← Table of contents
Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

VIJFDE HOOFDSTUK.

Reading edition

De Koning als redder van ongelukkigen.

Hoe vreeselijk elke ramp is, hoe verschrikkelijk vooral volksrampen zijn—in Nederland hebben ze altijd een schoone keerzijde: ze geven den alouden geest van weldadigheid een ruim veld om zich te doen zien. Misschien was het als een tegenhanger van 't vorige Hoofdstuk niet kwaad, dat ik u een tafereel ophing van al wat er in Nederland gedaan werd tot leniging van de ramp, zoo door particulieren als door vereenigingen en genootschappen; gaarne zou ik de namen en daden van de menschenvrienden mededeelen, die ondanks 't gevaar, waaraan zij zich blootstelden, niet aarzelden, om met dikwerf ranke vaartuigen den uitgestrekten plas in te varen, waar ze ieder oogenblik ijsschotsen zagen drijven, die hen dreigden te verpletteren—ik wil in de eerste plaats uw oog vestigen op een enkel man, den eersten uit het land, op koning Willem den derden.

't Was op den vierentwintigsten Januari, dat op den dijk bij Brakel, kort na twaalven, ondanks het koude, mistige weder, een groote menigte volks zich om het door de wateren gespaarde veerhuis verzameld had. Ge herkent onder hen den ouden Veldhuis en zijn zoon Frits, ook Bernard die uit zijn dorp is overgekomen, om zijn ouders te bezoeken, en te zien, of hij ze met zijn geheele familie naar zijn pastorie kan medekrijgen. Ze hebben dat echter afgeslagen; daar ze hopen, dat voor hen 't gevaar te boven is en ze gaarne bij hun goed willen blijven. Bernard zou wel eer zijn gekomen; maar ook bij hem heeft het gespannen, en hij kon vrouw en kind (want hij heeft een zoon) niet verlaten, ook zijn gemeente niet, zoolang ook zij door watersnood bedreigd werden. Doch nu 't gevaar geheel van hen is afgewend, is hij overgekomen, in de hoop, dat er ten minste eenigen mede zouden gaan—we hoorden reeds, dat dit hem mislukt is.

In 't veerhuis bevinden zich onder anderen de burgemeester van Brakel, die tevens dijkgraaf van het polderdistrict Bommelerwaard beneden den Meidijk is, ook de predikant en de rijksontvanger der belastingen van Brakel. Doch waarom staat al dat volk daar; waarom richten allen hun blikken naar de overzijde der rivier en wel bepaald in de richting van Gorkum? Waarom schijnt hun 't wachten niet te verdrieten; ondanks den door 't sterk ontdooide ijs modderige paden en den kouden nevel, die hen door de kleederen heendringt?

Ik zal het u zeggen. Er is tijding gekomen, dat Zijne Majesteit de Koning zich met eigen oogen zal komen overtuigen van de ramp, welke zijn volk getroffen heeft, dat hij zooveel hem mogelijk is, hulp en leniging zal toebrengen. Welnu, dat is de oorzaak van hun geduldig wachten. Velen zijn er onder hen, die geen eigen woning meer hebben, wien alles door den watersnood ontnomen is; o, met welk een ongeduld verwachten deze den vader des vaderlands, die komen zal om met eigen oogen de ramp te aanschouwen, welke hen getroffen heeft.

Toch duurt het tot twee ure. Daar bemerkt men, in de verte eenige rijtuigen aan den overkant der rivier. „Dat zal de Koning zijn!” is de kreet, die uit vele monden oprijst. „Gezegend hij, die komt als Vader des Volks!” klinkt het in menig hart. Daar staan de rijtuigen aan den overkant stil. Koning Willem de derde, vergezeld van zijn broeder Prins Hendrik en van den gouverneur7) van Gelderland, stapt in de schietschouw en laat zich de Waal overzetten. Nauwelijks is hij aan land, of hij wordt door een luid „Hoezee! Leve de Koning!” verwelkomd.

Terstond worden de burgemeester, de predikant en de rijksontvanger van Brakel aan Zijne Majesteit voorgesteld.

„Mijne Heeren!” zegt de Koning. „Ik verzeker u, dat ik gevoelig ben over al hetgeen gij verricht hebt, om in den eersten en dringendsten nood te voorzien. Nooit—neen nooit zal ik dit vergeten.”

Nu leidt men Zijne Majesteit rond, opdat hij eenig denkbeeld moge erlangen van de grootte en uitgestrektheid der ramp, hier door 't water aangericht, en men kan 't hem aanzien, hoezeer 't leed zijner geliefde onderdanen, zijner medemenschen hem schokt.

Nauwelijks gunde de Vorst zich den tijd, om des nachts te rusten van zijn vermoeiende en door den dooi al gevaarlijker en gevaarlijker wordende tochten; terwijl hij de ongelukkigen van de overstroomde dorpen in den beneden- en boven- Bommelerwaard bezocht. Overal poogde hij de slachtoffers van den watersnood te bemoedigen door een vriendelijke toespraak, overal zorgde hij met milde hand, dat er in hun behoeften voorzien werd. We zullen den Vorst niet voet voor voet op zijn tocht volgen; liever willen we enkele schitterende tooneelen van zijn verblijf op de plaats van den rampspoed opgeven.

Geen koude, hagel of sneeuw, geen levensgevaar zelfs, hield den Vorst terug om zijn landgenooten te helpen en op te beuren. Hij bezocht alle plaatsen, waar ongelukkigen gehuisvest waren, deed zelf onderzoek naar hun behoeften, luisterde met deelneming naar 't verhaal hunner rampen en de bijzonderheden hunner redding, ja wilde weten, of ze wel goed gevoed werden. In een der openbare gebouwen van Kerk-Driel was men juist bezig aan 't opscheppen van soep. „'t Schijnt hun goed te smaken,” zegt de Vorst met een vergenoegd gelaat. „Apropos! Schep mij ook eens bord op,” beveelt hij op vriendelijken toon. Men gehoorzaamt; de koning eet met smaak de helft van 't bord leeg. „Nu, dat is krachtige kost,” zegt hij tevreden, „dat zal den menschen goed doen. Laat het hun vooral aan niets ontbreken, hoor!”—„Informeer eens bij de commissie, of er nog voorraad genoeg is,” vervolgt hij tot zijn adjudant, „en zeg haar, dat zij anders op mij kan rekenen.”

Maar door de steeds herhaalde bijdragen, welke de verschillende commissiën, uit 's konings kas ontvingen, raakte die eindelijk uitgeput. Men zeide het hem. „Nu, wat zou dat?” vroeg hij, „als 't niet anders kan, zullen we ons wel eenigen tijd behelpen; die arme bloeden hebben 't vrij wat meer noodig dan wij.”

De koning was te Tiel. 't Was kort na de overstrooming van 't land tusschen Maas en Waal.

„Sire,” waarschuwt men hem. „De tocht is gevaarlijk. Uwe Majesteit zal vóór den nacht niet terug kunnen, en 't zal Haar bezwaarlijk vallen, een voegzaam nachtverblijf te vinden.”

„Een nachtverblijf, mijne heeren?” vraagt de Vorst lachend. „Ziet mij eens aan. Zoudt ge niet denken, dat ik nog sterk genoeg was, om 't een nacht op den dijk uit te houden? Kunnen we niet terugkomen, welnu, dan blijven we op den dijk. Er zijn er zoo velen die er zich in moeten schikken; wij zullen er ook niet van sterven.”

„Maar Sire,” zegt de veerman, toen de koning in de veerschuit stapt. „De tocht zal lang duren en is gevaarlijk ook.”

„Durf jij er over?” vraagt de koning.

„Ja, Sire, als 't moet, durf ik alles,” antwoordt de veerman.

„Dan durf ik het ook. Steek af!”

In een dikken pijakker gehuld, met hooge kaplaarzen aan, blijft hij twee uren (want zoo lang duurde de overtocht) kalm en bedaard, waar allen sidderen. En 't was inderdaad een vreeselijke overtocht. Niet alleen, dat een scherpe sneeuwjacht allen kil en snijdend in 't gezicht jaagt; maar men moet tusschen dichte ijsschollen heendobberen, die telkenmale dreigen het ranke vaartuig te zullen verbrijzelen.

Het eerst gaat de koning aan wal, klautert over het ijs, springt over wakken, waadt door plassen, 't is of hij geen rust heeft voor hij bij de ongelukkigen is. Hij komt te Dreumel, waar de burgemeester, die van zijn komst verwittigd is, hem een eenvoudig ontbijt aanbiedt.

„Nu, dat is goed,” zegt de Vorst. „Men zou trek krijgen, als men zoo lang op 't water is.”

De koning laat zich het ontbijt goed smaken, en onderhoudt zich intusschen met den burgemeester over de plaats gehad hebbende ramp. Ook de tijd, die 't ontbijt kost, kan ten nutte der ongelukkigen besteed worden. Spoedig is 't ontbijt afgeloopen. De koning schenkt zijn glas nog eens vol.

„Om u te bedanken, mijn waarde gastheer,” zegt hij minzaam, terwijl hij het glas ledigt. „Ik moet u zeggen, dat ik geheel en al bekomen ben, na 't frissche morgentoertje, dat ik gedaan heb.—Doch nu spoedig verder,” zegt hij tot zijn gevolg.

Ook hier worden weder de overstroomde dorpen bezocht; ook het punt, waar de doorbraak heeft plaats gehad. De koning laat zich de plaatsen aanwijzen, waar vroeger huizen stonden, doch die door den geweldigen vloed verdwenen zijn. „Die arme menschen!” roept hij uit. „Zoo van alles beroofd te zijn. Worden ook hier van die ongelukkigen verpleegd?”—„Voorzeker, Sire,” luidt het antwoord. „Welnu, brengt mij dan derwaarts.”

En nu stapt de koning in een schuit, die hem weldra bij de bovenramen van een stevig gebouw brengt, hetwelk de woede van stroom en ijsgang doorstaan heeft, en waar zich niet minder dan driehonderd menschen bevinden. De Vorst treedt er binnen; hij gaat de rijen door en heeft voor allen een vriendelijk woord. Nu eens spreekt hij een ouden van dagen aan: „Wel hoe gaat het, vader? Op uw ouden dag zoo iets te moeten ondervinden! 't Is erg!”—of het klinkt uit zijn mond: „Wel, moedertje. Hoe maak je 't? Toch nog gelukkig gered?”—Of hij staat stil bij een moeder, die haar kind op den schoot houdt, streelt vriendelijk de wangen van het wicht, en zegt: „Dat heb je ten minste nog behouden!”—Zoo spreekt hij tot allen, vooral tot hen, van wie men hem zegt, dat zij het meest geleden hebben. Daar wijst men hem een oud, maar nog krachtig en stevig man. „Die heeft twee dagen lang op een boomstam doorgebracht; terwijl de golven om hem heenbruisten, en ieder oogenblik dacht, dat zijn laatste uur gekomen was.”

De koning nadert hem, en ziet, dat de grijsaard het metalen kruis op de oude, versleten jas heeft gehecht. De man neemt een flinke houding aan en brengt de hand aan de pet, om op militaire wijs Zijne Majesteit te begroeten.

„Wel vriend,” zegt de koning. „Hoe gaat het u? Je hebt je taai gehouden naar ik hoor. En zooals ik zie, ben je ridder van 't metalen kruis. Heb je den tiendaagschen veldtocht meegemaakt?”

Illustration from Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

Tresling & Co Hof-Lith Amst.

„Pardon, Sire,” antwoordt de grijsaard. „Ik diende destijds bij de tiende afdeeling, en was onder generaal Chassè op de citadel.”

„Nu, daar heb je 't warm genoeg gehad,” herneemt de koning. „'t Was daar geen haar beter dan bij Hasselt en Leuven. Je kunt dus meepraten van vuur en van water. Waar vondt je 't nu wel 't minst prettig: op de citadel of op je boomstam?”

„Sire,” antwoordt de man. „Als 't zijn moet, dan tienmaal liever in 't vuur, dat de kogels om mij heen fluiten, dan ooit weer in 't water. Doch in beiden heeft God mij bewaard.”

„God bewaart brave soldaten altijd,” hervat de koning, terwijl hij zijn beurs uit den zak haalt en die den man overreikt. Daarna drukt hij den braven krijgsman hartelijk de hand, en zegt bewogen: „Houd maar moed; we zullen ook u niet vergeten.”

En met deze woorden verwijdert hij zich.

„Vaartwel!” zegt hij daarop met krachtige stem tot allen. „Vaartwel! Hebt slechts geduld en weest tevreden; 't zal u aan niets ontbreken!”

Ik behoef u wel niet te zeggen, hoeveel zegenbeden er uit de borst van die ongelukkigen oprezen, zegenbeden voor den Vorst, die zoozeer toonde, de vader en helper zijner onderdanen te zijn. De tranen, welke in de oogen van die ongelukkigen glinsterden over de liefdevolle behandeling, welke zij van hun koning ondervonden, waren zeker wel de schoonste parelen, welke zijn kroon konden versieren. De tijding van 's konings edelaardige grootmoedigheid ging door 't gansche land, en uit millioenen harten steeg de bede op tot den Koning aller Koningen: „O Heer! spaar onzen goeden Vorst!”—Evenals zijn naamgenoot, graaf Willem de derde, had hij zich bij de ramp, die Nederland getroffen had, den naam van: „Willem den goeden” waardig gemaakt!

Zijn terugreis uit de overstroomde landen naar de residentie was dan ook inderdaad een zegetocht. En toen hij in dat voorjaar in de hoofdstad kwam, werd hij luisterrijk ingehaald en vierde men daar feest, omdat „Willem de goede,” niet alleen koning der Nederlanden was, maar ook getoond had, de vriend en weldoener zijner door den rampspoed geteisterde onderdanen te zijn. En met hoeveel geestdrift werd zijn vierenveertigste verjaardag, de 19de Februari, gevierd. Schooner echter nog volgens 's konings wensch zelf: want op dien dag had de algemeene collecte voor de door den watersnood ongelukkig gewordenen plaats.

En waar haar koning dus voortging, volgde de natie. Neen, niet alleen volgde zij hem—ze was hem reeds voorgekomen. Nauwelijks toch was de mare van de eerste ramp vernomen, of er vormden zich terstond overal commissiën om gaven voor de noodlijdenden in te zamelen. Uitgevers van dagbladen plaatsten kosteloos advertentiën en boden zich aan tot ontvangst van giften. Concerten werden gegeven, tooneelvoorstellingen gehouden, waarvan de opbrengst geheel voor de noodlijdenden was. Daar kwam van alle kanten vrij wat in! Koren, brood, rijst, aardappelen, allerlei levensmiddelen, hemden, kousen, broeken, en alle soorten van bovenkleederen, bedden, matrassen, dekens, en wat niet al. En behalve dat alles geld, geld in overvloed. Zoo was er onder andere op den 21sten Januari alleen bij de commissie te Amsterdam de niet geringe som van ƒ 63,090.82½ ontvangen, en dat reeds op dien datum. Bij de meeste van die gaven schreef men alleen letters; bij sommige ook versjes, dikwerf erg kreupelrijm. Een der aardigste versjes heb ik indertijd uitgeschreven; ik vond het zeer lief. 't Was van de leerlingen eener jongeheerenschool, die elk uit zijn spaarpot wat gegeven hadden, en de som van negenendertig gulden inzonden met de volgende dichtregelen:

„Onze ouders zijn ons voorgegaan, Zij gaven van hun overvloed; Wij geven van 't gespaarde geld, God weet het, dankbaar van gemoed, En toonen, door te lenigen Der armen bittren nood en pijn, Dat wij disciplen van den Heer, Dat we Amsterdamsche jongens zijn.”

Bij den minister van Binnenlandsche Zaken werd alleen uit Nederland en zijn overzeesche bezittingen de som van ƒ 253,583.86, van buiten'slands ƒ 304,439.69 ontvangen; terwijl de collectie van den 19den Februari ƒ 774,774.28 en een later gehouden algemeene verloting van voorwerpen van kunst en smaak (alle geschenken van de inzenders) ƒ 191,034.14 opbracht; zoodat de totale opbrengst meer dan anderhalf millioen (1,523,831.97) bedroeg. Hoe kon 't anders bij een volk, welks koning zulk een voorbeeld had gegeven? Wat het den koning zelf gekost heeft, is ontzaglijk. Toch heeft hij, nog meer dan door dat geld, zich een naam gesticht in de harten der dankbare natie door zijn bezoek aan de overstroomde gewesten, en zal de naam van Willem den derden daar steeds in dankbare herinnering blijven.

En spreken wij van menschenliefde, dan voorzeker mogen wij ook hen niet vergeten, die hun eigen leven waagden, om dat hunner medemenschen te redden. Een voorbeeld onder vele. Drie schippers, Cornelis, Dirk en Jan van de Weerd waren de eersten, die zich omstreeks acht ure in den morgen van den 30sten Januari, dus zoo wat anderhalf uur nadat de dijkbreuk was ontstaan, door den burgemeester van Whamel, den heer Kolfschoten, lieten bewegen, om met genoemden burgemeester op redding van menschen uit te gaan. Dat voorbeeld werkte; Hendrik van Kessel en Andries Adams volgden met een tweede schuit; Hol en Brouwer met een derde. De drie schuiten voegden zich bij elkander en waren na twee uren een heel eind in den polder gekomen. Daar kwam op eens zulk een geweldige strooming, dat de schuit van Kessel en Adams, waarin de burgemeester was overgegaan, zijwaarts afdreef en met ontzaglijk veel krachtsinspanning aan het bosch van den Hoogen kamp aanlandde, vanwaar ze trachtten naar den dijk te geraken; 't geen hun belet werd door het ijs, dat hen van rondsomme insloot. De burgemeester, niet zoo gewoon aan wind en weer als de flinke varensgezellen, kon 't niet langer uithouden van de strenge koude. Andries Adams kon dat niet kalm aanzien; hij stapte uit de schuit, nam den half verkleumden burgervader op de schouders en bracht hem, na een vreeselijke worsteling van tien minuten tegen het ijs en het water, waarin hij tot aan den buik ging, behouden aan den dijk. De andere booten keerden eenigen tijd later met zestien geredden terug, menschen, die zonder hen een wisse prooi van den dood zouden zijn geworden.

Maar de edele redders hadden nog niet genoeg gedaan. Andermaal gaan Jan en Cornelis van de Weerd met Evert Kessel in een schuit den plas op. Daar zien ze een vrouw met vier kinderen op een ellendige stroowisch. 't Was de vrouw van Nicolaas Elsen met haar vier kinderen. Met haar man en hun gezin en nog dertig andere menschen waren zij op het dak hunner woning gevlucht. De woning was ingestort, de vader met de anderen waren door den vloed weggesleept; zij met haar kinderen bleven op een stukje riet of stroo, ter grootte van ongeveer vier vierkante ellen, drijven. Achtereenvolgens zag ze al haar buren en vrienden verdrinken, ja zij zelf was reeds ten halvenlijve door het dak gezakt. Daar komt de schuit met de drie wakkere mannen aan, regelrecht op haar toe. Maar de schippers, die reeds anderen gered hebben, kunnen er ternauwernood twee van de vijf bergen. Dat geeft een edele wedstrijd: de moeder wil niet gaan zonder haar kinderen, de kinderen niet zonder hun moeder. Doch er is geen tijd tot beraad. De moeder verkeert in 't grootste gevaar; half met geweld maken ze zich van haar meester en trekken haar met een harer kinderen in 't schuitje. Toen ze haar aan wal gebracht hebben, keeren ze om de andere drie kinderen terug en—brengen ze in de armen hunner moeder, die daarenboven 't geluk heeft, den volgenden dag ook haar man gezond en wel terug te zien.

Ziedaar een enkel voorbeeld uit honderde. 't Is genoeg, om u te verheugen, dat er in dergelijke rampen altijd menschen in overvloed zijn, die 't beeld van God niet verloren hebben, waar 't aankomt om hun menschenliefde te toonen en anderen te redden en te behouden.

En thans—genoeg van den watervloed. Als we dominé Veldhuis spraken, zou hij zeggen:

„Daar is in dat jaar veel geleden en veel vergoed. Maar we moeten ons ook herinneren, dat hetzelfde jaar 1861 voor Gelderland in gezegend aandenken wordt gehouden; daar den 21sten October van dat zelfde jaar door Z. M. den koning de eerste steen werd gelegd van de eerste spoorwegbrug, en wel over den IJsel, te Zutfen.”

„Alweer de koning?” vraagt ge. Welzeker, alweer koning Willem de derde. Waar nood was, wist hij te helpen; waar een goede zaak, weldaad voor 't land, in 't spel was, wist hij die door zijn tegenwoordigheid en medewerking op te luisteren.

We willen ditmaal onze lezeressen en lezers zelf niet naar Zutfen voeren; maar hun liever een brief mededeelen, op den namiddag van het feest door Bernard aan Gustaaf geschreven. Waarschijnlijk zullen ze uit dien brief bemerken, dat de familie van Veldhuis en die van de Bosson vermeerderd is, en misschien knorren ze op mij, dat ik hun daarvan op zijn tijd geen mededeeling heb gedaan. 't Is mijn schuld niet; dan hadden ze eenvoudig maar de Oprechte Haarlemmercourant moeten lezen; daar zouden ze beide advertenties hebben gevonden.

Thans echter wil ik hun den door mij genoemden brief van dominé Veldhuis mededeelen. Deze luidt als volgt:

Zutphen, den 22en October 1861.

„Gustaaf!

„De dag van heden was voor deze stad een ware feestdag; doch niet alleen voor Zutphen, maar voor 't geheele land. Het spoorwegnet bestaat thans niet alleen meer in de verbeelding, niet alleen meer op 't papier—de eerste steen is gelegd van 't gebouw, dat Nederland zal doen concurreeren met andere natiën. Ik ben gisteren naar Zutphen gereden—Margot durfde niet, om onzen kleinen Ernst; anders ware ze zeker meegegaan.

Ge weet, dat onze goede koning zelf zijn voornemen had te kennen gegeven, om den eersten steen te leggen van de spoorwegbrug over den IJsel, en zoo te toonen, hoeveel belang hij er in stelt, dat ook de Noordelijke provinciën het voorrecht zullen smaken, hetwelk een versnelde communicatie geeft. Reeds gisteren wapperde de driekleur van Zutphens toren, waren er aan de IJselkade tribunes opgericht en stonden van den overkant van de rivier een eereboog en groene tropeën te prijken. Verschillende ministers en andere aanzienlijken kwamen in de stad aan, die zelf zoo geheel en al feestelijk getooid was en waarin een drukte heerschte, welke der stille veste anders vreemd is. Ook Jan, bij wien ik logeerde, had zijn huis vol logés. Doch laat mij nu tot het verhaal van de plechtigheid van den dag overgaan.

Om twaalf ure kondigde een algemeene geestdrift de komst van Z. M. aan, die met zijn gevolg door de commissie voor de Staatsspoorwegen aan de brug ontvangen en onder fanfares naar de smaakvol ingerichte tribune geleid werd. Hierop hield de minister van Binnenlandsche Zaken, baron van Heemstra, een redevoering tot Z. M., waarin hij te kennen gaf, van hoe hooge waarde de spoorwegen voor Nederland, een land van handel, nijverheid en landbouw waren, en hoe de natie met geestdrift had vernomen, dat de koning in persoon den eersten steen tot het groote gebouw wilde leggen, omdat Z. M. daarvan de diepe beteekenis gevoelde. De natie was dankbaar aan zijn Vorst, die zelf het groote werk wilde inwijden, en wenschte vurig dat het hem vergund moge zijn, de voltooiing daarvan en de ontwikkeling des lands te aanschouwen. Hierop begon de plechtigheid: de koning stond van zijn zitplaats op en begaf zich naar den pijler, waar de president der commissie het proces-verbaal van de handeling voorlas, dat, met sierlijk gekleurde letters op perkament geschreven, van de zaak zelf en de personen, die er deel aan namen, melding maakt. Z. M. onderteekende dit stuk: dezelfde hand, die 't vorige jaar de spoorwegwet bekrachtigde, vereeuwigde thans voor de nakomelingschap de eerste uitvoering daarvan. Hierop rolde de president het perkament op, en deed de koning het in een looden bus, hem tot dat einde overhandigd. Nadat Z. M. in dezelfde bus een exemplaar van alle munten van den Staat had geworpen, werd zij door den opzichter Springer gesoldeerd. Nu legde Z. M. de bus in een steen, waarop gebeiteld stond: „Koning Willem de derde heeft van deze brug den eersten steen gelegd en daarmede den aanleg van staatsspoorwegen in Zijn rijk ingewijd.” Hierop trad de dochter van den burgemeester, de gravin van Limburg Stirum, nader en bood, met een treffende toespraak, den Vorst den troffel aan. Aan de linkerzijde van den koning stond de ingenieur Waldorp met den kalkbak. Op een wenk zakte de steen langzaam en statig naar beneden. Hierop bood de ingenieur Reuvens den koning den hamer aan; allen vormden een kring om den Vorst, die nu een slag op den steen gaf—en de eerste steen was gelegd.

Op 't zelfde oogenblik hief de muziek het Volkslied aan, de klokken begonnen te spelen, en het donderen van 't geschut verkondigde aan de omliggende plaatsen, wat er geschied was: terwijl de geestdrift van 't volk zich in een luid: „Hoezee! leve de koning!” openbaarde.

Toen de koning de tribune verliet, zongen de jongens van Mettray eenige door den heer Heije vervaardigde coupletten, waarvan vooral mij het volgende zeer interesseerde. Het luidt aldus:

„Wat ge dezen winter dee, Koning, hebben we óok vernomen, En nu ziet ons heel Mettray, Hoe ge 't stoompaard van de vree Een weg baant over de IJselstroomen. Dubbele dwinger van den vloed, God zij met u—wat Ge doet.”

Nadat de Vorst in de groote Societeit een déjeuner had gebruikt, verliet hij Zutphen, om zich met zijn gevolg naar 't Loo te begeven, alwaar van middag groot diner zal zijn, tot hetwelk verschillende hooge personen, o. a. de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal zijn genoodigd.

De koning is vertrokken; maar de feestvreugde blijft aanhouden, en we zullen van avond een prachtige illuminatie hebben. De stadswaag o. a. zal met gas worden geïllumineerd. Ook de prachtige eereboog zal fraai verlicht zijn. 't Is hier dan ook vreeselijk druk. Volgens een matige berekening zijn er 5 à 6000 vreemdelingen in de stad. Alle kamers en logementen zijn van den dag van gisteren tot morgenavond besproken. Binnen een rayon van zes uren gaans waren er reeds gisteren geen rijtuigen meer te krijgen. Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe vol het overal is. Gelukkig, dat ik een goed onderkomen heb. En nu, te midden der feestvreugde heb ik aan u geschreven; 't zij voor ditmaal voldoende. Mijn groeten aan Florence, veel kussen aan de kleine Marie.

Ik ben als altijd

Uw toegenegen broeder Bernard.

PS. Juist wilde ik mijn brief in 't couvert doen, toen Jan mij nog de volgende bijzonderheid mededeelde, welke ook gij zeker niet onaardig zult vinden. De stoel, waarop Z. M. op de tribune zat, was die, welke zijn doorluchtige voorouderen bij hun bezoeken te Zutphen gebruikten, namelijk de zoogenoemde „stadhouderlijke stoel.” Op dezen stoel zat Willem IV den 9 October 1750, toen hij op de landschapsvergadering te Zutphen tegenwoordig was, en waarschijnlijk ook Willem de vijfde, bij zijn bezoek in die stad, 18 Augustus 1766.”

De brief van Bernard Veldhuis heeft ons genoegzaam op de hoogte gebracht van de geheele plechtigheid. Ik behoef er dus niets meer bij te voegen. Alleen kan ik niet nalaten, u de woorden mede te deelen door koning Willem den derden in antwoord op de toespraak van den burgemeester der stad Zwolle gesproken, en die zeker merkwaardig zijn en wel aan de vergetelheid mogen ontrukt worden.

„Het verheugt mij,” zeide Zijne Majesteit, „den eersten steen te hebben mogen leggen van het groote werk, dat voor Nederland van zooveel belang zal zijn. Het verheugt mij dubbel, dat Ik, die reeds als kroonprins en beschermheer der Koninklijke Academie te Delft, een warm voorstander was van het spoorwegnet, hetwelk thans door de wet ten uitvoer zal worden gebracht, het voorrecht geniet dien steen te hebben gelegd.”

Welk een edel Vorst, die niet alleen het welzijn van zijn onderdanen ter harte neemt, wanneer hun rampen treffen, hetgeen alleen het uitvloeisel van een liefderijk, medelijdend gemoed kon zijn; maar ook met krachtige hand medewerkt aan hun welwezen, waar 't er op aankomt, handel, nijverheid en landbouw te bevorderen. Gelukkig het volk, dat zich in zulk een koning mag verheugen!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings