← Table of contents
Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

ZESDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Het feest van Neerlands herstelling.

Dat was een drukte in Amsterdam op den 16en November 1863, het feest van Nederlands herstelling, na de Fransche heerschappij. Bijna geen huis, of 't was vol logés, die overgekomen waren om de feesten bij te wonen. Want al waren die feesten reeds Zondag begonnen (toen was die herdenking kerkelijk gevierd); Maandag den zestienden zouden ze eigenlijk eerst aanvangen. 't Zou een rechte feestdag zijn voor Amsterdams ingezetenen.

Ook onze oude vrienden hadden hun deel aan logeergasten. We willen daartoe eerst eens de woning van mevrouw de Winter op de Heeregracht binnentreden. We vinden haar met kapitein de Bosson en haar gezelschapsjuffrouw, Emma Kellner, op Zaterdag, den 14en November aan 't ontbijt zitten. Ze ziet er nog frisch en gezond uit, al heeft ze haar vierenvijftigste jaar reeds achter den rug, die goede mevrouw de Winter; ook de kapitein, ondanks zijn zesenvijftig jaren en zijn grijzen knevel, doet ons zien, dat hij niet veel verdriet in de wereld heeft, en juffrouw Kellner, die we nog niet ontmoet hebben, en die daar een lieve en hooggeschatte huisgenoot is, draagt haar tweeëntwintig jaren ook met eere.

„Zoodat nu alles klaar is, lieve Emma,” zegt mevrouw de Winter: „het ledikant voor Margot en haar man, het kleine ledikantje voor Ernst en Frédérique, en de wieg voor Marietje!”

„Alles in orde, mevrouw,” antwoordt juffrouw Kellner. „'t Is wel wat vol op de logeerkamer; maar de dominé en zijn gezin zullen er zich toch goed in kunnen roeren.”

„Uw huis zal veel van een kazerne weghebben, Frédérique,” zegt de kapitein. „'t Is jammer, dat je zwager Veldhuis met zuster Marie ook nog niet te logeeren genomen hebt.”

„O, wat dat aangaat, Henri,” antwoordt mevrouw de Winter. „Als Gustaaf niet gepresenteerd had, om ze bij zich aan huis te hebben, dan zouden we er ook plaats voor gevonden hebben, niet waar Emma?”

„Voorzeker, mevrouw. Dan had ik eenvoudig mijn kamer geruimd, en zou wel een plaatsje op zolder hebben gezocht, om voor een nacht of wat te slapen.”

„Op zolder!” riep de kapitein lachend uit. „Onze Emma heeft zeker aan den watersnood van voor twee jaren gedacht. Dan zoudt ge 't veiligst op zolder zijn, niet waar?”

„Waarom niet, kapitein?” antwoordde Emma. „Iemands gedachten zijn immers tolvrij. Doch van iets anders gesproken, mevrouw. Zou ik Betje niet naar den sleeper zenden, om de vigilante te bestellen, waarmee u de gasten van 't station wilt afhalen?”

„Eén vigilante, Frédérique?” vroeg kapitein de Bosson. „Laat Betje naar Koens gaan, en vragen, of hij ons geen heelen omnibus kan verhuren. Dan ga ik ook mee, om de karavaan die uit het Oosten komt, af te halen. Vijf personen, en gij zijt de zesde, in één vigilante! De sleeper mag er ten minste wel twee paarden voorspannen!”

„'t Zijn er ook personen naar!” riep mevrouw de Winter uit. „Als je meegaan wilt, Henri, is er nog plaats genoeg. Dan moogt gij de kleine Marie op den schoot nemen.”

„Op gevaar van een paar natte knieën; ik dank u, Frédérique. Laat Margot haar eenjarig dochtertje zelf op den schoot houden, dan neemt gij uw tweejarig petekindje Frédérique, en dan mag dominé Bernard voor zijn wilden driejarigen Ernst zorgen.”

„Ei, ei! Zoudt ge er zoo gemakkelijk af willen komen, Henri!” vroeg mevrouw de Winter. „Voor niemendal meerijden, en er niets voor doen! Neen man, dan blijf je maar stilletjes thuis.”

„O, ik ben in 't geheel niet verlegen om uw vigilante, Frédérique. Weet je, wat ik doe. Ik rijd op mijn eigen kosten met Florence naar 't station—Gustaaf heeft er geen tijd toe, daar hij het te druk op 't kantoor heeft—en dan haal ik Ernst en Marie af.”

„En dan moeten Marietje en Henri natuurlijk ook mee. En dan zal grootvader zijn eenjarig petekind wel op den schoot nemen, ook met gevaar van natte knieën te krijgen!” schertste mevrouw de Winter.

„Natuurlijk zal Florence de kinderen graag meenemen,” zeide de kapitein. „Dus Emma, wees zoo goed, om aan Betje te zeggen, dat ze twee vigilanten bestelt: een voor mijn zuster en één voor mij.”

„Toch zeker voor u een met twee paarden, kapitein?” vroeg Emma schertsend.

„Of een omnibus van Koens?” voegde mevrouw de Winter er bij. „Want dan zijn 't vier volwassen personen en twee kinderen.”

„Een tegen twee gaat niet,” zeide de kapitein lachend. „Vooral als die twee dames zijn, en de andere zoo'n afgeleefde veteraan als ik.”

„Een afgeleefde veteraan!” riep Emma lachend uit. „Kapitein, ge ziet er nog zoo jong uit, dat ik alle dagen bang ben, u met uw aanstaande thuis te zullen zien komen.”

Zoo schertsen die goede menschen voort, en we hebben uit hun gesprek al zoo wat gemerkt, wat er in den tijd, sedert we ze voor 't laatst zagen, en dat is nu drie en een half jaar geleden, voorgevallen is. Ten aanzien van des kapiteins zoons moet ik u nog mededeelen, dat de vierentwintigjarige August op dit tijdstip eerste luitenant bij de grenadiers, en diens een jaar jongere broeder deelgenoot in de zaak van Gustaaf is, welke zaak tegenwoordig onder de firma van de Winter en Co. gedreven wordt. Dat er een heele drukte aan 't huis van mevrouw de Winter zou zijn door de overkomst van dominé Veldhuis met zijn vrouw en drie kinderen, behoef ik u wel niet te zeggen. Grootmama zag daar echter volstrekt niet tegen op; daarenboven had ze een trouwe hulp aan haar gezelschapsjuffrouw, Emma Kellner. Bij Gustaaf zouden het de oude lui Veldhuis zeker wel zoo druk niet maken; toch gaf het Florence natuurlijk veel bemoeiing.

Nog bestond er een plan, dat echter voor een gedeelte van de beslissing der logés zou afhangen. Op Dinsdag namelijk zou kapitein de Bosson met Gustaaf en Florence naar Den Haag gaan, om ook daar het feest van Nederlands herstelling bij te wonen; nu hoopten ze Veldhuis en zijn vrouw en Bernard en Margot over te halen, hen te vergezellen. Mevrouw de Winter zou dien dag wel op Margot's kleinen passen, en juffrouw Kellner zou bij Gustaaf aan huis komen, om daar voor de kinderen te zorgen. Dat was een plan van den kapitein, en als 't niet werd goedgekeurd, zou 't hem zeker uit zijn humeur brengen. Men zou met retour met den eersten trein vertrekken, en 's avonds met den laatsten terugkeeren; dan kon men nog best de illuminatie zien—zeide hij. Hij had dienaangaande reeds aan August geschreven, en hem aangemaand, om te zorgen, dat ten minste een paar van hen op de tribune konden komen, om 't leggen van den eersten steen van 't monument bij te wonen.

En nu laten we den kapitein en zijn zuster de gasten afhalen, we laten hen komen, in Amsterdam vertoeven, en willen eens zien, wat er op Maandag den 16en November in de hoofdstad te doen was; om daarna onze goede vrienden voor een dag naar Den Haag te vergezellen.

Geheel de hoofdstad had een feestelijk aanzien. De straten waren schier verduisterd door de menigte van vlaggen; groen en festoenen, prachtige decoratiën in sommige winkels, eerebogen, chassinetten, alles toonde aan, dat Amsterdam feest zou vieren, en de nationale kleuren, met Oranje doorweven, welke ieder zonder onderscheid van rang of kunne op den hoed of op de borst droeg, gaven den aard van 't feest aan: 't zou er een zijn, waarbij Nederland niet alleen de herkrijging zijner onafhankelijkheid, maar ook de herstelling van 't geliefde stamhuis zou herdenken. Daarom ook waren al de vlaggen versierd met oranjewimpels; niemand toch kwam het in de gedachten, Oranje van Nederland te scheiden; integendeel elk burger van ons koninkrijk gevoelde het, dat onze vaderen met Oranje hun onafhankelijkheid hadden bevochten, en dat die onafhankelijkheid alleen door 't Huis van Oranje duurzaam was geweest.

Den Zondag te voren was de gedenkwaardige dag in de verschillende kerken van Amsterdam plechtig herdacht, en had de burgemeester den koning een telegram gezonden, inhoudende gelukwensching van de hoofdstad des Rijks op den huidigen feestdag. Per telegraaf had Z. M. daarop geantwoord, dat hij hoogen prijs stelde op de gevoelens, daarin door den burgemeester namens zijn stad uitgedrukt. Des namiddags om drie ure had er een treffende plechtigheid plaats op de nieuwe brug. Barend Ponstijn, die daar vijftig jaren geleden met de vlag om zijn middel gewonden gekomen was en haar op dezelfde plek en op 't zelfde uur geplant had, kwam nu, vergezeld van de personen, die destijds bij hem geweest waren. Reeds wachtte er hem de burgemeester, die zich vriendelijk met hem en zijn kameraden onderhield. Zoodra nu 't speelwerk van de Oude kerk het uur van drieën aankondigde, haalde Ponstijn, als weleer, de vlag onder zijn bovenkleederen vandaan, en heesch die, onder het daverend gejuich der tallooze aldaar verzamelde menigte. Daarop hield de burgemeester een korte, maar gepaste toespraak tot den waardigen grijsaard, die dezen dag had mogen beleven.

We zullen de verschillende decoratiën niet beschrijven; alleen willen we vermelden, dat de burgemeester der hoofdstad een aangename verrassing had ondervonden. Immers, toen hij dien morgen wakker was geworden, zag hij, dat de voorgevel van zijn huis prachtig was gedecoreerd. Dat was in den afgeloopen nacht gedaan door de leden van 't genootschap „Hooger zij ons doel.” In die versiering had men het volgende vierregelige versje aangebracht:

„Heel de Amstelstad mag 't feest der vrijheid vieren, Zoo heuglijk voor ons dierbaar koninkrijk; Ons zij 't vergund, uw woning op te sieren, Der dankbaarheid van Amsterdam ten blijk!”

Maar we spreken van den Zondag te voren. Reeds in de vorige week was de bevolking feestelijk gestemd, getuige verscheidene optochten bij fakkellicht, waarbij die van de Kattenburgers en Willemstraters merkwaardig zijn, omdat ze den goeden geest aanduiden, welke in die dagen de bevolking van Amsterdam bezielde. Immers de bewoners van beide van elkander verwijderde buurten, menschen uit de heffe des volks, brachten elkaar wederkeerig een bezoek en een contravisite.

En zoo was de Zondag voorbijgegaan in feestelijke stemming. Druk was 't op de straten geweest; want ieder was nieuwsgierig om de sierlijke decoratiën te zien; ieder stelde belang in de aanstalten, reeds gemaakt tot de schitterende verlichting, die den volgenden avond zou plaats hebben. Ook onze oude vrienden, Gustaaf en zijn vrouw en Bernard en Margot, hadden de nog jonge beenen vrij wat te doen gegeven, en zelfs de oude Veldhuis met zijn Maria hadden ook de hunne niet ontzien; ofschoon ze toch 's avonds, toen de geheele familie bij mevrouw de Winter op visite was, klaagden over de geduchte einden en de slechte bestrating. Wie echter 't meest van allen gezien had, was kapitein de Bosson, die met zijn zoon Emile de geheele stad was door geweest; waarom de laatste dan ook schertsend verklaarde, dat papa hem dien dag een militaire marschroute had doen maken, en hij zeker den volgenden geen voet buiten de deur zou kunnen zetten. Papa lachte hem daarover braaf uit en zei, dat hij niet beter kon doen, dan dien volgenden dag maar stil voor de ruiten te zitten koekeloeren, om eens goed van zijn fatigues uit te rusten. En dat zou hem zeer gemakkelijk zijn; daar de geheele familie toch ten huize van Gustaaf was vereenigd, om den optocht te zien, die, naar men gehoord had, uit niet minder dan zesduizend menschen zou bestaan, en waarbij, volgens 't programma, zeer mooie zegewagens zouden zijn. Papa de Bosson echter zou, als ridder van 't metalen kruis, den tocht mee maken, en toch had hij zijn beenen niet ontzien. Nu, dat feest begon 's Maandags dan ook vroeg genoeg. Om acht uur 's morgens verkondigde een kanonschot, dat het een aanvang had genomen, en vereenigden zich de verschillende deelnemers aan den optocht. Denkt echter niet, dat toen allen zich reeds in 't huis van Gustaaf op de Heerengracht verzameld hadden. Zóó vroeg behoefden ze daar niet te zijn. Eerst vrij wat later kondigde een ander kanonschot aan, dat de trein zich in beweging gesteld had, en dan had die nog een heel eind af te leggen, eer hij voor 't huis van Gustaaf was. Toen hij echter aankwam, zaten allen voor de glazen, of stonden ze achter 't staketsel, dat voor den stoep van 't huis was opgeslagen.

Illustration from Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Tresling & Co Hof-Lith Amst.

En 't was een lange stoet, die trein van 6000 menschen, voorafgegaan en gevolgd door een detachement cavalerie. We zullen hem niet in al zijn bijzonderheden beschrijven; maar willen, terwijl we evenals Gustaaf het gedrukte programma van den optocht in de hand houden, slechts enkele bijzonderheden er van mededeelen.

„Daar komt de tjotter aan, getrokken door zes paarden en begeleid door zevenenveertig leerlingen van 's lands marinewerf,” zeide Gustaaf, en 't was inderdaad een aardig gezicht, die op een wagen geplaatste schuit te zien, waarin een bootsman en vier matrozen zaten. De matrozen deelden aan de omstanders exemplaren uit van een gelegenheidslied, en ze hadden daarmee de handen vol.

„Let nu eens op, mama,” zei hij iets later. „Daar komen de oude strijders van 't jaar dertien aan.”

Vier grijsaards, en onder hen een visscher van 't eiland Marken, zaten in een open rijtuig, door twee paarden getrokken, en daarachter in een ander rijtuig, de oude Ponstijn, met zijn oranjevlag in de hand. 't Was een hoezee! waar die vijf mannen verschenen.

„En daar komt nu de eerste zegewagen!” riep hij. „Let nu goed op!”

't Was een heel gevaarte, die zegewagen, welke Nederland moest voorstellen. Daar zat aan 't achtereinde op een troon, de Nederlandsche Maagd, den helm op 't hoofd met de linkerhand rustende op haar wapenschild en in de rechter de speer houdende, waarop de vrijheidshoed. Aan haar voeten lag de Nederlandsche leeuw (natuurlijk in beeld); ze was omringd door vier vrouwenbeelden, die den handel, de scheepvaart, den landbouw en de nijverheid voorstelden. Aan weerszijden van den wagen zaten zes meisjes in 't wit gekleed, met oranjesjerpen om en die op rood fluweelen kussens verschillende voorwerpen droegen. De wagen zelf, die antiek van vorm en keurig gedecoreerd was, werd door zes paarden getrokken, door twee postiljons geleid. Paarden, wagen, alles was met rijk oranje versierd. Heel spoedig hierop volgde de tweede zegewagen, voorstellende de vrije drukpers na 1813. Aan 't achtereind van dien wagen prijkten de bustes van koning Willem I, II, en III, met groen omgeven. Verder stond er 't beeld van Laurens Janszoon Koster op, een ijzeren drukpers en een letterkast, en waren de zich daarop bevindende gezellen in gewoon werkkostuum gekleed, bezig met verschillende liederen te drukken, welke zij onder 't volk uitstrooiden. Deze liederen waren: „Neerlands vrijheid,” „De volksgeest,” „Feestlied 1813–1863,” „Drukpers, nijverheid en kunst,” „Amsterdam op den 16den November 1863,” „Hoezee! Oranje boven!” en „16 November 1863,” alle door drukkersgezellen vervaardigd. Deze wagen werd getrokken door acht paarden, door vier postiljons geleid; wagen, paarden en postiljons met de Nederlandsche kleuren versierd. Minder groot was de met zes paarden bespannen zegewagen, voorstellende den boekhandel en de boekbinderij. Deze was met rood en zwart, de stadskleuren, gedecoreerd. Een vijfde wagen stelde de litographie voor, en werd getrokken door zes paarden; waarvan de twee eerste met oranje, de twee volgende met nationale kleuren, de twee laatste met de stadskleuren getooid waren. Het voorste gedeelte van dien wagen stelde allegorisch Nederland voor, het achterste verbeeldde de steenmijnen van Sollinghoven in Beieren, waarbij eenige mijnwerkers. Men zag er verder de steendrukpers in volle werking, als ook den steendrukker, slijper, teekenaar en eenige gezellen. Op den wagen werd het portret van Z. M. den koning gedrukt, hetwelk in duizende exemplaren onder 't volk werd uitgedeeld. De zes stalknechts, die de paarden geleidden, waren in 't kostuum uit de dagen van Maurits en Frederik Hendrik.

En hiermede nemen wij afscheid van den triomftocht, die rijkelijk voorzien was van muziekcorpsen, en zich op den Dam om het monument schaarde. Dat de meesten, der bij Gustaaf de Winter verzamelden den optocht meer dan eens zagen, zal ik u wel niet behoeven te zeggen; Emile had hem wel zes maal gezien; en 't was ook wel de moeite waard, om alles meer dan eens te beschouwen, vooral de tjotter en den zegewagen; kortom 't was in alle deelen een welgeslaagde optocht en hij deed Amsterdam eer aan.

Intusschen hadden de volksspelen op de drie daarvoor bestemde en geheel ingerichte plaatsen, het Funen, het Amstelveld en aan de Zaagmolenpoort, een aanvang genomen. Daar werden allerlei volksvermakelijkheden uitgevoerd tot groot genoegen van de toeschouwers en de werkende leden zelf; als klimmen in de groote en in de kleine mast, boegsprietloopen, wedstrijd in manden en 't loopen in zakken, terwijl na afloop tal van prijzen en premiën werden uitgedeeld; zoodat menige bewoner der achterbuurten, menige knaap uit den geringen stand met een aardig gedachtenisje naar huis ging.

En 's avonds de illuminatie—die was zoo algemeen, en over 't geheel zoo schitterend, dat niemand onvoldaan huiswaarts keerde. Gaarne zou ik er de meest uitstekende verlichtingen van beschrijven, of met u naar de Plantage gaan, waar de bedienden van 't koninklijk genootschap Natura- Artis- Magistra, als kozakken verkleed, om een ferm wachtvuur gelegerd waren, op hetwelk pannekoeken gebakken werden, hetgeen een trouwe herinnering aan 't jaar 1813 gaf;—we hebben echter geen tijd meer; want we moeten morgen weer vroeg op, om met de familie de Winter en Veldhuis met den eersten trein naar 's-Gravenhage te trekken. Daarenboven laat mevrouw de Winter (de jonge namelijk) ons niet los, voor we bij haar gesoupeerd hebben, waarbij met een lekker glas wijn tal van toosten gedronken worden, en natuurlijk ook een op koning Willem den derden.

Met blijde vooruitzichten stapten de zeven reizigers in een waggon tweede klasse, om zich naar Den Haag te laten vervoeren en aldaar wederom een feestdag bij te wonen. 't Waren kapitein de Bosson, Veldhuis, Gustaaf en Florence, Bernard en Margot, Emile en Emma. Mevrouw de Winter en juffrouw Veldhuis waren nog te vermoeid van den tocht van gisterenavond; de laatste had er op aangedrongen, dat Emma mee naar Den Haag zou gaan; zij zou dien dag wel op de kinderen van Florence passen; en Gustaaf had zijn boekhouder voor dien dag de zorg over 't kantoor opgedragen; omdat zijn vrouw gaarne had, dat hij haar vergezelde, en hij wenschte, dat zijn compagnon ook zou meegaan. Deze deed dit des te liever, omdat hij een goed oogje had op juffrouw Emma, 't geen waarschijnlijk wel spoedig op een engagement zou uitloopen.

De reis per spoor, ofschoon vrij wat sneller dan vroeger per trekschuit of diligence, duurde onzen reizigers nog veel te lang; eindelijk, daar klonk de stem van den conducteur „'s-Gravenhage, heeren!” hun als hemelmuziek in de ooren, en spoedden zij zich naar de door August bewoonde kamers. Hem zelf vonden ze echter niet thuis; hij was reeds vroeg naar de kazerne vertrokken, omdat hij dienst had; hij had echter gezorgd, dat zijn hospita alles tot ontvangst van de gasten in gereedheid had gebracht, en een klein briefje achtergelaten, waarin hij meldde, dat hij de wacht aan den ingang der tribune zou hebben; waarom hij diegenen van 't gezelschap, welke lust hadden de eerste steenlegging van 't monument bij te wonen, uitnoodigde, om in 't Willemspark te komen, als wanneer hij hun den toegang zou verschaffen. Onder een ferm ontbijt, hetwelk onze reizigers geheel en al restaureerde, besprak men dat punt.

„Ik ga naar 't Willemspark,” zeide Veldhuis. „Ik wil den koning graag eens weerzien, dien ik, sedert hij met den watersnood bij ons was, niet weer aanschouwd heb. Willem de derde heeft door zijn edel gedrag bij die gelegenheid voor altijd mijn hart gestolen.”

„En ik,” zei Bernard, „wenschte Oosterzee wel eens te hooren, en ga dus mede; tenzij Margot liever naar de Maliebaan mocht gaan, om de volksvermakelijkheden en de fraai gedecoreerde gebouwen te zien.”

„Jongens neen,” zei Margot. „Ik wil ook den koning wel eens zien en Oosterzee hooren. Sedert ik uit Amsterdam ben, heb ik 't eerste genoegen niet gehad; daarenboven zoo'n eerste steenlegging moet wel aardig zijn. Jij hebt dat in Zutfen bijgewoond, Bernard; ik niet.”

„Ik ga naar de Maliebaan,” zeide Emile. „Ik heb gehoord, dat het een geheel ander soort van volksvermakelijkheden zal zijn, dan bij ons in Amsterdam. En dat wil ik gaarne eens zien. Je gaat toch met me mee, juffrouw Emma?”

„Volgaarne, mijnheer Emile,” antwoordde Emma. „En wat denkt mevrouw de Winter te doen?”

„Ik ga, waar mijn man gaat,” antwoordde Florence. „Wat ben jij van plan, Gustaaf?”

„Ik zat er juist over te denken, Florence,” gaf hij ten antwoord, „en ben 't met mij zelf niet eens. Beslis jij dus vrouwtjelief.”

„Als ik zeg, dat het mij onverschillig is, dan zou de zaak hangend blijven. Nu, om u de waarheid te zeggen, wenschte ik 't liefst naar 't Willemspark te gaan.”

„Aangenomen,” zeide Gustaaf. „Nu, Emile, dan zul jij de firma wel in de Maliebaan representeeren.”

„Dat beloof ik u,” antwoordde Emile. „En ik hoop er u van middag 't een en ander van mee te deelen, mits gij mij uw ervaringen vertelt.”

„Voorzeker. Misschien lees ik u wel de redevoering van Oosterzee voor; ten minste, als die al te koop is.”

„Och, laat dat maar voor een anderen tijd over, compagnon,” zeide Emile. „Je zult die toch nooit met zooveel welsprekendheid voordragen als de Utrechtsche redenaar. Doch wil je haar koopen, ga uw gang. Ik wil haar graag eens lezen.”

„Dus voor rekening van de firma?” vroeg Gustaaf lachend.

„Wel zeker, voor rekening van de firma,” antwoordde Emile. „Of nog beter voor gezamenlijke kosten.”

„Ferm zoo,” zeide kapitein de Bosson. „'t Heele ding kost misschien twee dubbeltjes, dat is twee en een halven cent voor ieder van ons.”

„'t Zal wel acht stuivers kosten,” zeide Florence. „Nu, dat is tien centen voor mijn man en mij. 't Is alweer een dubbeltje voor een plaats in het doophuis. Maar soit! 't Is alle dagen niet de 17de November.”

„Wat is die Florence toch een zuinige huishoudster!” riep Margot uit. „Dat berekent zelfs de dubbeltjes, die ze voor een plaats in 't doophuis geeft.”

„Geen wonder,” zei Florence. „Jij hebt makkelijk praten, Margot. Als vrouw van den dominé heb je een plaats in de kerk, en nog wel een gedistingueerde. Bij mij is ieder dubbeltje er een.”

„Bij mij ook,” antwoordde Margot. „Ofschoon ik dikwijls zou wenschen, dat ieder dubbeltje er twee was.”

Alzoo was er dan bepaald, dat er zes naar 't Willemspark en twee naar de Maliebaan zouden gaan. Daar we ons, zooals de meeste menschen doen, bij de meerderheid aansluiten, gaan we dus eerst naar genoemd park, waar de tribune gebouwd is. Het middengedeelte is hooger uitgebouwd dan de beide zijvleugels, en gedekt met het Nederlandsche wapen, waarboven de koninklijke kroon; aan weerszijden twee schilden met vrouwenbeelden, wier arm rust op een hoeksteen, met de inscriptiën: „Nederland” en „Oranje.” Boven de zijvleugels prijken aan beide kanten de wapens der verschillende provinciën, en daarboven wapperen nationale en oranjevlaggen. In 't midden is de loge van den koning; rechts daarvan staat het gestoelte, voor prof. Oosterzee bestemd. Vlak over de loge van Z. M. is de tribune voor de zangers en zangeressen; aan de linkerhand daarvan die voor 't muziekcorps der stedelijke schutterij, aan de rechter- die van de kapel der grenadiers. Nog zijn er op het terrein zelf drie rijen stoelen, die tusschen de zangers en den steen staan en bestemd zijn voor de overgebleven strijders van 1813. In 't midden is de steen, omringd door met oranje omstrengelde palen, waarboven een linnen dak, om, indien 't mocht gaan regenen, de plechtigheid ongestoord te doen doorgaan.

Toen echter onze zes vrienden aankwamen, waren de tribunes der muzikanten en zangers reeds bezet, en begonnen ook de andere vol te worden. Ofschoon de kapitein een toegangskaart en dus een aangewezen tribune had, vond hij het toch prettiger om bij 't gezelschap te blijven, en vergezelde hen naar de algemeene.

Daar komt de grijze prins Frederik, eere-president der hoofdcommissie voor 't monument, en wordt terstond door die commissie naar de stoelen geleid, waarop nu de oudstrijders, omstreeks 150 in getal, gezeten zijn, hij vertoeft lang onder hen. Intusschen geleidt de hoofdcommissie de afstammelingen van de groote mannen van 't jaar 1813, de Hogendorps, de van der Duins van Maasdam, de van Stirums, de Kempers, naar de voor hen bestemde loge, en prins Frederik richt tot hen een hartelijke toespraak, welke door graaf Frederik van Hogendorp beantwoord wordt. Hierop gaat de prins naar zijn loge. Daar hadden inmiddels ook zijn doorluchtige gemalin met hare dochter prinses Marie, alsmede de prins van Oranje en prins Hendrik hun plaatsen ingenomen. Eensklaps doet zich een fanfare van 't orkest hooren. In een met vier schimmels bespannen opene calèche komt het vorstelijke echtpaar; tegenover hen zit hun jongste zoon, prins Alexander. Terwijl ze de met een sierlijk tapijt bekleede trappen hunner tribune opstijgen, overstemt het: „Oranje boven!” de muziek van 't orkest. De geestdrift in Den Haag was dien dag niet minder dan ze gisteren in Amsterdam was geweest.

Den ouden Veldhuis stonden de tranen in de oogen.

„Dat doet me goed!” zei hij. „O, ze hadden koning Willem den derden eens moeten zien, zooals ik hem in den Bommelerwaard gezien heb, er zou geen eind aan hun gejuich zijn.”

„Dan ben ik blij dat ze er hem niet gezien hebben,” zeide Florence, „want ik verlang hartelijk naar de feestcantate.” Daar hief de grijze Lubeck den dirigeerstok op, en begon het koor:

„De Heer heeft groote dingen8) Aan Nederland gedaan, Dies zijn we blijde en zingen! 't Is feest! Hef hymnen aan! O volk, hersteld in eere! Wie wendde uw treurig lot? 't Is God!—Der vaadren God! Almachtige! U zij de eere!”

Prachtig waren niet alleen de koren, maar ook de solo's, door de dames van Heun, Borst-Hoppenbrouwers en van Deventer, de heeren Nievelt en Deckers. Dit eerste gedeelte eindigde met een koraal, waarvan het laatste couplet dus luidde:

„Neerlands bloeien doet herdenken, Hoe de dag des heils verscheen, En hun blijvende eere schenken, Die het volk zijn voorgeschreên. Maar de mannen die wij eeren, Waren tot niets groots bekwaam, Buiten U!—o Heer der Heeren! Alles in ons looft Uw naam!”

Nu trad professor J. J. van Oosterzee op het voor hem bestemde gestoelte. We zullen u uit die redevoering niets mededeelen. De keus is te moeilijk; we zouden het stuk genoegzaam geheel moeten overschrijven. Alleen het einde van het eerste gedeelte:

„In tallooze harten, o, Vorst,” zei de redenaar, „rees in stilte een monument voor U op: wie verdient meer dan gij de hand te slaan ook aan dit zichtbaar gedenkteeken? De natie alleen wil het bouwen, de rijke heeft van zijn schat, de weduwe haar penningske ten offer gebracht, maar de eerste steen mag door geen andere dan door Oranjes handen worden gelegd!”

Een donderend hoezee! toonde, hoezeer 't volk met den redenaar instemde, dat geen ander dan een Oranje den eersten steen voor 't monument van Neerlands onafhankelijkheid mocht leggen. 't Was of er geen eind aan 't juichen zou komen. Doch daar hief Lubeck zijn dirigeerstok weer op, en klonk de solo schoon:

„Een drietal eedle mannen9) zat, Voor 's aadlaars10) blik verborgen, In Hollands oude Gravenstad11) Te wachten naar den morgen; Daar groette, als op een tooverslag, Een nieuwe Staat den nieuwen dag.”

Hierop viel het koor in, en werd het tweede gedeelte der feestcantate gezongen. Intusschen had prins Frederik zich met de hoofdcommissie naar de koninklijke tribune begeven, bij welken stoet zich de ministers en de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal hadden aangesloten. Zoodra nu 't slotkoor was geëindigd, noodigde de prins zijn koninklijken neef uit, om ingevolge Z. M. belofte, den eersten steen te leggen tot het Nationaal gedenkteeken. Nu stond de koning op en begaf zich, gevolgd door zijn zonen en zijn broeder, alsmede prinses Marie, naar de plaats, waar de keurig versierde fondamenten van 't op te richten monument zich bevonden. Daar we reeds een dergelijke plechtigheid hebben hooren beschrijven, zal ik u alleen zeggen, dat het hier prinses Marie was, die haar koninklijken neef den troffel aanbood. Nauwelijks was ook hier de hamerslag gevallen, of 't geschutgebulder kondigde den volke aan, dat de eerste steen gelegd was van een gedenkstuk, hetwelk, zoo wij hopen, nog aan het verre nageslacht zal verkondigen, dat er in 1863 een volk leefde, krachtig genoeg door eendracht, om gelden bijeen te brengen tot een gedenkzuil voor zijn verlossing uit vreemde overheersching, en een koning, die nationaliteit genoeg bezat, om den eersten steen voor dat gedenkteeken te leggen. Want er was inderdaad in die dagen wel energie noodig, om hier te lande feest te vieren van de verlossing der Fransche dwingelandij; terwijl daar in Frankrijk een Napoleon III op den troon zat, die toen nog Europa's vorsten deed sidderen voor zijn toorn12).

Nauwelijks was het eerste schot gehoord, of daar hieven de leerlingen der nationale zangschool het geliefde volkslied aan, en.... alsof een electrieke vonk door die duizenden gevaren was, allen stemden mee „het God gevallig feestlied in voor Vaderland en Vorst.” Plechtig klonk dat daar in de opene lucht, uit den mond van een geheel volk; want uit alle oorden des lands waren er saamgekomen, om de plechtigheid bij te wonen van de stichting eener gedenkzuil, waartoe allen van 't hunne hadden bijgedragen. En dat gezang, 't overstemde de tonen van 't geschut, en een vriendelijke Novemberzon scheen op dat in geestdrift ontstoken volk, en vermeerderde, kon 't zijn, die geestdrift nog. O, 't was een plechtig oogenblik, lieve lezeressen en lezers! Ook de koning gevoelde dat, toen hij zijn vorstelijken oom om den hals viel, als wilde hij hem danken voor het schoone oogenblik, hem door den president der commissie bereid; dat gevoelde ook de grijze prins, toen hij, op de tribune teruggekomen, zijn vorstelijke gemalin, die hem, tot schreiens toe bewogen, de hand drukte, aan zijn borst klemde.

De laatste tonen van 't lied waren nauwelijks weggestorven op de vleugelen van den wind, toen zich weer de welbespraakte mond van den Utrechtschen hoogleeraar deed hooren. En nadat daarop het slot der feestcantate was gezongen, hief andermaal al 't verzamelde volk aan:

„Wilhelmus van Nassauwen Stichtte ons Gemeenebest, Wilhelmus van Nassauwen Heeft Neerlands troon gevest, Wilhelmus van Nassauwen Regeert ons, hoog geloofd: Wilhelmus van Nassauwen Zij eeuwig Neerlands hoofd!”

Nu werden door prins Frederik de feestredenaar, de dichter en de componist aan Z. M. en de geheele koninklijke familie voorgesteld. „Die compositie was u uit het hart gekomen, mijnheer Lubeck,” zeide de koning en dat was inderdaad een hooge lof uit den mond van hem, die zelf zulk een gelukkig beoefenaar der muziek is.

Thans defileerden vóór de koninklijke tribune, van de zijde der Willemskerk komende, de kinderen der weeshuizen. Op hen volgde de feesttrein der werklieden, en hield de heer van Coeverden, medechef van de firma de Wed. A. Sterkman en Zoon, een aanspraak tot den koning, waarin hij deed uitkomen, dat ook de werklieden, ofschoon nederige burgers, zich met hen, die in hoog aanzien zijn geplaatst, volkomen gelijk stellen wanneer het de liefde geldt voor Vaderland en Koning. Nu zongen de werklieden uit de fabriek van de heeren van Kempen en Zoon, te Voorschoten, Psalm 134, vers 3:

„Dat 's Heeren zegen op u daal! Zijn gunst uit Sion u bestraal! Hij schiep 't heelal Zijn naam ter eer, Looft, looft nu aller Heeren Heer!”

Intusschen drukte de lithograaf van den heer Lankhout, op zijn met groen en oranje versierden wagen, 't portret van den koning op oranjepapier, en verspreidde die platen onder 't volk. Toen deze wagen vóór de koninklijke tribune stilhield, verlangden ook H. M. de koningin en prins Alexander daarvan een afdruk. Nu defileerden voorbij de koninklijke tribune: de Haagsche schutterij, de grenadiers en jagers en de dragonders, en was de plechtigheid afgeloopen, een plechtigheid zoo indrukwekkend, dat onze vrienden uit Amsterdam onuitwischbaar in 't geheugen bleef.

„Hoe komen we nog door die menigte heen!” zeide de oude Veldhuis.

„O, daar weten wij Amsterdammers niet van, oom,” zeide Gustaaf. „We zijn niet bang voor een beetje gedrang.”

't Was dan ook werkelijk een gedrang. De paarden der vorstelijke rijtuigen moesten stapvoets rijden, en nog konden ze zich ter nauwernood een weg banen door de steeds juichende menigte, die 't niet moe scheen te worden „Oranje boven! leve de koning!” te roepen. Nog vóór echter de koning in zijn rijtuig was gestegen, had hij tot prins Frederik en al het volk met zijn krachtige stem voor de vuist de volgende woorden gesproken:

„Mijn hart gevoelt de diepste erkentelijkheid. Ik ben ten diepste getroffen over hetgeen ik gezien en gehoord heb. Wanneer Ik dàt zeg, dan geloof ik de tolk te zijn van de gevoelens van al de prinsen en de prinsessen uit het Huis van Oranje.

„Het is heden de schoonste dag van Mijn leven, die dag van heden, waarop het Nederlandsche volk op nieuw op de ondubbelzinnigste wijze heeft doen blijken van zijne gehechtheid en trouw, die het steeds en onder alle omstandigheden, welke het der Voorzienigheid heeft behaagd in ons Vaderland te doen plaats hebben, aan den dag heeft gelegd.

„Ik stel die gevoelens op hoogen prijs, en wanneer het eenigzins vermetel van Mij is, op dit oogenblik het woord te nemen, uit het oogpunt der welsprekendheid, dan toch is het voor Mijn hart een behoefte tot u een echt Nederlandsch woord te richten, een woord gesproken uit het hart van een koning uit het Huis van Oranje. Dat woord kan niet anders zijn, mag niet anders wezen dan aan allen, hier tegenwoordig, de plechtige verzekering te geven, op den dag van heden, waarop de eerste steen is gelegd voor het Nationaal gedenkteeken, waarop de liefde en de trouw van het Nederlandsche volk bij die onvergetelijke plechtigheid zoozeer zijn gebleken, op dezen dag van groote Nationale herinneringen, voor Mij niet alleen, maar voor alle leden van het Huis van Oranje;—dat het heden gebeurde een nieuwe prikkel voor Uw Vorstenhuis zal wezen, om nog meer dan vroeger voor het welzijn en den bloei van het volk van Nederland werkzaam te zijn, zooals in vroegere dagen, zooals het altijd zal blijven. Want wij allen uit het Huis van Oranje, wij kunnen nooit, ja NOOIT genoeg doen voor ons Nederland.”

„Nu nog even naar de Maliebaan!” zeide de oude Veldhuis. „Daar hebben immers de volksvermakelijkheden plaats!”

„Ik vrees, dat we te laat zullen komen, en 't grootste deel afgeloopen is,” zeide Gustaaf, terwijl hij op zijn horloge keek. „We moesten liever de stad een weinig rondwandelen, en al 't schoons en sierlijks bekijken, dat er te zien is.”

„En eerst eens beproeven, of we wat te eten kunnen krijgen,” zeide Bernard. „Want ik rammel van den honger. Na zooveel geestelijke spijs herneemt de maag toch ook haar rechten.”

„Hadden we mama maar bij ons gehad,” zeide Margot, „dan zou ze ons ieder wel een paar krentebroodjes in den zak gestopt hebben, net als voor veertien jaren, toen we de inhuldiging bijwoonden.”

„En die ons toen zoo heerlijk smaakten!” voegde Florence er bij. „'k Wou, dat ik ze op 't oogenblik had!”

„Ik niet,” zei Bernard. „Ze zouden in dien tijd tamelijk droog en oudbakken geworden zijn.”

„Nu ja, allebedil,” hernam Florence. „Ik meen zulke soort van krentebroodjes.”

„Dan hadt ge u wat duidelijker moeten uitdrukken,” antwoordde Bernard glimlachend. „Doch ik ben hier zoo onbekend als een pelgrim, die pas in 't Heilige Land komt. Gelukkig, dat we zulk een goeden gids bij ons hebben als oom Henri. Die zal ons ook wel in de een of ander caravansera brengen, waar we onze hongerende en dorstende lichamen kunnen restaureeren.”

„Ja, oom Henri zal u even naar huis brengen, jonge lui,” antwoordde de kapitein. „Want in koffiehuizen of restauraties zal wel niets te krijgen zijn.”

En hij had gelijk. Een twee- of drietal, welke men binnenstapte, waren zoo volgepropt met hongerige en dorstige menschen, dat men daar onmogelijk iets voor zijn geld kon krijgen. Men besloot dus maar, naar August's kamer te gaan, waar de hospita wel zou opdisschen.

„O, kijk eens! Wat komt daar aan?” riep Florence eensklaps uit. „Neerlands kleuren te paard!”

„En oranje als aanvoerder!” voegde Margot er bij. „Dat is alleraardigst!”

Inderdaad—het waren vier heeren Leidsche studenten, keurig net gekleed. Een hunner reed vooruit, van top tot teen in 't oranje gekleed; de drie volgden hem: de een geheel in 't rood, de andere in 't wit en de derde in 't blauw. 't Gaf nieuwe stof tot vroolijkheid. Nauwelijks waren die voorbij, of daar kwam een rijtuig aan met boeren en boerinnen, kwistig met oranje versierd. 't Rijtuig zelf was met de namen van de mannen van 1813 beschilderd en de twee melkwitte paarden met groote strikken en rozetten van oranje en de Nederlandsche kleuren getooid. Honden en paarden waren, evenals in Amsterdam, goed Oranjegezind; als men ten minste rekende naar de oranjestrikken die ze om den hals of aan den staart droegen. Tal van kleine optochten kwamen hen tegen, wier leden wel niet altijd even keurig waren uitgedost, maar die toch door hun potsierlijke tooisels, waarin 't oranje den boventoon had, er veel toe bijbrachten, om afwisseling en levendigheid in de reeds zoo drukke stad aan te brengen. De oude wapenbroeders van 't jaar 1813 begaven zich onder 't geleide van de commissie van orde der feestviering naar het societeitsgebouw „de Vereeniging,” waar ze onthaald werden en o. a. prins Frederik hun de lieve attentie had betoond, om twee kistjes fijne oranjesigaren te zenden, elke sigaar met een oranje étiquette en 't jaartal 1813 versierd. Jammer, dat de prins tot zijn innig leedwezen door ongesteldheid verhinderd was, zelf daar te komen. Immers nog den vorigen dag had de toestand van den edelen grijsaard zich zeer dreigend doen aanzien, en was het te vreezen geweest, dat hij de steenlegging niet zou bijwonen. Gelukkig was die vrees niet uitgekomen; maar nu was Zijne Hoogheid zóó vermoeid, dat het hem niet geraden was, meer van zijn krachten te vergen.

Toen onze zes vrienden op de kamers van August kwamen, vonden ze diens hospita terstond bereid, om hun 't noodige te verschaffen. Emile en Emma waren nog niet terug. Het duurde echter niet lang, of ook dezen kwamen, doodvermoeid van 't staan in 't veld bij de Maliebaan, 't gezelschap vergrooten en spoedig daarna maakte August het voltallig.

Wat de bezoekers van 't Willemspark te verhalen hadden, kunnen we gerust overslaan—we hebben 't immers bijgewoond. We laten dus Emile en Emma spreken.

„Nu,” zeide Emile. „Zeker hebben we niet zoo veel gezien, wat ons nationaal gevoel opwekte, als gij; dat is waar. Maar we hebben vrij wat meer pret gehad, niet waar, Emma?”

„Nu, dat zou ik zeggen, Emile,” zeide Emma.

„Een oogenblikje, jongelui,” zei de kapitein vroolijk. „Wat beteekent het, dat jelui elkaar zoo plat Emile en Emma noemt? Heb je ook soms in de Maliebaan wat verloren? Uw hart, bijvoorbeeld?”

„Papa,” antwoordde Emile. „We hebben in die Maliebaan integendeel wat gevonden!”

„O, daarom heb je zoo veel pret gehad!” riep de kapitein uit. „En 't is zeker wat moois, komt, laat het ons eerst eens zien. Misschien wel een paar oranjestrikken of oranjekokardes!”

„Neen, papa,” antwoordde Emile, op koddig ernstigen toon: „Ik heb in Emma Kellner een toekomstige gezellin gevonden op 't pad mijns levens. Met andere woorden, we hebben ons, met uw permissie, geëngageerd.”

„Wel, drommels!” riep de kapitein uit. „Dat zal de zeventiende November 1863 tot een gedenkdag maken in de familie de Bosson. Nu, wat mij aangaat, ik verheug mij er hartelijk in: want je verlost me zoodoende door den tijd van een geduchte huisplaag. Maar van jou spijt het me, jongen; want die Emma is zoo scherp als een els. Doch”—en de kapitein zette een vreeselijk bedenkelijk gezicht—„of mama de Winter er genoegen mee zal nemen, is een andere vraag. Dat goede mensch zal haar Emmaatje, dat bedorven schepsel, niet willen missen!”

„Dan schaak ik haar,” zeide Emile. „Zeg dat maar gerust aan tante, en dan kan Mr. J. van Lennep een schaking van de negentiende eeuw beschrijven. Ik zal er hem de bouwstoffen wel toe leveren.”

„O, ridderlijke zoon!” riep de kapitein uit. „Waarom ben je niet evenals August militair geworden! Dan zou zoo'n schaking veel interessanter zijn.”

„Nu, ik feliciteer u, Emile, met uw engagement,” zeide Margot, „en ben heel blij, dat ik zoo'n lief schoonzusje krijg als Emma.”

„Ja,” zeide de kapitein, „daar kun jij heel gemakkelijk over heenstappen, die 't aanstaande schoonzusje maar een paar malen in 't jaar zult zien. Maar mijn arme Florence, die...”

„Die haar lieve Emma eens hartelijk kussen zal,” zeide Florence, „en hoopt, spoedig op haar bruiloft te dansen!”

„'t Is mooi, dat mijn eigen vleeschelijke schoondochter mij zoo afvalt,” zeide de kapitein. „Gelukkig, dat ik Gustaaf en Bernard nog op mijn hand heb. Maar dat ook kan wel mis zijn: Gustaaf zal blij zijn, als hij zijn lastigen commensaal kwijt is, en Bernard verlangt al naar 't oogenblik, dat hij als predikant het huwelijk kan inzegenen. Doch, gelukkig, daar komt August. Zoo jongen! je komt juist van pas om mij te helpen.”

„Ik, papa?” vroeg August, die de kamer binnentrad.

„Ja, August,” hernam de kapitein. „Begrijp eens, dat uw broer Emile van zins is, om binnen kort in 't huwelijk te treden met dat aardige kind, dat daar naast hem zit.”

„Wel, papa! Emile is oud en wijs genoeg, om te weten of hij onder de infanterie of de cavalerie dienst wil nemen,” antwoordde August. „En als hij in 't huwelijk wil treden, dan wensch ik hem de medaille van vijf en twintigjarigen dienst toe!”

„Ook alweer geen troost!” zuchtte de kapitein. „Nu dan, tot straf zullen Emile en Emma ons mededeelen, wat ze in de Maliebaan gezien hebben. Ofschoon ik vrees, dat dat niet veel zal zijn.”

„Dat zou u meevallen, papa,” hernam Emile. „'t Was er alleraardigst, niet waar, Emma.”

„Nu, dat zou ik zeggen,” zeide Emma.

„Ja, maar zoo komen we niet verder,” hernam de kapitein. „Van aardigheid gesproken. We hebben om hier te komen, een omweg gemaakt, en op de Langegracht, waar ook in den mast geklommen werd, ons halfziek gelachen om de jongens, die aan 't stroophappen waren13).”

„Stroophappen hebben we niet gezien,” zeide Emile, „maar wel mastklimmen en andere volksspelen. 't Aardigst echter van allen was de opgeslagen tent, waar comedie gespeeld werd, nu niet juist om dat comediespel, maar om 't uitbundig gelach der toeschouwers. Men gaf twee vaudevilles: „Het dubbel huishouden,” in twee bedrijven en „De grillen van een jeugdig echtpaar,” in één bedrijf. Dat duurde van halftwaalf tot eenen. Van twee tot vier ure vertoonden ze weer twee vaudevilles: „De metselaar en de waterdrager,” en, wat vooral de meeste sympathie verwekte: „De verpande krijgslieden,” beiden in een bedrijf.”

„De krijgslieden in één bedrijf?” vroeg Bernard.

„Nu, dan de vaudevilles,” hernam Emile. „Ik weet niet, dat ik ooit zulk een hartelijk lachen heb gehoord, als van dat onbedorven en uitgelaten vroolijke volk!”

„En donderende applaudissementen,” voegde Emma er bij. „Natuurlijk stonden wij ver genoeg af, om niets te verstaan. Doch wij amuseerden ons maar met die vergenoegde gezichten en die onbetoomde uitingen van dolle vroolijkheid.”

„En dan de wedloop van die dertig jongens!” zeide Emile. „Die was onbetaalbaar om aan te zien! Doch daar was wat aan te doen, eer ze goed op dreef waren. Telkens gingen ze vóór hun beurt af.”

„Och! en dan dat boegsprietloopen!” riep Emma uit. „Honderde malen rolden de loopers er af, nu eens aan de linker- en dan aan de rechterzijde.”

„En konden ze zich dan niet bezeeren?” vroeg Florence.

„Wel neen, er waren aan weerskanten stevige linnen zeilen gespannen, waarin ze vielen,” hernam Emma. „Maar 't kluchtigst van alles was, dat in 't zeil aan de rechterzijde meel en in dat aan de linkerzijde roet of zwartsel was. Viel er nu een aan den eersten kant in 't meel, dan kwam hij er zoo wit als een pierrot uit—aan de andere zijde, dan zag hij er uit als een schoorsteenveger. Dat gaf voortdurend pret.”

„En vielen ze er dikwijls af?” vroeg Margot.

„Honderde malen; want de schuin oploopende liggende mast was met zeep besmeerd,” antwoordde Emma. „Eenige oogenblikken zag men er een dapper loopen, dan begon hij te wankelen, 't geen reeds gejuich gaf, eindelijk, plomp! daar rolde hij en kwam onder een uitbundig gejubel zwart of wit weer te voorschijn!”

„Mijnheer! De tafel is gereed,” brak de hospita 't vroolijke gesprek af—af.... neen, dat niet. Eerst aan tafel werd het recht vroolijk, en de gastheer had voor een goed glas wijn gezorgd, zoodat er vrij wat toosten op koning, vaderland, prinsen en prinsessen, ook op 't engagement van Emile en Emma gedronken werden.

Evenmin als onze vrienden gaan we naar de galavoorstelling in den schouwburg, daar we anders niet met den retourtrein naar Amsterdam zouden kunnen terugkomen.—Neen, we vergezellen hen liever naar de prachtige illuminatie. Doch zal ik u, na al 't geen ik reeds medegedeeld heb, nog een beschrijving van de illuminatie geven?—ik zou te uitgebreid worden. Alleen dit: al de koninklijke paleizen waren van boven tot beneden geïllumineerd en 't schoonst van alles was het Breede Voorhout, waar men onder een dak van lampions wandelde, aan een lichtzee gelijk. Na afloop van de galavoorstelling in den schouwburg toerden de koning en de koningin, de prins van Oranje en de prinsessen Frederik en Maria in open rijtuigen door de geheele stad. Dat toeren had veel van een onophoudelijken zegetocht. Ook de koningin-moeder toerde in een open calèche. En hiermede stappen we van 't Oranjefeest af, dat onvergetelijk zal blijven voor de bewoners der hoofdstad en die der residentie. We konden u natuurlijk in de andere steden van ons land moeilijk binnenleiden—anders zouden we gezien hebben, dat het overal met geestdrift gevierd werd. We gaan dus met de familie in den laatsten spoortrein, komen gezond en wel met hen in de hoofdstad des Rijks terug, en sluiten dit hoofdstuk met de woorden van een chassinet, hetwelk op den Zuid-Oost-Buitensingel was te lezen en meer kijkers waard was, dan 't nu op die min of meer gelegene plek had.

Dit chassinet luidde aldus:

„Omstrengeld door éen liefdeband Blijft Vorst en Volk van Nederland, Zoowel in voor- als tegenheen, Oranje en Nederland, steeds een.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings