← Table of contents
Gedichten

I. Verzen uit het Boek "Jeugd".

Reading edition

Aan Ida De V. If by misadventure, chance should bring Thee to base company (as chance may do), Quite unaware of what thou dost contain, I prithee, comfort thy sweet self again, My last delight! tell them that they are dull And bid them own that thou art beautiful. Percy Bysshe Shelley.

Opdracht. Gij, die als een stille nachtvlam Voor mijn venster hebt gebrand, Toen de diepe diepe nacht kwam Over 't donker levensland; Gij die als een hand waart, wenkend Toen mijn voet naar de afgrond gleed, Wie ik was altijd gedenkend Met een glimlach door mijn leed; Wie ik, eens zoo trotsch, beloofd heb Dat mij 't Leven heffen zou Schoon 't van alles mij beroofd hebb'— Voor U, wondervolle vrouw, Zijn mijn verzen, neergeschreven Bitter soms, maar schoon en waar, En gij vindt er weergegeven Wat er menig menig jaar Bleef aan wanhoop en verlangen In mijn ziel—zoo néém ze nu Als een verren groet, mijn zangen, Zoo ze zijn, ze zijn voor U.

Ochtend. Tusschen weien groen en welig Staan geboomten vroeg ontbloeid, Blanke dropp'len op 't fluweelig Gras zijn, met den dag, ontgloeid; Zachter gaan hier menscheschreden Als in een betooverd Eden, Waar voor de' allereerste maal Langs de bladeren komt gegleden Daagraads klare morgenstraal. Door der boomen breede kronen Gaat de wind met zachten gang, En de vogels die er wonen Maken een verliefd gezang; Eén, met luider orglen wil er Anderen, die, met zwak getriller Sjirpen naar het bekje staat, Overstemmen, maar wordt stiller Als mijn nade'ring zich verraadt. Zie nú, waar de blanke plassen Spiegelen der wolken tocht, Tusschen paarse heigewassen Wolfsklauw, die naar water zocht,— Waar het zilverwitte berkje —Voor de spits van 't verre kerkje— Staat op 't neevlig blauw geheeld Zweeft op zijn citroengeel vlerkje Vlinder, die met vlinder speelt. O! de groote bloeiende aarde, O! de hemel blauw en goud, Wist ik wat zij mij bewaarde, Wát zij mij verborgen houdt! Wist ik, dat na lange nachten Mijn verlangende gedachten Eénmaal vonden 't heerlijk schoon, Dat van heel der aarde pracht, en Hemel dragen zal de króón.

Een Levend Beeld... Een levend beeld is nu verrezen En vult mij gansch met klaarder pracht Dan ooit de droom een wereldsch wezen 't Verlangend hart te binnen bracht. Ik zie de glorie van twee oogen Mij voorgaan, waar mijn voet ook treed', En 't hart, als nooit voorheen bewogen, Al wat het eens bewoog, vergeet. En allen—O! ik kon mijn armen Om heel de wereld henenslaan, Want in mijn ziel is een erbarmen Met al wat leeft, in bloei gegaan, Behoefte om ieder troost te geven, Die thans nog in zijn duister schreit, Te zeggen: zie, vertrouw op 't Leven Ook U is de ure straks bereid.

Ten Aanvang. De lucht was vol van zilverglansen, Vol roode tulpen 't groenend gras; De aloude dom liet vroolijk dansen Zijn klokken, daar 't de Meimaand was. En waar ik ieder blad zag groenen, Ontbloeid der bloemen blij gezicht, En later achter de plantsoenen Met elken dag het avondlicht; De stad met feestlijke geluiden, De vogels in de' ontloken boom, Doortoog, als in het wit der bruiden, Mijn ziel haar schoonste levensdroom. En drinkend met de zaal'ge zinnen Des levens reinste en hoogste vreugd, Trad ik het schoone leven binnen: Het wereldsch paradijs der jeugd.

Dien Eenen... "Ik zou dien Eénen willen zien Aan wien ik denk altijd, Als ik hem zag vandaag, misschien Was ik mijn vreugde kwijt; Maar ook—wie weet—misschien mijn leed, Want, dít is mij zoo vreemd: Ik weet niet wat hij geeft, ik weet Niet wat hij van mij neemt. Ik weet niet wat hij met mij doet, Ik weet alleen maar dat Ik hem nog ééns iets zeggen moet, Maar niet wanneer of wát. Want altijd als ik spreken wil Dan bonst mij in de keel Mijn hart alsof het breken wil En zegt: "gij zegt te veel." En altijd als ik zwijgen wil Dan zegt mijn hart in mij: "Spreek nu, want zwijgt ge nú nog stil, Dan gaat het uur voorbij." Zoo komt er nooit iets uit mijn mond, Dat spreekt als ik het meen, En vind ik wat ik straks niet vond... Dan ben ik weer alleen."

Liedje.... Ik zou niet graag Alleen, vandaag, Door hoven gaan van love'ren schoone, Als ik niet kon De lucht, de zon En waar zij óp schijnt, aan u toonen. Hoe licht de schijn Der zonne rein Langs 's werelds eeuw'ge kleurenweelde! Maar wat zou mij Dit hooggetij Der schoonheid zijn, zoo gij 't niet deelde? Want uw gelaat In schoonheid gaat Der wereld schoon zóó zeer te boven, Waar dat niet is Blijft droefenis Op 't blauw der lucht, op 't groen der hoven.

In het Licht van den Gloriedag. Zij loopen achter de hagen In het licht van den glorie-dag; Zij kunnen het niet verdragen Maar lachen een luiden lach. De landen liggen beneden Hun zalige voeten gespreid, En boven hun hoofd is het Eden Der blauw-gouden oneindigheid. De wolken beginnen te varen, De boomen in wiegeling Hebben gezang van blaren, En alles—Herinnering, Het Heden nú, en het Verwachten, Het nooit moede licht van de zon, Het korengeel, het smaragd en Het bloemenrood bij de bron, Het geluid van een vogel, jeugdig, Vol uitgelaten genot, En hun eigen stemmen, vreugdig, Als een levens-danklied tot God— Het leeft alles te zamen in den Glans van dien glorie-dag, In het hart van die twee beminden In den blijden klank van hun lach.

Aanbidding. "Uw oogen zijn Koningsoogen Uw lokken zijn godenblond, Op uw lippen vol honingtogen Drink ik mijn nooden gezond. Uw armen zijn marmeren zuilen Uw lichaam mijn levend altaar, Mijn droefenis kan ik ontschuilen Mijn blijdschap belijd ik u daar. Gij straalt, marmerblank aan de poorte Van mijn scheem'rende vrouwenziel, 't Is het uur mijner wedergeboorte Het uur, waarop ik viel Omvattend, uw blanke knieën Kussend uw Koningsvoet, U zingend de litanieën, Waarmee, men de Godheid begroet."

Hel en Hemel. "Ik kan u niet van mij weren Die mijn Hel en mijn Hemel zijt, Ik moet uw omarming begeeren, Tot den dag, dat de Dood mij verbeidt: O! neem, als een vrucht, die levend Rijp-rood voor u is gegroeid Mijn mond, waarin, zich gevend, Mijn hartstochtleven vervloeit! En, kwam al God daartusschen En wees op zíjn Hemel, zíjn Hel, Ik zou u kussen en blusschen Mijn gloed aan die Liefde-wel. Al mocht mijn ziel verderven En ter eeuwige marteling gaan, Ik zou u verheerlijkend sterven En trotsch voor Gods trone staan."

Van Hoogen Torentrans. "Wanneer men staat op hoogen torentrans te droomen, Ziend in het diep alom der wereld breeden vrêe, Het groene weideland, de torens en de boomen, En 't parelmoerig blauw der schemerende zee, Dan voelt men over zich dat vreemd verlangen komen, Om, zelfvernietigend, het hart vol lust en wee, Zich neer te storten in het diep der diepste stroomen En nemen al zijn droome' in 't glanzend lichtgraf mee. Niet anders wordt het mij zoo'k uw gelaat aanstare, Waar mij het diep van on-doorgrondlijke oogen noodt, En hoe ik vrees dat mij daar leed komt aangevaren, Die levendige glans een weelde heeft zóó groot, Dat ik mij zelf niet voor mijzelve kan bewaren, Mijn leven aan U geve, al ware ook 't loon de Dood."

Voor Altijd. "Van mijn bezit zal ik U schenken Het allerschoonste gouden cieraad, Opdat gij mijns nog zult gedenken Wanneer gij verre van mij gaat. Het medaljon aan mijn hals gehangen Onder den kraag van kanten fijn Zal van mijn hopen, van mijn verlangen Een altijd-durend getuige zijn. Gij moogt daarin het schoonst bewaren Van wat gij ooit op aarde vond, Een vlok van mijne donkre haren Ten teeken van ons ziels-verbond. Gij moogt dan over de aarde zwerven En eenzaam dwalen van oord tot oord, Mijn lief, mijn Liefde zal niet sterven Zoolang als dit U toebehoort."

Voor U Alleen. 't Is zoet te schrijven, als het licht Des zomers op mijn handen daalt En 't rijm zijn blijden plicht verricht En wat mijn hart voelt U verhaalt. Mijn handen beven van genot; Zij dragen den gewijden schat, Die 'k diep in mijne ziele tot Nu toe voor elk verborgen had. Zij zetten bevend woorden neer Tot de' avond-late zon verbleekt, En woorden glanzen rein en teer Als paarlemoer, waar 't licht in breekt. En toch, hoe mooi die woorden zijn, Die vingen 't licht aan allen kant, Zij hebben slechts een zwakken schijn Van 't licht dat in mijn binnenst brandt, Omdat er altijd in het woord Iets is, dat is van iedereen, En ik wou geven iets dat hoort Aan U, voor wie ik leef, alleen. Maar toch is 't zoet, wanneer het licht Des zomers op mijn handen daalt En 't rijm zijn blijden plicht verricht En wat het kan vertaalt.

Één Wezen. Ik wist wel, dat éénmaal mijn leven, Dat naast Uw leven zich ontspon, Zich tot één leven saam zou weven, Dat niemand ooit weer scheiden kon. Maar dat het zoo volmaakt zou wezen Ineengevloeid als thans geschiedt, Twee wezens in één zelfde Wezen, Dát droomde ik wel, maar wist ik niet....

Mid-Zomer. Het korenveld, goudgeel, naast paarse vakken Van bouwland, trilde in heeten middaggloed; In 't violet des hemels steeg de strakke Mid-zomer-zon haar Zenith tegemoet. Van bruinen beuk, vol zwaar bekroonde takken, Zonlicht-doorschoten, met geblaârt als bloed, Vloeide op 't geschroeide land in breede vlakken De koeler schaduw rond den knoest'gen voet. Wij waren tot den donk'ren boom genaderd, Een vogel zong, in 't flonkrend kroongebladert, Zijn lied, dat als een hymne aan 't zonlicht klonk, En gij, het hoofd op blanken hals gebogen, Met rooden mond, en toegelokene oogen, Hergaf den kus, dien U mijn mond ontdronk.

Zomermorgen. Wit als tulpen zijn haar handen, Rood als rozen haar gezicht; Warmer dan op morgenlanden Ooit de zon, haar oogen branden Liefdevol op mij gericht. Ja! heur oogen tintlend stralen! Venus' licht heeft minder gloed, Waar zij laat in 't West gaat dalen, Maar ... de zaligste verhalen Zijn het, die haar stem mij doet, Als ik tot haar neergebogen Zeg, dat háár mijn hart begeert, En, door zelfden drang bewogen, 't Hart haar 's werelds zoetst vermogen: 't Kussen van liefs lippen leert. Ik weet ook wel meerder dingen Waar ik niet van spreken mag; Zilverwitte Mei-seringen, Die de lucht van geur doordringen In den zoelen voorjaarsdag, 'k Zag ze in 't bosch, een zomermorgen, Bloeie' op hals en schouderblond; 't Maagdlijk hart had duizend zorgen, Toen, wat ieder bleef verborgen, 't Oog van den geliefde vond. Wonder, wonder om te aanschouwen Lichaamsblank in 't witte kleed, "Schooner" dacht ik toen zijn vrouwen "En wat zij verborgen houen "Dan welk wereldsch schoon ik weet." "Schoonst"—maar 'k vrees: zij mocht dit lezen: Is mijn woord te ver gegaan? Heb ik, wat voor mij moest wezen, 't Teederst van haar schuchter wezen Roek'loos anderen verraân? 'k Denk: zij zal het mij vergeven, Dat ik het niet zwijgen kon; Wat mijn hart van vreugd deed beven, 'k Heb het bevend neergeschreven, 'k Moest het in mijn lied doen leven Zóó als vogels in de dreven 't Lief bezingen voor de Zon.

Haar Oogen. I. Als ik haar oogen zie wordt sprakeloos Mijn mond, mijn ziel voor haar geluk Éen Bede: "Geen wolk koom langs dit vlekloos blauw gegleden Gelijk geen kwaad haar ziel ter woning koos." Nooit kan ik in dat diepe' oneindig staren, Of tranen, waar het koel verstand mee spot, Komen en zeggen: "wil dit beeld bewaren, Want wat gij daar gezien hebt is van God." En doet der schoonheid vocht mijn wimpers blinken, En vraagt zij mij, waarom ik heb geschreid, Dan zeg ik haar: "omdat Gij Godlijk zijt, Omdat mijn ziel wil in Uw ziel verzinken, En ik U ziende, 't bitterst leed wil drinken, Als ik maar bij U blijven mag altijd. II. Ja, moest ik zeggen, wat haar oogen spreken, Hoe schoon van gloed en hoe oneindig teer, Dan zoek ik naar den glans van 't doodstil meer, Waarin de zomermiddagstralen breken. Maar zie: dan denk ik "neen, zóó zijn zij niet, Zij zijn als verre gouden morgenlanden, Waarboven in een bevend blauw verschiet Het zachte licht der vroege zon komt branden." En als dan de eerste starre in de' avond troont, Haar diadeem spreidt, waar de zon gaat keeren, Dan denk ik: "dat heeft zij, maar zéér verschoond, "Geheiligd door het hart, dat starre' ontberen." Zóó: meerblauw, morgenglans, en avondster Zijn beelden wel, maar van de waarheid ver.

Na Droomnacht. Toen ik op hooge heuv'len stond En zag den morgen komen Verguldend, wijd en zijd in 't rond, De bleeke waterstroomen, Heb ik gedacht, waar gij mocht zijn, Die, schoon als de ochtendzonneschijn, Het licht zijt mijner droomen. Des daags, als door mijn zinnen speelt Mijn bezige gedachte, Bouw ik altijd 't afwezig beeld Met al te zwakke krachten; Want hoe me ook U 't herdenken schiep, Het mist de pracht van 't beeld, dat diep Rijst uit doordroomde nachten. Daarom was ik zoo blij vandaag, Nu, wat ik steeds moet denken, Me een droom, niet als ver weg, niet vaag, Maar kwam, als werkelijk schenken; En, schoon ge ook zelf afwezig waart Mijn ziel werd als de ontwakende aard Die zonnestralen drenken. Want zie: nóg voor mijn oogen staat Uw schoon gelaat geteekend, Der wangen teeder incarnaat Als roze uit windselen brekend, De schijning van Uw voorhoofd klaar, Dat, bij de kroon van donker haar, Is wonder-wit afstekend. Hoe zag 'k de klare straling weer Dier groote diep-blauwe oogen, Die, als in 't bosch verborgen meer, Een hemel, beelden mogen, Waar 't, met den hemel, 't aardsche goud Dat van den dag zijn glorie houdt, In 't diep draagt onbewogen. Hoe kuste ik op het koele blank Uw handen, slank van lijnen, En, voorloog van verlangens drank, Die 't hart doet wilder deinen, Hoe dronk ik zoeter geuren van Uw bloeiend lijf, véél zoeter dan Van rozen of jasmijnen. Zoo is mijn gansche dag geweest, De middag als de morgen, Eén uitgelaten Lentefeest, Eén Meidag zonder zorgen, Daar 'k door bebloeide velden trad En 't schoonst kleinood voor oogen had, Dat de aarde houdt geborgen. En nu, waar de avondzon verzonk Achter de dichte lanen, Der meer'len laatste triller klonk, En, die zijn lied van tranen Den koelen Meinacht hooren doet Als wie om 't lief verloren bloedt Totdat de starren tanen, Heeft de eerste accoorden ingezet En beurtzang wekt in 't loover, Nu zoek ik 't, wee! nog eenzaam, bed En geef me aan droomen over, In hoop dat deze als de andre nacht Die mij uw beeld te binnen bracht 't Mij wéér voor oogen toover.

Nachtlied. I. Ik schrijf U thans Waar de avondglans Nog nalicht; en van verre Klokketoon klinkt; waar langzaam aan De koeien door den avond gaan En opblinkt ster na sterre. O weten zoet Dat gij nu doet Naar mij, als ik, verlangen... En de oogen heft, op 't eender uur Naar 't eender vuur, om, gloed in gloed, Te geven en te ontvangen. En, onbewust, Waar alles rust, Het huis, het dorp, in duister Strek ik de biddende armen uit En kus, als kuste ik U mijn bruid, Der heil'ge starren luister. II. De vleermuis zwingt om 't donker huis, Ik moet mijn venster sluiten; Reeds menig vlinder op de vlam Van 't nachtlijk licht naar binnen kwam Of gonsde voor de ruiten. Hoe dicht is het kastanjeloof Hoe geuren de seringen, Hoe gaat de krekel ginds in 't gras Alsof de dag al komend was Opnieuw aan 't zingen! En drinkend lang de geuren van De blank-bloeiende boomen, Denk ik: zou, voor de slaap mij vindt, De vogel, die de nachten mint Nog zingen komen? III. "Ik heb U lief," herhaal ik zacht, "Ik heb U lief" en duizend malen Schijnt mij dat lichtend woord te stralen In 't diep van den bestarnden nacht. Hoe stil in 't rond; voor 't eerst wij beiden Sinds ik u zag, voor kort van een, Nog slechts één enkelen dag van u gescheiden En.... 't is me als gingen jaren heen.

Zomer. Ik zat waar zon op 't warme water scheen En gele bloemen bloeiden aan den kant; Het grazend vee ging door de weiden heen, De zomerlucht hing walmend over 't land. De wilgen waren zilverbleek en stil Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij; Een glazenmaker vloog, met lichtgetril Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij. De schuwe visschen, in 't koeldonker diep, Verschoten snel, of stonden lang op wacht, Waar d'aarde zich, in beeld, nog schooner schiep, Droomend den zomerdroom van eigen pracht. En over 't hooiland, waar een wagen stond Met versch-groen gras te geuren in de zon, En verder waar het drachtig korenblond Met breede golving boog ten horizon, Tot waar een scheem'rend bosch zich flauw verhief, De wereld wegsmolt in der hemelen gloed, Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief Uw schoone ziel verlangend tegemoet.

De Nacht. Het Landschap ligt in klare manestralen, Die maken weide en groenen heuvel bleek, Waar, uit de donker-overschauwde kreek, Een blanke beek met val op val komt dalen. En, door 't gerucht van menschlijk ademhalen, Waarmee de wind langs 't hoog geboomte streek, Slaat, op de torens van de gansche streek, De klok haar zachte slagen twalef malen Dan sluimert alles in voorgoed en staat Doodstil op de aard, wijl slechts de sterrebeelden Met tragen gang vergaan door 't firmament, En, peinzend aan uw goddelijk gelaat, Dat zich zoo lang voor mijnen blik verheelde Wacht ik den morgen, die me uw groetnis zendt.

De Morgen. De morgenkoelt, die (over kruid en varen En eikenhakhout) door de boomen strijkt Van 't donker bosch, dat in de diepte wijkt, En geuren draagt, die dal en kreek bewaren, Kwam, speels, u langs de donkre lokken waren En 't lief gelaat, dat zelf een bloem gelijkt Zoo schoon als niet één in die dalen prijkt, Tenzij der wilde roze bleeke blaren. Uw handen gingen toen—wat is zoo blank Als meisjeshanden tot dat doel geheven— Weer ord'nen 't haar door dartlen wind verward; Ik kon niet wachten toen, maar moest u geven U, boos om stoornis, tegen wil en dank Den kus van een té zeer verlangend hart.

Op den Heuveltop. Wij stonden op een heuvel, hoog, en de aarde Lag ziedend in het gloeiend zonlicht neer, En strekte zich, een eindloos lichtend meer Van bloeiend groen naar blauwe bosschen waar de Gewelfde hemel, parelmoerig teer, Op verre kim zijn groot geheim bewaarde. Toen, waar zij naar die verre verten staarde Vroeg ik: "Wenscht dan mijn Lief nog altijd meer?" En met een trotsch gebaar van eenvoud groot, Wijl zij haar oogen, die als heem'len blauwden Met zachten glans, op mij gevestigd had: "Ik zocht of de aarde een grooter schoonheid bood, "Maar nergens, wat mijn oogen ooit aanschouwden, "Zag ik een schoon, schooner dan gij bezat."

Het Kind. "Het schoonst geluk, dat gij mij ooit kunt geven Zal wezen als eenmaal een nieuw gelaat, Uit u en mij geboren bloeien gaat, Maar toch het meest heeft van uw stralend leven; En, zooals naar het gouden pracht-cieraad Een kleiner wordt in fijner goud gedreven, Zal 't flonkrend blond zijn voorhoofd-blank omgeven Als 't graan, dat in de zon te gloeien staat." Toen kuste ik om dat schoone woord mijn lief, Die om mijn hals de streelende armen hief En 'k sprak: "ja! dat zal groot en heerlijk wezen, Als ik u zien zal in hetzelfde kind, Waarin gij mij opnieuw geboren vindt: Twee-eenheid in één eenig beeld te lezen."

't Tijdlooze en 't Tijdelijke. De dennen wiegen de eeuwig groene kronen In 't zachte blauw, dat aarde en al omspant, En in de diepte voor ons ligt het land, Waar duizend nijvren hof bij hof bewonen: Hier drijft een landman met de kracht'ge hand De vore' in de aard, die tijd en arbeid loonen, Oogst reeds een ander 't ooft welks roode koonen De almachtige zomerzon heeft rijp gebrand. En de ovens langs, waar roode steenen drogen In 't zelfde zonlicht, kronkt de blauwe stroom, Dien booten met een zacht geraas bevaren; Zoo zag ik, wie maar even leven mogen, Met wat reeds daar was meer dan duizend jaren, 't Tijdlooze en 't tijdlijke als droom van een droom.

Woud-Eenzaamheid. Hier, tusschen hooge heuv'len ingezonken, Ligt, eeuwig koel, de donkre waterplas, Klaar-kaatsend, als het rimp'loos spiegelglas, De hoogste loov'ren van de zon doorblonken. Hoe zacht wij naderde', onze stille pas Had storend in die eenzaamheid geklonken, De raven vloden op met luid gekras, Der spechten haam'ren stilde in de oude tronken. Op verre hofstee stierf met zwak geluid Een haanklaroen in 't brandend middaggloren, De insecten gonsden rond der bramen blaân... De bleeke roze zond haar geuren uit... Weet gij nog, Lief, hoe lang we in droom verloren Aan dit klaar water hebben stilgestaan?

Het Woud. De denneboomen, die als pijlers rijzen, De beuken slank, met kroon van levend goud, Der eiken stammen, die de tijden grijzen, Staan, als een kerk, die nooit vervalt, gebouwd. Wat ook ter wereld gaat, U zal men prijzen; Die de aarde een god, of 't Goddlijk hooger houdt, Ja! die geen God erkent, zal eer bewijzen Aan majesteit en godenkracht van 't woud. En zoo als wij daar in die ruimte stonden, Beluistrend onze ziele en 't aardsch geluid, Zoo doet, als eens de wereld óns omsluit, Elk nieuw geslacht door 't statig woud de ronde En zingen zielen, die elkander vonden, Als de onze een danklied aan het Leven uit.

Terugblik. I. "Het was me als werd mijn vroegste jeugd herboren, Toen ik hier speelde als knaap met stralend oog, Niet wetend hoe, wat tóén mijn hart bewoog, Zoo lang zou ruste' als in schijndood verloren. Maar thans ging in mijn ziel jeugds welig koren Met duizend-voude vrucht volrijpt, omhoog En vindt de vreugd der jonkheid, die vervloog, De woorden, die bij vreugd der jeugd behooren. Want zie: ik sliep en, in mij, zwak en zwakker, Vervloeide 't jeugdlicht, dat héél 't leven tint; Mijn hart was jong, zeer jong, maar vreugdeblind, Tot, zon en leeuwerik boven donkren akker, Uw licht mij straalde, Uw stem mij riep: "word wakker." "Uw ziel heeft lief een ziel, die weer bemint." II. "Een wolk van weemoed drijft door mijn gedachte, Dat er zoo lange jaren zijn vergaan, Voor dat ik wist het wezen te bestaan, Dat schooner bleek, dan 't ooit mijn hart verwachtte. En vreemden ziet mijn oog benijdend aan, Die 't schoone aanschouwden, maar het licht niet achten, Het godsgeschenk, dat hun de goden brachten In donkre onwetendheid zijn langs gegaan. Maar welk een jubel overstemt mijn leed, Waar ik deze armen, die het licht niet kenden Als blindgeboor'nen op de wereld weet, En gij dat zongelijke licht wilt zenden Uit zaligste oogen, tot der dagen ende Aan 't wezen, dat in uw nabijheid treedt." III. "En dikwijls doolde ik door dat dorp, die velden, Waar, voor 'k U vond, Uw vroegste kindsheid vlood, Ik dacht Uw beeld te zien in 't rozerood, Dat uit de nacht-geboren wolken welde. En, als de middagzon door 't loover schoot Der wilgen, die naar 't koele water helden, Dan was het of die boomen mij vertelden Dat ge eens, als ik, de schaduw daar genoot. Of, als de nacht zijn zilvren nevelen spreidde, Het veld, de stroom, in vollen vrede sliep, Dan was het of daar uit der wateren diep, Waarin de volle maan mijn schreên geleidde, Een weemoedvolle stem van vroeger tijden Uw naam aan 't nachtelijke landschap riep." IV. "Zoo was ook mij de dag, dat ik U vond, Geen zien maar weerzien, of ik lang Uw Wezen Gekend had en voor dien reeds menig stond Had in Uw wonder Levensboek gelezen! Want daar was niets, dat gij mij zeggen kondt: Uw vreugd was mijn vreugd, en uw vrees mijn vreezen, En 't is me alsof reeds ziel aan ziel zich bond, Voor dat zij wist, dat gij er ooit zoudt wezen. Dit is zóó zoet, dat ieder menschlijk woord Zou falen om dit zalige uit te drukken, Sinds ik U zag ken ik een zielsverrukken, Dat menschen niet, doch goddlijken behoort, En, mocht het Leven hart aan hart ontrukken, Weet, dat het mij dien oogenblik vermoordt.""

Het Kasteel. Voor onze blikken rees nu 't oud Kasteel Met hoogen toren tusschen iep en eiken, Waar duizend bloemen stonden stralend geel Op 't groene grasveld in de zon te prijken. Die zware wanden zagen de eeuwen wijken, Trotseerend Tijd en Stormwind en Houweel, Geslachten sterven, val van koninkrijken Als viel slechts hun de onsterfelijkheid ten deel. En, zooals vaak in 't Leven 't trotsche en teere Vereend zijn, speelde op 't geel-bebloeide groen Een kinderschare, in roze en witte kleeren, Luid-juichend om den gouden zomer-noen, Zóó blij, zóó blij, als zou nooit leed hun deren Geen Dood dit broze schoon verwelken doen.

Het Slotplein. Wij gingen 't zonbegloeide slotplein binnen, Waar eenzaam bloeide blanke acacia, En sloegen, zwijgend, met verrukte zinnen, Dit bouwwerk van vervlogen eeuwen ga: "O tijd," zoo dacht ik "hoe moet elk U minnen, "Die liet den Tijd zoo hecht een schoonheid na, "Dat zij nog thans, wat wankle of nieuw ontsta, "Ten hemel beuren blijft de trotsche tinnen. "Wees gij dit broze mensch, dat voor U buigt "Voorbeeld van Hoogheid om in lager tijden "Te bouwen 't machtig levensmonument, "Waardoor, als gij, zijn ziel van kracht getuigt "En schoonheid, die hem voor het leven wijdde, "Wordt door het verre nageslacht gekend."

Toen Dacht Ik: Moog gij, mijn levenswerk, zijn als die zalen, Waar men van anderen tot zich zelven keert, En de echo's op geen enk'len voetstap falen, Of 't leven telkens nieuw te leven leert. Laat elk, met eigen leven, door U dwalen, Wil, waar zijn tijd, als mij, zijn ziel bezeert, Hem dit tot troost in zang na zang herhalen: Schoonheid verwint, die 't Schoone sterk begeert. Langer dan wallen duurt het levend lied, Zoo hoog verheven drijven wolken niet, Al reizen ze over boom en torenspitsen; Want melodie, die leed in vreugde klaagt, Stijgt, van de wereld, die den dichter draagt Naar 't hemelruim, waarin Gods zonnen flitsen.

Maannacht. De maan is achter het huis Nu moet gij met mij komen! Over het bladgeruisch Zijn zilvernachtstroomen.... De tuin ligt blank beneden, Ziet gij het wel? O! alles was tot heden, Het hééle leven, maar spel.... Kom! en geef mij de hand En laat mij U leiden door lanen, Waar bloemen aan den kant Glinsteren nat van tranen. Kom! en geef mij Uw hand En ik zal U leiden waar Ons land als een tooverland Licht in den maannacht klaar. De wateren zullen zwijgend zijn, Diep met murmelend beven, Waar ik mijn mond uw mond zal geven Als een dronk van wijn. Kom! en toef nu niet, Ik wil niet langer wachten, Ze zijn zoo vele niet, De schijnende maannachten.... De maan schijnt wonderhel, De maan maakt àlles wakker, De lucht is als een blauwe tent, Met duizend starren goudelend Boven den donkren akker.... Het heele leven was maar spel.... O kom! laat mij niet wachten, Mijn ziel, mijn leven is voor U Kom met mij mee,... ik geef het U.... Kom mee ... ik kán niet wachten.

De Leeuwerik. Het klare water vloeit als rein kristal Door groene landen, 't Gebloemte zoomt de boorden overal Met gele randen, De leeuw'rik rijst de morgenvelden uit En zingt een lied, Dat ik wèl hooren, wèl gevoelen kan Maar zeggen niet. Want klaarder dan het menschelijke woord Is 't vogelzingen; Daar is geen snarenspel, geen harpaccoord Dat kan doordringen De ziel met vreugde en louterend geluk Als déze toon, Die draagt 't verlangen van de wereld tot Der heem'len troon. Hoor, hoor het zilv'ren trill'ren als een vreemd- Zalig verblijden, Waar, boven bosschen en beschenen beemd, Naar alle zijden De wijde ruimte oneindig openblauwt, De zonne schijnt, En, onder 't juub'len van zijn heilig lied, Die 't zong, verdwijnt. Om, als verzaad van zon en hemelgloed Zingend te dalen, Maar straks, als een die steeds verlangen moet De warme stralen Van 't zomersch licht te drinken van nabij, Wéér 't aardsche ontstijgt En niet kán rusten voor de lentedag Ter kimme nijgt.

Als Ik Rust. Als ik rust op 't doodekussen, Als mijn oogen niet meer zien, Als mijn ooren niet meer hooren, Zal er éen, o éen misschien Brand van ziel en zinnen blusschen Loopend tusschen 't zonnig koren Met mijn verzen 't leed te' ontvliên. Verzen, duizend verzen schreef ik Voor mijn ziel gestalte kreeg, Nú was 'k al te zeer van woorden Dán van leed en vreugde leeg; Maar thans in mijn verzen leef ik, Ziel en woord bijeenbehoorden Sinds uw schoon beeld tot mij neeg. Loop ik hier: 't is 't blauw der luchten, Loop ik ginds: 't is 't groene woud; Waar ik ga, of klare stroomen Baden in het middaggoud, Hoor de donkre dennen zuchten Zwatelen de klaterboomen, Waar het blad nooit ruste houdt; 't Ruischt en suizelt in de klanken Van mijn lied, waar fonkelend Als de weerschijn van rivieren Verten vindend onbekend, Schitteren met prismaspranken Woorden, die de weelde vieren, Van de zon-doorblonken Lent'. Laat mij zonder taal of teeken Schoonheid, nimmer van U zijn; Laat mijn lied ten einde klinken, Kan 't in vreugde, als 't moet in pijn; Laat de beker nimmer breken, Andren menschen lang doen drinken Teugen van mijn levenswijn.

Heel Mijn Leven. Mijn lief is blij, zij lacht en zingt En schittert in de zonneschijn; Als zij zóó héél mijn leven zingt Kan nooit mijn leven lijden zijn. Ja! zang en lachen duren kort Als bloemen in den zomerdag; De zomer sterft; de bloem verdort: Zoo sterft der menschen zang en lach. Maar nu der zonne gouden val Vloeit langs gelaat en blinkend kleed, En zij gaat zingend of zij zal Zóó eeuwig zingen zonder leed, Nu voel ik—of 'k mij zelven wieg In droomen die maar kort bestaan 't Is beter zoo 'k mij zelf bedrieg Dan 't leven droomloos door te gaan— Nu voel ik zaal'ge vreugde in mij Bij 't luistren naar heur lach en zang Want weet, wát blijve of ga voorbij: Dát hoor ik héél mijn leven lang.

Onontbeerlijk. Mij kan geen donker leed genaken, Mij kan geen lichte vreugde ontvliên Zoolang gij over mij blijft waken En ik naar U, naar U mag zien. Gij zijt als brood mijn leven noodig, Wat regens zijn voor 't dorstig land; En, wordt mij alles overbodig, O, nooit de handdruk van úw hand! O! nooit de gloed der stralende oogen, Die in des Levens hooggetij Mij zegge' als woorden 't nooit vermogen: "Hoe onontbeerlijk zijt ge ook mij!"

Zondagavond. Het was een Zondag, populieren suisden Als verre zeeën boven ons, De weien droegen 't wuivend dons Van duizend duizend witbepluisde Zilveren zaden; 't blauw verschiet Week duist'rend, achter 't hooge riet. De dag verging, en verre in 't wolken-gloren Verzonk goud-rood de Westerzon Naar 't vlammen van den horizon, Waar, boven 't land, de aloude toren Droeg, hoog op 't gulden avonduur, Den weerschijn van dat verre vuur. Toen... over de akkers, legde zich de vrede Van 't nachtlijk duister aâmloos heen, 't Naglanzen van den dag verdween, En langzaam gingen onze schreden Terug naar de bevolkte stad, En... 't werd mij onder 't huiswaarts treden, Of 'k, met het uur dat was vergleden Iets eindloos liefs verloren had.

Rust. Aan Lena Hansen. In het uur, dat de lucht nog niet duister is, —Even vóór den nacht— Omhoog nog de laatste luister is Der verbleekte zonnepracht; Waar de wijde rust, na den blijden dag Op aarde ligt uitgespreid, Alsof zij sinds eeuwige tijden lag En zoo liggen zal voor altijd; In het uur, dat langzaam kleppende slaat Uit een stil dorp een klok, En een landman stalwaartstappende gaat Naast het span dat de ploegschaar trok, Loop ik te dolen door 't vredige veld Waar de laatste schoven staan, En ik denk, hoe dit jaar is henengesneld En hoe ras een volgend zal gaan. "Zag ik den trotschen zaaier niet In September over het land; Zag ik het goudgewaaier niet Van de zon, die de tarwe brandt? Zal ik opnieuw den zaaier zien Zaaien met breed gebaar? Zal ik opnieuw den maaier zien...? Of... was dit het laatste jaar?"

Naajaarsochtend. Najaarsochtend. Wijd en wijder Wijkt de hemel zilverblauw; Om den morgen blijde glijdt er Door 't nog scheem'rig bosch-gebouw, Waar de zon met lichte stijlen Straks de stammen schoren zal, Vogelkwinklen over 't ijle Loover schijnend als kristal. Op de heide drijft een herder Langs het vochtig morgenspoor Vroeg-vergaarde kudde verder In des ochtends gouden gloor; Tot hij voor den bleeken schijn der Westerkimme in 't bosch verdwijnt En opnieuw de ledige einder Eindloozer dan eindloos schijnt.

Altijd Elders Zijn handen waren zacht als fluweel, Maar hij dorst het niet te vangen, Het Geluk, zoo teer als vlindergespeel, En zoo blééf het zijn verlangen. En hij kreeg wel wat hij had verlangd, Maar hij kreeg het nooit op tijd, En als hij het had in zijn bevende hand, Dan was het zijn gloed-schoon kwijt. Want 's morgens vond hij den middagstond Als iets, dat hij heerlijk wist, En 's middags zocht hij of hij vond Wat hij 's morgens had gemist. En 's avonds zag hij het middaguur, Dat hem eerst zoo had vermoeid, Als een groote papaver van stralend vuur, Waar de levende zon in gloeit. En zoo zag hij steeds wat hij hebben wou, En nooit zag hij wat hij had, En hij dacht eerst hoe hij het minnen zou Als hij het niet meer bezat. En dan ging hij door der nachten schijn, Met de starren boven zijn hoofd, En zijn hart zong, dat het daar zou zijn, Maar hij heeft het niet geloofd.

Onvergankelijk. Meer dan de aardgeboren liefde Is 't, die me aan uw leven bindt, Liefde kent een gouden daagraad, Na den middag d'avond vindt, Alles, alles is verganklijk, Maar ik weet dit Eéne onwanklijk Licht dat zelfs geen doodsnacht blindt. Laat de trage maanden glijden, Laat de vale jaren gaan, Laat de ziel in weemoed weenen Om het leed haar aangedaan, Gaat, als in den brand het koren, Heel de levensoogst verloren, Dit zal ongerept bestaan. Zware gang van enkele uren, Storm en bliksem, hagelslag, Dooden de oogst der rijkste jaren Op één onheilvollen dag. Gisteren stond de boom te bloeien, Waar is nu, bij 't ochtendgloeien, Schooner blank dan 't oog ooit zag: Eeuwen trotsten de oude muren, Waar is de eens onwrikbre wal? Duizend slagen van den moker Waren doelrijk voor den val! Laat de bloesembloei vervalen, Laat de moker zegepralen: Dit den tijd trotseeren zal. Lief, lach niet zoo ongeloovig, Daar is meer dan Ruimte en Tijd, Daar is meer den mensch gegeven: De afglans van de Onsterfelijkheid! Wend u, doet de dood u vreezen, Naar de hoogten van mijn wezen Door dat licht voor goed gewijd. Onverderflijk en onsterflijk Is de Schoonheid, zij alleen! Niet van Heden, niet van Morgen Is het licht dat door Haar scheen, Maar met triomfanten luister Baken in des Levens duister, Door der eeuwen eeuwigheên.

Onherroepelijk. "Laat niet uw jeugd in ijdel spel verglijden, Als gij u geeft, geef u voor allen tijd; De pasmunt beeldt men naar het beeld der tijden, De diamant groeit ééns voor de eeuwigheid. Het klein genot stroomt toe van alle zijden, Het Groot Geluk geen leven tweemaal wijdt, Wee, die dan, om wat vreugd en klein verblijden, Den Droom van zijn verkwiste jeugd beschreit. Want Ziel, als vrouw haar kind, brengt droomen groot En is dan verder voor bevruchting dood; Zij kan niet langer, dan zij zelf heeft, baren. Maar mag een moeder nog kindskinderen zien Jeugddroomen sterven kinderloos en vliên Bij 't wijken van des levens schoonste jaren."

Duistere Nacht. Het is me alsof ik sterven moet, Wanneer ik denk U te verlaten, En, eenzaam, zonder levensmoed, Herzie de eens saambetreden straten, Waarin het maanlicht stil en goud, Valt tusschen gevels eeuwen oud. Het is een nacht van lichte pracht, Maar duistrer nacht is nooit verschenen; En als ik denk, dat gij nu zacht In droomen lacht, dan moet ik weenen Omdat ik U niet meer kan zien En nooit misschien zal wederzien.

Neen! "Wanneer gij, doof voor jammerklacht en gillen, Voor bittre tranen, biddend liefdewoord, Den zond'gen dorst der zinnenlust blijft stillen En andrer vrede als eens mijn vrede stoort, Om Uw jong, heerlijk leven te verspillen, Dat mij en hooger roeping toebehoort, Zie ik U liever in den dood verkillen, Dan dús door 't Leven, naar-de-ziel vermoord ... Neen!... kom zoo arm, zoo naakt en zoo melaatsch Als gij wilt wezen uit de wereld weer, Ik heb U lief, ik kan U niet verstooten; Voor U blijft altijd in mijn leven plaats, Voor U wordt altijd weer mijn hart ontsloten, Dat U beminde en, na U, niemand meer."

Dat Jaar. Dat jaar, dat onvergeetlijke Kan nimmer keeren, Dat gaf de ziel haar zoo onmeetlijke Vreugd na begeeren... Kus mij nog eens, geef 't onuitspreeklijke In één Vaarwel... Dan breke, wat scheen 't onverbreeklijke, ... En 't breke snel.

Haar Antwoord. Wanneer zal de ure zijn, dat gij als bruid Met mij zult staan in wit-satijnen kleeren? "Wanneer de stroomen naar hun bronnen keeren, "De raaf het lied der nachtegalen fluit." Hadt gij mij dan niet lief in vroeger tijd, Was dan Uw hart niet naar mijn hart genegen? "Mijn hart was vól van U, maar heeft verkregen "Tot loon alleen leed, leed in eeuwigheid." Kan dan het eens verbleekte morgenuur, Daar alles toch herleeft in de natuur, Niet met een nieuwen dag de kimmen kleuren? "Wat eens gebeurd is kan nooit weer gebeuren, "Men kan maar ééns een blad aan stukken scheuren "En wat het vuur verkrijgt, verslindt het vuur."

Afscheid.

I.

"Daar ik voor U mijn hart heb voelen beven,

Zoo, als het voor geen sterv'ling heeft gebeefd,

Daar ik mij aan U over heb gegeven,

Zoo, als geen vrouw ten tweede maal zich geeft;

Willoos Uw wil, door 't al te on-bandig leven

Mijn schoonst geluk voorgoed vernietigd heeft,

Heb ik, met brekend hart, dit woord geschreven:

""Dat het U welga, lief, zoo lang gij leeft.""

Wel wordt, na de al te noodlooze overgave

Van mijn jong hart de Liefde vroeg begraven,

Die me als een droom voor heel mijn leven scheen;

Maar beter ligt een lieve droom gestorven,

Dan dat hij, door het noodlot droef verdorven,

Leeft, maar verloor de blankheid van 't verleên."

II.

"Ik heb aan U gerechtigheid gedaan,

"Gij liet mij geen gerechtigheid weervaren,

"Ik gaf aan U mijn schoonste levensjaren,

"En wat deed gij mij aan?

"Mijn liefde heeft uw peluw glad gestreken,

"Mijn lippen 't gloeiend voorhoofd koel gekust,

"Waarom, waarom moest gij mijn leven breken,

"Was dan mijn leed úw lust?

"Mijn welkom was een witgeplooide bloeme

"Die nog de sporen droeg van haar ontvouwenis,

"Mijn afscheidswoord zal U niet nú verdoemen,

"Maar ééns zult gij mijn naam nog noemen

"In de ure der benauwenis.

"Gedenk mij dan, zooals ge in de eerste stonde

"Mij hebt gekend: mijn deernis blijft U bij;

"De tijd gaat snel: straks heelen de oude wonden,

"Wanneer de lange nacht ons beiden heeft gevonden,

"Die rust geeft U... en mij.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings