III. Verzen uit het Boek "Dood".
Reading edition
In memoriam Ida Roberti.
Zomernacht. De blanke mane Licht overal; De donk're lanen Staan langs den wal; Boomtoppen drinken Het zilv'ren licht, Beneden zinken Schaduwen dicht. Maar midden in de Betoovering, Waar beuk en linde Te droome' aanving Dalen drie zware Klokslagen neer; De kimmen klaren... De dag keert weer...
Kille Regen. Kille regen ruizelt stille Over 't bleekend zomer-loover, Morgen drijft de zomer over, Daar het najaar nader toog. Ik zou wel, berustend, willen Lichteloozen dag verduren Als uw hoofd maar enkele uren Zich tot mijnen schouder boog. Maar ik zag de nachtgetijen Veler jaren gaan en komen Zonder dat gij van mijn droomen Maakte Uw leven deelgenoot; En ik hoor de regen schreien Door de twijgen, triestig liedje Bij dit menschelijk verdrietje Dat zoo klein is... en zoo groot.
Najaar. I. De schuwe duiven, die het land ontstijgen, Gaan in het blauw, geruischloos ver, te loor, En eenzaam blijft, waar vóór zich strekt naast vóór De donkere' akker in oneindig zwijgen. De boomen dragen, vóór des winters dreigen, Hun gouden dos in vollen najaarsgloor, En laten zacht, als een geliefd tresoor, Hun blad na blad in 't rimp'loos water zijgen. Dat is een stroom uit een ver land gekomen, Die gaat langs dorpen, scheem'rend achter boomen Met kronkling blank door weiden groen smaragd. En, als zijn wateren voor eeuwen gingen Zoo gaan zij thans, onwetend van de dingen, Die zijn vergaan en van den nacht die wacht. II. Want in het najaar als het Land gaat slapen Wordt alles éven zoo volkomen schoon; Dan draagt het, àl te kort, een koningskroon Van louter blad-goud om de lichte slapen. Zoo ziet men, schijnend uit het amberbleeke Gelaat eens knaaps, den glans van oogen groot, Een droefklaar water, spiegel waar de Dood Op donk'ren tocht te dicht is langs gestreken. En als dan de even schoone kroon ontblaârt, Des winters stormen langs het dood Land vaart En stijft, maar dekt met hermelijn, de leden, Dan ligt het als die knaap, die sterven moet: 's Doods vreemd geluk in de oogen, in 't gemoed De troost van na veel leed verworven vrede.
Herdenken.
De laatste gele boterbloem,
Die bloeide tusschen 't dorrend gras,
Deed mij den tijd gedenken toen
Het Lente en zij nog bij mij was.
Die Lente-tijd keert nimmer weer,
O, Leven, wat is uw droefnis groot,
Al wat zoo schoon is, is zoo teer
Zoo broos,—zoo wreed de Dood.
Die kent geen bloemen en geen licht,
Die geeft alleen—mag 't zijn—de rust,
Als hij geveld heeft met zijn zicht
Al harte'-en oogenlust.