Hoofdstuk VII. Over Christus. (continued 6)
Reading edition
21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten, dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel, kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd, dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had. Wel is er de gratia communis om de gratia specialis; en ook schenkt God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr. 1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt, tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid. En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade, die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping en een kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren, zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn. Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet in eigenlijken zin door zijn lijden en sterven verworven heeft, het menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch geloof, een eerbaar leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden der gemeente, zooals b. v. zelfs het apostelambt aan een Judas. Sans Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il fut détruit ou qu’il fut comme un enfer (Pascal). Zelfs als Hij hangt aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde, waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius, Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping, de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van Christus, Rom. 8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr. 12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyvillus, de ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III 159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1:20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz. Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen naar Gods beeld zijn gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf. deel II 444, en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp. II 263. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. 1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat God alle dingen, τα παντα, d. i. niet menschen of engelen alleen maar in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven door εἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα ἐν τοις οὐρανοις, dat God die gansche schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling maar tot zichzelven, εἰς αὐτον, en in Hem voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met hare bewoners de gansche schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag, dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar ook doordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt, als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d. i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping, πασα ἡ κτισις, zucht te zamen en is te zamen in barensnood. Die gesammte Creatur führt gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus (Philippi); alle leden van die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden, Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven. De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder vlek en rimpel, voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12:22-28.
22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen. Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met bewustheid, met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving, wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel. In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had volgens heel het N. T. plaats ten derden dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31 enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat het geen σωμα ψυχικον maar een σωμα πνευματικον werd, Luk. 24:16, 36, Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v., Phil. 3:21, maar het bleef toch een menschelijk σωμα, Mt. 28:5, 9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25, Hd. 1:11, 1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood (Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den huidigen dag ijdel gebleken, Steude, Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294. Nösgen, Neut. Offenbarung I 637 f. Loofs, Die Auferstehungsberichte und ihr Wert, Christl. Welt 33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar tot den hemel behoorde, Joh. 20:17, toch onveranderlijk dezelfde in liefde jegens hen zou blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn tot de voleinding der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea, waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6. Mattheus en Johannes besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea, Hd. 1:3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50, naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En daar scheidde Hij van hen, διεστη, en werd van hen opgenomen in den hemel, ἀνεφερετο εἰς τον οὐρανον, ten onrechte door Tischendorf in Luk. 24:51 weggelaten, ἐπηρθη, Hd. 1:9, ἀνεληφθη, Hd. 1:2, 11, 22, 1 Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze, 6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop, Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col. 3:1 en noemt ze in 1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr. 3:22, cf. Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20, 9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.sche leer van Jezus’ zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56, Rom. 8:34, Ef. 1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2, 1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede in den hemel, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24:3 enz.
Deze verhooging heeft allereerst voor Christus zelven de grootste beteekenis. Vroeger werd in de dogmatiek gewoonlijk ook de vraag behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid ook iets voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat Christus voor zijn onverplicht sterven wel loon verdiend had maar dit aan de zijnen had afgestaan, Cur Deus homo II 19. De meeste scholastici, Lombardus, Sent. III dist. 18. Thomas, S. Theol. III qu. 19 art. 3 qu. 48 art. 1 qu. 49 art. 6. Bonaventura, Brevil. IV c. 7; voorts de meeste Roomsche, Bellarminus, de Christo V c. 9. 10, Becanus, Theol. schol. III tr. 1 c. 14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4; en zeer vele Gereformeerde theologen, Zanchius, Op. VI 121, VIII 477, 502. Piscator op Phil. 2:9. Gomarus op Phil. 2, Op. I 530 sq., Cloppenburg, Op. I 305. 888, Rivetus, Op. II 836. Voetius, Disp. II 265-267. Mastricht, Theol. V 14, 7. Heidegger, Corp. Theol. XVIII 39. Moor III 600 e. a., gaven op de bovengenoemde vraag een bevestigend antwoord, en oordeelden dan, dat de gebedsverhooring, Joh. 11:42, Hebr. 5:7 en vooral heel de staat der verhooging, de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele moesten beschouwd worden als loon voor zijne verdiensten, Jes. 53:11, Luk. 24:26, Joh. 17:4, 5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2. Anderen echter zeiden, dat Christus niets voor zichzelven maar alles voor ons heeft verdiend, Joh. 17:19, 1 Cor. 1:30, 1 Tim. 1:15 enz., en dat daarom de verhooging wel een gevolg maar geen loon was voor zijne vernedering, Calvijn, Inst. II 17, 6. Comm. op Phil. 2:9. Polanus, Syst. VI 26. Junius, Theses theol. 29, 11. Chamier, Panstr. Cath. II 7, 8, Maresius, Syst. Theol. 45. Kantt. Stat. V. bij Phil. 2:9 enz., en evenzoo de Luthersche theologen, Gerhard Loc. IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Buddeus, Inst. p. 787. Hollaz, Examen p. 748 enz. Met de Schrift in de hand, is de bovengestelde vraag echter niet anders dan bevestigend te beantwoorden. Zij stelt toch telkens den staat der vernedering voor als den weg en het middel voor Christus, om den staat der verhooging te verkrijgen, Jes. 53:10-12, Mt. 23:12, Luk. 24:26, Joh. 10:17. Het διο in Phil. 2:9 duidt niet slechts de ordo en consequentia maar bepaald de causa meritoria aan; omdat Christus zoo diep zich vernederd heeft, vs. 5-8, daarom heeft God Hem ook zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tusschen Christus’ vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1:3, 2:9, 10, 5:7-10, 10:12, 12:2; Christus is zelf door het lijden geheiligd, d. i. niet Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot vollen wasdom en rijpheid gebracht, τελειος geworden, daarin bestaande, dat Hij nu met eer en heerlijkheid is gekroond, 2:9, en tot een ἀρχηγος, eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden is, 2:10, 5:9. De reden, waarom velen bezwaar hadden, om van een verdienste van Christus voor zichzelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die Christus eerst in den staat der verhooging tot den rang der Godheid lieten komen. Maar al is deze voorstelling ook onjuist, de Schrift zegt duidelijk, dat de verhooging ook voor Christus van groote beteekenis is geweest en met zijn staat van vernedering in meritorisch verband staat. De Geref. theologie heeft juist het voorrecht, dat zij deze leer der Schrift veel beter tot haar recht kan doen komen dan de Luthersche. Immers, op Luthersch standpunt blijft er voor een verdienste van Christus voor zichzelven en zelfs voor een staat der verhooging geen plaats open. De Logos toch, in het eerste moment der vleeschwording de menschelijke natuur aannemende, maakte deze vatbaar voor de inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het gebruik of althans van het publieke gebruik afgelegd, Hij bleef ze toch behouden, boven bl. 245. En de staat der verhooging kan bij de Lutherschen daarom niets anders wezen, dan een wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen van de in dien zin afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving dus bij zijne verhooging niets wat Hij niet reeds had; non data est Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam antea non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat, Quenstedt III 368, cf. Gerhard Loc. IV § 306 sq. 329. Hollaz, Ex. 774. Buddeus, Inst. 788. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 93-114. Deze terugneming van het gebruik der Goddelijke eigenschappen had volgens de Lutherschen plaats in het moment der reviviscentia of vivificatio, en deze is dus eigenlijk de eerste trap der verhooging. Wel wordt door Gerhard, Quenstedt e. a., de descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar wijl deze descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio daaraan voorafgaan; en Buddeus, Inst. p. 789 en anderen, cf. Vitringa V 573, geven haar daarom terecht de eerste plaats in den staat der verhooging. Van deze vivificatio leeren de Lutherschen verder, dat zij geschiedde niet alleen door Christus’ Goddelijke maar ook door zijne menschelijke natuur; deze had daartoe wel niet vanzelve de macht, maar zij bezat toch van het moment der incarnatie af de Goddelijke eigenschappen, bepaaldelijk ook de vis vivificans; en alzoo anima Christi, virtute divinitatis personaliter sibi communicata, corpus utpote proprium suum templum vivificavit, Quenstedt III 435. Voorts nam Christus naar zijne menschelijke natuur in datzelfde moment der vivificatie al die Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, die zij in de incarnatie ontvangen maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het publiek gebruik aangaat, afgelegd had; d. i. zij had op datzelfde oogenblik weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia, omnipraesentia en vis vivificans, Quenstedt III 154-198. Daaruit volgt, dat de gradus exaltationis bij de Lutherschen eigenlijk geen verschillende, op elkaar volgende trappen in de verhooging kunnen zijn. In het moment der vivificatie was de menschelijke natuur van Christus terstond, door hare vereeniging met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig. De descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging gerekend wordt, is eene openbaring van Christus’ majestas divina in de hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio voor de menschen, Buddeus p. 789; beiden hadden dan ook plaats clauso sepulcro, evenals de verschijning van Jezus aan de discipelen, Joh. 20:19 plaats had occlusis foribus, Quenstedt III 441; de hemelvaart heet wel een vera et realis loci mutatio, inzoover Christus zichtbaar voor het oog zijner jongeren is opgevaren, maar is toch alleen eene visibilis en localis, geenszins eene invisibilis absentia corporis Christi in terris, want ook naar zijne menschelijke natuur is en blijft Christus alomtegenwoordig, zij het ook op onzichtbare wijze, Gerhard, Loc. IV § 219. XXVIII § 24. Quenstedt, III 380. Buddeus, Inst. 796. Philippi, Kirchl. Gl. IV2 1 S. 185, cf. Vitringa V 601. Moor IV 246; en de sessio ad dextram Dei eindelijk bestaat daarin, dat Christus, bepaaldelijk naar zijne menschelijke natuur, deelheeft aan de divina, infinita ac immensa virtus et majestas Dei, vooral ook aan zijne alomtegenwoordigheid, en deze uitoefent in zijn koninkrijk der genade en der macht, Quenstedt, III 383-388, 443-450. Gerhard, Loc. IV § 218. Buddeus p. 797. Bedenkt men nu, dat al deze eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus reeds in het moment der vleeschwording zijn medegedeeld en dat Hij wel het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan blijkt, dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den staat der verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van zijne ontvangenis af aan bezat. Christus is terstond bij zijne vleeschwording datgene, wat Hij worden kan; Hij is in eens ook naar zijne menschelijke natuur voltooid, τελειος; er is geen ontwikkeling bij Hem mogelijk; de verhooging was er al bij zijne ontvangenis en kan dus niet opgevat worden als een loon. De Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die Christus reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven, voor welke de menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording aan Christus laat mededeelen; en zij dient ter verdediging van eenzelfde religieus belang, n.l. de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal.
De Geref. theologie had echter eene andere opvatting. Wel houdt zij tegen de Socinianen en ook tegen vele nieuwere theologen staande, dat Christus niet eerst door zijne opstanding tot profeet, priester en koning geworden en tot den rang der Godheid verheven is. Want de Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den beginne bij God en zelf God was, Joh. 1:1, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:9, Hebr. 1:3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd en als zoodanig in de dagen des O. T. en tijdens zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1:9, Tit. 3:4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in den staat der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan hebben in de Goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch ook in het ambt van profeet, priester en koning, dat op Goddelijke verkiezing en aanstelling berust; maar het bestond in de verhooging zelve, in de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele, in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven werd, Jes. 53:10-12, Luk. 24:26, Joh. 17:5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2, cf. Voetius, Disp. II 277. Volgens Rom. 1:3 is Christus κατα σαρκα, d. i. in den weg des vleesches, door geboorte uit eene vrouw, Gal. 4:4, geworden uit David; maar κατα πνευμα ἀγιωσυνης, krachtens den Geest der heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven geleid had, werd Hij uit en door de opstanding door God verordineerd en aangesteld, ὁρισθεις, cf. Hd. 17:31, als Zoon Gods in kracht. Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkander. Door de geboorte werd Christus het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan ὁμοιωμα σαρκος ἁμαρτιας, Rom. 8:3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door de opstanding werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan niet beteekenen, dat Hij toen eerst de Goddelijke natuur of den rang en den naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3, 8:3, 32, Gal. 4:4, enz.; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de μορφη θεου met de μορφη δουλου verwisselde, Phil. 2:9, ontvangt Hij nu bij de opstanding de heerlijkheid terug, die Hij te voren bij den Vader had, Joh. 17:2, wordt Hij nu κυριος της δοξης, 1 Cor. 2:8, θεου δυναμις, 1 Cor. 1:24, ontvangt Hij een naam boven allen naam, d. i. den naam van κυριος, Joh. 20:28, Hd. 2:36, 1 Cor. 12:3, Phil. 2:9, 10, en daarin de κυριοτης, het recht, de bevoegdheid en de macht, om als middelaar, als profeet, priester en koning over alle schepselen te heerschen, zijne vijanden te onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen schepping voor God te herwinnen, Ps. 2, 72, 110, Mt. 28:18, 1 Cor. 15:21v., Ef. 1:20-23, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:3v., 1 Petr. 3:22, Op. 1:5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk tot Zoon Gods, Heer, Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd, Hd. 2:36, 13:33, 17:31, Hebr. 1:5. Inderdaad is Christus door zijne opstanding ingetreden in een nieuwen stand; Hij is als middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd. In die verhooging deelt in zekeren zin ook zijne Goddelijke natuur. Gelijk niet maar de menschelijke natuur van Christus doch de persoon des Zoons subject der vernedering was, zoo is ook diezelfde persoon naar beide naturen subject der verhooging. Hij had immers zijne μορφη θεου afgelegd en zijne Goddelijke natuur achter het kleed eener zwakke menschelijke natuur verborgen; niemand zag in Hem of kon in Hem zien den Eengeborene van den Vader, tenzij dan met het oog des geloofs, Joh. 1:14. Maar nu, in den staat der verhooging, straalt zijne Goddelijke heerlijkheid een ieder in de oogen; wie Hem thans ziet, moet belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar voorts deelt in die verhooging ook zijne menschelijke natuur. Het πνευμα ἁγιωσυνης woonde ook reeds in Christus vóór zijne opstanding, van zijne ontvangenis af aan, want Hij was ontvangen van den H. Geest, Luk. 1:35, was vol des H. Geestes, Luk. 4:1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3:34, enz., cf. Mt. 12:18, 28, Luk. 4:14, Hd. 1:2, 4:27, Hd. 10:38. Maar deze heerlijkheid, die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar buiten openbaren; Hij was vleesch, en werd krachtens de zwakheid des vleesches ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13:4. Maar in den dood heeft Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij allen samenhang met zonde en dood verbroken. God, die zijn eigen Zoon voor ons in den dood gaf en daarin het oordeel over de zonde voltrok, heeft Hem door zijnen Geest, die als πνευμα ἁγιωσυνης in Christus zelven en ook in alle geloovigen woont, Rom. 8:11, uit de dooden opgewekt, opdat Hij nu niet meer in zwakheid des vleesches maar in kracht des Geestes leven zou. Gedood is Hij dus wel in vleesch, maar Hij is levend gemaakt in Geest, 1 Petr. 3:18. De Geest Gods heeft toch in Christus, ook toen Hij vleesch was, gewoond als de beheerschende macht van zijn leven, als πνευμα ἀγωσυνης, zoodat Christus zich altijd door dien Geest leiden liet en den Vader gehoorzaam bleef tot in den dood toe; en daarom moet die Geest zich nu ook in Christus bij de opstanding als πνευμα ζωης openbaren, die den dood in Christus en ook eenmaal in de geloovigen volkomen overwint, Rom. 8:11. Zoover is Christus nu boven alle zwakheid des vleesches verheven, dat Hij geworden is door de opstanding tot een πνευμα ζωοποιουν, 1 Cor. 15:45; Hij heeft ook na de opstanding nog wel een σωμα, Hij is dezelfde Jezus, Hd. 9:5, Rom. 4:24, 8:11, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 1:14, 4:5v. Hij is de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45; Hij heeft datzelfde σωμα, waarmede Hij opgestaan is, maar het is een σωμα πνευματικον, in plaats van de φθορα, ἀτιμια en ἀσθενεια, welke aan het σωμα ψυχικον, de σαρξ eigen zijn, gansch andere eigenschappen n.l. de ἀρθαρσια, δοξα, δυναμις deelachtig, 1 Cor. 15:42v., Phil. 3:21. Ja, in 2 Cor. 3:17 zegt Paulus: ὁδε κυριος το πνευμα ἐστιν; de apostel wil daarmede niet eene omschrijving geven van het substantieele wezen van Christus; maar hij komt tot deze uitspraak, wijl hij betoogen wil, dat de Christenen vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar grond, dat de Heer, d. i. de verhoogde Christus de Geest is, d. w. z. dat de Geest Gods nu in Christus zoo absoluut woont en zoo ten innigste één met Hem is, dat daardoor aan alle onvrijheid een einde wordt gemaakt, ὁυ δε το πνευμα κυριου, ἐλευθερια. De uitdrukking πνευμα κυριου bewijst, dat Paulus in het begin van het vers aan geen identificeering van Christus en den H. Geest denkt; de H. Geest is de Geest van Christus, omdat Hij in Christus zelven woont en omdat Christus zich door Hem aan de zijnen mededeelt, vs. 18. En zoo is Christus nu degene, in wien παν το πληρωμα της θεοτητος σωματικως woont, Col. 2:9, cf. 1:19. Hij is het zichtbare εἰκων του ἀορατου θεου, Col. 1:19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijne menschelijke natuur openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor. 3:18, 4:4, 6.
23. Maar gelijk in den staat der vernedering, zoo is Christus alwat Hij in den staat der verhooging geworden is, ten goede voor zijne gemeente. Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving, is niet te scheiden. Hij is παντα και ἐν πασιν, Col. 3:11. Het pleroma, dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld εἰς παν το πληρωμα του θεου, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die Christus vervult, Col. 1:19, Christus is het, die de gemeente vervult, Ef. 1:23. De gemeente is daarom zijn pleroma, dat, wat Hij volmaakt en van zichzelven uit (πληρουμενος), langzamerhand, Ef. 4:10, met zichzelven vervult, en dat daarom allengs vol en vervuld wordt en zoo op hare beurt Christus vervult, Ef. 1:23; het completum wordt een complementum. Want de gemeente is er niet zonder Christus, maar Christus is er ook niet zonder de gemeente; Hij is haar κεφαλη ὑπερ παντα, Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn σωμα, dat uit Hem gevormd wordt en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19 en alzoo opwast εἰς μετρον ἡλικιας του πληρωματος του Χριστου, Ef. 4:13. De vereeniging tusschen Christus en de gemeente is zoo nauw als tusschen wijnstok en ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan met Hem de ééne Christus heeten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken, is Hij verhoogd aan ’s Vaders rechterhand en zet Hij zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid in den hemel voort.
Evenals in de dagen des O. T. en van zijne omwandeling op aarde, is Christus ook thans nog de eenige profeet en leeraar van zijne gemeente. Er is geen andere meester, Mt. 23:8, 10; er is naast, boven of in de plaats van Christus der gemeente geen waarzeggerij, geen orakel, geen enthusiasme, geen spiritisme, geen onfeilbaar pausdom van noode. Want Christus is de wijsheid, alle schatten der wijsheid en der kennis zijn in Hem verborgen, 1 Cor. 1:24, 30, Col. 2:3; en het is Christus zelf, die door zijn Woord en Geest zijne gemeente onderwijst, opdat zij allen, van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote daden Gods zouden verkondigen, Num. 11:29, Jer. 31:33, 34, Mt. 11:25-27, Joh. 6:45. Heb. 8:10, 11, 1 Joh. 2:20. En zoo blijft Hij ook in den staat der verhooging nog werkzaam als priester. Nadat Hij op Golgotha zijne offerande heeft volbracht, is Hij als hoogepriester, niet met het bloed van bokken en kalveren maar met zijn eigen bloed, Hebr. 9:12-14, door den tabernakel van zijn lichaam, 9:11 en het voorhangsel van zijn vleesch heen, 10:20, ingegaan in het hemelsche heiligdom, dat in het heilige der heiligen op Sion zijn voorbeeld had, 6:20, 9:12, 24, om daar voor de zijnen voorbede te doen en voor Gods aangezicht te verschijnen, 7:25, 9:24. De Socinianen trachtten hieruit af te leiden, dat Christus nog niet in eigenlijken zin priester was op aarde, dat zijne offerande aan het kruis niet het ware offer maar slechts de inleiding en voorbereiding ervan was; evenals onder het O. Test. de verzoenende acte niet bestond in het slachten van het offerdier maar in de besprenging van het bloed op het altaar of op het verzoendeksel, Lev. 16:11-16, zoo brengt Christus de verzoening niet op aarde maar in den hemel tot stand, cf. Socinus de J. Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 164. Volkelius, de verit. relig. III 37. Fock, Der Socin. 635. 646 f., en thans nog W. Milligan, The ascension and heavenly priesthood of our Lord, London 1892, Doedes, Jaarb. v. Wet Theol. 1846 bl. 293v. 313 f. Seeberg, Der Tod Christi in s. Bedeutung für die Erlösung 1895 S. 14. 16 f. enz. Terecht is dit door anderen bestreden, want bij het O. T. offer zijn de verschillende verzoenende handelingen wel temporeel gescheiden maar zij vormen toch één geheel; het is het bloed van een geslacht dier, dat door zijne uitstorting en besprenging den offeraar in Gods gunst herstelde en van de zonde en hare straf bevrijdde. In den brief aan de Hebr. wordt daarom ook evenals in heel het N. T. de verzoenende kracht toegekend aan de eenmaal op het kruis door Christus gebrachte offerande, 2:17, 7:27, 8:3, 9:12, 26, 28, 10:10, 14, 18, 13:12; daardoor zijn alle weldaden, vergeving, reiniging, heiligmaking, volmaking verworven. Omdat Christus nu eenmaal aan ’t kruis zich opgeofferd heeft en gestorven is, kan Hij het zelfs niet voor de tweede maal doen, want ieder mensch sterft maar eens, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling vatbaar, 9:26-28. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het hemelsche heiligdom kan daarom naar de meening van den brief aan de Hebreën niet als eene offerande worden opgevat. Wel wordt eens, in 9:7 gezegd, dat de hoogepriester het bloed, waarmee hij inging in het allerheiligste, offerde, προσφερει, voor zichzelf en des volks misdaden; maar deze offerande des bloeds is dan toch wezenlijk onderscheiden van die, welke daarbuiten, in den voorhof, plaats had; en zoo heet ook alleen het brengen des bloeds in het O. Test. Maar van Christus’ ingaan met zijn bloed in den hemel wordt nergens gezegd, dat het een offerande is; het is dat niet en kan het niet zijn; door de ééne offerande heeft Hij alles volbracht, 9:26-28, 10:12, 14. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het binnenste heiligdom heeft daarom alleen ten doel, om het door zijn dood verworven heil voor Gods aangezicht ons ten goede te doen gelden. Juist omdat door de bloedstorting, d. i. door de offerande aan het kruis, de verzoening volbracht is, kan Christus als hoogepriester met zijn bloed in den hemel ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen, 9:12-14, 26. Zijne priesterlijke werkzaamheid in den hemel bestaat daarom ook niet in eenige offerande, maar in zijne voorbede en verschijning voor Gods aangezicht ten gunste van zijn volk, 7:25, 9:24, cf. Rom. 8:34, 1 Joh. 2:2. Toch ligt er waarheid in de door Thalhofer, Handbuch der kath. Liturgik I2 1894 S. 223-236 uit Hebr. 8:1-4 afgeleide voorstelling, dat Christus, schoon met ééne offerande alles volbracht hebbende, toch in den hemel die offerande op hemelsche wijze nog voortzet en zijne daad van gehoorzaamheid op Golgotha aan de rechterhand des Vaders steeds vernieuwt. Want de offerande van Christus, eens aan het kruis geschied, leeft niet bloot in de herinnering, maar in de gezindheid voort, waaruit ze voortkwam. Er is in den hemel geen herhaling, geen vernieuwing, geen reproductie van de offerande aan het kruis; maar die offerande, eens volbracht, werkt voort in de verschijning voor Gods aangezicht en in de voorbede voor ons, 7:25, 9:24. Daarom kan eenerzijds gezegd, dat Christus door ééne offerande allen volmaakt heeft, 10:24, en anderzijds, dat Hij allen, die door Hem tot God gaan, volkomen zalig maakt, alzoo Hij altijd leeft, om voor hen te bidden, 7:25. Cf. Cloppenburg, Op. II 889-902. Nic. Arnoldus, Religio Socin. Fran. 1654 p. 678-706. de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II 152v. Mastricht, Theol. V 7, 15 sq. Maccovius, Coll. theol. I 240 sq. Jaarb. v. Wet. Theol. IV 18v. Weiss, Bibl. Theol. d. N. T. § 121. Scheeben, Dogm. III 443 f. Martin, Atonement 115. Daarom ook, wijl Christus priester was en is en eeuwiglijk blijft, heeft de gemeente op aarde geen priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters, Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, Op. 1:6. Geen offerande voor de zonde behoeft meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van de ééne offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede van Christus, eene voortdurende sprake uit tot God, niet om wrake, als uit het bloed van Abel, maar om genade en vergeving, Hebr. 12:24. De voorbede van Christus is geen smeeking meer als in de dagen zijns vleesches, Calvijn, Inst. III 20, 20, maar is de standvastige en genadige wil van Christus, Joh. 17:24, om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar de ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande voortdurend onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze Paracleet optreedt, tegenover alle beschuldigingen van Satan, wereld en eigen hart onze partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen den Vader aangenaam maakt, steeds een vrijmoedigen toegang tot den troon der genade ons verzekert, en alle zegeningen der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk. 22:32, Joh. 14:16, 17:9v., Rom. 1:7, 8:32v., 1 Cor. 1:3, 2 Cor. 1:2, Ef. 1:3, 1 Tim. 4:8, Hebr. 7:25, 9:24, 1 Joh. 2:2.
En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon ook tot dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne menschelijke natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden. Toen ontving Hij den naam van Heer, werd tot Zone Gods verordineerd en ontving alle macht in hemel en op aarde. Koning is Christus in de eerste plaats over zijn volk, in het regnum gratiae, Ps. 2:6, Jes. 9:5, 11:1-5, Luk. 1:33, 19:21-23, 23:42, 43, Joh. 18:33, 19:19; en Hij betoont dit koningschap daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt, regeert en tot de eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16:18, 28:20, Joh. 10:28. Maar omdat zijn koningschap een geheel ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, wordt Hij in het N. T. veel meer genoemd het hoofd der gemeente, 1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19; Hij regeert niet door geweld, maar door recht en gerechtigheid, door genade en liefde, door Woord en Geest. Dan wordt Hij ook in het N. T. vooral nog als koning beschreven, wanneer er sprake is van de overwinning zijner vijanden. Want opdat Hij zijne gemeente waarlijk vergaderen, beschermen en ter eeuwige zaligheid leiden kunne, moet Hij ook als middelaar macht hebben over alle schepselen, Ps. 2:9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1 Cor. 15:24, 27, Ef. 1:22, Phil. 2:9-11, 1 Petr. 3:22, Op. 1:5, 17:14. Er ligt hier niet in, dat de wereld positief door Christus wordt geregeerd, maar wel, dat zij onder zijne macht staat, Hem onderworpen is en eens, zij het ook onwillig, Hem als Heer erkennen en huldigen zal. Bepaaldelijk hoort hier ook toe zijne macht over het rijk van Satan. De voorstelling van vele kerkvaders, dat Christus zijne offerande aan Satan bracht en door list hun zijne buit ontnam, is onschriftuurlijk. Maar toch heeft Christus door zijn kruis ook over de wereld der gevallen geesten den triumf behaald. Hij kwam op aarde, om de werken des duivels te verbreken, 1 Joh. 3:8, en streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13, vooral in den laatsten tijd, toen het de ure en de macht der duisternis was, Luk. 22:53. Hij was de sterkere, Luk. 11:22, en de duivel had niets aan hem, Joh. 14:30. Hij zag hem reeds als een bliksem uit den hemel vallen en ontnam hem zijne wapenrusting, Luk. 10:18, 11:22. Vooral door het kruis heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd, Col. 2:15, ontnam hem de wapenen van zonde, dood en wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 1 Cor. 15:55, 56, Hebr. 2:14 en wierp hem buiten het gebied van zijn rijk, Joh. 12:31. En zijn triumf vierde Hij over de booze geesten bepaald in de opstanding. In 1 Petr. 3:19-22 wordt dit duidelijk geleerd. Er is daar geen sprake van eene nederdaling van Christus naar de hel, om aan de verlorenen het evangelie te verkondigen. Er staat toch, dat Christus eerst levend gemaakt d. i. opgestaan was en toen heenging om te prediken. Alle grond ontbreekt om met de Lutherschen tusschen de vivificatio en de resurrectio een temporeel onderscheid te maken en in dien tusschentijd dan de nederdaling ter helle te plaatsen. Ook is er nergens in de Schrift eenige aanwijzing, dat Christus na zijne opstanding, voor dat Hij ten hemel voer, nog eerst naar de hel is gegaan. Aan de andere zijde is ook de exegese onhoudbaar, dat Christus in den Geest naar de tijdgenooten van Noach is gegaan en hun heeft gepredikt; ἐν ᾡ slaat duidelijk op den levend gemaakten Christus; πορευθεις, cf. vs. 22 laat geen andere opvatting toe; de prediking van Christus in den Geest aan Noachs tijdgenooten vóór vele eeuwen doet hier niets ter zake. De pericoop bevat dan ook heel iets anders. Petrus vermaant de geloovigen, om wel doende te lijden en daarin Christus na te volgen. Hij toch leed wel doende, want Hij leed voor de zonden, als een rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en wel met dit doel, dat Hij ons, onrechtvaardigen, tot God zou brengen. Dat is wel doende lijden! En nu is Christus wel in het vleesch gedood, maar Hij is levendgemaakt en opgestaan in Geest, d. i. wijl het πνευμα ἁγιωσυνης beginsel van heel zijn leven was, als Geest. En als zoodanig, als levendgemaakte, opgestane Geest, als Heer en Koning, heengaande, πορευθεις, d. i. niet naar de hel, maar blijkens vs. 22 heengaande naar den hemel, heeft Hij den geesten in de gevangenis gepredikt. Dat is: zijn heengaan naar den hemel als opgestane Heer, Hd. 2:36, was een κηρυγμα tot de geesten in de gevangenis. Wat de inhoud van dat κηρυγμα was, wordt niet gezegd en behoeft niet gezegd. Het opstaan en ten hemel varen was zelf het rijke, machtige, triumfantelijke κηρυγμα van Christus tot de geesten in de gevangenis. Dat Petrus dat κηρυγμα van Christus door zijne hemelvaart nu bepaaldelijk brengen laat aan die geesten in de gevangenis, die in Noachs dagen, in weerwil van Gods lankmoedigheid en niettegenstaande zij het bouwen der ark zagen, ongehoorzaam waren, heeft een dubbele reden. Ten eerste zijn die tijdgenooten van Noach in de Schrift steeds de meest goddelooze van alle menschen geweest; en ten tweede zijn zij omgekomen en Noach met de zijnen gered door eenzelfde water. Evenzoo is het water des doops door de opstanding van Christus het verderf voor de goddeloozen en de behoudenis voor de geloovigen. Want Christus die opgestaan is en dien doop ingesteld heeft en er kracht aan verleent, zit aan Gods rechterhand, nadat door de hemelvaart alle engelen en krachten en machten Hem onderdanig zijn gemaakt. Christus leed wel doende en overwon, laten de geloovigen zijn voetstappen drukken! En evenals over alle gevallen geesten, zoo heeft Christus als middelaar ook macht in zijn regnum potentiae over al zijne vijanden. En Hij zal niet rusten, voordat zij allen onder zijne voeten zijn gelegd.
Als Christus aan het einde der dagen zijne gemeente en alle zijne vijanden overwonnen zal hebben, dan zal Hij de βασιλεια, het koningschap, het koninklijk ambt, aan den Vader overgeven. Zijn middelaarswerk is dan voleindigd. Het werk, dat de Vader Hem opdroeg, is volkomen volbracht. God zelf is dan koning eeuwiglijk en altoos. Over den aard dezer onderwerping van Christus aan den Vader ontstond reeds vroeg verschil. Marcellus van Ancyra schreef eene verhandeling over de onderwerping des Heeren Christus, en werd beschuldigd van de leer, dat het rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur met den Logos een einde nemen zou, Schwane, D. G. II 136. 148. Marcellus werd door Eusebius en later door Basilius bestreden; het Nicaeno-Constantinopolitanum voegde aan de belijdenis, dat Christus wederkomen zou om te oordeelen levenden en dooden, de woorden toe: οὗ της βασιλειας οὐκ ἐσται τελος, cujus regni non erit finis, Hahn, Bibl. d. Symbole u. s. w. 164-166, cf. Petavius, de incarn. XII 18. Pesch, Prael. IV 84. Later leerden de Socinianen, dat Christus, dien de Vader tijdelijk tot stadhouder aangesteld had, eenmaal aftreden zou, evenals een veldheer, na de overwinning behaald te hebben, zijne macht en heerschappij aan den vorst teruggeeft, en zij leidden daaruit af, dat de Zoon Gods, wijl Hij eenmaal onderworpen zou worden aan den Vader, niet de hoogste God kon zijn, cf. daartegen Petavius, de trin. III 5. Bisterfeldius, de uno Deo, Patre, Filio ac Spiritu So I 2, 26. Vitringa V 443-446. Onder de Gereformeerden was er ook verschil; sommigen zeiden, dat het koningschap van Christus oeconomisch en tijdelijk was, Calvijn, Inst. II 14, 3. 15, 5. comm. op 1 Cor. 15:28. Alting, Theol. probl. nova XII 36. Pareus op 1 Cor. 15, Kuyper, Enc. II 321; anderen waren van oordeel, dat er wel verandering komt in de wijze van regeeren maar dat zijn koningschap toch eeuwig is, Mastricht, V 8, 9. Moor III 1129. Vitringa V 443. Het verschil is gemakkelijk in dien zin op te lossen, dat het middelaarschap der verzoening, en dus in zoover ook het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus een einde neemt; God zal koning en alles in allen wezen; maar wat blijft is het middelaarschap der vereeniging, Christus blijft profeet, priester en koning, zooals dit met de menschelijke natuur vanzelf gegeven, in het beeld Gods opgesloten, en het hoogst en rijkst in Christus als Beeld Gods verwezenlijkt is. Christus is en blijft het hoofd der gemeente, uit wien alle leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit. Wie dit wilde ontkennen, zou ook moeten komen tot de leer, dat de Zoon eenmaal zijne menschelijke natuur afleggen en vernietigen zou; en daarvoor ontbreekt in de Schrift alle grond.