De oostkust van Mindanao.
Reading edition
Dien eigen avond, omstreeks tien uren, wierpen wij het anker uit in eene kreek, voor het dorpje Placer. Ik zend mijne lieden naar den wal om daar te overnachten en houd alleen twee muchachos bij mij.
Toen ik den volgenden morgen wakker werd, bevond ik mij op eenige kabellengten van de kust en geheel alleen aan boord; gedurende den nacht hebben de muchachos zich uit de voeten gemaakt en is de banca losgeraakt. Mijne muchachos waren van Surigao vertrokken zonder een penning op zak, maar de matrozen hadden nog wat geld, en overeenkomstig het gebruik bij de Bisayas, hebben allen te zamen dit geld verdronken. Gelukkig drijft de wind mij naar de kust; ik hijsch het zeil; na verloop van korten tijd is mijn personeel weer kompleet en kunnen wij weder vertrekken.
Ten zuiden van Placer is de kust zeer onvolkomen door eilanden gedekt; de wind wakkert aan, en de zee gaat hoog; ten elf uren zijn mijne roeiers uitgeput. Ik acht mij gelukkig dat wij onder den wal van het eilandje Cabgan, eene halve mijl ten zuiden van Gigaquit, kunnen ankeren.
Wij krijgen nu de zoogenaamde colla—dat wil zeggen, onophoudelijke regenbuien vergezeld van hevige windvlagen;—zij duurt twee dagen achtereen; aan de windzijde kan men zich, op het strand van het eilandje, niet dan met moeite op de been houden. Den veertienden begint de wind wat te bedaren; intusschen kom ik tot de onaangename ontdekking dat mijne bemanning viermaal meer levensmiddelen heeft verbruikt dan waarop gerekend was, en dat zij het overige hebben laten bederven. Wij moeten naar Gigaquit gaan om nieuwen voorraad op te doen. Ondanks de onstuimige zee, gaan mijne manschappen, zonder een woord te zeggen, aan boord. Ik laat koers zetten naar den mond van de kleine rio van Gigaquit, ten zuidwesten van Cabgan; de hevige noordoosten wind, die bijna tot storm is aangewakkerd, drijft ons met vliegende snelheid door het met ondiepten en banken bezaaide water naar de kust; op eenigen afstand van de rio worden de golven grooter en langer, maar de banca glijdt nog zonder moeite over hare oppervlakte. Mijne roeiers kennende, kom ik op den gelukkigen inval, de zeilen te doen hijschen. Het water neemt eene aschgrauwe kleur aan; de golven worden al breeder en steiler: wij bevinden ons op de baar. Eene reusachtige golf stort zich op de banca, tilt haar als eene voer omhoog en vloeit dan onder haar weg; de banca drijft nu op een volkomen kalm en effen water, grijsgeel van kleur. Maar verre, verre achter ons verheft zich op die grauwe oppervlakte eene reusachtige golf, loodrecht als een muur en met een Bladzijde 219breeden rand van schuim gekroond; zij nadert in vliegende vaart, aanrollende met onwederstaanbaar geweld: onder dien loodkleurigen hemel, bij dien huilenden wind, een bode des verderfs.... Na verloop van eenige sekonden heeft zij ons bereikt; de banca verdwijnt in wolken van warrelend schuim; het woest geklater en gekraak overstemt het geschreeuw mijner equipage. De banca is vol water; dat zij boven drijft, is uitsluitend aan den uitlegger te danken;—maar wij zijn een eind vooruitgekomen,—en mijne manschappen hebben den tijd, althans gedeeltelijk het water uit te hoozen, eer eene nieuwe golf komt; dit tooneel herhaalt zich acht- of tienmaal: een laatste golf werpt ons in de rio van Gigaquit.
Mijne verschillende instrumenten drijven intusschen, beschadigd en in hopelooze wanorde, op den bodem van de banca; in drift ontstoken grijp ik den stuurman bij de keel: “Zeg mij, ellendige tulisan (roover), hoe durft gij als stuurman dienst te doen, daar ge dit vaarwater niet kent?
—Dispense Usted, Señor (Met uw verlof, Mijnheer), ik ken de kust zeer goed.
—Waarom hebt gij mij dan niet vooruit gewaarschuwd?
—Dispense Usted, Señor, gij zaagt er bij ons vertrek zoo toornig uit, dat ik geene opmerking durfde maken.”
Aan den oever van de rio staat de pastorie van Gigaquit; juist toen ik er binnen wilde gaan, nadert een Europeaan, even druipnat als ik, van den anderen kant: dat is pater Puntas. Met onze doorweekte, vast aan het lijf klevende kleederen, zien wij er zoo wonderlijk uit, dat wij ons niet weerhouden kunnen, in lachen uit te barsten. Pater Estevan Yepes, missionaris van Grigaquit, komt naar buiten, en ontvangt mij, als trouwens al zijne achtenswaardige collega's, met de meeste voorkomendheid. De pastorie is ruim; het zinken dak is tegen den regen bestand; weldra kan ik mijne kleederen, mijne gereedschappen en instrumenten en ook mijn persoon bij een goed vuur drogen.
16 Januari.—Het weer wordt steeds slechter; het is onmogelijk zee te kiezen; geweldige branding en onophoudelijke stormvlagen houden ons gevangen; en naar het schijnt, is dit het normale weer in dezen tijd des jaars tot April of Mei! Toch moet ik eene laatste poging wagen, om mijn tocht naar het zuiden te vervolgen.
Van een vluchtige beterschap gebruik makende, steken wij, bij eb, van Gigaquit in zee en komen zonder ongeval over de baar. Nu zetten wij koers naar de landpunt Tugas; maar ondanks alle inspanning van de equipage, bijgestaan door de muchachos, komen wij niet vooruit. Deze prauwen, door sommige reizigers zoo geprezen, zijn metterdaad ellendige vaartuigen; de uitleggers belemmeren hun gang; de vorm van de kiel belet het aanbrengen van een deugdelijk roer, in welk gemis zeer onvolkomen wordt voorzien door een korten wrikriem; en bij eene sterke branding zijn zij niet meer te vertrouwen, zoodra men niet meer voor den wind stuurt. Bij de slingerende bewegingen stoot de uitlegger te loefwaart met kracht tegen de golven, die de banca hebben opgetild, zoodat de rottingbanden, waarmede hij aan de dwarshouten verbonden is, beginnen los te laten. Dit is ook nu het geval: Francisco, die den uitlegger aan bakboordzijde moet gaan vastbinden, wordt door eene golf medegesleept en verdwijnt in de diepte. Gelukkig konden wij hem weer opvisschen, toen hij, tien vademen verder, weder boven kwam.
Na dit ongeval was mijn besluit genomen. Ik geef mijn voornemen om over zee naar Bislig te gaan op; ik zal daar spoediger komen wanneer ik over land naar Bunauan ga; daar gekomen, zal ik het gebergte overtrekken, dat zich tusschen het meer Linao en den Stillen-oceaan verheft. Ik zet dus weer koers naar Placer, dat wij niet zonder moeite bereiken; de wind, die eerst gunstig was, wordt te sterk en de zee is onstuimig; de wind loopt plotseling naar het noorden en scheurt het groote zeil aan flarden; mijne manschappen weten niet meer wat hun te doen staat. Op dat oogenblik vliegt eene ontredderde banca pijlsnel langs ons heen en wordt op de kust van Placer tot splinters geslagen, eer ik haar een touw heb kunnen toewerpen. Gelukkig kan de bemanning den vasten wal bereiken. Eindelijk komen wij, des avonds ten zeven uren, te Taganaan, waar ik weldra, in gezelschap van pater Jaime Plana en broeder don Pablo Aguilar, de vermoeienissen van dezen dag vergeet.
Den negentienden Januari kwamen wij te Butuan, Ik vaar de Agusan op: hetgeen ten gevolge van den sterken was der rivier zeer langzaam gaat; de nieuwe dorpen van de Manobos conquistados hebben zeer veel te lijden gehad van de overstroomingen. Op mijn herhaald verzoek om levensmiddelen, heeft de capitan van Guadelupe geen ander antwoord dan dit: “Ik sterf van honger”. Alle plantages zijn verwoest. Te Amparo is er gebrek aan menschen, niet minder dan aan levensmiddelen. De hutten staan ledig; de inwoners hebben alles medegenomen, levensmiddelen en gereedschappen. Te San-Luis verneem ik, tot mijne verbazing, dat ik zelf de oorzaak ben van deze vlucht der inlanders. Toen ik op mijne heenreis de Agusan afzakte, heb ik eenige Manobos, van wie men mij verzekerde dat zij van het zuiverste bloed waren, gemeten. Deze operatie, waarvan zij niets begrepen, kwam hun in de hoogste mate verdacht voor; en hun voormalige dato, die het verlies zijner vroegere onafhankelijkheid slecht kon verkroppen, heeft hen zonder moeite overgehaald, met hem naar de bosschen te vluchten. Ook mijne astronomische waarnemingen hebben het wantrouwen der oeverbewoners opgewekt, en de Manobos van San-Luis deelen mij openhartig de reden daarvan mede. “Ziet ge, zeiden zij, dat gaat niet natuurlijk toe; alleen een toovenaar kan met zulk een wonderlijk instrument (zij bedoelen mijn sextant) naar de zon kijken. Dit instrument is betooverd; daardoor ontdekt gij de ligging der hutten, midden in de dichtste wouden, achter de bergen verborgen; gij teekent die op, en zult dan met de Bladzijde 220Castilas terug komen om al de Infieles in hunne handen over te leveren”.
Het doet mij innig leed, aldus zonder mijn weten den arbeid te hebben verstoord van de missionarissen, die mij met zooveel hartelijkheid hebben ontvangen. Toch is het te verwonderen, dat dergelijke desertiën niet meer voorkomen. De reduccion vernietigt de macht van den dato en laat hem slechts eene enkele vrouw; zijn gezag als capitan of teniente is uit den aard der zaak onzeker; de sacopes en de slaven kunnen eerst na verloop van tijd de voordeelen en weldaden van het nieuwe regeeringsstelsel leeren waardeeren; hunne aangeboren zorgeloosheid bekommert zich niet om de onzekerheden en wisselvalligheden aan het wilde leven in de bosschen verbonden; daarentegen kunnen zij in geenen deele de noodzakelijkheid inzien, om, in strijd met hunne aloude gewoonte, voor ieder gezin eene afzonderlijke hut te bouwen, benevens eene kapel, een tribunaal en dergelijke inrichtingen; de dato eischte wel van hen, dat zij hem in den oorlog zouden volgen, maar dat viel geheel in hun smaak, want daarbij was in den regel eenige buit te behalen.
Toch zijn de desertiën doorgaans het gevolg van de knevelarijen der inlandsche inspecteurs of tolken, die in de dorpen der nuevos conquistados worden aangesteld, om toezicht te houden en hen bekend te maken met de eerste beginselen der beschaving. De Bisayas nemen die betrekkingen alleen aan, omdat zij hopen daarvan voordeel te trekken door de oneerlijkste praktijken. Spekuleerende op de zorgeloosheid en ijdelheid der nieuw bekeerden, verkoopen zij hun op krediet kleederen, snuisterijen en allerlei andere zaken, tegen buitensporig hooge prijzen en voor belangrijke sommen. De reducidos, geen kans ziende ooit hunne schuld af te betalen, maken zich soms uit de voeten; maar de schuldeischer verliest er niet veel bij: als hij maar iets op afrekening ontvangen heeft, is hij doorgaans reeds meer dan gedekt.

Dorp der Mandayas.
Eerst den 27sten Januari kom ik te Bunauan, waar ik de banca, die ik te Butuan had gehuurd, verwissel tegen twee prauwen. Ik verlaat nu mijn vroegeren weg en vaar de Simulao op, die sterk gezwollen en vrij onstuimig is, tot een weinig boven Tudela, een armzalig dorp van Mandayas, die meer of minder oprechtelijk tot het Christendom zijn overgegaan. De Simulao is tusschen tamelijk hooge oevers ingesloten, die eenzaam en verlaten zijn. Het regent maar steeds door; en onder dien grauwen hemel, maakt Tudela, in de modder verzonken, den treurigen indruk van een dorp, dat in puin vergaat nog eer het voltooid is. De inwoners schijnen met verdooving geslagen; de kinderen zelfs, in de hoeken neergehurkt, met houten sabeltjes spelende, zijn somber en zwijgend bij hun spel.
Ik moet echter noodwendig dragers hebben, om over den berg Bucan te trekken, die mij van Bislig scheidt; daar alle aanbiedingen en bedreigingen zonder uitwerking blijven, maak ik mij meester van den capitan van Tudela, zeg hem dat hij mijn gevangene is, dat ik hem zal medenemen en dat hij nimmer de oevers van de Simulao zal wederzien. Eerst toen besloot hij, mij twee lichte kano's, drie mannen en vier kinderen van vijf tot twaalf jaar te bezorgen.
Den laatsten dag der maand kwamen wij, na over den berg Bucan (honderd-dertig el hoog) getrokken te zijn, aan de diepe en breede rio Bislig. Even als alle andere reeden langs deze kust (alleen de golf van Pujada uitgezonderd), ligt ook die van Bislig naar het noordoosten open, waardoor zij gedurende den thans heerschenden moesson onbruikbaar is.—Bislig, eene der oudste nederzettingen van de Bisayas aan de kust van den Stillen-oceaan, wordt tot Surigao gerekend en bestuurd door een bataillonschef. Ik begeef mij naar het tribunaal, waar ik in mijn armoedige bagage een fatsoenlijk kleedingstuk opzoek, om mijne opwachting te kunnen maken bij den gouverneur. De kommandant, don Raphael Piquer y Morales, van mijne komst verwittigd, zendt aanstonds een ploeg cuadrilleros, die al mijne bagage opnemen. Ik volg hen, en eenige minuten daarna stelt de kommandant mij aan zijne echtgenoote voor, en zegt mij dat ik bij hem ben gelogeerd. “Eene weigering zou u niets baten, voegt hij er aan toe: laat ons maar dadelijk aan tafel gaan.”
Ik breng twee zeer aangename dagen bij mijne gasten door, die alleen met hun dochtertje in dit dorp, toch niet aan verveling ten prooi zijn en zich bezigheid hebben weten te verschaffen. De heer en mevrouw Piquer dringen er op aan, dat ik langer zal blijven; maar ik ben uitgeput van vermoeienis en ziek; ik gevoel dat het hoog tijd wordt, mijn tocht door Mindanao ten einde te brengen, omdat anders de krachten mij zullen gaan begeven.
Het weer schijnt tot beterschap te neigen; den tweeden Februari vertrek ik van Bislig in eene groote banca met vijf matrozen, die ik te danken had aan de vriendelijke tusschenkomst van den kommandant Piquer. Blijft het weer goed, dan zal het mij misschien mogelijk zijn, ondanks den mousson, de baai van Pujada te bereiken. De ervaring leerde evenwel al spoedig dat dit niet doenlijk was. Zoodra de wind maar even aanwakkerde, werd de zee zoo woelig en ontstond er zulk eene geweldige branding, dat wij niet voort konden komen. Na drie dagen tobbens, hadden wij het nog niet verder gebracht dan tot Catel Nuevo; van daar uitzeilende, werd de zee weder zoo ontstuimig, dat onze banca met mast en al onder de golven verdween. Ik weet wel, dat onze visschers langs het Kanaal en de Noordzee, in den winter meermalen zulk weer trotseeren, maar hunne vaartuigen bouwen vrij wat beter zee dan de banca's van Mindanao; bovendien is er, noch uit physiek, noch uit moreel oogpunt, eene vergelijking te maken tusschen onze visschers en de Bisayas.
Ik besluit dus, mijne reis over land, langs de kust, te vervolgen, en zend naar Catel-Viejo om dragers. Catel-Viejo, een oud pueblo der Bisayas, wordt tegenwoordig door onderworpen en nieuw bekeerde Mandayas bewoond, wier traagheid en zorgeloosheid niets te wenschen overlaat. Als zij Bladzijde 222zien, dat ik mij in ernst boos maak, loopen zij weg, zoodat wij hen te water en te land moeten najagen. Na bovenmenschelijke inspanning krijg ik eindelijk vier mannen, benevens twee buffels voor sleden gespannen, waarmede wij, naar het zeggen der Mandayas, over het zandige strand zeer goed zullen opschieten.
Ondanks den onbarmhartigen regen, die op nieuw bij stroomen neervalt, zou het inderdaad ook goed zijn gegaan, indien de sleden der Mandayas maar over het zand hadden willen glijden: maar daartoe waren zij niet te bewegen. Wij moeten dus de bagage van de sleden afnemen en op de buffels overladen, die daartoe van pakzadels worden voorzien, op de plaats zelve van lianen vervaardigd. Een dezer dieren, wien dit prikkelende zadel waarschijnlijk hindert, zet het eensklaps op een loopen en strooit zijne vracht over het strand. Zijn verschrikte geleider rent hem na, luid schreeuwende: ”Ayao! ayao!” Het tooneel is zoo dwaas, dat ik mij niet boos kan maken. Het is intusschen onmogelijk verder te gaan, want de duisternis valt en het strand is met drijfhout bedekt; wij bivouakeeren dus onder den blooten hemel, op een rots, onder onophoudelijkcn regen, zonder vuur en zonder levensmiddelen.
Den volgenden dag kwamen wij vrij vroegtijdig te San-Juan, wederom een dorp van onlangs onderworpen Mandayas; de capitan verhuurt mij een paard, een armzalig dier, dat mij, hoe vermagerd ik ook ben, niet dragen kan; bij den eersten kuil, dien wij ontmoeten, struikelt hij en valt op mij. Ik laat dien rosinant vastbinden aan den staart van een buffel, die hem met moeite voorttrekt. De regen, die sedert vier-en-twintig uren zonder ophouden valt, wordt een ware zondvloed: het is alsof de geheele Stille-oceaan zich in damp heeft opgelost om vervolgens weer in waterstroomen op ons neer te dalen. Het steile pad, dat over het voorgebergte Bagoso loopt, is bezaaid met puntige rotsen en steenen, telkens afgebroken door diepe beken en door breede en diepe poelen. Ik vraag mij af, hoe onze buffels het wel hier maken moeten, toen eensklaps een dezer dieren, het beste, neervalt en weigert op te staan; het stervende dier zinkt elk oogenblik dieper in de modder. Twee muchachos loopen zoo hard zij kunnen naar den naasten pueblo; de hemel geve, dat die niet ver verwijderd zij! Inmiddels laat ik den armen buffel van zijne vracht bevrijden, en tot mijne groote verbazing komt het dier weer bij; wij trekken hem uit de modder en beladen hem weder, maar slechts met een deel zijner vracht, want de onophoudelijke regen, die overal doordringt, heeft het gewicht der bagage verdubbeld. Kort daarop verschijnen een aantal Bisayas van Quinablangan; ik heb het gelukkig getroffen: het dorp lag in de nabijheid en mijne muchachos hebben er een missionaris ontmoet, die, zonder dat hij mij kende, hen aanstonds terugzond met zooveel manschappen, als waarover hij op dat oogenblik beschikken kon. De buffels, nu van een deel van hun vracht ontlast, gaan geregeld voort; wij trekken met spoed door de laatste ravijnen van den berg, en komen tegen vier uren in den namiddag te Quinablangan, waar ik persoonlijk mijn dank kan brengen aan pater Raimundo Peruga, die ons op zoo uitstekende wijze geholpen heeft.
8 Februari.—Ik heb heden een reisgenoot: pater Peruga gaat, even als ik, naar Dapnan, een door Bisayas bewoond dorp, waar wij den eerwaarden pater Quirico Moré aantreffen, dien ik reeds de eer heb gehad te Davao te ontmoeten. Dapnan is in geweldige opschudding: twee dagen geleden hebben de Mandayas een aanval gewaagd op enkele huizen van den pueblo; zij hebben drie der hunnen verloren, maar hebben zes Bisayas vermoord en verscheidene anderen medegevoerd; het is waar, dat de Bisayas, kort te voren, op soortgelijke wijze de Mandayas hadden overvallen. Deze veeten zijn onuitroeibaar, en de eene gewelddaad lokt de andere uit.
Des avonds komen wij te Baganga, een pueblo die door vijftien-honderd zoogenaamde oude Christenen (Christianos viejos) wordt bewoond, voor het meerendeel mestiezen van Mandayas en Bisayas.
Den volgenden morgen neem ik afscheid van de missionarissen, wier levenstaak hen roept om, te midden van allerlei ontberingen en gevaren, te blijven arbeiden onder de Bisayas en Infieles, ver van de beschaafde maatschappij, waarin ik weldra zal terugkeeren. In waarheid, hoe meer ik deze mannen in hun bij de wereld vergeten en zoo vaak bespotten en geminachten werkkring leerde kennen, des te hooger sloeg mijne bewondering voor hun geloof en hunne grenzenlooze toewijding.
Pater More, die twee dagen te Baganga blijft, leent mij zijn paard, dat ik hem op de eerstvolgende pleisterplaats zal terugzenden. De tocht wordt er, voor mijne dragers en mijne muchachos, niet gemakkelijker op. Het geheele oostelijke gedeelte van Mindanao is bedekt met eene vrij hooge bergketen, die van het noorden naar het zuiden loopt, maar talrijke vertakkingen naar het oosten uitzendt, welke meestal in hooge voorgebergten eindigen. Het gevolg hiervan is, dat de kust bestaat uit eene opeenvolging van baaien en inhammen, door steile hoogten gescheiden, waarover een ter nauwernood gebaand pad loopt, dat door lianen wordt versperd en telkens door beken en poelen afgebroken.
Ik zal maar niet uitvoerig verhalen, hoe wij van dag tot dag voortsukkelden langs deze noodlottige onherbergzame kust, die bij elken voetstap den reiziger nieuwe bezwaren in den weg legt. De regen hield maar steeds aan, en meermalen moesten wij des nachts onder den blooten hemel kampeeren. Daar kwam bij, dat mijne dragers nooit langer dan hoogstens één etmaal bij mij bleven; telkens moest ik dus, in de ellendige dorpen en gehuchten, die wij ontmoetten, op nieuw moeite doen om plaatsvervangers te vinden. En had ik eindelijk de noodige manschappen gevonden, dan kostte het niet minder moeite om hun te eten te geven; het weinige dat zij medebrachten, was in den morgen reeds verteerd; kwam ik 's avonds in een dorp, dan gelukte het mij maar zelden, er een weinig rijst te koopen; doorgaans moeten wij Bladzijde 223ons tevreden stellen met bananen en wat pataten. In de maanden, die op den rijstoogst volgen, heerscht er echter, in dit gedeelte van het eiland, minder gebrek aan levensmiddelen.
In den namiddag van den zestienden Februari kwamen wij, met helderen zonneschijn,—wij waren echter zoo uitgeput dat de warmte ons hinderlijk was,—te Mati, een door Bisayas en onderworpen Moros bewoond dorp aan de baai van Pujada. Deze baai, waarvan de zuidoostelijke punt uitloopt in een hoog, bij uitnemendheid schilderachtig voorgebergte, vormt een ruime, zeer gunstig gelegen, uitmuntende haven, die, wanneer eenmaal de beschaving op de oostkust van Mindanao vasten voet zal hebben gewonnen, van overwegend belang zal zijn en waarschijnlijk eene schitterende toekomst tegemoet zal gaan. De voortreffelijke ankerplaats is door de landpunt Taucanan geheel gedekt tegen de noorden- en noordoosten winden; de ingang van de baai is zonder eenig gevaar; enkele kleine eilandjes schijnen daar opzettelijk geplaatst om bakens en vuurtorens te ontvangen. De baai van Pujada is het aangewezen middelpunt voor de handelsbeweging langs deze kust; maar er zal waarschijnlijk nog wel een groote veertien dagen verloopen, eer hier van handel sprake kan zijn.
Van Bislig tot hier vond ik de kust woest en verlaten, en menigmalen trokken wij den ganschen dag voort, zonder een spoor van een menschelijk wezen te ontmoeten, buiten de weinige ellendige dorpen en gehuchten. De dorpjes der nieuw bekeerde Mandayas zijn ter nauwernood omringd door eenige armoedige velden, met pataten en rijst beplant, en als het ware verloren te midden van het dichte woud. De nederzettingen van zoogenaamde oude Christenen, Christianos viejos, zijn niet beter; overal is de bevolking even traag, verzonken in lustelooze dofheid en zorgelooze onnadenkendheid.
17 Februari.—Met een kano vaar ik van Mati naar Puerto Balete (ten zuidwesten van de baai van Pujada), waar het terrein zich uitmuntend zou leenen voor den aanleg van dokken en kaaien. Ik ga daar aan land, om den bergrug over te trekken, die van Surigao tot kaap Sint-Augustijn evenwijdig met de kust loopt. In haar noordelijk gedeelte heb ik die bergketen reeds in omgekeerde richting overgetrokken, om van de oevers van de Simulao de zeekust te bereiken. Hier is de overtocht gemakkelijker; na over een vrij steile kam te zijn geklauterd, die ten noordwesten van Puerto Balete oprijst, heeft men slechts een natuurlijk ravijn te volgen, dat de bergketen doorsnijdt en aan de oostkust van de golf van Davao uitkomt, te Kuavo, waar twee hutten zijn, maar geen prauw is te vinden. Een visscher, een moro, die naar zijne rancheria terugkeert, neemt mij met zijne bagage in zijne banca op. Ik zend mijne dragers weg, en mijne muchachos volgen mij te voet langs het strand.
De visscher gaat niet verder dan Sumlug; de dato van dat gehucht zou, geloof ik, waar het op bedrog en schraapzucht aankomt, het van iedereen winnen: na eindelooze onderhandelingen bezorgt hij mij eindelijk, tegen een buitensporigen prijs, eene verrotte banca en twee zieke slaven.
Zoo, bovendien door tegenwind opgehouden en telkens verplicht stil te liggen, sukkelden wij voort langs de kust; hier en daar op het punt van schipbreuk te lijden.
Den twee-en-twintigsten Februari kwam ik eindelijk te Davao, waar ik het genoegen had, de meeste vrienden terug te vinden, die ik den tweeden November had verlaten; hun vriendelijk onthaal zou mij de doorgestane vermoeienissen spoedig hebben doen vergeten, wanneer niet de telkens wederkeerende aanvallen van koorts mij er aan hadden herinnerd. Ik breng hier mijne aanteekeningen en collecties in orde. Mijne muchachos, die geheel uitgerust en hier goed gevoed zijn, wenschen te vertrekken; de twee, die ik genoodzaakt ben weg te zenden, om hen niet geheel aan hunne familie te ontrukken, zijn zeer bedroefd; maar eene goede gratificatie troost hen spoedig. Zulk een zwervend leven in het gevolg van een Europeaan staat den Indianen zeer goed aan; in hun dorp teruggekeerd, zijn zij onuitputtelijk in het verhalen en verdichten van allerlei avonturen en heldendaden en worden in hun eigen oogen personages van gewicht.
13 Maart.—Ik neem afscheid van Davao en ga aan boord van de Francisco Reyes, die den 21 het anker uitwerpt in de haven van Manilla. Ik blijf daar eene geheele maand, vergeefs op mijne genezing hopende, in de gastvrije woning van onzen landgenoot, den heer Louis Génu, wiens hartelijke en zorgvuldige verpleging mij ongetwijfeld de gezondheid zou hebben teruggegeven, indien de koortsen, met inzinking van krachten gepaard, op andere wijze waren te genezen dan door terugkeer naar Europa.
Voor zoover de koorts mij vrijliet, bracht ik alleraangenaamste oogenblikken door met den heer Génu, en met onze te Manilla gevestigde landgenooten, bepaaldelijk met den heer Bréjard, kanselier van het fransche consulaat, en den heer Aussenac, gewezen kavalerie-officier; deze heeren, die bijna alle landen der wereld hebben bezocht, wisten uit den rijken schat hunner ervaring en waarneming zoo belangrijke mededeelingen te doen, dat ik de met hen doorgebrachte avonden niet licht vergeten zal. Maar hoe gaarne ik mijne onderzoekingen ook verder zou hebben uitgestrekt, en hoezeer ik hoopte nog in staat te zijn, om de Infieles in het noorden van Luçon te leeren kennen, het mocht niet zijn. De staat mijner gezondheid noodzaakte mij, naar Europa terug te keeren.
Een beknopt overzicht van de groep der Philippijnen zal, ten besluite van dit reisverhaal, onzen lezers wellicht niet ongevallig zijn. De Philippijnen vormen de noordoostelijkste eilandengroep van den Oost-Indischen archipel; zij ligt tusschen de Chineesche-zee en den Stillen-oceaan, en strekt zich uit van 5° 9′ tot 21° noorderbreedte, en van 117° tot 126° oosterlengte. Het eigenlijke middelpunt der groep vormt in het noorden het eiland Luçon, Bladzijde 224aan welks zuidpunt zich drie reeksen van eilanden aansluiten, waarvan twee in zuidoostelijke en eene in zuidwestelijke richting. Het voornaamste eiland na Luçon is Mindanao in het zuiden; voorts verdienen nog afzonderlijke vermelding: Samar, Masbate, Leyte, Panay, Negros, Cebu, Pajol, die met Mindoro en een groot aantal kleinere eilanden de zoogenoemde Bisayasgroep vormen; verder de Calamianes met inbegrip van Palawan; de Babuyanen en de Baschi of Batanen, ten noorden van Luçon. Men schat het aantal van alle eilanden te zamen op twaalfhonderd, en de oppervlakte, met inbegrip van de Soeloe-eilanden, op vijfduizend-driehonderd-acht-en-zestig vierkante mijlen, waarvan ruim drieduizend vierkante mijlen in het bezit der Spanjaarden zijn. Ongetwijfeld vormen al deze eilanden te zamen een soort van hoogland, tusschen welks plateaux zich diepe dalen slingeren, thans door de wateren der zee bedolven. De meeste eilanden zijn met bergen en heuvels bedekt, terwijl belangrijke bergketenen hen van het noorden naar het zuiden doorsnijden; bovendien bevatten zij een aantal deels nog werkzame, deels uitgedoofde vulkanen, en zijn daarom vaak aan aardbevingen onderhevig.
Men onderscheidt drie jaargetijden: vooreerst het droge en koude jaargetijde, dat in November met den aanvang van den noordoost-moesson begint; voorts de sencas of het warme saizoen, dat in Maart begint en in April en Mei onuitstaanbare hitte aanbrengt; eindelijk de regentijd, die in het zuidwesten van den archipel in Mei en Juni intreedt en tot September en October duurt, als wanneer het aan de noordelijke en oostelijke kusten begint te regenen. De zuidwest-moesson begint regelmatig in Juni; hij duurt tot September en October; het omslaan van den wind gaat meestal met geweldige stormen en orkanen gepaard.

Brug over de rio Tagulaya.
De bodem der Philippijnen is bij uitstek vruchtbaar; de eilanden, die niet alleen uit het planten- maar ook uit het delfstoffenrijk onuitputtelijke schatten bezitten, welke nog maar voor een gering deel worden geëxploiteerd, behooren ongetwijfeld tot de schoonste en vruchtbaarste landen van Azië. Jammer slechts, dat Spanje van deze kostbare bezitting niet al het voordeel trekt, dat het daarvan zou kunnen genieten.