon (Neptunus) was de opperste zeegod, gehuwd met Amphitrìte, een dochter van Nereus. Zijn wapen was een drietand, waarmeê hij gewoonlijk wordt afgebeeld. Aan hem werden ook wel toegeschreven de vulkanische bewegingen van de aarde; de „Aardschudder” werd hij bijgenaamd. Hij reed met zijn wagen over de golven der zee, omstuwd van Tritonen en Nereïden; hij bewoonde in de diepte een prachtig paleis. Paard, stier en dolfijn waren hem gewijd. Op de landengte van Corinthe werden de Isthmische spelen te zijner eere gevierd.

Zeegoden van minderen rang waren Nereus, de oude vader der vijftig Nereïden en Proteus, een god, die de toekomst kon voorspellen.

Verder dachten zich de Grieken in elke rivier een stroomgod, zonen van Okèanos (Oceanus), den wereldstroom, die de geheele aarde omspoelde.

Als goden van de aarde werden vooral geëerd: Dionỳsos (Bacchus), de god van den plantengroei, van den weelderigen wijnstok in het bijzonder. Nymfen en Satyrs, die velden, bosschen en bergen bevolkten, kwamen voor in zijn gevolg. Tot groote uitgelatenheid, heet het, bracht hij zijn vereerders; berucht zijn bacchanaliën en bacchanten. Uit de groote feesten ter eere van Dionysos heeft zich waarschijnlijk het tooneelspel ontwikkeld. Verder Demèter (Ceres), de godin van den landbouw en:

Persèphone (Prosèrpina), haar dochter, die geschaakt werd door Hades, den god van de onderwereld. Na lang zoeken en vragen vernam Demèter waar zij was; toen werd een overeenkomst gesloten: de eene helft van het jaar zou Persèphone bij haar moeder op aarde zijn, de andere bij haar man in de onderwereld.

Ter eere van Dionysos, Demèter en Persèphone werden te Eleusis bijzonder plechtige feesten gevierd, de Eleusinische mysteriën.

Hades (Pluto, Dis) ten slotte was de beheerscher van de onderwereld, waar in den Tàrtaros de boozen hun straf ondergingen, op de Elyseesche velden de goeden een gelukkiger leven leidden. Een drietal rechters, Minos, Aeacus en Rhadamanthys, velden vonnis over de schimmen.

3. Zeus-groep van het groote fries van het altaar van Pergamum.
3. Zeus-groep van het groote fries van het altaar van Pergamum.

3. Zeus-groep van het groote fries van het altaar van Pergamum.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

DE HELDENTIJD.

IN VIER TIJDPERKEN.

(OVIDIUS: METAMORPHOSEN I reg. 89 vlgg.)

Onder de regeering van Kronos werden de menschen geschapen; men beleefde toen het gouden tijdperk. Er heerschte eeuwige lente op aarde en een zachte wind streelde in de zoele lucht de bloemen, die zonder zaaien geworden waren. De bodem droeg vrucht ook zonder dat hij bewerkt werd, en zwaar hingen de aren over den ongeploegden akker. Zonder dwang van wetten en bepalingen deden de menschen wat goed en rechtvaardig is; vrees voor straf bestond niet en toch was ieder, zonder de bescherming van een overheid, veilig. Geen schepen, op jacht naar winst, bevoeren nog de zee, geen grachten omgaven de steden, krijgstrompet en harnas waren onbekend; in rustigen vrede bracht men zijn leven door.

Toen Kronos echter naar den Tàrtaros was verbannen en Zeus de regeering had aanvaard, maakte dit gouden tijdperk plaats voor het zilveren. De jaargetijden ontstonden en de korte lente werd nu gevolgd door den zomer, door herfst ook en winter. Huizen werden gebouwd, voren getrokken, en in moeizamen arbeid moest de oogst aan den bodem ontworsteld worden.

Als derde volgde het koperen tijdperk, reeds geneigd naar de wapens te grijpen, maar aan eigenlijke misdaad toch nog vreemd.

Eindelijk brak als vierde het ijzeren tijdperk aan. Toen weken schaamtegevoel en zin voor waarheid en goede trouw; list en bedrog en inhaligheid deden hun intocht. Het verlangen om hun schatten te vermeerderen dreef de menschen op zee en in de diepten der aarde; het harde ijzer en het verderfelijke goud werden aan de oppervlakte gebracht. Schrikkelijke wapens werden nu gesmeed en bloedige oorlogen volgden elkaar op. Men leefde van roof; de vriend was voor den vriend, de broeder voor den broeder niet meer veilig. Ook de eerbied voor de goden was verdwenen, en diep verontwaardigd wendden dezen zich af van het menschelijk geslacht.

[

Inhoud

]

PROMETHEUS EN EPIMETHEUS.

(HESÌODUS: „THEOGONIE” EN „WERKEN EN DAGEN”).

Er leefden echter twee broeders van goddelijk geslacht, wier vader, als Titaan, tegen Zeus had gestreden; zij woonden onder de menschen en waren hun zeer goed gezind. De een heette Prometheus, dat wil zeggen: die vooruit denkt; de ander Epimetheus, de man, die achterna denkt. Zeus, boos op de menschen, wilde hun het vuur onthouden; toen besloot Prometheus het hun te verschaffen; heimelijk, in een rietstengel, roofde hij het weg van den Olympus. Hevig toornde Zeus, toen hij den hellen gloed van het vuur op aarde zag lichten. Toch ontnam hij het den menschen niet, maar het goede, dat zij er door gewonnen hadden, deed hij van veel kwaad vergezeld gaan. Aan Hephaistos gaf hij last uit klei een mooie, jonge vrouw te vormen en haar stem en leven te geven; Athene leerde haar aan den weefstoel kunstigen arbeid verrichten en Aphrodìte omgaf haar met lieflijke bevalligheid. Maar Hermes schonk haar listigen zin en de zucht om te behagen. Pandòra, de al-begiftigde, werd zij genoemd.

4. Zeus van Otricoli.
4. Zeus van Otricoli.

4. Zeus van Otricoli.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

Zeus gaf nu aan zijn bode last haar aan Epimetheus over te geven. Prometheus had zijn broer gewaarschuwd voor elk geschenk van Zeus; maar de zorgelooze, die steeds nadacht, als het te laat was, stoorde zich daar niet aan en nam het meisje dankbaar aan. Te laat pas bemerkte hij, hoe dwaas hij gehandeld had. Want Pandora lichtte, nieuwsgierig, het deksel op van het vat, waarin alle onheilen waren geborgen. Toen stormden zorgen en rampen er uit en verspreidden zich onder de menschen, ziekten en kwalen, nood en ellende, waarvan zee en aarde vol zijn. Alleen de hoop bleef boven aan den rand van het vat hangen en vloog er niet uit, daar Pandora snel het deksel weer sloot.

En ook Prometheus, de trotsche beschermer der menschen, die het gewaagd had zich tegen den wil van Zeus te verzetten, ontging zijn straf niet. Twee goden kregen bevel hem naar den Kaukasus te brengen en Hephaistos smeedde hem met sterke ketenen aan een rotsblok vast. Iederen dag kwam een geweldige adelaar, boorde zijn scherpen snavel in het lichaam van den weerlooze en pikte hem de lever uit; iederen nacht sloot de wonde zich weer en groeide de lever weer aan, opdat den volgenden dag het wreede spel opnieuw kon beginnen. Duldelooze pijnen leed Prometheus; maar standvastig bleef hij weigeren het trotsche hoofd voor Zeus te buigen en nooit kwam berouw bij hem op, dat hij het vuur had geroofd en aan de aardbewoners had geschonken. Geduldig droeg hij zijn lijden, totdat eindelijk Heracles den adelaar doodde en Zeus Prometheus van verdere straf ontsloeg.

[

Inhoud

]

DEUCALION EN PYRRHA.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN I, reg. 244 vlgg.)

Het menschelijk geslacht was ten gevolge van dat alles verwilderd, en zoozeer gewoon geraakt aan misdaad en kwaad, dat er geen hoop op beterschap meer bestond en Zeus het besluit opvatte het te verdelgen. Dichte regenstroomen deed hij neerdalen uit den hemel en Poseidon, de beheerscher van zeeën en rivieren, deed met forsch geweld zijn wateren uit de diepte losbreken, zoodat spoedig de geheele aarde overstroomd werd. De menschen zochten redding op heuvels en bergen, op schepen en vlotten; ze dreven rond op de plaats, waar zij nog kort te voren den ploeg hadden gedreven door de vruchtbare akkers; zij voeren over de daken heen van hun ondergedompelde huizen. Velen werden, tot zelfs op de hooge toppen der bergen, door den wassenden vloed verzwolgen; en wie door het water gespaard werd, kwam om door gebrek aan voedsel.

Twee menschen slechts, Deucalion en zijn vrouw Pyrrha, ontkwamen aan den algemeenen ondergang. Zij hadden steeds eerbied voor de goden getoond en met innige vroomheid hun gebeden opgezonden en hun offers gebracht. Eenzaam dobberden zij rond op den onmetelijken plas en bereikten eindelijk den top van den Parnassus, die alleen nog boven de watervlakte uitstak. Toen zag Zeus hen en besloot hen te redden. Hij deed het water zakken en ook Poseidon kalmeerde de opgeruide stroomen; de zeeoevers werden weer zichtbaar; de rivieren trokken zich binnen haar beddingen terug, en weldra vertoonde zich ook de oppervlakte der aarde. Maar eenzaam lag zij daar, in groote verlatenheid; de velden waren met slik bedekt, de boomen onder het water verstikt. Woest en onbewoond strekte zij zich voor het oog der geredden uit; geen mensch, geen dier vertoonde zich aan hun zoekenden blik.

Treurig overzagen beiden het tooneel der ellende. Zij besloten naar de ruïne van een nabijgelegen heiligdom te gaan en daar de godheid om herstel van het menschelijk geslacht te vragen. In vurig gebed wierpen zij zich neer op den killen, steenen bodem; toen klonk een stem hun tegemoet: „Gaat heen uit den tempel, omsluiert uw hoofd en werpt de beenderen van uw groote moeder achter u.” Verwonderd hoorden beiden het orakel aan en wisten niet wat het beduidde. Eindelijk echter sprak Deucalion: „De woorden van de godheid bedoelen geen kwaad. Onze groote moeder is de aarde, en de steenen zijn haar gebeente, dat wij achter ons moeten werpen.” Wel achtte Pyrrha deze oplossing bedenkelijk, maar men kon het, meende ze, licht eens probeeren. En zie, de steenen, die zij nu, gesluierd, achter zich wierpen, verloren hun hardheid en namen menschelijken vorm aan: het werden mannen of vrouwen, naarmate Deucalion of Pyrrha ze geworpen had. Zoo is een nieuw geslacht van menschen ontstaan, hard en opgewassen tegen zwaren arbeid, een geslacht, dat in zijn werken zijn oorsprong nooit verloochent.

Deucalion intusschen heerschte nog langen tijd als een wijs en rechtvaardig koning over zijn nieuwe onderdanen. Zijn zoon Hellen werd de stamvader der Hellenen of Grieken.

[

Inhoud

]

MIDAS.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN XI, reg. 85 vlgg).

Toen de God van den wijn, Dionysos, nog op de aarde verkeerde om de menschen te leeren hoe zij den wijnstok planten en uit de druif den kostelijken wijn konden persen, kwam hij ook in het rijk van Midas, den rijken vorst van Phrygië. In zijn gevolg bevond zich de oude Silènus, die op bevel van Zeus den jongen god had opgevoed. Toevallig raakte deze verdwaald en werd door onderdanen van Midas voor den koning gebracht. Welwillend nam deze hem op, onthaalde hem vele dagen lang met groote gastvrijheid en gaf hem toen aan Dionysos terug. Verheugd stond de god aan Midas toe, zich een geschenk te kiezen. „Laat dan alles, wat ik aanraak, in goud veranderen!” bad de vorst. En zijn wensch werd vervuld; de tak, dien hij met de hand beroerde, de steen, dien hij opraapte, de halmen, die hij afbrak en de vrucht, die hij plukte, ze werden alle van goud. Maar ook het eten, dat hij aan den mond wilde brengen, veranderde in goud, goud werd de wijn, dien hij aanraakte met zijn lippen. Toen begreep hij het dwaze van zijn vraag; angstig en beschaamd snelde hij naar Dionysos terug en bad vurig dat hem het heillooze geschenk weer zou worden ontnomen. „Ga u dan baden in de bron van den Pactolus, waar die het rijkelijkst vloeit,” antwoordde de god, „en duik ook met uw hoofd onder water.” Midas deed het, de verleende gave werd hem ontnomen, maar sedert dien tijd voert de Pactolus goudkorrels mee in zijn stroom.

Eens waagde de herdersgod Pan het met Apollo een wedstrijd in muziek aan te gaan. Toen de eerste zijn fluitspel geëindigd had, greep de laatste zijn lier en ontlokte zulke wonderschoone tonen aan het instrument, dat hem de prijs werd toegekend. Ieder was het met de beslissing eens: alleen Midas achtte haar onrechtvaardig. Toen rekte Apollo zijn ooren uit, deed ze met grijzige haren begroeien en maakte ze beweeglijk: ezelsooren droeg voortaan koning Midas. Door het dragen van een muts trachtte hij zijn schande te verbergen; alleen zijn barbier moest de verandering bemerken, maar streng werd hem verboden over de zaak te spreken. Hij kòn echter niet zwijgen en toch durfde hij het geheim niet zoo maar openbaren. Hij groef daarom een gat in den grond, fluisterde nauw hoorbaar zijn bevinding daarin, en maakte toen het gat weer dicht. Dàt gaf opluchting! Maar toen op die plek later biezen groeiden, klonk het dikwijls zacht in den wind: „Koning Midas heeft ezelsooren!” en zoo is het geheim onder de menschen gekomen.

5. Silenus met Bacchus.
5. Silenus met Bacchus.

5. Silenus met Bacchus.

Phot. F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

ORPHEUS EN EURYDICE.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN, X reg. 1 vlgg.)

Wonderlijke gaven bezaten de menschen van dien overouden tijd. De zanger Orpheus zong zoo heerlijk bij den klank der lier, dat wilde dieren zich als lammeren neervlijden aan zijn voeten, dat boomen hun wortels uit den grond scheurden om de zoete tonen te volgen, dat zelfs steenen door zijn gezang tot in hun binnenste werden geroerd. Zijn echtgenoote was de nymf Eurỳdice. Toen deze eens met haar vriendinnen op een weide speelde, werd zij door een giftige slang gebeten en stierf aan haar wonden. Toen waagde Orpheus het naar de onderwereld af te dalen en den troon van Hades te naderen. Met snarenspel begeleidde hij zijn weemoedigen klaagzang. Toen weenden de schimmen, Tàntalus vergat zich naar het water te bukken, Sìsyphus zat luisterend op den steen, die niet meer wegrolde en zelfs de Erìnyen vergoten haar eerste tranen. Toen werd Eurỳdice geroepen en aan haar man teruggegeven; hij mocht haar meevoeren naar de bovenwereld, mits hij niet naar haar om zou kijken vóór hij het schimmenrijk zou hebben verlaten. En reeds waren zij dicht bij den uitgang gekomen, toen Orpheus, bang dat zij hem toch nog zou ontgaan en vol verlangen om haar te zien, den blik naar achteren wendde; dadelijk ontvlood zij; toen hij de armen naar haar uitstrekte, ontmoetten zij niets dan ijle lucht; een nauwelijks hoorbaar vaarwel bereikte alleen nog zijn ooren. En toen hij haar wilde volgen, weigerde Cerberus hem door te laten. Treurig zat hij zeven dagen en zeven nachten aan den oever van den Styx, de rivier, die het rijk van Hades omgeeft; toen pas keerde hij naar de aarde terug. Eenzaam zette hij zijn leven voort, en trouw aan de gestorvene, vermeed hij den omgang met vrouwen; door woedende Bacchanten, die rondzwierven door de gebergten van Thracië, werd hij daarom verscheurd. De vogels beklaagden den dood van den zanger, treurend lieten ook de boomen hun takken hangen en met droef gemurmel stroomden beken en rivieren, Orpheus werd thans echter voorgoed met zijn vrouw hereenigd.

[

Inhoud

]

PHAËTON.

(OVÌDIUS. METAMORPHOSEN II, reg. I vlgg.)

Phaëton was de zoon van den zonnegod Helios en van een sterfelijke koningsdochter. Aan zijn goddelijke afkomst werd echter getwijfeld; daardoor gekrenkt, besloot hij zelf zijn vader op te zoeken en zich zekerheid te verschaffen. Hij ging op weg naar de schitterende zonneburcht, door Hephaistos met groote kunstvaardigheid gemaakt; rijk was het materiaal, maar rijker nog het drijfwerk, waarmeê het versierd was. Op een troon, schitterend van edelgesteenten, zat Helios, gekleed in purperen gewaad; om hem heen stonden de eeuwen, de jaren, de maanden en de dagen en ook de jaargetijden: de jonge lente, de zomer met een krans van aren om het hoofd, de herfst, rood van druivensap, en de koude winter met zijn ruige, grijze haren. Op grooten afstand bleef Phaëton staan; hij kon den glans van het licht van meer nabij niet verdragen. Toen nu zijn vader den stralenkrans, die hem de oogen verblindde, had afgezet en hem naar de oorzaak van zijn komst had gevraagd, vertelde hij die en vroeg om een onderpand, dat zijn afkomst ontwijfelbaar zou kunnen bewijzen. Toen stond, ten teeken dat hij werkelijk zijn zoon was, de zonnegod hem toe welke gunst ook te vragen en bezwoer hem bij de goden van de onderwereld, dat hij die in zou willigen. En Phaëton vroeg voor één enkelen dag het bestuur over den zonnewagen. Bedenkelijk schudde Helios het hoofd, wees hem op de gevaren, aan de reis verbonden en zocht met dringende woorden hem te bewegen, iets anders te kiezen. ’t Was alles te vergeefs; Phaëton bleef bij zijn verzoek.

Dus werd hij door zijn vader naar den wagen gebracht. Ook deze was door Hephaistos gemaakt, de as en de dissel en de velgen uit goud, de spaken uit zilver, en schitterende edelgesteenten versierden het juk. De Horen, de eeuwig jeugdige godinnen van de jaargetijden, spanden de paarden aan. Toen zette Helios zijn zoon den lichtenden stralenkrans op het hoofd, gaf hem allerlei aanwijzingen ter herkenning van den weg, allerlei wenken ter vermijding van gevaren, en liet hem, toen de tijd van vertrek was gekomen, met bezwaard hart gaan. Hinnekend worstelde het vurige vierspan met den slagboom, die het tegenhield; toen die weg was genomen, schoten ze vooruit, de wolken door, den oostenwind voorbij, die in dezelfde richting zich bewoog. Maar de wagen was lichter dan hij anders placht te zijn; als een boot op de hooge zee slingerde hij heen en weer. Ook misten de paarden de vaste hand van hun gewonen bestuurder; zij dwaalden af van de voorgeschreven baan. Phaëton werd bang; hij wist niet waarheen hij de teugels zou wenden, wist niet, hoe hij zijn paarden weer meester zou worden. En toen hij zoo heel diep beneden zich de aarde zag liggen, verbleekte hij van schrik; te midden van zooveel licht kwam duisternis over zijn oogen. Hij speurde naar redding om zich heen, maar ver achter hem lag het oosten, even ver voor hem nog het westen en dreigend verhieven zich om hem heen de woeste gestalten van de teekens van den dierenriem. De schorpioen strekte zijn giftige scharen naar hem uit; toen liet hij de teugels glippen en in onstuimige vaart sleurden de paarden hem met zich mee. Nu eens verhieven zij zich hoog in de lucht, dan weer naderden zij tot vlak bij de aarde; de wolken begonnen te verdampen, het gras verdorde, boomen raakten in brand, heele steden gingen te gronde, rivieren droogden uit en zelfs tot in de onderwereld drong het verblindende licht van den zonnewagen door. Driemaal trachtte Poseidon zich te verheffen uit zee, maar driemaal, door de hitte teruggeschrikt, dook hij weer onder. Toen erbarmde zich Zeus over de bedreigde aarde en met een bliksemschicht stortte hij den ongelukkigen Phaëton van zijn wagen. Als een ster, die verschiet, tuimelde hij neer in de onmetelijke diepte. Treurend rouwde de vader om zijn zoon; een geheelen dag bleef hij verborgen in zijn paleis, een geheelen dag bleven de menschen van het zonlicht verstoken.

De aarde heeft van Phaëtons tocht de sporen bewaard. Afrika is voor een groot gedeelte uitgedroogd en tot woestijn geworden. En de bevolking van dat werelddeel heeft nog steeds een verbrande, zwarte huid.

[

Inhoud

]

SÌSYPHUS.

Corinthe, de groote handelsstad aan de smalle landengte tusschen Hellas en den Peloponnesus, werd gesticht door Sìsyphus, een zeer listig man. Als onverschrokken zeeman steeds bedacht op winst, wist hij door sluwheid en bedrog onmetelijke rijkdommen te verwerven. Zijn hebzucht verleidde hem zelfs tot verraad jegens de goden. Toen zond Zeus den Dood, om hem naar de onderwereld te brengen. Maar de sluwerd was niet licht te vangen. Hij bemerkte de nadering van den Dood, wist hem door slimheid in zijn macht te krijgen en bond hem met sterke banden. Een tijdlang stierf er toen niemand op aarde.

Eindelijk verscheen echter de krijgsgod Ares, bevrijdde den Dood en leverde Sìsyphus aan hem over. Maar vóór hij naar de onderwereld ging, droeg hij zijn vrouw op de gebruikelijke doodenoffers voor hem niet te brengen. Toen nu Hades zich erover beklaagde, dat hij de gewone geschenken niet ontving, wist hij verlof te krijgen zijn vrouw op dat verzuim opmerkzaam te gaan maken. Eenmaal boven, toonde hij niet veel lust naar het schimmenrijk terug te keeren. Hij bleef dus op aarde; tot Hermes verscheen en hem voorgoed naar de onderwereld overbracht. Daar werd voor straf hem opgelegd een zwaar rotsblok tegen een berg op te wentelen. Telkens, als hij bijna boven is, ontsnapt hem de steen, en altijd weer opnieuw, in eindelooze afmatting, moet hij met zijn vergeefschen arbeid beginnen.

6. Athene Parthenos.
6. Athene Parthenos.

6. Athene Parthenos.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

BELLEROPHONTES.

(HOMERUS: ILIAS VI reg. 155 vlgg.)

Een kleinzoon van dezen Sìsyphus was Bellerophontes. Hij had het ongeluk op jacht zijn broeder te dooden en moest daarom uit Corinthe vluchten. Zoo kwam hij bij den koning van Tiryns, die hem gastvrij opnam. Hier zocht de koningin de liefde te winnen van den jongen man, wien de goden schoonheid en kracht hadden verleend. Hij versmaadde haar echter en zij, geërgerd, klaagde hem nu aan bij haar man: hij zou, omgekeerd, met opvallenden ijver haar vriendschap hebben gezocht. De koning geloofde de lasterlijke beschuldiging; maar daar hij hem zelf niet wilde dooden, zond hij hem naar zijn schoonvader, koning Iobates van Lycië, en gaf hem een wastafeltje mee, dat in geheime teekens het verzoek bevatte den overbrenger te dooden. Iobates ook weer ontving hem vriendelijk; negen dagen lang onthaalde hij hem feestelijk, en negen stieren werden geslacht voor het maal. Den tienden dag echter vroeg hij hem naam en afkomst; toen gaf Bellerophontes hem het tafeltje over, dat hij mee had gekregen. De koning deinsde terug voor de bloedige opdracht; liever zond hij zijn gast op ondernemingen uit, die hij bijna zeker met den dood zou bekoopen. Eerst gaf hij hem last de Chimaira te bestrijden, van voren een leeuw, van achteren een draak en een geit in het midden; hij doodde het monster. Daarna droeg hij hem op de Solymers te bevechten, een naburigen volksstam, die strooptochten maakte in het Lycische land; hij overwon hen. Verder werd hij uitgezonden tegen de Amazonen; zegevierend keerde hij terug uit den kamp. Eindelijk versloeg hij nog een bende Lyciërs, tegen hem in hinderlaag gelegd. Toen begreep Iobates dat zijn gast een bijzondere lieveling van de goden was; hij gaf hem een van zijn dochters tot vrouw en deelde met hem zijn rijk.

Later verhaalde men, dat Bellerophontes zijn overwinningen behaalde, gezeten op het paard Pègasus; uit den romp van de door Perseus gedoode Medusa zou dit dier zijn ontstaan. Nog nimmer had het een menschelijken ruiter gedragen; toen gaf Athene Bellerophontes een met goud beslagen teugel, dien het ros zich gewillig liet aanleggen. Pijlsnel vloog het voort, tot boven de rotskloof, waarin de Chimaira huisde, die nu door Sìsyphus’ kleinzoon werd afgemaakt.

Jaren lang leefde Bellerophontes in ongestoord geluk. Maar de voorspoed maakte hem overmoedig; hij begeerde zich met de goden op één lijn te stellen. Om nu door te dringen tot het paleis van Zeus op den hoogen Olympus, besteeg hij opnieuw den Pègasus. Toen trof de toorn van den hemelvader den verblinden sterveling; het paard, door Zeus wild gemaakt, steigerde hoog in de lucht en wierp den driesten ruiter ter aarde, zoodat hij jammerlijk omkwam.

[

Inhoud

]

MELEAGER EN ATALANTA.

(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN VIII, reg. 260 vlgg.)

In de stad Calydon regeerden koning Oineus en zijn vrouw Althea. Bij een oogstfeest had de vorst verzuimd ook op het altaar van Artemis te offeren. Toen zond de vertoornde godin een geweldigen ever in het land. Hoog, als lansen, stonden de borstels op zijn lijf; de oogen schoten vuur, en een paar geweldige slagtanden staken hem ver uit den muil. De korenvelden werden vertrapt, de vruchtboomen vernield of verschroeid door zijn heeten adem, het vee verminkt; angstig vluchtte men van het land binnen de muren der steden. Nu besloot Meleager, ’s konings dappere zoon, met een schare uitgelezen jonge mannen het monster te dooden. Velen namen deel aan de jacht; onder hen ook een meisje, Atalanta genaamd. Door haar vader, uit boosheid omdat zij geen jongen was, in een eenzame bergstreek te vondeling gelegd, door een berin gezoogd, door jagers gevonden en opgevoed, was ze een hartstochtelijke jageres geworden. Meleager bewonderde haar en kreeg haar lief.

7. Meleager.
7. Meleager.

7. Meleager.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

Negen dagen lang vermaakten zich de jagers aan het hof van koning Oineus; op den tienden dag werd de jacht gehouden. Het dal, waarin de ever placht te huizen, werd van alle kanten omsingeld; toen werd het ondier opgejaagd uit zijn verborgen verblijfplaats. Woedend stoof het op zijn belagers los; takken kraakten en braken om hem heen en de honden, die hem in den weg kwamen, werden op zijn scherpe slagtanden links en rechts ver weg geslingerd. Tevergeefs wierpen de jagers hun speren; ze stuitten af op zijn borstelige huid of misten hun doel. Zware wonden werden hun door den ever toegebracht; meer dan één van hen zonk bloedend ter aarde. Nu echter wondde Atalanta het eerst hem met een pijl in den nek. Toen Meleager het donkere bloed zag vloeien, wees hij haar den prijs toe: de huid van den ever, als die geveld zou zijn. De mannen schaamden zich en drongen nog onstuimiger op het monster aan; maar toen er één de buik werd opengereten, durfden zij nog slechts uit de verte hun wapens werpen. Eindelijk echter stiet hem Meleager zijn speer midden in den rug en terwijl het dier razend in de rondte draaide, bijtend naar de schacht, bracht hij het van dichtbij de doodelijke wonde toe. Zijn makkers begroetten hem als overwinnaar; maar hij zelf gaf huid en kop aan Atalanta over. Een gemompel van ontevredenheid ging door geheel den stoet; en toen twee ooms van Meleager, die deel hadden genomen aan de jacht, het meisje den eereprijs trachtten te ontrukken, werd de jonge man driftig en doodde hen beiden in de worsteling, die volgde.

Op weg naar den tempel, om er de goden te danken voor de overwinning van haar zoon, zag Althea de lijken van haar broeders wegdragen. Toen zij hoorde, dat Meleager de oorzaak was van hun dood, besloot zij hem te straffen. Kort na de geboorte van haar jongen waren de schikgodinnen, de Moiren, die ’s menschen levensdraad spinnen, meten en afsnijden, haar kamer binnengetreden. Zij hadden een blok hout op den haard gelegd: het knaapje zou leven, zoo lang dat blok zou bestaan. Zoo gauw zij verdwenen waren, had de moeder het hout uit het vuur genomen, gebluscht en zorgvuldig weggeborgen. Nu haalde ze het te voorschijn, en gaf het, hoewel aarzelend, aan de vlammen prijs. Van een inwendig vuur voelde Meleager plotseling zijn lichaam branden: onder heftige pijnen zonk hij neer, en toen het houtblok geheel in asch uit elkaar viel, blies ook hij den laatsten adem uit. Toen werd Althea door bittere spijt toch nog bevangen; het leven werd haar, te midden van den rouw van haar omgeving, een ondragelijke last; zelve maakte zij er een einde aan.

Van Atalanta wordt ook wel verteld dat zij, evenals Artemis, zich had voorgenomen, ongehuwd te blijven. Zij had daarom bepaald dat alleen hij, die haar in den wedloop overwon, haar man zou worden, maar dat sterven zou, wie overwonnen werd. Zij gaf dan een voorsprong en doorboorde met haar speer de tegenpartij, die zij inhaalde. Reeds hadden velen hun leven verloren, toen het tenslotte aan Meilanion gelukte, de zege te behalen. Drie gouden appels, die hij van Aphrodite gekregen had, liet hij bij tusschenpoozen vallen; Atalanta raapte ze op en intusschen bereikte Meilanion het doel, dat voor den wedkamp was gesteld.

[

Inhoud

]

DANAÖS.

Koning Belos van Lybië liet bij zijn sterven zijn rijk aan zijn beide zonen na: Aigyptos kreeg het naar hem genoemde Aegypte, Dànaös erfde het overige land; de eerste was vader van vijftig zonen, de laatste van een vijftigtal dochters. Aigyptos, niet tevreden met zijn deel, trachtte zich van het geheele gebied, waarover zijn vader geheerscht had, meester te maken. Hij bestreed zijn broeder en overwon hem. Toen begeerden zijn vijftig zonen de vijftig dochters van den overwonnene tot vrouw. De Danaïden weigerden haar toestemming en vluchtten met hun vader over zee naar Argos. Daar werden de vluchtelingen vriendelijk opgenomen; de burgers van Argos riepen Dànaös zelfs tot hun koning uit, toen een wonderteeken hun beduid had, dat dit de wil der goden was.

Ondertusschen rustten de zonen van Aigyptos schepen uit en landden in Argos. Zij gaven voor met vreedzame bedoelingen te komen, maar zij vielen intusschen hun oom zoo lastig, dat deze tenslotte voor hun aandrang bezweek en hun zijn dochters ten huwelijk gaf. Dànaös echter wantrouwde ook nu nog zijn neven en wrokte over zijn gedwongen vlucht uit Afrika. Daarom gaf hij aan de meisjes dolken meê en liet haar zweren dat zij in den nacht, die zou volgen op het bruiloftsfeest, haar echtgenooten in den slaap zouden vermoorden.

Alle Danaïden volbrachten de daad; Hypermnestra alleen maar spaarde haar man. Zij beiden regeerden, na Dànaös’ dood, over het rijk van Argos; machtige helden stammen van hen af, o.a. Perseus en Hèrakles (Hercules).

De overige Danaïden moesten zwaar voor haar misdrijf boeten. In den diepen, donkeren Tàrtaros moeten zij dag in, dag uit, water scheppen in een vat, dat nimmer vol wordt, daar in den bodem tallooze gaten zijn aangebracht.

8. Perseus.
8. Perseus.

8. Perseus.

9. Medusa.
9. Medusa.

9. Medusa.

Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

PERSEUS.

Perseus was de zoon van Zeus en Danaë. Zijn grootvader Acrisius, koning van Argos, had eens van een orakel de voorspelling ontvangen, dat hij door de hand van zijn kleinzoon om zou komen. Daardoor verschrikt, liet hij moeder en zoon in een gesloten kist in zee werpen. Maar Zeus redde hen en liet hen drijven naar een eiland, waar een gastvrije koning regeerde. Vriendelijk trok deze zich het lot der ballingen aan en voedde Perseus op aan zijn hof.

Toen Perseus volwassen was en hij den koning lastig werd, gaf deze hem de opdracht het hoofd van Medusa te halen. Zij was één der drie Gorgonen, gevleugelde vrouwen met slangenhaar, en soms ook afgebeeld met groote slagtanden in den mond. Schrik en ontzetting ging van dat drietal uit; wie het aanzag, versteende.

Athene en Hermes wezen hem den weg naar haar verre woning aan den rand van den Oceaan; bovendien werd hij door hun bemiddeling uitgerust met vleugelschoenen, een zak en een helm, die het vermogen had onzichtbaar te maken. Ruggelings naderde hij nu het slapende monster, vóór zich het spiegelgladde schild van Athene. Hij trof het achter zijn rug met het scherpe zwaard, dat Hermes hem had gegeven, deed snel den afgehouwen kop in zijn tasch verdwijnen en vloog haastig weg op zijn vleugelschoenen, onzichtbaar voor de zusters die hem vervolgden.

Ovidius Metamorphosen. IV. reg. 630 vlgg. Vermoeid van de lange vlucht, wilde hij uitrusten bij koning Atlas, die het hemelgewelf op zijn schouders torste. Maar gedachtig aan een orakel, dat hem gewaarschuwd had voor een zoon van Zeus, die hem eens zou berooven van het kostbaarste wat hij bezat, weigerde hij den afgematte op te nemen en trachtte hem zelfs met geweld uit zijn nabijheid te verjagen. Toen hield Perseus hem den Medusakop voor: Atlas werd steen; als een hooge berg verheft hij zich nu nog op Afrika’s noordkust.

Ov. Met. IV. reg. 662 vlgg. Toen bond Danaë’s zoon zich de vleugels aan de voeten en zweefde weldra weer door de lucht over de woonplaats van vele volken heen. Gekomen aan het land der Aethiopiërs, werd hij getroffen door een eigenaardig schouwspel: hij zag een jonge vrouw aan een rots gebonden, die eenzaam uitstak boven de oppervlakte van de zee. Een lichte wind bewoog zacht haar haren en tranen vloeiden langs haar wangen; overigens scheen zij een beeld van marmer, zoo stil en zoo bleek. Vol verbazing hield Perseus zijn vlucht in en vroeg haar naar haar naam en naar de oorzaak van haar banden. Andròmeda heette zij; haar moeder had de Nereïden beleedigd door zich mooier te achten dan zij; die hadden bij Poseidon haar beklag gedaan en de beheerscher der zeeën had een vloed doen opkomen en een ontzettend monster gezonden, dat alle dagen uit zee opdook en mensch en dier verslond. Pas als de dochter van de koningin aan het dier geofferd zou worden, zou de bezoeking ophouden, had een orakel gezegd. En gedrongen door het volk, was haar vader tot dien uitersten maatregel overgegaan.

Nauwelijks had zij dit verhaal gedaan, of een geruisch klonk op uit de heftig bewogen zee; het ondier vertoonde zich en naderde zijn prooi. Perseus echter nam aan het te dooden als Andròmeda zijn vrouw zou worden. De wanhopige ouders aanvaardden hem op die voorwaarde gaarne als hun schoonzoon. Toen verhief hij zich hoog in de wolken, schoot als een arend op het monster neer en trof het diep met zijn zwaard tusschen de schouders. Houw op houw volgde; en eindelijk, van een rotspunt af, gaf hij het den genadestoot, dwars door het lichaam heen. Daarop werd Andròmeda van haar boeien bevrijd en de blijde bruiloft voorbereid. In droefheid zou echter de vreugde verkeerd zijn, als niet het Medusahoofd weer uitredding had gebracht. Phineus, met wien Andròmeda vroeger was verloofd geweest, trad plotseling met een aantal volgelingen de feestzaal binnen en eischte de bruid op, die hij zelf had verlaten; maar met zijn aanhang werd hij door Perseus in steen veranderd.

Nu keerde de held met zijn jonge vrouw naar zijn moeder terug. Maar nog moest vervuld worden wat het orakel aan zijn grootvader Acrisius had voorspeld. Toevallig troffen grootvader en kleinzoon elkaar bij een wedstrijd zonder elkaar te kennen. Perseus deed een ongelukkigen worp met een discus en trof Acrisius zoo forsch tegen het oog, dat de oude man doodelijk gewond ter aarde zonk. Te laat werd Perseus gewaar wien hij had gedood. Hij volgde zijn grootvader in de regeering over Argos op en leefde verder rustig met zijn gemalin, niet langer vervolgd door de slagen van het noodlot. Het hoofd van Medusa schonk hij aan Athene, die het op haar borstharnas of op haar schild hechtte als een vreeselijk wapen tegen haar vijanden.

10. Medusa.
10. Medusa.

10. Medusa.

Uit: Hoppe, Bilder zur Mythologie und Geschichte der Griechen und Römer.

Carl Graeser, Wien. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

HERACLES.

De sterkste held uit den Griekschen voortijd was Hèracles (Hercules), de zoon van Amphìtryon en Alcmène. Zijn vader was uit Argos naar Thebe gevlucht; daar werd Hèracles geboren. Om zijn geweldige kracht werd hij ook wel voor een zoon van Zeus gehouden; daarom, zoo meent men, heeft Hera hem zoo bitter gehaat en hem zijn geheele leven lang aan allerlei gevaren en moeiten blootgesteld. Toen hij nog maar pas geboren was, zond zij twee reusachtige slangen op hem af; het ventje greep ze dicht onder den kop en wurgde ze met zijn stevige handjes.

Op zestienjarigen leeftijd zond zijn vader hem naar de kudden op den berg Cithaeron. Hier versloeg hij den Cithaeronschen leeuw, die onder het vee veel schade aanrichtte; huid en kop droeg hij als kleeding en hoofdbedekking voortaan meê en als wapen een boog en een zware knods (Zie de Farnesische Hèracles, het bekende beeld te Napels). Hier zou hij ook, volgens een later verhaal, door bewuste keuze den loop van zijn verder leven hebben bepaald. Twee vrouwen nl. traden op hem toe: de eene waardig en eerbaar en ingetogen bij haar schoonheid; de andere van een opvallend mooi, dartel en uitdagend. Toen de eerste hem toe wilde spreken, drong de andere haar weg; zij, het Genot, beloofde hem te voeren langs een weg van louter genietingen als hij haar wilde volgen. De Deugd daarentegen stelde hem, als hij haar gezelschap koos, een langen en bezwaarlijken weg in het vooruitzicht; want—zeide zij—de goden verleenen de menschen zonder arbeid en moeite geen geluk; maar vast en zeker zou hij zóó eenmaal komen aan het goede doel.—En Hèracles koos den weg van de Deugd.

Niet lang nadat hij in Thebe was teruggekeerd, beval het Delphisch orakel hem naar Mycene te gaan, om in dienst van koning Eurystheus twaalf zware werken te verrichten; na de volbrenging daarvan zou hem de onsterfelijkheid ten deel vallen. Allereerst werd hem opgedragen den Nemeïschen leeuw te dooden, die vreeselijk huis hield in het dal van Nemèa. Hèracles bestookte het dier eerst met pijlen; toen hij echter bemerkte, dat het onkwetsbaar was, dreef hij het met zijn knods in zijn hol terug, ving het, toen het op hem afsprong, in zijn armen op en worgde het tegen zijn borst. De tweede strijd gold de Hydra van Lerna, een waterslang met negen koppen, waarvan de middelste onsterfelijk was; zoodra één kop werd afgehouwen, kwamen er twee nieuwe voor in de plaats. Bovendien werd het monster geholpen door een reuzenkreeft, die, zoo gauw het werd aangevallen, uit zee kwam opdagen. Die kreeft werd eenvoudig door Hèracles vertrapt; en door een vriend liet hij, telkens wanneer hij een kop had afgeslagen, met een gloeienden paal het gat toeschroeien, zoodat geen nieuwe weer op kon schieten; eindelijk wierp hij op den onsterfelijken kop een geweldig rotsblok. Met de giftige gal van de Hydra bestreek hij zijn pijlen, zoodat hun wonden ongeneeslijk werden.

Nu volgden drie jachtavonturen in Arcadië. Op den berg Keryneia, op de grens van Arcadië en Archaie, leefde het kerynitische hert, aan Artemis gewijd, met gouden gewei en koperen hoeven; levend moest Heracles het aan Eurystheus brengen. Een vol jaar lang achtervolgde hij het snelle dier: toen wondde hij het licht in den poot en wist het zoo te vangen. Ook den Erymanthischen ever, die het landschap aan den voet van den berg Erymanthus verwoestte, ving hij levend; hij dreef hem in de diepe bergsneeuw, bond hem en droeg hem weg. Eindelijk werd hem nog gelast de Stymphalische vogels te verdrijven; zij huisden in de omgeving van het meer Stymphalos, hadden metalen klauwen en snavels en veeren, die zij als pijlen konden afschieten. Met groote, ijzeren kleppers joeg Heracles ze op, doodde een gedeelte met zijn pijlen en verdreef de anderen.

Ook naar Elis voerden hem zijn tochten. Daar woonde koning Augìas, die zeer rijk was aan vee. In één dag moest hij nu den hof, waarin de runderen verblijf plachten te houden, reinigen van allen mest. Hij leidde de rivieren Alpheüs en Peneüs door den stal en volbracht zóó de opdracht, die hem was verstrekt.

Nu richtte Heracles zich naar Zuid en Noord. Op Creta regeerde koning Minos. Een stier, dien Poseidon uit zee had laten opkomen, had hij den zeegod moeten offeren. Maar het dier was zoo mooi, dat Minos het had behouden. Toen had Poseidon het beest dol gemaakt, zoodat het alles verwoestend, het heele land onveilig maakte. Heracles bracht nu den stier gebonden naar Mycene, waar Eurystheus, doodelijk verschrikt, hem dadelijk weer liet loopen. Bij Marathon in Attica werd hij later door Theseus gevangen en aan Apollo geofferd.

Ook de woeste paarden van den Thracischen koning Diomèdes, die met menschenvleesch gevoed werden, bracht Heracles levend over naar Mycene. Eurystheus liet ze weer vrij; toen werden ze in het gebergte door wilde dieren verscheurd.

De volgende tocht voerde Heracles ver naar het Oosten. In Azië woonde het dappere vrouwenvolk der Amazonen, die door koningin Hippolỳte werden geregeerd. Deze droeg, als teeken van haar waardigheid, een kostbaren gordel, welken Admete, de dochter van Eurystheus, wenschte te bezitten. Hippolỳte wilde aanvankelijk den gordel vrijwillig geven; maar Hera verspreidde onder de Amazonen het gerucht, dat de koningin geroofd zou worden. Toen stormden de krijgshaftige vrouwen te paard op Heracles los, die in een woedenden strijd met moeite overwon, Hippolỳte, die hij van verraad verdacht, doodde en den gordel met zich meê voerde.

Op den terugweg landde Heracles bij Troje. Daar heerschte groote rouw. Apollo en Poseidon hadden, in menschelijke gedaante, koning Laòmedon aangeboden om tegen een bepaalde belooning de vesting Pergamos te ommuren. Toen het werk klaar was, werd het loon hun geweigerd. Apollo zond nu een pest, Poseidon een zeemonster, dat mensch en dier doodde. Pas als de koning zijn dochter aan het ondier offeren zou, zou de bezoeking wijken. Daarom werd Hesìone aan een klip aan het strand der zee geketend, opdat zij door het monster verslonden zou worden. Juist toen landde Heracles. Hij bood aan het meisje te redden, als hem de paarden werden gegeven, die Laòmedon als vergoeding voor zijn geroofden zoon Ganymèdes van Zeus had gekregen. De overeenkomst werd aangegaan; het ondier werd door Heracles gedood; maar ook hem werd de beloofde belooning onthouden. Toen ging hij weg onder de bedreiging, dat hij eens met een legermacht terug zou keeren om wraak te nemen.

Het terrein van de volgende daden van Heracles lag in het verre westen. Hij moest de runderen van Gerỳones halen, die woonde op een eilandje in den Oceaan; uit drie lichamen was het monster samengegroeid. Zijn prachtige runderen werden bewaakt door een reus en een grimmigen hond. Heracles trok om de Middellandsche Zee heen langs de noordkust van Afrika en plaatste aan weerskanten van de straat van Gibraltar een groote rots, als een zuil, die de herinnering aan zijn versten tocht moest bewaren. Toen hij aan den oever van den Oceaan was aangekomen, wist hij niet, hoe hij het eiland zou bereiken. Juist reed Helios met zijn zonnewagen dicht over zijn hoofd heen, op het punt het zeevlak in het westen te bereiken. Heracles had last van de felle stralen en boos legde hij op den zonnegod aan. Deze had pleizier in den durf van den sterveling en leende hem de gouden, bekervormige boot, waarmeê hij ’s nachts naar het Oosten terug placht te varen. Zoo kwam Heracles op het eiland, versloeg den reus en zijn hond, doodde ook Gerỳones, toen die hem na wilde zetten, en dreef de runderen weg. Toen hij nu in Italië was gekomen en rust nam in de grasrijke vlakte van den Tiber, ontstal hem, terwijl hij sliep, de vuursnuivende reus Cacus enkele van zijn mooiste beesten. Bij den staart trok hij ze naar zijn hol, opdat Heracles het spoor zou bijster worden. Deze zocht ook vergeefs en besloot ten slotte maar weg te trekken. Maar het geloei van de opbrekende kudde werd uit de verte beantwoord; zóó ontdekte hij de plaats waar de ontbrekende koeien verborgen waren. Van boven af sprong hij neer in de grot, waarin Cacus zich verschanst had, en na een hevige worsteling te midden van vuur en vlammen werd hij hem ten slotte meester. De bevolking van de streek was hem dankbaar voor zijn daad, een plechtig feest werd te zijner eere gevierd, en van dien tijd af bestond in Latium een eeredienst voor Hercules.

11. Hera Ludovisi.
11. Hera Ludovisi.

11. Hera Ludovisi.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

Weer naar het westen voerde hem zijn volgende tocht. Aan den oever van den Oceaan stond in de tuinen van Atlas een wonderboom met gouden appelen, die de aarde eens als een huwelijksgeschenk voor Hera had laten groeien; de dochters van Atlas, de Hesperiden, verzorgden den boom en een nooit slapende draak bewaakte hem. Heracles moest drie van die appelen halen. Na lang rondzwerven kwam hij bij Atlas, die het hemelgewelf op zijn schouders droeg. Deze plukte voor hem de vruchten, terwijl Heracles zoolang de ontzettende vracht van hem overnam. Toen Atlas echter met de drie appels terugkwam, wilde hij den zwaren hemel niet weer opnemen, maar zelf de vruchten naar Eurystheus brengen. Heracles ging op het voorstel in, maar verzocht hem nog even den hemel te houden, tot hij zich een kussen op den schouder zou hebben gelegd, die wat zeer begon te doen. Atlas liet zich vangen; Heracles raapte boog, pijlen en appels van den grond en maakte zich uit de voeten. Eurystheus schonk hem de gouden vruchten en hij wijdde ze aan Athene, die hem bij zijn werken zoo dikwijls had bijgestaan.

De laatste en zwaarste onderneming van Heracles was het halen van Cèrberus, den vreeselijken hond, die de wacht hield voor de onderwereld. Bij kaap Taenarum daalde Heracles naar de Hades af; Pluto gaf hem verlof den hond met zich mee te voeren, als hij hem zonder wapens meester kon worden. Dat lukte. Stevig bond hij toen het monster vast en droeg het zoo naar de bovenwereld om het aan Eurystheus te laten zien. Daarop bracht hij het naar zijn vroegere verblijfplaats terug.

Na de volbrenging van deze twaalf daden, waarvan een bekende voorstelling in beeldhouwwerk voorkwam op de metopen van den grooten Zeustempel in Olympia, was Heracles uit den dienst van Eurystheus ontslagen. Uit innerlijken drang ging hij echter toch op avontuur uit. Hij begaf zich naar Oechalië op Euboea, waar de beroemde boogschutter Eùrytos regeerde; die had zijn dochter Iole tot vrouw beloofd aan wie hem in het schieten zou overtreffen. Heracles won het van hem: maar Eùrytos gaf hem zijn dochter niet en joeg hem bovendien met smaad uit zijn woning. Bij de herinnering aan dien hoon doodde Heracles niet lang daarna in zijn eigen paleis Eùrytos’ zoon Iphitos, door hem, zijn gast, in een vlaag van drift van den burchtmuur naar beneden te storten. Die schending der gastvrijheid kon niet ongestraft blijven; Heracles werd zwaar ziek en de ziekte zou pas wijken, als hij voor een jaar als slaaf zou verkocht worden en de koopsom als zoengeld aan Eùrytos zou worden gegeven. Zoo kwam hij, door bemiddeling van Hermes, in tijdelijken slavendienst bij Òmphale, koningin van Lycië; de prijs werd Eùrytos als weergeld aangeboden, maar deze weigerde hem aan te nemen en de oude wrok bleef dus bestaan.

In den dienst van Omphale werd Heracles diep vernederd; de trotsche koningin trok hem een vrouwenkleed en zachte sandalen aan en liet hem wol spinnen, terwijl zij zelve er bij stond met zijn leeuwenhuid om de schouders en spelend met zijn knods. Alleen af en toe vergunde zij hem ook nu nog op avonturen uit te gaan.

Na afloop van den tijd dezer slavernij trok Heracles op zijn wraaktocht tegen Troje uit; verschillende helden voerde hij met zich meê, Laòmedon werd overwonnen en met al zijn zonen omgebracht; alleen de jongste, Podàrkes of Prìamos, werd op Hesìone’s voorbede in het leven gelaten; daarvoor trad het meisje met den Griekschen held Télamon in het huwelijk.

Na nog verschillende avontuurlijke ondernemingen in allerlei deelen van de Grieksche wereld, begaf Heracles zich naar Calydon in Aetolië, waar de gastvrije koning Oineus troonde; diens dochter Deïaneira begeerde hij tot vrouw. Velen dongen naar de hand van het mooie meisje, onder hen de naburige stroomgod Achelòüs, die allerlei gestalten aan kon nemen, en nu eens als een stier, dan weer als een slang of in de gedaante van een mensch met een kop van een stier zich aan de beangste Deïaneira vertoonde. In een ontzettend gevecht overwon Heracles zijn medeminnaar. Als echtgenoot van Deïaneira bleef hij toen langen tijd in het paleis van koning Oineus. Eindelijk trok hij weg met zijn jonge vrouw en begaf zich naar Trachis aan het Oetagebergte, waar een vriend van hem woonde. Onderweg kwam hij aan een breede rivier, waarover de Centaur Nessos de reizigers op zijn rug placht over te dragen. Ook Deïaneira zou hij overvoeren. Maar plotseling hoorde Heracles haar een angstkreet slaken en hij zag, hoe de Centaur zich met haar uit de voeten wilde maken. Toen greep hij zijn boog en doodde Nessos met een pijlschot. Stervend ried deze Deïaneira aan, het bloed, dat aan den pijl kleefde, als een toovermiddel te bewaren; het zou dienst kunnen doen, als Heracles haar ooit ontrouw mocht worden.

Toen Heracles nu in Trachis woonde, besloot hij met Eùrytos af te rekenen. Hij veroverde en verwoestte Oechalië, versloeg Eùrytos en zijn zonen en nam Iole als krijgsgevangene mee. Aan den rand van Euboea hield hij halt om er Zeus een dankoffer te brengen voor het slagen van zijn onderneming; Iole zond hij naar Trachis vooruit. Toen Deïaneira zag, hoe mooi deze was, werd zij bang dat Heracles haar om Eùrytos’ dochter verstooten zou. Zij dacht aan het toovermiddel, dat Nessos haar verschaft had, bestreek met het zorgvuldig bewaarde bloed een prachtig feestgewaad en zond dat Heracles om het te dragen, als hij Zeus het bedoelde offer zou brengen. Verheugd sloeg de held zich het kleed om de schouders, maar nauwelijks was het bloed aan zijn lichaam warm geworden of het drong verterend in zijn ledematen door. Door razende pijnen werd hij gefolterd. Toen de eerste aanval voorbij was, liet hij zich op een schip naar Trachis overbrengen, waar Deïaneira zich zelve had gedood, zoodra zij had vernomen welk onheil zij tegen wil en dank had aangericht. Hier vernam Heracles, dat het gif van Nessos afkomstig was, die zich zoo op afschuwelijke wijze aan hem had gewroken; nu wist hij ook, dat zijn einde nabij was, want een orakel had hem voorspeld, dat hij door een doode gedood zou worden. Hij liet zich naar den Oeta dragen, richtte daar een brandstapel op, besteeg hem, en verzocht alle voorbijgangers hem aan te steken. Niemand wilde. Maar eindelijk bewees Philoctètes, die als koning heerschte op het Oetagebergte, hem dien vriendendienst; als belooning kreeg hij daarvoor Heracles’ boog en zijn nooit missende pijlen. Weldra laaiden de vlammen op, bliksemstralen schoten neer, en onder het rollen van de donderslagen werd de held naar den Olympus opgevoerd. Daar leefde hij voort onder de onsterfelijke goden, met Hera nu verzoend, en gehuwd met Hebe.

[

Inhoud

]

THESEUS.

Theseus was een zoon van den Atheenschen koning Aegeus. Deze was naar Troezen in Argolis getrokken en daar getrouwd; in Troezen werd ook Theseus geboren. Toen zijn vader naar Athene terugkeerde, legde hij onder een rotsblok een zwaard en een paar sandalen; als Theseus volwassen was, moest zijn moeder, die met het kind in Troezen achterbleef, hem bij den steen brengen; lukte het den jongen dien steen van zijn plaats te krijgen, dan moest zij hem toerusten met het zwaard en de sandalen en hem naar Aegeus in Athene sturen. De proef werd genomen toen Theseus zestien jaar oud was: de jonge man verplaatste het rotsblok met gemak, wapende zich met het zwaard, schoeide zich met de sandalen en begon onbevreesd den gevaarlijken tocht naar Athene. In dien tijd namelijk waren bergen en wouden nog bewoond door wreede reuzen, door roovers en monsters van allerlei aard en ook Theseus vond die in grooten getale op zijn weg. Hij overwon ze allen en deed ze ondergaan, wat zij zoo dikwijls vreedzame reizigers hadden doen lijden. Eindelijk kwam Theseus in Athene aan; aan het zwaard, dat hij voerde, werd hij door zijn vader herkend en blijde werd hij opgenomen in het vaderlijk paleis.

Athene echter verkeerde toen in drukkende afhankelijkheid van het eiland Creta. Aegeus had den zoon van Koning Minos van Creta gedood en moest nu, door hem overwonnen, alle negen jaar zeven jongens en zeven meisjes naar het eiland zenden. De ongelukkigen werden dan opgesloten in het labyrinth, een doolhof vol dwaalgangen, door den Atheenschen kunstenaar Daidalos (Daedalus) gebouwd. Daar werden ze verslonden door den Minotaurus, half stier, half mensch. De derde zending zou nu vertrekken; reeds was het lot geworpen, en de straten van Athene waren vol gejammer. Toen maakte medelijden met de treurenden en toorn over de vernedering van zijn vaderstad zich van Theseus meester; hij wilde meê om den strijd met het monster aan te gaan. Met tegenzin willigde zijn vader dit verzoek in, en er werd afgesproken dat in plaats van de zwarte rouwzeilen, die het schip placht te voeren, witte zeilen geheschen zouden worden als het waagstuk gelukt zou zijn; dan kon Aegeus al uit de verte zich verheugen over den behouden terugkeer van zijn eenigen zoon. Dus voer Theseus weg en kwam gelukkig op Creta aan, waar Ariàdne, Minos’ dochter, liefde opvatte voor den moedigen jongen man. Op raad van Daìdalos gaf zij hem een kluwen; het uiteinde daarvan kon hij vastmaken bij den ingang van het labyrinth en het onder het voortgaan laten afloopen; was de overwinning behaald, dan zou hij langs dien draad den uitgang weer kunnen bereiken. Het lukte Theseus den Minotaurus te verslaan en, dank zij de hulp van Ariàdne, den uitweg te vinden uit het labyrinth. Samen scheepten zij zich nu in en verlieten haastig het eiland. Aanvankelijk ging alles goed; gunstige wind deed de zeilen zwellen en als een pijl vloog het lichte schip door de zee. Onderweg deden zij Naxos aan en toen de avond daalde vielen beiden in een koele grot in slaap.

Toen ontdekte Dionỳsos, aan wien het eiland was gewijd, de schoone Ariàdne. Haar aanblik trof hem zóó, dat hij meende zonder haar bezit niet gelukkig te kunnen zijn. In den droom verscheen hij aan Theseus en beval hem, als hij zijn leven lief had, onmiddellijk Ariàdne te verlaten. Theseus ontwaakte, hevig verschrikt, want nog was het hem als hoorde hij de woorden van den god. Vlug sprong hij op van zijn leger, wekte zijn makkers en ging scheep. Toen Ariàdne ontwaakte, was hij reeds zóó ver weg, dat zij nog slechts de zeilen op grooten afstand bespeurde. Dionỳsos echter troostte haar in haar verlatenheid en nam haar nu tot vrouw. De blijde bruiloft werd door alle goden bijgewoond; rijke geschenken werden de bruid vereerd; Zeus verleende haar zelfs de onsterfelijkheid; en Dionỳsos voerde verheugd zijn jonge vrouw naar den Olympus, waar zij aan zijn zijde voor eeuwig onder de goden vertoeft.

Theseus voer ondertusschen de vaderlandsche kust tegemoet. Maar hij vergat de zwarte zeilen door witte te vervangen. Lang had Aegeus in spanning al gewacht op den terugkeer van het schip, dat naar Creta was uitgevaren. Eindelijk, terwijl hij op een hooge rotspunt op den uitkijk stond, zag hij in de verte het sombere doek, dat hem den dood van zijn zoon scheen te melden. Toen maakte wanhoop zich van hem meester; hij stortte zich in de zee, die sinds dien tijd den naam van de Aegaeïsche draagt.

Theseus werd nu koning van Athene. Vele dappere daden worden nog van hem verteld. Zoo zou hij den stier, dien Heracles van Creta had gehaald en bij Marathon had laten loopen, gevangen, naar Athene gebracht, en aan Apollo daar geofferd hebben. Ook wordt van hem verhaald, dat hij de tien stad-staatjes, waarin Attica was opgelost, tot één geheel vereenigde en ter viering van die vereeniging het groote feest der Panathenaeën instelde.

De vertrouwdste vriend van Theseus was Peirìthoös, de koning der Lapithen, een stam in Thessalië. Toen deze zijn huwelijk vierde was ook Theseus onder de gasten; verder waren, onder meerderen, de Centauren gevraagd, ruwe wezens, half mensch, half paard. Zij wierpen zich op de vrouwelijke gasten en trachtten die met zich meê te sleuren; een ontzettende strijd ontbrandde, waarin ten slotte, met veel moeite, de Lapithen hun woeste tegenstanders versloegen, die nu verdreven werden naar meer afgelegen streken. In de beeldhouwkunst is deze worsteling, de strijd der beschaving met het barbarendom, herhaaldelijk uitgebeeld; zoo b.v. op een der gevelvelden van den Zeustempel te Olympia en op metopen van het Parthenon.

12. Centaur in strijd met een Lapith.
12. Centaur in strijd met een Lapith.

12. Centaur in strijd met een Lapith.

Metoop van het Parthenon.

P. Noordhoff, Groningen.

Ten slotte nog iets over Daìdalos, den kunstigen bouwmeester van het labyrinth. Om de hulp, dien hij Theseus had bewezen, hield Minos hem en zijn zoon Ìkaros gevangen. Maar Daìdalos maakte vleugels uit veeren en was; zoo dacht hij over zee te ontkomen. Vóór hij de reis begon gaf hij zijn zoon den raad, dicht in zijn nabijheid te blijven; vloog hij te laag, dan zou het vocht van de zee de vleugels verzwaren; vloog hij te hoog, dan zou de warmte van de zon de was doen smelten. Ìkaros beloofde wat van hem gevraagd werd; maar hij vergat al spoedig wat hij zich had voorgenomen. In de weelde van de vlucht ging het hooger en hooger; toen lieten de veeren los en hij plofte in de zee, die naar hem de Ikarische werd genoemd. Eenzaam vervolgde de vader zijn weg en diep ongelukkig bereikte hij ten slotte de kust van Italië.

[

Inhoud

]

TANTALOS EN ZIJN GESLACHT.

TANTALOS.

Niemand stond zoo hoog aangeschreven in de gunst der goden als Tàntalos, de koning van Sipylus in Klein-Azië. Hij was een zoon van Zeus, rijk aan goud en kudden en vruchtbare landerijen. Dikwijls brachten de goden hem een bezoek in zijn prachtige koningsburcht en werden rijk onthaald aan zijn gastvrije tafel. Het gebeurde ook wel dat Tàntalos op den Olympus werd genoodigd en daar deelnam aan de godenfeesten; bij die gelegenheid hoorde hij alles, wat de goden onder elkaar bespraken.

Maar een zóó groot geluk was Tàntalos te machtig; hij werd overmoedig, en zijn overmoed verleidde hem tot slechte dingen. De gesprekken der goden, zelfs de geheimen, die zij hem hadden toevertrouwd, verried hij aan de menschen. Hij nam nectar en ambrozijn van de godentafel weg en gaf het aan de aardbewoners te proeven. En toen Zeus hem toestond een bewijs van zijn welwillendheid te vragen, sloeg de trotsche vorst, die zijn lot gelijk achtte aan dat der goden, en die meende dat er voor hem niets meer te wenschen was, dat aanbod af.

Toen eens de goden weer bij hem te gast waren, besloot hij hun alwetendheid op de proef te stellen. Hij doodde zijn zoon Pelops en zette diens vleesch aan de goden voor. Maar de onsterfelijken weigerden den afschuwelijken schotel; alleen Demèter was nog zóó vervuld van de schaking van haar dochter Persèphone door den god van de onderwereld, dat zij, in gedachten, in den schouder van het knaapje beet. Het spreekt van zelf, dat de jonge Pelops zijn oude gedaante van de goden terugkreeg; maar uit zijn schouder miste een stuk, dat met ivoor werd aangevuld. Alle nakomelingen van Pelops waren sedert kenbaar aan een witte plek op den eenen schouder.

Tàntalos werd voor zijn overmoed vreeselijk gestraft; te midden van overvloed zou hij eeuwigdurend gebrek lijden. Hij werd naar de onderwereld gebannen. Tot aan zijn hoofd toe staat hij daar in een meer en lijdt toch dorst, want hij kan met zijn mond het water, dat om zijn lippen speelt, niet bereiken. Zoo dikwijls hij zich bukt om een teug te nemen, wijkt het water terug en loopt weg tot op den grond. Bij dien dorst komt nog een ondragelijke honger. Wel buigen van den naasten oever af boomen hun met kostelijke vruchten beladen takken boven zijn hoofd neer; maar zoodra de hongerlijder een hand uitstrekt om de vruchten te plukken, giert plotseling een stormvlaag door de takken en zweept ze hoog op in de lucht. Eindelijk foltert hem ook nog vreeselijke angst; want boven zijn hoofd hangt een reusachtig rotsblok, dat elk oogenblik naar beneden kan storten en hem in zijn val verpletteren.

13. Niobe met haar jongste dochter.
13. Niobe met haar jongste dochter.

13. Niobe met haar jongste dochter.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

[

Inhoud

]

NIOBE.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)

Nìobe was een dochter van Tàntalos en gehuwd met Amphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.

[

Inhoud

]

PELOPS.

Pelops, de zoon van Tantalos, erfde diens rijk, maar werd door een naburigen koning daaruit verdreven. Hij trok nu over zee naar Griekenland en kwam op het zuidelijk schiereiland aan, dat later naar hem de Peloponnesus heette.

Daar regeerde in dien tijd in het landschap Elis koning Oinòmaos, die een zeer mooie dochter had, Hippodameìa genaamd. Nu had een orakel voorspeld, dat ’s konings schoonzoon hem van het leven zou berooven. Daarom wilde hij, dat Hippodameia ongehuwd zou blijven en liet bekend maken, dat hij zijn dochter alleen aan dengene tot vrouw zou geven, die hem in het wagenrennen overwon; maar dat ieder, die hij overwon, zou worden gedood.

Koning Oinòmaos bezat een span zeer snelle paarden; daarenboven was er in geheel Griekenland geen wagenmenner te vinden, zoo vlug en behendig als zijn dienaar Mỳrtilos. Zóó zeker was hij dan ook van de overwinning, dat hij zijn tegenstander een aanmerkelijken voorsprong placht te geven; bij het voorbijrijden stiet hij hem dan zijn speer in den rug. Dertien jonge mannen waren reeds gevallen; toen verscheen Pelops en wilde, om den prijs, het waagstuk bestaan. Hij nam zijn toevlucht tot een list; aan Mỳrtilos beloofde hij de helft van het rijk, als deze hem aan de overwinning zou helpen.

De dienaar liet zich overhalen. Vóór den afrit trok hij heimelijk uit den koninklijken wagen de ijzeren aspennen en bracht daarvoor zwartgemaakte wasstaafjes in de plaats. Op de gewone manier begon de wedstrijd. Pelops reed vooruit, koning Oinòmaos offerde en stormde toen, overeind in den wagen, de hoog opgeheven lans in de rechterhand, den in de verte nauwelijks nog zichtbaren Pelops in wilde vaart na om hem den rug te doorboren, zooals hij het anderen gedaan had. Reeds was hij tot op korten afstand genaderd, reeds hield hij zich gereed om hem den doodelijken stoot toe te brengen, toen plotseling de raderen van den voortsuizenden wagen afsprongen. Oinòmaos stortte ter aarde, verwarde zich in de teugels en werd door de voortvliegende rossen te pletter gesleurd. Pelops daarentegen bereikte zonder ongeluk het doel van den wedren. Zoo won hij Hippodameia, en met haar den troon van haar vader.

Nu vroeg echter Mỳrtilos om zijn belooning. Maar Pelops zocht zich aan zijn verplichting te onttrekken; op een wandeling langs den oever stiet hij den wagenmenner in zee. Zinkend vervloekte hij Pelops en heel zijn geslacht, en ofschoon deze alles deed wat hij kon, om het kwaad te boeten, ging toch de vloek maar al te zeer in vervulling. Reeds de zonen van Pelops, Atreus en Thyestes, vervolgden elkaar in bloedigen twist en zelfs onder de kleinkinderen en achterkleinkinderen kwam er nog geen einde aan de lange reeks van rampen, die het ongelukkige geslacht van Tàntalos trof.

Een voorstelling van den wagen wedstrijd tusschen Pelops en Oinòmaos vond men op een der gevelvelden van den grooten Zeustempel te Olympia.

[

Inhoud

]

KADMOS EN ZIJN GESLACHT.

KADMOS (CADMUS).

(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN I, reg. 833 vlgg.; II reg. 1 vlgg.).

In Phoenìcië regeerde een koning, met name Agènor. Zijn dochter Europa speelde eens met vriendinnen aan den oever van de zee, toen onder een kudde runderen een wonderschoone, sneeuwwitte stier haar opmerkzaamheid trok. Agènor’s dochter bewonderde het dier maar durfde het eerst niet naderen, hoe weinig kwaadaardig het beest er ook uitzag. Langzamerhand echter week de vrees; bloemen hield zij hem voor, klopte hem streelend op de breede borst en vlocht hem sierlijke kransen om de horens. Ten slotte zelfs zette zij zich neer op zijn rug. Toen, langzaam, ging het voort naar de zee, spelende al verder het water in, en ten slotte verdween Zeus—want hij was het, die in de gedaante van een stier het meisje geschaakt had—met zijn buit in de richting van het eiland Creta. Daar maakte hij zich aan Europa bekend.

De oude koning Agènor was ontroostbaar over het verlies van zijn dochter: hij gaf zijn zoon Kadmos bevel haar overal te zoeken en verbood hem zonder haar terug te keeren. Vruchteloos doorzocht de jonge man de geheele aarde; hij schroomde naar Phoenicië terug te gaan en vroeg daarom aan het orakel van Delphi waar hij zich vestigen moest. Apollo beval hem een koe te volgen, die op een eenzamen weg hem tegen zou komen; waar die zich neer zou leggen, moest hij een stad stichten. Weldra zag Kadmos het bedoelde rund, dat hem voorging naar Boeötië; daar vlijde het zich neer in het zachte gras. Dankbaar dat er nu een einde aan zijn omdolingen zou komen, besloot Kadmos Zeus hier een offer te brengen; hij zond zijn makkers om water naar een bron. Zij betraden een bosch en vonden daar weldra een waterplas; maar toen de urn neerklaterde in het nat schoot uit een naburige grot een draak te voorschijn, aan Ares gewijd, die de bron bewaakte. Sissend schoot het monster op de mannen toe en doodde ze, sommigen door zijn giftigen beet, anderen in de kronkelingen van zijn lenig lichaam.

Reeds was het middag geworden en nòg waren zijn makkers niet teruggekeerd; in verwondering vroeg Kadmos zich af, waar zij toch blijven zouden. Ook hij trad het bosch binnen; en toen hij daar den draak zag, die met bloedige tong de wonden likte, die hij zijn vrienden geslagen had, maakte een groote woede zich van hem meester. „Of ik wreek u, mijn trouwe makkers, òf ik ga met u in den dood,” sprak hij, en in een vervaarlijken strijd overwon hij het monster. Op Athene’s bevel brak hij het de tanden uit den bek en zaaide die in den grond; als figuren van een tooneelscherm, dat opgetrokken wordt uit den bodem, kwamen speerpunten en helmen en forsche schouders en ten slotte heele gestalten van reuzen te voorschijn, die Kadmos opnieuw naar de wapenen deden grijpen. Maar verdediging was onnoodig; in een heftigen onderlingen strijd doodden zij elkaar. Slechts een vijftal bleef over: dat hielp Kadmos bij het bouwen van de stad, die de naam van Thebe draagt, en waarvan de burcht de Kadmeia heette.

Het dooden van den draak, die immers aan Ares gewijd was, bleef niet ongewroken; vreeselijke rampen troffen het geslacht van Kadmos. Hij zelf trok later van Thebe naar Illyrië, waar hij en zijn vrouw in slangen werden veranderd.

[

Inhoud

]

OEDIPUS.

(SOPHOCLES: OEDIPUS REX, OEDIPUS COLONEÜS, ANTIGONE).

Een van Kadmos’ nakomelingen, die over Thebe regeerden, was koning Laios. Een orakel had hem voorspeld, dat de zoon van zijn vrouw Iocaste hem van het leven zou berooven. Laios vreesde daarom den zoon, die hem spoedig daarna werd geboren; hij beval een dienaar het kind in het Cithaerongebergte uit te zetten, nadat de voetjes doorboord en samengebonden waren. De medelijdende man gaf den kleine echter over aan een herder van den Corintischen koning Pòlybos; deze en zijn vrouw Mèrope, die geen kinderen hadden, ontfermden zich over het knaapje en voedden het als hun eigen zoon op. Oedipus noemde men het kind, naar zijn gezwollen voetjes. In Corinthe groeide hij voorspoedig op en meende in het huis van zijn ouders te zijn, totdat een van zijn makkers hem eens in een twist voor de voeten wierp, dat hij maar een aangenomen kind was. Die woorden smartten hem diep en ondanks de geruststellende taal van zijn vermeende ouders, bleef twijfel hem kwellen. Toen wendde hij zich tot het orakel van Delphi. Op een vraag naar zijn afkomst kreeg hij geen rechtstreeksch antwoord; hij moest zich ervoor hoeden, zijn vader te dooden en zijn moeder te trouwen, werd hem gezegd. Nog ervan overtuigd—wat immers het orakel niet ontkend had—dat Pòlybos en Mèrope zijn ouders waren, ontvluchtte hij Corinthe en begaf zich op weg naar Thebe, ongewild en onbewust zijn noodlot tegemoet. Onderweg kwam hij aan een driesprong; een kleine reisstoet kwam hem daar tegemoet: een bejaard man al, op een wagen, omgeven van enkele dienaren en voorafgegaan door een heraut. Over het uitwijken ontstond twist en toornig over een slag, die hem door den ouden man werd toegediend, versloeg Oedipus het geheele gezelschap op één dienaar na, die naar Thebe ontkwam. De man schaamde zich te bekennen, dat zóóvelen door een enkele verslagen waren; hij berichtte, dat een rooverbende koning Laios aan den driesprong had overvallen en hem en al de overigen had gedood. Zoo was Oedipus, zonder het te vermoeden, de moordenaar van zijn vader geworden en was de eene helft van de orakelspreuk, die hij te Delphi had vernomen, reeds in vervulling gegaan; weldra zou ook het overige volgen.

In dien tijd werd Thebe door een vreeselijk monster bezocht; het was de Sphinx, half vrouw, half leeuwin en bovendien nog gevleugeld. Het gaf de menschen een raadsel op: „Welk schepsel loopt ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie beenen?” Wie het niet kon oplossen, werd jammerlijk verscheurd en een orakel had voorspeld, dat Thebe eerst dan van dezen geesel verlost zou worden, als iemand de oplossing zou hebben gevonden. Reeds velen hadden hun leven gewaagd. Toen verklaarde koningin Iocaste, dat zij hand en kroon zou schenken aan hem, die redding zou brengen.

Ook Oedipus had van den nood gehoord, waarin het land verkeerde. Moedig waagde hij zich in de nabijheid van de Sphinx, hoorde het raadsel en vond ook het antwoord, dat luidde: de mensch. De Sphinx stortte zich in een afgrond, Oedipus huwde Iocaste en regeerde als koning over Thebe.

Twintig jaren volgden van ongestoord geluk; toen brak een vreeselijke pest uit. Daar geen middel wilde baten, werd Crèon, een broeder van Iocaste, naar het Delphisch orakel gezonden; hij keerde terug met het bericht, dat de pest een straf der goden was voor den moord, op Laios gepleegd; de moordenaar zou gezocht en met verbanning of dood gestraft moeten worden. Oedipus doet nu een beroep op alle Thebanen, die het goed meenen met hun stad: de schuldige make zich bekend; ongehinderd zal men hem het land uit laten trekken; anders kome vreeselijke rampspoed over zijn hoofd! Als deze poging om den schuldige te vinden natuurlijk vruchteloos blijft, wendt Oedipus zich tot den grijzen ziener Teirèsias. „Och, laat me weer heengaan,” smeekt deze den koning, „dwing mij niet om door te spreken ontzaggelijk leed te brengen over u en over mijzelf.” Maar Oedipus wìl weten; hij wantrouwt die geheimzinnigheid, hij zoekt er booze plannen achter, hij beschuldigt den ouden ziener van medeplichtigheid aan den moord. En ook als Teiresias, over zulk een miskenning tot in het diepst van zijn ziel gegriefd, zich niet langer inhoudt en Oedipus als den moordenaar aanwijst, gaat deze door op zijn eigen gedachten en zoekt naar een oorzaak voor de houding van den ziener. Weldra meent hij die gevonden te hebben: een complot, waarin ook Crèon een rol speelt, en dat bedoelt dezen op den troon te brengen; dan zal ook Teiresias voordeel trekken van de geboden hulp! Dat vermoeden is wel hard voor den grijsaard, die niet anders bedoelt dan Oedipus te sparen; in toornige woorden openbaart hij den koning heel het ongeluk, dat hem wacht. Ook Crèon, van den moord nu mede beticht, verdedigt zich met vuur, maar Oedipus wil van geen rede hooren, hij dreigt zijn zwager met dood of verbanning.

Op de luide twistwoorden, die rijzen, treedt Iocaste naar buiten. Zij wil haar man geruststellen; wat beteekenen orakels en woorden van zieners? Door zijn eigen zoon zou Laios gedood worden, en roovers vermoordden hem op den driesprong!—De vermelding echter van den driesprong wekt bij Oedipus een eerste vermoeden van de waarheid, en als ook de tijd en ’t getal der reizigers uitkomen met het beeld van zijn herinnering, maakt bange twijfel zich meester van zijn gemoed. Hij laat van het land den dienaar ontbieden, die het bericht van Laios’ dood indertijd naar Thebe overbracht.

Ondertusschen komt een bode uit Corinthe aan om den dood van koning Pòlybos te melden. Voor Iocaste is dit opnieuw een bewijs, hoe weinig men aan orakels moet hechten. Had niet de Delphische Apollo Oedipus zelf gezegd, dat Pòlybos door diens hand zou vallen? De Corinthiërs, zoo meldt de bode verder, begeeren Oedipus tot vorst. En als deze zich verzet, omdat immers de vervulling van de andere helft van het orakel nog mogelijk is zoolang Mèrope leeft, tracht de gezant hem over zijn bezwaren heen te helpen door de verzekering, dat hij geen kind van het Corinthische koningspaar was. Hij, de bode, indertijd herder op het Cithaerongebergte, had hem zelf uit de handen van een dienaar van Laios aangenomen en aan Mèrope gegeven! Jammerlijk valt echter die troostgrond uit: heel het treurspel ligt nu voor Oedipus open. En tot volkomen zekerheid wordt zijn somber vermoeden, als de bewering van den Corinthischen gezant bevestigd wordt door het verhaal van den dienaar, om wien Oedipus gezonden had.

Iocaste maakte in wanhoop een einde aan haar leven; Oedipus, door smart en schaamte overweldigd, blindde zich bij haar lijk.

Oedipus Coloneüs. Hij had twee zonen, Polyneìkes en Etèocles, en twee dochters, Antìgone en Ismène. Toen, na verloop van tijd, het volk zijn verbanning vroeg, verzetten de beide zonen noch Crèon zich tegen dien eisch, en zoo doolde de ongelukkige grijsaard, door allen verlaten, alleen geleid door de hand van zijn trouwe dochter Antigone, van stad tot stad. Eindelijk kwam hij bij het vlek Colònos, in de buurt van Athene, aan en legde zich in de heilige ruimte der Erìnyen ter ruste. De Atheensche koning Theseus verleende hem hier een veilig toevluchtsoord. De door het noodlot zoo wreed vervolgde Oedipus was intusschen door zijn lijden met de goden verzoend en het orakel had voorspeld, dat dàt land tot grooten bloei zou geraken, dat het gebeente van den grijsaard in zijn schoot zou bergen.

Nu was Thebe intusschen geducht in het nauw geraakt; Etèocles en Polyneikes hadden afgesproken, dat zij om beurten daar telkens een jaar zouden regeeren. Maar toen de tijd van den eerste om was, weigerde hij afstand te doen van den troon. Geërgerd trok Polyneikes weg en wist nog zes vorsten over te halen een krijgstocht met hem tegen zijn vaderstad te ondernemen. De Thebanen raakten nu in angstige spanning en, gedachtig aan het bovengenoemde orakel, maakte Crèon zich op om Oedipus over te halen naar het Thebaansche land terug te keeren. Eerst door overreding, later door geweld, trachtte hij den grijsaard weg te voeren, maar Theseus trad als zijn beschermer op en verijdelde Créon’s pogingen. Toen kwam ook Polyneikes zijn vader opeischen voor zijn onderneming; de gesmade werd wel zeer sterk begeerd; maar gedachtig aan zijn vernedering, bleef hij weigeren. Zelfs sprak hij een verwensching uit over de zonen, die zijn verdrijving hadden toegelaten: mochten zij, in broederstrijd, vallen door elkanders hand! En nauwelijks was Polyneikes, beladen met dien vloek, weer heengegaan, of donderslagen verkondigden Oedipus, dat zijn einde nabij was. Als door een onzichtbare macht geleid en door Theseus alleen vergezeld, ging hij naar de plaats, waar hij sterven zou. Hoe hij daar is weggenomen bleef verder een geheim; maar de zwerver had nu rust: de Erìnyen waren voor hem Eumeniden geworden.

Aan Oedipus’ zonen werd de vloek van hun vader maar al te spoedig vervuld. De zeven vorsten, onder wie Adrastos, koning van Argos, en Amphiaràös de bekendsten zijn, trokken op tegen Thebe, maar hadden geen geluk; zij kwamen, op Adrastos na, allen om, Polyneikes en Etèocles vielen door elkanders hand; nadat zij elkaar vruchteloos met de lans hadden bestookt, wondde Etèocles zijn broeder met het zwaard; maar toen hij hem van zijn wapenrusting wilde berooven, werd ook hij door den stervende doodelijk getroffen.

Antìgone. Na dezen bloedigen afloop nam Crèon de teugels van het bewind over Thebe in handen. Hij liet het lijk van Etèocles plechtig begraven, maar beval, op straffe des doods, het lijk van Polyneikes, die in een strijd tegen zijn vaderstad was gevallen, onbegraven te laten, aan honden en roofvogels ten buit. Maar ondanks het strenge verbod van Crèon en ondanks de waarschuwingen van Ismène en haar weigering om te helpen, begroef Antìgone het overschot van haar broeder; zij achtte dat een heiligen zusterplicht, waaraan zij zich tot geen prijs mocht onttrekken. Op heeterdaad werd zij echter betrapt en voor Crèon gebracht. Van spijt was bij haar geen sprake; de geboden der goden gingen haar boven die der menschen—hield zij met fierheid staande—en de dood, die haar tòch niet onwelkom was, zou alleen nu wat vroeger komen. En elke poging om haar fierheid te breken, was vergeefsch.

Zoo bleef ook Crèon onvermurwbaar; zelfs het feit, dat Antìgone met zijn eigen zoon Haimon verloofd was, roerde hem niet; er waren nog wel andere schoondochters te vinden! Haimon zelf trachtte hem tot ander inzicht te brengen; het volk—zoo pleitte hij—mompelde dat de vrome jonkvrouw een heel andere belooning had verdiend, en dikwijls al was onbuigzaamheid te laat tot het besef van eigen feilbaarheid gekomen; wie niet bijtijds de schoot van het zeil wist te vieren, stelde roekeloos schip en leven in de waagschaal! Maar ook zijn woorden misten de bedoelde uitwerking; het kwam tot bittere verwijten over en weer; en in heftigen toorn, die niets goeds voorspelde, snelde Haimon heen.

Antìgone—zoo luidde Crèon’s bevel—zou levend ingemetseld worden in een grafgewelf. Zelf spoorde hij tot haast aan en verzekerde, dat geen geklaag zou baten. Hij zou zich door niemand, allerminst door een vrouw, laten overwinnen; hij zou dòòrzetten, onwrikbaar en onvermurwbaar, tot het einde toe! Teiresias wees hem erop, hoe de offerteekens ongunstig waren, hoe starre eigenzinnigheid, voor rede onvatbaar, steeds dwaasheid was gebleken, hoe weinig verheffend het was over een doode gericht te houden. Alles te vergeefs! Maar ten slotte, door Crèon’s hoonende antwoorden getergd, toonde hij hem al den jammer, dien hij op het punt stond zich op den hals te halen: de Erìnyen gereed om zich op hem te storten, en weeklacht en dood tot in de zalen van zijn paleis! Toen, eindelijk, brak zijn trots; toen, plotseling, scheen het hem toch niet onmogelijk, dat er goddelijke wetten waren, die, ook ondanks het woord van een koning, verdienden nageleefd te worden. Haastig snelde hij naar Antìgone’s graf; dat werd geopend, maar … ’t was te laat! Zij had aan haar leven een einde gemaakt. En voor de oogen van zijn vader volgde haar Haimon; en toen Crèon, jammerend, zich opmaakte naar zijn paleis, werd het bericht hem tegemoet gebracht, dat ook zijn vrouw door eigen hand gestorven was. De ondergang van heel zijn geslacht was de harde straf van zijn koppig tekort aan eerbied voor de instellingen der goden.

14. Apollo van Belvedere.
14. Apollo van Belvedere.

14. Apollo van Belvedere.

Uit: Brunn, Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

Na tien jaar ondernamen de zonen van de voor Thebe gevallen helden, de Epigonen, een nieuwen tocht tegen de stad. En ditmaal waren de goden de onderneming gunstig; de Thebanen werden overwonnen en vluchtten weg op raad van Teiresias, die echter zelf op de vlucht is omgekomen. Een zoon van Polyneikes erfde de heerschappij over Thebe.

[

Inhoud

]

DE ARGONAUTENTOCHT.

In de Boeötische stad Orchomenus heerschte koning Athamas; hij was gehuwd met Nèphele, een godin, en had twee kinderen, Phrixos en Helle. Toen Athamas bovendien nog een sterfelijke vrouw trouwde, verliet Nèphele hem; van nu af hadden haar kinderen het slecht, want hun stiefmoeder haatte hen en stond hen zelfs naar het leven. Eindelijk bracht zij het zóóver, dat Athamas besloot Phrixos als offer te slachten. Toen zond Nèphele den kinderen een ram met gouden vacht; die droeg hen weg, op zijn rug, ver over land en zee. Helle viel onderweg in de zeeëngte, die naar haar de Hellespont heet, maar Phrixus kwam in Colchis aan, aan de Oostkust van de Zwarte Zee, en werd daar door koning Aeëtes gastvrij opgenomen. Uit dankbaarheid voor zijn redding offerde hij den ram aan Zeus en schonk het gouden vlies aan Aeëtes, die het ophing in een tuin, aan Ares gewijd; daar werd het door een nimmer slapenden draak bewaakt. In Griekenland achtte men het onmogelijk, dat vlies te rooven; maar het werd toch geroofd en wel door den held Iason en de Argonauten.

In Iolcus, een stad in Thessalië, was Aeson koning; hij werd door zijn halfbroeder Pelias van de heerschappij beroofd. Toen hem nu zijn zoon Iason werd geboren, vreesde hij dat Pelias dezen zou dooden; daarom zond hij den knaap heimelijk naar het naburige Peliongebergte, waar de wijze Centaur Cheiron zich met zijn opvoeding belastte; thuis werd een lijkfeest gevierd, als ware het kind gestorven. Toen Iason twintig jaar oud was, keerde hij naar Iolcus terug, om het rijk van zijn vader op te eischen. Onderweg, bij het doorwaden van een rivier, verloor hij een schoen; zóó kwam hij op de markt, forsch en kloek, een voorwerp van bewondering voor de burgers, die hem zagen. Juist reed Pelias op zijn wagen voorbij; toen hij den jongen man zag, aan één voet maar geschoeid, verschrikte hij hevig, want een orakel had hem gewaarschuwd voor een man met één schoen; die zou hem dooden. Op een vraag daaromtrent maakte Iason zich bekend als de zoon van Aeson, door Cheiron opgevoed, en gekomen om de heerschappij aan Pelias’ handen te ontrukken. Hij vroeg naar de woning van zijn vader. Die werd hem gewezen en met groote vreugde werd hij in het ouderlijk huis opgenomen. Na eenige dagen trok hij met zijn bloedverwanten naar het paleis van Pelias en eischte van hem troon en scepter voor zijn vader terug. Pelias deed alsof hij het verzoek dacht in te willigen; hij verzocht Iason alleen vooraf het gulden vlies uit Colchis te halen; hem zelf had een orakel deze onderneming opgedragen, maar hij was er te oud voor; Iason was jong en moedig; die zou het avontuur zeker durven bestaan!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings