← Table of contents
Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874

TWEEDE HOOFDSTUK.

Reading edition

's Konings inhuldiging.

„O, wat prachtig weer! Wat scheelt dat bij gisteren!” riep Margot den volgenden morgen uit, toen ze met Florence beneden kwam, om te ontbijten.

„En 't mooist van alles is, dat we 't zullen houden,” zeide Bernard met die zekerheid, waarmede een buitenman over 't weer praat.

„Dat zal heerlijk komen voor de illuminatie van heden avond, die prachtig belooft te zijn,” zeide Gustaaf.

„Goeden morgen, ma! Goeden morgen, tante!” klonk het, toen mevrouw de Winter binnentrad.

„Goeden morgen, kinderen!” zeide deze, terwijl ze de meisjes een kus en den jongens een hand gaf. „Zooals ik bemerk, reeds vroeg uit de veeren. En al gekleed en gereed! Nu, ge moet vooral niet te laat komen. Oom Henri heeft het mij nog zoo op 't hart gedrukt, toen hij van morgen vertrok.”

„Is papa dan al weg!” riep Florence uit. „Moest hij zoo vroeg naar de kazerne?”

„Natuurlijk,” antwoordde mevrouw de Winter. „Bij zulke gelegenheden is 't voor heeren militairen vroeg dag.”

„En voor ons ook, mama,” zeide Margot. „Als u het dus goedvindt, moesten we maar gaan ontbijten.”

„Zoo'n vreeselijken haast hebt ge nu juist niet,” hernam mevrouw de Winter, terwijl ze op de pendule keek. „Als ge echter zoo ongeduldig zijt, gaat dan uw gang maar. Ik zal op tante wachten; die zou geheel uit haar humeur zijn, wanneer het ontbijt was afgeloopen zonder haar. Voor u maakt dit echter van daag een onderscheid. Op dagen als deze moet men 't met eten en drinken maar nemen zooals 't valt. Uw papa, Florence, zei toen hij jong was altijd: op zulke dagen kijkt een mensch zijn buik vol.”

„En deed papa dat?” vroeg Florence.

„Met dien verstande, dat hij zich dikwerf vergenoegde, met bij een bakker een paar broodjes te koopen, die hij dan maar zoo droog oppeuzelde, of dat hij uitgerammeld van den honger thuiskwam. En toch hield hij vol, dat hij zijn buik volkeek.”

Toen ons viertal ontbeten had, ging het regelrecht op den Dam aan. Wat was 't overal reeds vol! 't Leek wel of 't midden op den dag was. Maar 't verwonderlijkste gezicht van alles leverde de Dam zelf op. Van de meeste huizen waren op de eerste en tweede verdieping de ramen uitgenomen en amphitheatersgewijs zitplaatsen van ruw hout getimmerd; om de stoepen staketsels, waarboven zitplaatsen uitstaken, van verscheidene daken de pannen afgehaald en op de zolders planken op verschillende hoogte gelegd als staanplaatsen; ja, zelfs het plat van de Beurs en de platten van de Nieuwe kerk waren met zitplaatsen bezet. Daar is dien dag wat geld voor plaatsen betaald; en nog gelukkig hij, die voor geld een goed plaatsje kon erlangen—menigeen heeft zich moeten behelpen met onder de opgepakte menigte te staan en, als hij wat klein van persoon was uitgevallen, niets te zien. De weg van 't paleis naar de kerk was door een balustrade afgeschut en de grond met groen laken bekleed. Buiten dat hek reden, tot handhaving der orde, dragonders op en neer.

Daar slaat het acht ure! „Bom!” klinkt het eerste schot van de honderd en een, die er gelost worden; de klokken beginnen te spelen; aan Amstels burgerij is geen houden meer. Trouwens, daarin verschilt ze niet met die van andere steden. Intusschen hebben schutterij, grenadiers, jagers, infanterie en cavalerie hun standplaatsen ingenomen. Aan 't paleis staat een eerewacht van twee compagniën schutterij, binnen de balustrade hebben zich aan de eene zijde schutters, aan de andere 't garnizoen geplaatst. Aan de kerk zelf een eerewacht jagers en grenadiers, die ook de posten aan de andere kerkdeuren betrekken. Bij die grenadiers staan reeds vóór acht ure onze vier jongelieden.

Wij, die daar niet bij behoeven te staan, maar 't voordeel boven hen hebben, dat we ons gemakkelijk overal bewegen kunnen, kijken eens fiksch rond. Alles stroomt naar den Dam, die langzamerhand een vreemd schouwspel van menschenhoofden oplevert; want al de zit- en staanplaatsen worden gevuld, en zelfs op den nok der huizen zitten schrijlings de werklieden, die de stellages gemaakt en voor zich een plaatsje in de goot of op den nok bedongen hebben. De ruimte van den Dam vóór 't paleis ziet zwart van menschen. Voor elke kerkdeur staat het vol met prachtig gekleede heeren en dames, allen van toegangskaarten voorzien. Velen hunner zijn met rijtuig gekomen; doch staan nu evenals de anderen te wachten, tot de kerk zal opengaan. Zoo door infanterie als door cavalerie wordt er zorg gedragen, dat er geen anderen voor de kerkdeur komen dan zij die van toegangskaarten voorzien zijn. Daar slaat het halftien. De deuren gaan open.

„Nu zal ik u een goede plaats bezorgen,” zegt kapitein de Bosson tot zijn dochter en haar gezelschap, en we volgen hen naar de publieke galerij, waar we reeds niet zonder moeite komen, maar een perfect plaatsje hebben, zoodat we alles kunnen overzien.

„Nu, die kerk ziet er prachtig uit!” zegt Bernard. „Men zou er haast geen kerk meer in herkennen. Wat zijn die pilaren heerlijk gedrapeerd!”

„Dat zijn zeker de wapens der provinciën, daar boven aan elke pilaar,” meent Margot.

„Juist,” antwoordt Gustaaf. „En dat die van onze buitenlandsche bezittingen. Wat staan er die tropeeën goed boven.”

„En hoe sierlijk hangen die Oranjevlaggen aan hun zwarte stokken!” vindt Florence. „Maar waarom die roode en zwarte vlaggen daartusschen. Of is dat de kleur van Amsterdam?”

„Ook wel, Florence,” antwoordt Gustaaf. „Hier echter stellen ze de kleuren van Wurtemberg voor. Ge weet toch, dat onze koningin een Wurtemburgsche prinses is.”

„O, ja, dat is waar,” hervat Florence. „En die met wit gedrapeerde gang, door welke wij gekomen zijn, is zeker de plaats waar Zijne Majesteit zal binnentreden.”

„Juist,” antwoordt Gustaaf. „En daartoe is de grond met dat prachtige tapijt belegd. Maar hoe vindt ge den troon, die daar tegen 't koor aanstaat?”

„Allerprachtigst!” oordeelt Florence. „Maar wat is daar achter dien troon?”

„Het koor der kerk, waarin 't graf van de Ruyter,” antwoordt Gustaaf. „Dat is nu echter geheel en al door den troon verborgen. Hoe rijk is dat tapijt, waarmee de trappen zijn belegd. Ziet ge wel, op 't achtergedeelte van purperfluweel met wit en rood afgewisseld, is het koninklijke wapen, met de spreuk van Oranje „Je maintiendrai” geborduurd.”

„Maar wat is die troonhemel prachtig!” roept Margot uit. „Wat smaakvolle draperieën!”

„En dan die koninklijke zetel!” zegt Bernard.

„Dat is de fauteuil van koning Willem II en door Hare Majesteit de koningin-weduwe voor deze gelegenheid aan haar zoon geschonken. Op den achterkant, dien we natuurlijk nu niet zien kunnen, staat het met gouden letters. Deze fauteuil van moirée mahoniehout, werd vroeger dagelijks gebruikt door koning Willem II, en is nu tot een troonzetel ingericht.”

„Inderdaad een aandoenlijk geschenk voor onzen Koning,” verzekert Florence. „Ik had er reeds in Den Haag van gehoord. De gebroeders Horrix hebben den stoel gemaakt en nu zoo versierd. Dat alziend oog met stralen omgeven, in goud op den rug geborduurd, steekt prachtig af bij dat scharlakenfluweel. En daaronder staan letters; doch die kan ik op dezen afstand niet lezen.”

„Ik wel,” zegt Bernard. „'t Zijn de naamcijfers van koning Willem II en Zijne gemalin: W. A. P. (Willem en Anna Paulowna), met een kroon gedekt. Doch 't sierlijkst van alles vind ik die groote vergulde kroon boven den rand van den rug. Wat schittert zij van edelgesteenten!”

„En dan die fraaie vergulde leeuwen, zich aan beide zijden vastklampende,” merkt Margot op. „Even rijk als de pooten, die in vier kolossale leeuwenklauwen eindigen. Wat zouden dat voor borduursels op de armkussens zijn?”

„Dat zijn twee maarschalkstaven,” verzekert Bernard. „'t Geheel is prachtig en rijk omzet met goud en franje.”

Al duurt de tijd tusschen halftien en één uur wat lang; onze jongelieden vervelen zich in 't geheel niet. Eerst beschouwen ze de verschillende tribunes en zitplaatsen; dan houden hen de prachtige galacostumes en de schitterende kleeding der dames genoegzaam bezig; zoodat het twaalf ure is, vóór ze 't weten. Maar al wordt hun geest ook ruimschoots door dat alles bezig gehouden; de jonge magen beginnen braaf te jeuken. Gelukkig is mama de Winter daarop bedacht geweest, en heeft ze ieder van hen, toen ze 't huis verlieten, twee krentebroodjes meegegeven, die dan ook nu met veel smaak verorberd worden en hen voor 't gevaar behoeden van flauw te vallen.

En nu zullen we eens mededeelen, wat ze al verder bijwonen en 't geen hun opmerkzaamheid geheel en al inneemt.

Eerst klinkt ons de militaire muziek in de ooren en trekken de schutters, die Z. M. eerewacht in de kerk zullen uitmaken, binnen, zich scharende van den ingang tot aan den troon. Kort daarop ('t slaat juist 12 ure) komen de leden van de beide Kamers der Staten-Generaal, vergezeld van hare griffiers, door de deur van den Dam de kerk binnen en nemen plaats op de voor hen bestemde zitplaatsen, vlak tegenover den troon. Daar behooren zij ook te zitten; want zij vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk, hetwelk hen gekozen heeft, om zijn belangen voor te staan. Onder een doodelijke stilte, die thans in de kerk heerscht, opent de voorzitter der Eerste kamer, de graaf van Limburg Stirum, de vergadering met een korte toespraak, benoemt een commissie van negentien leden, onder welke ook Mr. Thorbecke, om Z. M. bij diens binnenkomen te ontvangen en bij het vertrekken uitgeleide te doen. Kort daarop komen door de Damdeur de ministers, de hoofden der ministerieele departementen en de leden van den Raad van State binnen; terwijl het corps diplomatique (de ambassadeurs der vreemde Mogendheden), door de deur onder 't orgel binnengekomen, ingelijks naar de voor hen bestemde zetels worden geleid. Na hen, de ministers van Staat, de kanselier en de grootkruisen der ordes, de leden van den Hoogen Raad der Nederlanden, het hoog militair gerechtshof, de gouverneurs der provinciën, de algemeene Rekenkamer, de Hooge Raad van Adel, Raden en Generaalmeesters der Munt en andere collegiën en staatsambtenaren.

Ik zal u niet vermoeien met u al de andere collegies te wijzen, welke hier vertegenwoordigd zijn, en waaronder we de Kamer van Koophandel, de Handelmaatschappij, het stedelijk bestuur van Amsterdam, ook kerkbestuur en collegiën van diakens en collectanten vinden. Onze aandacht wordt ('t is kwart voor éénen) afgeleid door 't liefelijk orgelspel en de oplettende blikken, welke alle zich naar de deur onder 't orgel richten.

Daar komt een fiere vrouwelijke gestalte binnen, gekleed in wit satijn en hermelijn, het hoofd versierd met een diadeem van schitterende briljanten, de lange sleep van haar kleed door twee pages gedragen. Aan elke hand houdt ze een harer zoontjes, prins Willem, nu prins van Oranje, en prins Maurits. Haar volgen twee prinsessen: prinses Frederik met haar dochter Louise, ook schitterend gekleed, wier slepen insgelijks door pages worden opgehouden. Onder 't spelen van 't orgel bezetten zij de voor haar bestemde loge, van buiten purper fluweel met gouden bloemen doorwerkt. In het midden zit de koningin, naast haar aan de rechterzijde de beide jonge prinsen, van welke de oudste den leeftijd van negen jaren nog niet bereikt heeft. Aan de linkerzijde van Hare Majesteit, prinses Frederik en achter deze, prinses Louise, schitterende door jeugd en door haar bevallig toilet. De edeldames van het Huis der beide vorstinnen zitten naar rang; de pages hebben zich op een kleinen afstand ter linkerzijde van de loge geplaatst.

Thans wacht alles op den held van het feest—op den koning. Reeds heeft zich de commissie der Staten-Generaal buiten de kerk begeven, om Z. M. te ontvangen. Daar slaat het één uur, het geschut dondert, de klokken beginnen te spelen, 't gejuich van 't volk klinkt tot ons door in de kerk, het orgel begint weder zijn tonen te doen hooren. Nog weinige oogenblikken, en daar komt de stoet binnen.

Eerst komen twee wapenkoningen, vergezeld van vier herauten, met hun rokken waarop van voren en van achteren de wapens van Nederland, Luxemburg, Limburg en Oranje zijn geschilderd, dan de kamerheer-ceremoniemeester, zes kamerheeren, twee aan twee, de grootofficieren van het Huis des konings. Daarop het ontbloote rijkszwaard, gedragen door den generaal graaf de Perponcher, begeleid door twee ordonnans-officieren des konings, vervolgens de standaard van 't koninkrijk, gedragen door den vice-admiraal Lucas, ook door twee ordonnans-officieren vergezeld; gevolgd door de vaandels van het achtste regiment infanterie, de dienstdoende schutterij te Amsterdam, en 't regiment grenadiers en jagers, alsmede de standaard van het regiment dragonders.

En nu komt de man, die 't middelpunt van al die statie is, de spil om wien alles zich beweegt: Zijne Majesteit koning Willem de derde. Een schetterend trompetgeschal heeft het intreden van den koning in de kerk aangekondigd; de commissie uit de Staten-Generaal heeft hem aan de deur van 't gebouw ontvangen. Allen zijn van hun plaatsen opgerezen.

Welk een vorstelijke gestalte, die koning Willem de derde, zooals hij daar gaat, gekleed in de uniform der marine, waarover een purperen mantel, bezaaid met kleine gouden leeuwen, gevoerd met hermelijn en voorzien van een palatine van 't zelfde bont. De prachtdegen, dien hij draagt, is hem dezen morgen door H. M. de koningin ten geschenke gegeven.

Achter hem gaan prins Frederik en prins Hendrik; dan volgen: het militaire huis des konings, de adjudanten van Hunne koninklijke Hoogheden, de vlagofficieren, generaals en eindelijk zes kamerheeren, allen drie aan drie. Het orgelspel blijft voortduren, tot de koning gezeten is en allen zich om den troon geschaard hebben. De koninklijke kroon, de schepter, de rijksappel en de grondwet liggen op rood fluweelen kussens op de credens-tafel in de nabijheid van den troon.

Het orgelspel houdt op; daar spreekt de koning tot de Staten-Generaal, als de vertegenwoordigers van 't Nederlandsche volk:

„Mijne Heeren! Leden der Staten-Generaal!

„Door Mijne geboorte en de Grondwet, na het afsterven van Mijnen onvergetelijken Vader, tot den koninklijken troon der Nederlanden geroepen, heb Ik onmiddellijk de Regeering aanvaard en dit plechtig aan al Mijne beminde onderdanen bekend gemaakt.

„Thans is het oogenblik daar, dat Ik, vóór het oog van den Almachtigen, die het lot van koningen en Volken in handen heeft, Mij onder inroeping van Zijnen Heiligen Naam, aan mijn edel, trouw en ordelievend Volk zal verbinden.

„Hoog is de betrekking, waarin Ik geplaatst ben; zwaar zijn de plichten, die op Mij rusten. Ook den koningen kleven menschelijke zwakheden aan, en daarom behoeven zij instellingen en zelfstandige voorlichting; opdat de kroon een brandpunt blijve, dat weldadigen gloed verspreidt.

„Dit Volk, dat een der eerste is geweest, om uit de duisternis, het geweld en de verdrukking der middeleeuwen orde en vrijheid en waarborgen voor het behoud van beide te voorschijn te roepen, heeft ook thans weder, naar de behoefte des tijds, zijne instellingen herzien en bevestigd. Koning en Volk, Oranje en Nederland hebben met kalmte dit gewichtig werk volbracht, en de onberekenbare voorrechten van rust en vrede zijn het deel van den dierbaren Nederlandschen grond gebleven.

„Indien wij het oog slaan op de beroeringen, die een groot deel van Europa teisteren, op de vernietiging der bronnen van bestaan en welvaart, die zulke treffende lessen geven, laat ons dan God dankbaar zijn, die het dierbaar Vaderland heeft behoed, en sluiten wij ons nauwer en nauwer aaneen, opdat wij Zijn zegen mogen waardig blijven.

„Laten wij ons dagelijks afvragen, of wij onze plichten als Nederlanders jegens het Vaderland, Ik als Koning, gij mijne Heeren! als Vertegenwoordigers des Volks, allen hebben vervuld, en die Rechter, die in ons binnenste is, dien niemand verloochenen kan, zal ons den weg wijzen tot handhaving der eer, tot bevordering van het heil des Lands.

„Onze rustige houding in deze bewogene tijden heeft ons niet slechts behoed voor groote rampen; zij heeft ook het aanzien des Rijks vermeerderd; want zij heeft de bewondering van alle beschaafde volken tot zich getrokken.

„Ik verbind mij aan een Volk, grooter in deugden dan in het bezit van een uitgestrekt grondgebied; krachtiger door eensgezindheid dan door zielental. Het is een grootsche roeping, koning van zulk een volk te zijn.”

Hierop staat de koning op en legt blootshoofds en met luide duidelijke stem den eed af:

„Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat ik de Grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer, dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de rechten mijner onderdanen zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking stellen, zooals een goed koning schuldig is te doen. Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”

Na 't uitspreken van dien plechtigen eed, zet de koning zich weder op zijn zetel en nadert de Voorzitter van de Eerste Kamer, als president van beide Kamers, den troon; zeggende:

„Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk en krachtens de Grondwet, U als koning; wij zweren, dat wij uwe onschendbaarheid en de rechten Uwer kroon zullen handhaven; wij zweren alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

„Zoo waarlijk helpe ons God Almachtig!”

Nadat deze plechtige verklaring door den voorzitter der Tweede Kamer en door de leden van beide Kamers hoofd voor hoofd beëedigd is geworden, zwaait een der wapenkoningen zijn schepter, en roept met luider stem, zoodat het door 't geheele gebouw klinkt:

„Zijne Majesteit, koning Willem de derde is ingehuldigd! Leve de koning! Leve de koning! Leve de koning!”

„Leve de koning! Leve de koningin!” roepen we met de vierduizend menschen, die zich in de kerk bevinden. Daar blazen de trompetters 't geliefd Wilhelmus, het orgelspel doet vaderlandsche liederen hooren, de beide wapenkoningen begeven zich buiten de kerk, om strooipenningen onder 't volk te werpen, de vier herauten springen te paard en gaan, ieder vergezeld van een commando cavalerie, naar verschillende plaatsen der stad, om ook daar die penningen onder de menigte uit te strooien.

Het duurde een heelen tijd, eer onze jongelieden de kerk uit waren. Toch hoorden ze nog de klokken spelen en de saluutschoten lossen.

„En nu moeten we zien, dat we een strooipenning machtig worden!” zeide Gustaaf.

„Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan, Gustaaf,” zeide Margot. „'t Zal nog al een erg gedrang zijn.”

„Ja, die eksteroogen heeft of bang is voor zijn glimmende laarzen, behoeft zich niet bij de herauten te wagen,” hernam Gustaaf. „U en Florence is 't niet geraden, zich in 't gedrang te begeven, evenmin als Bernard, die aan geen Amsterdamsche standjes gewoon is. Laat ons dus maar eens opwandelen en de aanstalten voor de illuminatie van dezen avond zien. Komen we dan toevallig op een plaats, waar een heraut penningen uitstrooit, dan zal ik mij wel alleen in 't gedrang begeven. Intusschen past Bernard op de beide dames.”

„Of wij op hem,” zeide Margot lachend. „Zoo'n buitenman heeft in de drukte meer oppassing noodig dan wij.”

Inderdaad was Gustaaf zoo gelukkig, door 't ophouden van zijn hoed zes bronzen strooipenningen machtig te worden. Nu had ieder er een; de beide andere bestemde hij voor mama en oom Henri.

De strooipenningen (er waren ook zilveren onder) waren iets grooter dan een halve cent. Aan de eene zijde was een geopende grondwet, waarop stond: Grondwet, art. 50, 51 en 52. Zij lag in een eikenkroon en rustte op een kruis, gevormd door het rijkszwaard en den schepter, waarboven een koninklijke kroon. Op de andere zijde stond: Willem III, Koning der Nederlanden, ingehuldigd XII Mei MDCCCXLIX.

„Nu, oom, gij hebt ons een heerlijke plaats bezorgd!” riep Margot kapitein de Bosson te gemoet, toen hij kort na hen bij zijn zuster thuiskwam, om te dineeren.

„Zoo, Margot, dat doet me genoegen,” antwoordde oom Henri. „Je hebt dus alles goed kunnen zien en hooren?”

„O, perfect,” antwoordde Margot. „'t Was geducht vol; maar daar we vooraan zaten, kon ons niets ontgaan. Tante en mama zijn zoo gelukkig niet geweest; want daar de tribune, waarvoor haar kaarten waren afgegeven, vol was, hebben ze zich met een plaats achteraf moeten vergenoegen.”

„Dat is jammer,” antwoordde de kapitein. „Doch ze hebben in 't lot van zoovelen gedeeld. Er zijn meer heeren en dames geweest, die niet op hun plaatsen hebben kunnen komen. Trouwens, bij zulke gelegenheden heerscht er wel eens meer wanorde. Intusschen doet het mij genoegen, dat gij allen hebt kunnen zien. Voor jongelieden is zoo'n plechtigheid een herinnering voor 't gansche leven.”

„En we hebben zes strooipenningen machtig kunnen worden, oom,” zeide Gustaaf. „'t Heeft mij wel een paar platgetrapte teenen gekost; dat is echter minder. Mag ik u er een offreeren?”

„Heel gaarne. Dank u, Gustaaf,” antwoordde de kapitein; terwijl hij den penning aannam. „'t Is jammer, dat ge er geen zilveren hebt kunnen opvangen.”

„Nu oom! Een zilveren!” riep Gustaaf lachend uit; „ik mag inderdaad van geluk spreken, dat ik een bronzen heb. Ik hield mijn hoed op, en moest mij nog geducht weren ook: want tien handen tegelijk wilden mij den buit ontrukken. Als er hier zoo iets te doen is zijn de Amsterdammers hachjes.”

„Ja, dat zijn ze. Dat heb ik ondervonden,” zeide de kapitein.

Op dit oogenblik kwam mevrouw de Winter binnen en noodigde de familie aan tafel.

Onder den maaltijd werd er druk gesproken over 't geen men gezien had, ook over de plannen om dien avond de illuminatie te gaan zien. Tante de Bosson was over de slechte plaats welke zij dien morgen in de kerk gehad had, geheel en al uit haar humeur en had geen lust om naar de illuminatie te gaan kijken. Er werd dus bepaald, dat de kapitein, die dezen avond vrij had, met mevrouw de Winter, Bernard met Margot en Gustaaf met Florence te zamen zouden gaan, om de voornaamste punten te zien. Van een open rijtuig, 't geen de kapitein voorstelde, wilde mevrouw de Winter niet hooren. Ze was in zulk een drukte veel te bang om te rijden, daarenboven ging zij liever te voet; omdat men dan meer kon zien. En zoo werd het plan tot een wandeling door de verlichte stad goedgekeurd.

't Was een schitterende illuminatie op dien Zaterdagavond in de hoofdstad des Rijks. Zoowel van stadswege als van de zijde der burgers was alles aangewend, om die prachtig te doen zijn. Waar men ging, overal bevond men zich in een zee van licht, dat met het groen en de draperieën der gevels, alsook met de tallooze vlaggen een allerfeestelijkst tooneel opleverde. Duizenden bij duizenden, inwoners zoowel als vreemdelingen, waren er op de been, een echt nationale vreugde heerschte onder die allen. Vaderlandsche liederen werden er gezongen, Oranje en Nederland was de leus. 't Was merkwaardig te zien, hoe, terwijl nog zoo kort geleden in andere landen de vlammen des oproers in de hoofdsteden van Europa gloorden, hier op den Kadijk en 't Kattenburg vreugdevuren werden gebrand ter eere van Neerlands geliefden koning, hoe, terwijl elders oproerige liederen werden aangeheven, hier 't Wilhelmus, 't Wien Neerlandsch bloed, en andere vaderlandsche gezangen uit volle longen schalden, en hoe, terwijl ginds de kreet: „Weg met den koning!” weerklonk, geen andere toon werd gehoord dan „Oranje boven! Leve koning Willem III!”

En toch wist niemand nog, wat Willem de derde voor een koning wezen zou; niemand kon voorspellen, of zijn regeering tot zegen of tot straf, tot heil of tot onheil van 't land zou zijn. Maar Willem de derde was een vorst uit het geliefde stamhuis, welks zonen goed en bloed voor 't lieve Vaderland hadden opgeofferd, een stamhuis, sedert bijna drie eeuwen aan ons door de onverbreekbaarste banden verknocht, en daarom juichte Amsterdam, en met Amsterdam geheel Nederland, dat het stamhuis van Oranje-Nassau niet was uitgestorven, maar 't een vorst bezat, om zijn kroon te dragen, den schepter over zijn volk te voeren.

„O, hemel! ma! Bernard is van mij afgeraakt!” riep Margot doodelijk verschrikt uit, toen men op de Muntsluis in een vreeselijk gedrang was geweest. Kapitein de Bosson, die met zijn zuster vooruitging, was 't eerst uit het gedrang en stond nu op een stoep op 't Schapenplein de andere op te wachten; weldra voegden zich Gustaaf met Florence bij hen—het duurde echter eenige minuten, eer ze iets van Margot vernamen, die met Bernard de achterhoede had uitgemaakt. Daar kwam ze geheel ontdaan zich aan de menigte ontworstelen, keek angstig rond, en werd haar gezelschap spoedig op den stoep gewaar. Radeloos was ze op hen aangesneld, en uitte den kreet, dien we haar hoorden slaken.

„Bernard van u afgeraakt. Goede Hemel!” riep mevrouw de Winter uit. „En hoe is dat gekomen, Margot?”

„Door 't vreeselijke gedrang, ma!” antwoordde Margot. „We konden elkander niet meer vasthouden. Ik dacht niet anders of we raakten onder den voet. Ik gilde 't uit van angst. Toen ik weer adem kon halen, miste ik Bernard.”

„Als hij maar niet gevallen is!” riep Florence uit.

„We willen hopen van neen,” merkte de kapitein aan. „Blijft mij hier even wachten, dan zal ik de Muntsluis opgaan, en zien of ik hem daar of op de Reguliersbreestraat vind. De knaap is hier vreemd, en zal waarschijnlijk, door 't gedrang meegesleept, op een plaats blijven wachten, waar hij vrij staat.”

„Doe zoo, Henri,” zeide mevrouw de Winter.

En de kapitein ging de Muntsluis weer op. Na geruimen tijd gewacht te hebben, zag men hem terugkomen maar zonder Bernard.

„Ik heb overal rondgekeken, maar hem niet kunnen vinden,” zeide hij.

„Als hij maar niet onder den voet geraakt is,” zeide mevrouw de Winter.

„Daarover behoeft ge u niet ongerust te maken. Als dat gebeurt, gaat het zoo stil niet in zijn werk, en zou ik er dus dadelijk iets van vernomen hebben. Zeer waarschijnlijk is hij, in de meening van u en Margot te volgen een verkeerden kant opgegaan.”

„We moesten maar naar huis gaan,” zeide mevrouw de Winter. „Ik heb nu toch geen lust meer om te kijken. Dat ook zoo iets moest gebeuren!”

„Hoor eens, zusje,” zei de kapitein. „Naar huis gaan, zou de grootste dwaasheid zijn, die er bestaat, Bernard is geen klein kind en zal dus zijn weg wel vinden. Hij weet zeer goed, dat gij vooreerst nog niet thuiskomt, en zal dus, als ik hem wel ken, de zaak nemen zooals zij is en wat op eigen gelegenheid rondloopen eer hij de weg naar huis vraagt. Uw kinderen en Florence zullen nog graag wat van de illuminatie zien. Er is altijd nog mogelijkheid, dat we den jongen hier of daar bij 't een of andere groote stuk ontmoeten. Doch dan moeten we de Muntsluis weer over. Margot kom jij aan mijn linkerarm.”

Mevrouw de Winter begreep, dat de raad haars broeders de beste was. Men drong dus de Muntsluis weer over en ging de Reguliersbreestraat op. Doch hoe zou men in zulk een volte Bernard vinden? Dat was wel niet zeer waarschijnlijk. Het ongeval had allen van het pleizier van den avond beroofd; want, al was men nu niet bang, dat Bernard juist een ongeluk zou krijgen; 't was toch onaangenaam, dat hij van hen was afgeraakt en men was er verzekerd van, dat hij die onbekend was in Amsterdam, zeker de tiende part niet zien zou. Vooral mevrouw de Winter was geheel en al neergeslagen.

„Hoor eens, Henri,” zei ze eenigen tijd daarna tot haar broeder. „Mijn genoegen is geheel en al over. Brengt mij met u vieren naar huis, en ga gij dan nog eens met de kinderen kijken.”

„Zooals ge wilt,” antwoordde de kapitein. „Maar wat is 't, Margot? Waar moet je heen?”

Het meisje had zich eensklaps van hem losgerukt, een oogenblik daarna kwam ze zegepralend met haar gebochelden cavelier terug. Terwijl ze stilstonden, had haar scherp oog bemerkt, hoe de knaap blijkbaar zoekende onder de menigte voortsukkelde. Ze had zich eensklaps van haar oom losgemaakt en was den zoekende achternagesneld, dien ze luid jubelend terugbracht.

„Hier heb ik den deserteur, kapitein,” zei ze tegen haar oom. „Wat vonnis velt de krijgsraad over hem?”

„Dat hij u vast moet houden in plaats van jij hem; verder is hij veroordeeld, om voortaan 't centrum uit te maken, opdat hij ons niet ten tweeden malen ontloope.”

Mevrouw de Winter was nu ten volle gerustgesteld, en stemde er in toe, om nog verder te zien. Men begaf zich echter eerst naar Hartman, om wat ijs te gebruiken en een weinig uit te rusten. Daar er verder dien avond niets bijzonders gebeurde, en het geval met Bernard, nu 't zoo goed afgeloopen was, meer stof tot pret gaf, dan 't vroeger de vreugde verstoord had, melden we alleen, dat de familie vrij laat en braaf vermoeid thuiskwam; doch uiterst tevreden over de wandeling was.

Den volgenden dag werden er in de kerken der onderscheidene godsdienstige gezindheden dankzeggingen en gebeden ter gelegenheid van de plechtigheid van den vorigen dag opgezonden. De koning, de koningin en de geheele koninklijke familie woonden de voormiddaggodsdienstoefening bij in de Westerkerk, onder 't gehoor van Ds. Wildschut. En 't was met dien bedestond, dat het werk der inhuldiging, met den plechtigen intocht in de hoofdstad aangevangen, voleindigd was. Ook wij eindigen hiermede dit hoofdstuk en rekenen ons gelukkig, dat we, na vijfentwintig jaren, die plechtige gebeurtenis voor 't nu levende aankomende geslacht hebben mogen beschrijven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings