← Table of contents
Een reis naar de Philippijnen

De baai van Sandakan.—De haven van Davao.

Reading edition

20 Januari 1880.—het is onstuimig weer; de zee gaat hoog, en een koude regen onttrekt aan ons oog de eilanden en riffen van den archipel van Tawi-Tawi, die zich tusschen Soeloe en Borneo, van het noordoosten naar het zuidwesten uitstrekt, en de zee van Mindoro van die van Celebes scheidt. Tegen tien uren des avonds werpen wij het anker uit in de baai van Soendakan, voor Elok Poera, hetgeen in het maleisch zooveel beteekent als de schoone stad.

Zes maanden geleden stond er nog geene enkele hut op deze heuvelen, voor welke nu waarschijnlijk eene schitterende toekomst is weggelegd: Elok Poera is tegenwoordig de hoofdplaats van de North British Borneo Company, die van de sultans van Soeloe en Broenei een grondgebied van veertigduizend vierkante mijlen in het noorden van Borneo, in vollen eigendom en met afstand van alle souvereiniteitsrechten, ontvangen heeft.

De resident (directeur der Compagnie), de heer W. B. Pryer, ontvangt ons met de grootste beleefdheid en dringt er op aan, dat wij onzen intrek in zijne woning zullen nemen; zelf een entomoloog van naam, beschouwt hij ons als collega's. Daar in zijn huis nog gewerkt wordt, slaan wij zijn vriendelijk aanbod af; hij stelt daarop de nieuwste hut van Elok Poera tot onze beschikking.

Nadat wij eenige dagen hadden doorgebracht met het maken van uitstapjes in de omstreken van Elok Poera, vertrok ik naar de rivier de Sagalioed, die zich in de golf van Sanbakan uitstort, achter Hadji Poeloe. Ik wensch een bezoek te brengen aan de Buled Upih, een inlandschen stam, die uit een anthropologisch oogpunt bijzonder de aandacht verdient. Des avonds werpen wij het anker uit bij het dorp Timban, dat door uitgewekenen uit Soeloe wordt bewoond.

Den zevenden Februari ging ik des morgens ten half zes op weg. De kust daalt; de onzekere lijn van het strand, de toenemende menigte wortelboomen acicenna alba, die het hoog opgaande hout vervangen, alles kondigt aan dat wij de monding van de Sagalioed naderen. Omstreeks half tien liep ik, bij lage zee, de monding binnen, die door eene bank wordt versperd, waardoor een smal ondiep kanaal loopt. Aan de andere zijde der bank bedraagt de diepte tusschen de vijf en zeven el. De oevers zijn laag en geheel begroeid met riet en wortelboomen, die langzamerhand plaats maken voor nipa. Eene menigte beken storten zich hier in de Sagalioed uit; en nadat mijn gids naar alle kanten heeft rondgekeken, verklaart hij niet te weten, welke van al die wateren de eigenlijke rivier is. Het grootste gedeelte van den dag gaat voorbij met zoeken en opsporen, alles onder de stralen eener brandende zon. Eindelijk, in den namiddag, gelukte het ons, uit te maken welke de rivier is en haar juisten loop te bepalen. De nipa-palmen maken nu weldra op hunne beurt plaats voor de hooge stammen en prachtige boomen van het tropische oerwoud. Door den vloed geholpen, varen wij nu verder tusschen twee hooge levende muren van ondoordringbaar gebladerte, waartusschen de Sagalioed hare wateren voortstuwt, als in eene diepe kloof. Zelfs mijne roeiers zijn blijkbaar onder den indruk van de overweldigende majesteit dezer heerlijke trotsche natuur. Van tijd tot tijd wordt de plechtige stilte dezer eenzaamheid verbroken door ruwe kreten en gebrul. De takken en twijgen langs den oever worden eensklaps door eene onzichtbare oorzaak in eene golvende beweging gebracht; wij hooren het kraken van gebroken takken, van gescheurde lianen, een geruisch van bladeren: dan sterft het geluid langzaam weg en verliest zich in de verte. Behalve een aantal herten en wilde zwijnen, vindt men in deze bosschen ook olifanten, rhinocerossen, orang-oetans en eene groote menigte andere apen. Vergeefs tracht ik er nu en dan een te treffen: het dicht gordijn van takken en gebladerte schudt en ruischt, maar schijnt zelfs voor kogels ondoordringbaar: althans het blijkt niet, dat mijn schot werkelijk getroffen heeft.

Den volgenden morgen kwam ik te Sagalioed, het armzalige dorp van de Buled Upih, die mij vriendelijk on welwillend ontvangen. Deze Buled Bladzijde 132Upih, wier gelaatstrekken bijna den europeeschen type vertoonen, hebben, volgens mijne waarnemingen, eene gemiddelde lengte van 1.583 meter; hunne kleur is betrekkelijk licht. Zij zijn onverschrokken jagers, en hoewel slechts gewapend met slechte versleten geweren, tasten zij zelfs olifanten en rhinocerossen aan.

Nadat ik zoo ver mogelijk den loop der rivier had gevolgd en de vereischte opmetingen gedaan, waarmede een tiental dagen gemoeid waren, keerde ik naar Elok Poera terug, waar ik den heer Rey vond, die eene mooie collectie had bijeengebracht, welke eerlang nog zal verrijkt worden.

Vrouw van Soeloe.
Vrouw van Soeloe.

Vrouw van Soeloe.

Wij bevinden ons in landstreken, waar krokodillen in menigte huizen: oppervlakkig zou men zeggen dat wij reeds herhaaldelijk met die dieren in aanraking moesten zijn gekomen, maar toch hebben wij er nog geen enkel gezien. Alle Europeanen, met wie ik daarover spreek en aan wie ik mijne verwondering te kennen geef, verklaren dat zij niet gelukkiger zijn geweest dan wij. Thans zal deze ledige plaats in onze verzameling worden aangevuld. Vier Soeloeneezen brengen ons een levenden jongen krokodil, dien zij stevig gebonden hebben, zoodat hij zich niet roeren kan. Het komt er nu op aan, het dier met de noodige voorzorg te villen, zonder het geraamte te beschadigen. Daar ik nog altijd lijdende ben ten gevolge van de beten der bloedzuigers in de bosschen van de Sagalioed, draag ik die gewichtige taak op aan mijn muchacho (jongen) Juan, die minder dan ik door deze afschuwelijke dieren is gehavend. Juan, die mij dikwijls bij onze werkzaamheden geholpen heeft, maar nog nooit zelf eene operatie heeft verricht, toont zich zeer vereerd door het in hem gestelde vertrouwen, en tijgt met grooten ijver aan den arbeid. Hij installeert zich met zijn kameraad, den muchacho van den heer Rey, op zijn gemak onder de veranda; bindt den krokodil op eene plank, en worgt hem met den klassieken strop; vervolgens maakt hij met vaste hand eene insnijding in het vel van het borstbeen. Op het eigen oogenblik doet een verschrikkelijk leven mij van mijne mat opspringen. Juan en de muchacho van den heer Rey liggen achterover op den grond, te midden van planken, instrumenten en kisten; alles is in volslagen verwarring. De krokodil was niet dood: zoodra hij het skalpeermes voelde, verbrak hij zijn boeien en sprong over de balustrade van de veranda. Ik zag hoe hij zich over boomstammen heen, dwars door de struiken, naar de rivier spoedde. In Elok Poera, aan den voet van onzen heuvel gelegen, heeft men dit drama gezien: aanstonds worden alle deuren gesloten, en de anders op dit uur zoo drukke straat van het stedeke is in een oogenblik ledig. Beschaamd en woedend over zijne mislukte operatie, snelt Juan den vluchteling na: hij haalt den krokodil in, grijpt hem bij den staart en weet hem op den rug te wentelen, zoodat hij zich niet meer verdedigen kan. Mijn muchacho nam nu beter voorzorg, en het duurde niet lang, of het skelet van den krokodil prijkte in onze collectie.

Woning van een Soeloenees.
Woning van een Soeloenees.

Woning van een Soeloenees.

Evenals Juan, lijd ook ik aan koorts en aan de gevolgen van de beten der bloedzuigers; ik moet dan ook in mijne hut blijven. De meeste nachten breng ik slapeloos door, luisterende naar de niet onwelluidende muziek van den koeling-tangang (een maleisch orkest), die, ter gelegenheid van ik weet niet welk inlandsch feest, zich elken avond laat hooren. Met ongeduld verwachten wij de komst van een vaartuig, dat ons uit onze gevangenschap verlossen zal; die verwachting is aanvankelijk vergeefsch, tot eindelijk, door een gelukkig toeval, de Kerguelen, een kruiser behoorende tot ons eskader in de Chineesche-zee, op de reede het anker laat vallen. De gezagvoerder, de kapitein Mathieu, heeft de beleefdheid, om onzentwil van zijn voorgeschreven weg af te wijken, en ons naar Soeloe terug te brengen.

Wij moeten eene maand te Soeloe blijven, in afwachting van eene gelegenheid om naar het zuid-oosten van Mindanao te vertrekken. Ik ben al dien tijd genoodzaakt, het bed te houden; ik mag niet nalaten, met innigen dank melding te maken van de hartelijke zorgen en toewijding van den heer Rey en van den uitnemenden spaanschen officier van gezondheid, don Manuel Rabadan, die zich een waar vriend toonde. Zoo als trouwens altijd, kan ik niet dan met den meesten lof gewagen van de voorkomende vriendelijkheid en hulpvaardigheid van alle Spanjaarden. Bladzijde 134

Den zesden April gingen wij aan boord van de Pasig, waarvan de kommandant, don José Zavala, ons reeds van vroeger zeer gunstig bekend was. De eerste dien wij aan boord ontmoeten, is de bataillonskommandant don Joaquim Rajal y Larre, onlangs tot gouverneur van de provincie Davao, in het zuid-oosten van Mindanao, benoemd; hij geeft ons aanstonds de verzekering dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen is, om ons in de vervulling onzer taak behulpzaam te zijn en onze nasporingen te vergemakkelijken.

Mindanao is, na Luçon, het grootste eiland van de Philippijnen; de oppervlakte wordt geschat op 94,400 vierkante mijlen. Ten noorden ligt Mindanao tegenover de Bisayas-eilanden; ten westen wordt het begrensd door de zee van Mindoro, en ten oosten door den Stillen-oceaan. De zuidkust, door de zee van Mindoro bespoeld, is rijk aan diepe baaien of inhammen: onder anderen de baai Illana, de geliefde verblijf- en schuilplaats van de zeeschuimers, wier voornaamste nederzetting de Rio Grande beheerschte.

Het eiland wordt bestuurd door een gouverneur-generaal, die den rang bekleedt van brigadier—een militaire rang tusschen dien van kolonel en van veldmaarschalk—en te Zamboanga resideert; het is verdeeld in vier provinciën of afzonderlijke gouvernementen, Cottabato en Davao in het zuiden, Misamis en Suragao in het noorden. Alleen de kusten zijn bekend, hoewel de hydrografische kaarten van deze streken, voor het meerendeel, nog veel te wenschen overlaten. De hydrografische commissie van de Philippijnen houdt zich nu juist onledig met de opneming van dat gedeelte der kust van het eiland, dat in den laatsten tijd nog niet bestudeerd was geworden.

Dit groote, vruchtbare eiland, waarvan het bergachtige binnenland nog voor een goed deel onbekend en moeilijk te genaken is, wordt door verschillende volksstammen bewoond, die in vier groepen kunnen worden gesplitst:

1°. De Bisayas, allen katholiek en aan het gezag van Spanje onderworpen; tot de Bisayas rekent men ook een aantal inlanders, die sedert geruimen tijd onderworpen en tot het Christendom bekeerd zijn. Men vindt de Bisayas bijna uitsluitend in de pueblos of vintas, bijna allen langs de kust of in hare nabijheid gelegen. Het aantal dezer inboorlingen wordt geschat op omstreeks honderd-vijftig-duizend zielen.

2°. De Maleiers of Moros, allen Mohammedanen, vooral in het zuiden gevestigd, in het stroomgebied van de Rio Grande en rondom sommige meren van het binnenland.

3°. Een zeker aantal Chineezen, koelies en kooplieden, in de pueblos gevestigd.

4°. De Infieles, inboorlingen van zeer verschillend ras, wilde heidenen, die geheel onafhankelijk zijn en de binnenlanden van het eiland bewonen.

De Moros en de Infieles worden te zamen op driehonderd-duizend zielen geschat. Maar deze schatting kan hoegenaamd geene aanspraak op juistheid maken, en is eigenlijk niet meer dan eene gissing, daar deze bevolkingen voor een groot deel geheel onbekend zijn.

In den avond van den zevenden April voeren wij de straat van Sarangani binnen, gevormd door de eilanden van denzelfden naam en de landpunt Panguian. Een kanonschot weergalmt, en wij houden stil. Na verloop van eenige minuten verschijnt bij ons aan boord de luitenant bij de marine don Enrique de Ramos y Azcaraga, vergezeld van den dokter don Gabriel Lopez y Martin. De heer de Ramos, kommandant van het maritieme station van Davao, kruiste hier sedert eenige dagen met een zijner faloas, kleine, weinig diepgaande kustvaartuigen, die zoowel door zeilen als door riemen kunnen worden voortbewogen. Hij moest de langs de kust gevestigde Moros in het oog houden en tevens de Sarangani-eilanden in kaart brengen.

De heer de Ramos, van onze aanstaande komst verwittigd door een brief van onzen consul Dudemaine, treedt ons te gemoet; hij verzekert ons dat wij, ten behoeve van onze nasporingen en onderzoekingen, geen gunstiger terrein kunnen kiezen dan de provincie Davao. Hij voegt daarbij, dat wij in alles op hem kunnen rekenen en dat hij ons naar vermogen behulpzaam zal zijn.

Wij zetten nu de vaart voort langs de westelijke kust van de golf van Davao, waarvan de hooge bergen, de bosschen en velden hetzelfde karakter vertoonen, dat wij reeds aan de zuidkust van het eiland hebben leeren kennen. Boven deze bergen verrijst, aan den westelijken gezichteinder, de Malutun, aan welks voet de Rio Grande vloeit. Dicht bij Davao en aan de kust verheft zich, met indrukwekkende majesteit, de Apó, de groote vulkaan, wiens boschrijke hellingen en diepe valleien, nog nimmer door den voet van een Europeaan betreden, ons reeds dadelijk na onze aankomst uitlokken tot eene bestijging.

In den namiddag van den tienden April werpt de Pasig het anker uit op anderhalve mijl afstands van de kleine rio van Davao, waarvan de monding door eene bank wordt versperd. Aan land gegaan, worden wij met de meeste hartelijkheid ontvangen door den eerwaarden pater Minovès, pastoor van Davao, die er op aandringt dat wij onder zijn dak zullen inkeeren. Vreezende hem overlast te zullen aandoen, nemen wij onzen intrek in twee aan elkander grenzende huizen in de stad, waar wij ons installeeren en weldra, dank zij de hulpvaardigheid der Spanjaarden, van alles wat wij noodig hebben zijn voorzien. Wij nemen muchachos in onzen dienst, huren een rijtuig en koopen paarden, zoodat wij overal in den omtrek uitstapjes kunnen maken.

Het stadje Davao, ook onder den naam van Vergara bekend, is de hoofdplaats van de provincie Nueva Guipuzcoa, die het zuid-oostelijk gedeelte van Mindanao omvat; langs de zuidelijke kust van het groote eiland strekt zich deze provincie uit van de baai van Sarangani, waar zij aan de provincie Cottabato grenst, tot de baai van Maijo, aan den Stillen-oceaan; de noordelijke grens is onbepaald, want het binnenland is nog meer of min onafhankelijk. In dat binnenland, tusschen de met dichte wouden bedekte vulkanische bergen, leven in wilden toestand, de tot verschillende stammen behoorende, zoogenaamde Infieles langs de kusten, voornamelijk Bladzijde 135aan de mondingen der riviertjes en beken, hebben zich de Moros gevestigd, wier onophoudelijke rooftochten eindelijk de rechtstreeksche tusschenkomst van de spaansche regeering en de vestiging van haar gezag in deze streken hebben uitgelokt. In 1847 verkreeg Oyanguren, een officier van beproefde dapperheid en zeldzame energie, van de regeering te Manilla vergunning, om voor eigen risico, eene expeditie te ondernemen tegen de Moros van Davao. Hij kreeg van het gouvernement niet meer dan eenige wapenen en ammunitie, benevens verlof om eene compagnie vrijwilligers aan te werven. De laatste der conquistadores vertrok op een kleine brik, liep te Caraga aan den Stillen-oceaan binnen, wierf daar tweehonderd vrijwilligers aan, en begaf zich met die kleine macht naar Davao, dat hij zonder slag of stoot bemachtigde; vervolgens breidde hij al spoedig zijn gezag uit over de geheele kuststreek, die nog tegenwoordig de provincie vormt. Sedert dien tijd had de spaansche heerschappij geen ernstigen aanval meer te doorstaan; de woede en verbittering der Moros uitte zich in moordaanslagen en rooverijen, die nu in den laatsten tijd, na de vestiging van een marietiem station te Davao, met kracht worden onderdrukt. Dit station, waarover het bevel is opgedragen aan een luitenant ter zee, bestaat uit drie faloas, bemand met vijf-en-zeventig inlandsche matrozen, en een klein arsenaal, waarvan de werklieden, dank zij de uitnemende vriendelijkheid van den heer de Ramos, ons de beste diensten bewijzen. Het bestuur over de provincie is opgedragen aan een bataillonskommandant, die eene kompagnie van ongeveer tweehonderd inlandsche soldaten onder zijne bevelen heeft. Deze krijgsmacht is voldoende om in de kuststreek rust en orde te handhaven. Spanje heeft wijselijk geene pogingen aangewend tot gewelddadige onderwerwerping van het binnenland: militaire expeditiën van dien aard, in bijna onbekende, half bewoonde bosch- en berglanden, te midden van vijandige stammen, eischen offers van geld en menschenlevens, die meestal in geene verhouding staan tot de verkregen, en daarbij nog altijd onzekere uitkomst. De spaansche regering heeft zich voor goed op de kust gevestigd en wacht nu den verderen loop der gebeurtenissen af: de ondervinding van de laatste tijden heeft reeds bij herhaling bewezen, dat deze politiek, met vastheid en beleid gevoerd, onder alle opzichten de beste is. De provincie Davao is gezond, zelfs langs de kust, behalve op de plaatsen waar wortelboomen groeien, en waar de inzakking van den grond moerassen heeft gevormd: deze laatsten zijn echter gelukkig zeldzaam. De heerschende ziekten zijn diarrhee, dysenterie en derdendaagsche koorts; de inlanders zijn daaraan vooral onderhevig; het is niets vreemds, Bisayas te ontmoeten, die jaren achtereen, nu en dan, soms maanden lang met de koorts sukkelen. Europeanen worden minder dikwijls door die koortsen aangetast; maar geschiedt dit, dan woedt de ziekte bij hen in veel heviger graad. Mits zij zich aan een zeer strengen leefregel houden, kunnen de Europeanen hier gezond blijven. Dit geldt natuurlijk alleen van volwassen mannen: zoowel hier als elders, werkt het tropische klimaat bepaald nadeelig op geheel het organisme van blanke vrouwen en kinderen.

Mijn reisgenoot en medehelper, de heer Rey, ondervindt in het eind ook de onvermijdelijke gevolgen onzer levenswijze. Tot dus ver had hij slechts met lichte, voorbijgaande ongesteldheden te kampen; nu is zijne gezondheid in zoo hevige mate geschokt, dat hij zijn werk niet langer kan voortzetten, en een onverwijlde terugkeer naar Europa voor hem noodzakelijk is. Met diep leedwezen neem ik afscheid van mijn vriend, met wien ik nu ruim een jaar heb gereisd, zonder dat ooit de goede verstandhouding tusschen ons in het minst werd verstoord. Ik vergezel den heer Rey aan boord van de Pasig, en neem met een hartelijken handdruk van hem afscheid: moge de zeereis hem goed doen.

Met dezelfde boot vertrok de kommandant don Faustino Villa Abrille y Alvarez, gouverneur van Davao, die zijn ambt heeft overgedragen aan den kommandant Rajal. Sedert wij hier zijn, hebben de oude en de nieuwe gouverneur ons om strijd met de meeste voorkomendheid bejegend en alles gedaan wat in hun vermogen was, om ons de vervulling onzer taak gemakkelijk te maken.

Vijf maanden lang hield ik mij te Davao op, waar ik mijn hoofdkwartier heb gevestigd en van waar uit ik in steeds wijder kring uitstapjes in den omtrek maak. De Infieles van deze streek, de Bagobos vooral, bezitten uitmuntende paarden; iedereen, mannen, vrouwen en kinderen, rijdt in deze bergachtige streken te paard; en deze dieren worden hier met niet minder zorg behandeld en verpleegd dan in Algerië. Maar ondanks hunne reputatie als ruiters, zitten deze inboorlingen toch niet stevig in den zadel: door den eigenaardigen vorm van den stijgbeugel kunnen zij hunne knieën niet goed gebruiken en moeten zich dus in evenwicht houden: van daar dat een val van het paard volstrekt geene zeldzaamheid is, vooral bij de groote bewegelijkheid der ruiters. Daar komt bij dat zij, ook te paard zittende, steeds een lans in de hand hebben, waardoor de kansen om een ongeluk te krijgen, aanmerkelijk vermeerderd worden. Onlangs was ik met twee opperhoofden uit den omtrek van Davao op de herten- en zwijnenjacht. Wij bevonden ons aan den zoom van een uitgestrekt, zacht golvend weiland, rondom door bosschen omgeven; achter ons waren eene menigte sacopes en slaven bezig, met groot geschreeuw, het wild op te jagen en naar het weiland te drijven. Weldra schoot een hert uit het bosch te voorschijn; wij jagen het dier na, dwars door het hooge gras, dat een aantal kuilen en greppels voor hot oog verbergt; de inlandsche paarden weten met merkwaardig instinkt die gevaarlijke plekken te vermijden: zij voelen aan de weekheid van den bodem, dat een poel of greppel in de nabijheid is en springen er over heen. Ditmaal had een der paarden zijn sprong niet goed berekend en viel. De ruiter werd natuurlijk over den kop van het paard heen geslingerd, en kwam op zijne lans terecht, die ongelukkig in den grond was gedrongen, met de punt naar boven. Gelukkig was de wond niet doodelijk; door eene zorgvuldige Bladzijde 136behandeling mocht het mij gelukken, hem te genezen; maar de ongelukkige dato zal zijn leven lang eene belemmering in de ademhaling behouden en hij zal van de drijfjacht moeten afzien.

Men vindt in den omtrek van Davao verschillende inlandsche stammen, die zich zeer wezenlijk van elkander onderscheiden.

De Bisayas geven den naam van Atas aan de Negritos, die ik tot dusver nog enkel als slaven heb ontmoet, en ook aan andere stammen, die ten noordwesten van den Apó leven. Deze laatsten hebben betrekkelijk een vrij hoogen trap van beschaving bereikt en vormen een geordende maatschappij; zij zijn de eenigen, die zich met de Moros durven meten, aan wie zij een onverzoenlijken haat gezworen hebben; en hunne stoutmoedigheid wordt niet zelden met goeden uitslag bekroond.

Arroyo, op de kust van Mindanao
Arroyo, op de kust van Mindanao

Arroyo, op de kust van Mindanao

De Tagabawas, die in zeden en levenswijze niet veel van de Atas verschillen, schijnen echter meer vredelievend en tot toenadering gezind. Hunne kleeding bepaalt zich in den regel tot het hoogst noodige; maar bij feestelijke gelegenheden behangen zij zich letterlijk met halskettingen en allerlei soort van sieraden.

De Guiangas, de Samals, de Tagacaolos en nog een paar andere, min of meer talrijke stammen, leven in halve barbaarschheid en voor een deel ook in onophoudelijke vijandschap, zoowel met de blanken, als vooral met de mohammedaansche Maleiers of Moros, die zich langs de kusten hebben gevestigd, en die ook geene gelegenheid laten voorbijgaan om de Infieles te bedriegen en op de meest schaamtelooze wijze te exploiteeren. Bladzijde 209

Typen van de oostkust van Borneo.
Typen van de oostkust van Borneo.

Typen van de oostkust van Borneo.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings