Beklimming van den vulkaan Apó.
Reading edition
October 1880.—Bij mijn terugkomst te Davao, verneem ik van den gouverneur Rajal, dat hij een onderhoud heeft gehad met den dato Mani, het opperhoofd van een der talrijkste en machtigste stammen, die de oostelijke hellingen van den vulkaan Apó bewonen, en den toegang tot den berg, die in hunne oogen eene heilige plaats is, zoowel aan de Spanjaarden als aan de Infieles ontzeggen. Deze dato Mani hield zich overtuigd, dat zijn gebied voor de Spanjaarden onbereikbaar was: die overtuiging was hoogst waarschijnlijk gegrond op den ongelukkigen afloop van enkele pogingen tot beklimming van den Apó. Maar daar hij voor Davao een zeer lastige nabuur was, nam de vorige gouverneur, op een zekeren morgen, twintig soldaten met zich en omsingelde Mani met zijn geheele kamp; hij onderwierp zich en verkreeg vergiffenis. De kommandant Rajal heeft nu van Mani stellige toezeggingen verkregen: de dato zal zich niet verzetten tegen de bestijging van den vulkaan; meer nog, hij zal zelf onze gids zijn en zal ook geen slaaf offeren om den toorn van zijn god te bezweren.
De vriendelijke gouverneur, die den tocht zoo spoedig mogelijk ondernemen wil, noodigt mij uit, hem te vergezellen; welke uitnoodiging ik met graagte aanneem. Met onze toebereidselen zijn wij spoedig gereed. Wij zullen eenige muchachos medenemen; de gouverneur zal zich bovendien doen vergezellen door acht soldaten, met remmington-geweren gewapend, die ons als geleide en tevens als dragers zullen dienen. Het komt er vooral op aan, zoo nauwkeurig mogelijk de hoogte te bepalen van den Apó, die nog nooit is bestegen geworden. De zoo bij uitnemendheid beleefde en hulpvaardige kommandant van het maritieme station van Davao, don Enrique de Ramos, is dadelijk bereid, mij zijne hulp te verleenen. Zes maal per dag, op bepaalde uren, zal hij den barometer, den thermometer en den hygrometer van het station raadplegen; van dezelfde instrumenten voorzien, zal ik gedurende de beklimming, zooveel mogelijk op dezelfde uren, mijnerzijds waarnemingen doen; uit de vergelijking onzer aanteekeningen zullen wij dan de hoogte trachten op te maken.
5 October.—Reeds den vorigen avond zijn de inlandsche soldaten, onder kommando van een europeeschen sergeant, over zee naar Sibulan vertrokken. Ten zes uren in den morgen stijgen wij te paard; de Apó, waarvan de top half door den morgennevel omsluierd is, verdwijnt weldra geheel uit ons oog, want wij bevinden ons in de dichte bosschen, die zich langs zijn voet uitstrekken en zijne hellingen bedekken.
Ons kleine gezelschap bestaat uit den eerwaarden pater Mateo Grisbert, aan de missie van Davao verbonden, uit de heeren don Ramon Lon y Al-bareda, tweeden luitenant bij de infanterie, don Ramon Cordero, don José Maria Campo, en don Rafael Martinez. Bladzijde 210
Na een vrij langen rit door het bosch, komen wij weder op het strand; het fijne, vochtige zand is eene uitkomst voor de paarden, die weldra in vliegenden galop voortstuiven. Omstreeks drie uren in den namiddag komen wij te Binogao, eene groote hut op het strand van Sibulan, waar wij onze soldaten vinden en den dato Mani, vergezeld van een honderdtal Bagobos te voet en te paard, allen gewapend met een bolo (kris) en eene lans. Mani beweert, dat hij om ons eer te bewijzen een zoo talrijk gevolg heeft medegebracht, en wij houden ons maar of wij hem gelooven. Na eene korte rust begeven wij ons op weg; wij keeren der zee den rug toe en beginnen den berg te beklimmen, daarbij het pad volgende, dat naar de rancheria van Mani voert, waar wij des avonds ten zeven uren aankomen.
Deze rancheria, die zeshonderd-dertien el boven de zee ligt, is zeer groot, en omringd door eenige kleinere hutten en door eene vrij groote uitgestrektheid bouwland: alles omsloten door het dichte woud. Al deze hutten zijn vrij hoog boven den grond verheven en rusten op stammen van boomachtige varens; de groote merkwaardigheid van deze rancheria is eene kleine smidse, voorzien van een aanbeeld, dat door de Infieles en Moros uit den omtrek met naijverige en begeerige blikken wordt aangezien; in deze smidse worden, ondanks de gebrekkige werktuigen, door de inlanders zeer goede bolos vervaardigd.
De vrouwen en de vader van Mani ontvangen ons boven aan de trap of ladder, die toegang geeft tot het adellijk kasteel. De vader van Mani, een meer dan tachtigjarige blinde grijsaard, houdt zich steeds vast aan zijne laatste vrouw, eene jonge Bagoba van veertien jaar.
Den volgenden morgen blijkt ons escorte van inlandsche lansiers met eenige manschappen verminderd, want de Infieles beginnen te begrijpen dat zij een gedeelte van onzen voorraad zullen hebben te dragen. Mani, schijnbaar zoo dienstvaardig mogelijk, stookt onder de hand zijn volk op, dat zij weigeren eenigen last te dragen. Toch is het noodig, dat wij althans eenige mondbehoeften medenemen. Dit gehaspel veroorzaakt vertraging, zoodat wij eerst tegen den middag vertrekken kunnen.
Nadat wij, niet zonder moeite, door eene diepe beek zijn getrokken, komen wij op eene vlakte, die met hooge boomen is begroeid, welke gaandeweg vervangen worden door groote bosschages van bamboe, waarvan de krachtvolle stengels eene hoogte bereiken van dertig tot veertig voet. Een tropische plasregen, van hevige windvlagen vergezeld, noodzaakt ons, gedurende eenigen tijd stil te houden; als wij onzen tocht hervatten, bevinden wij ons weldra aan den rand van een diep ravijn, waarvan de wanden loodrecht afdalen; zeer tot onze spijt, moeten wij hier van onze paarden afscheid nemen. De soldaten krijgen nog iets meer te dragen, en wij beginnen langs de steile, boschrijke helling af te dalen, tot wij eindelijk aan den oever komen van de rio Tagulaya, een breeden en diepen bergstroom, die nu, door de regens gezwollen, met onstuimig geweld door zijne nauwe bedding schiet.
Op zekere hoogte boven de rivier is een enkele bamboestengel van de eene rots naar de andere gespannen; de Bagobos gaan, met hunne bloote voeten, met het grootste gemak over deze meer dan eenvoudige brug; voor ons heeft dat meer moeite in. Aan de overzijde stuit de brug tegen een hoogen, gladden rotswand, waarlangs een liane gespannen is; ons aan die liane vastklemmende, klauteren wij met levensgevaar naar beneden, elk oogenblik dreigende in de bruisende wateren te storten van de Tagulaya, die dertig voet beneden ons, schuimend en kokend, zich een weg baant over en tusschen puntige rotsen. Het is mij onverklaarbaar, hoe onze soldaten, met hunne wapenen en onze bagage beladen, zonder ongeval beneden komen. Als wij eindelijk allen op eene smalle landtong zijn aangekomen, slaan wij daar ons bivouak op, tusschen de eerste boomachtige varens. De plek is wonderschoon; wij brengen daar een kalmen nacht door, in slaap gewiegd door het harmonisch geruisch der wateren.
7 October.—Ten zeven uren des morgens bevinden wij ons midden in de Tagulaya, die met groot gerucht door een bochtig dal stroomt; de oevers zijn loodrecht; wij zijn dus genoodzaakt de bedding der rivier te houden. Mani verzekert ons, dat wij spoedig een beteren weg zullen vinden; ik houd mij overtuigd dat de valsche dato, die niet durfde weigeren ons naar den vulkaan te geleiden, nu met opzet den tocht zoo bezwaarlijk mogelijk maakt, in de hoop ons daardoor af te schrikken. Vijf uren lang worstelen wij stroomopwaarts, te midden der schuimende wateren, telkens uitglijdende op de gladde rotsen; twaalf malen zijn wij genoodzaakt, dwars door woedende draaikolken, den ziedenden stroom te doorwaden om eene begaanbare plek te vinden; dikwijls reikt het koude water ons tot aan de schouders. Overigens is het landschap betooverend schoon: ter wederzijde stijgen tot eene hoogte van vijftig tot honderd el de donkere rotswanden omhoog, waarlangs kristallen watervallen naar beneden ruischen. Dichte gordijnen van lianen en orchideeën hangen tot op het water af, en verhullen zoo halverwege den ingang van ruime grotten en spelonken, die wij gaarne zouden onderzoeken, indien het mogelijk ware, op dezen weg te blijven stilstaan. Boven onze hoofden vormen de dooreengeweven takken van reusachtige varens en aurentaceën een dicht gewelf, waardoor de zonnestralen met moeite heendringen en de schoonste spelingen van licht en schaduw tooveren op de snelvlietende schuimende wateren. Onze Bagobos, alleen met een glanzend broekje gekleed, met de lans in de vuist, overal over de rotsen verspreid, vormen te midden van deze romantische omgeving, eene fantastische stoffage; waren we niet tot op het gebeente doorweekt, uitgeput van vermoeienis en gekneusd en gehavend, dan zouden wij kunnen meenen te droomen.
Wij verlaten eindelijk de bedding dezer beek, waarvan ik de ellende en de schoonheid niet licht vergeten zal; wij klauteren langs steile bergwanden omhoog en komen eindelijk, half dood van Bladzijde 211vermoeienis, omstreeks den middag, aan eenige hutten, door kleine maisvelden omringd: dat is de rancheria van Tagaydaya, die aan den dato Bitil behoort, een bondgenoot van Mani. De Bagobos van Tagaydaya hebben nog nooit Europeanen gezien; in den beginne schijnen zij zeer wantrouwend, maar allengs meer op hun gemak komende, geven zij ons volgaarne de weinige levensmiddelen die zij missen kunnen. Een mijner muchachos ruilt vijf kippen in tegen eenige glaskoralen, die niet meer dan vijftien centen waard zijn.
Den volgenden morgen was een onzer reisgezellen, waarschijnlijk ten gevolge van de inspanning van den vorigen dag, ongesteld; een hevige aanval van koorts belet hem, de reis te vervolgen. Ongelukkig laat het zich niet aanzien dat hij spoedig beter zal zijn; wij kunnen hier niet vertoeven en zijn dus genoodzaakt, den kranke te Tagaydaya achter te laten, met den noodigen voorraad chinine, onder de hoede van een zijner vrienden en van twee inlandsche soldaten.
Den negenden vervolgen wij onzen tocht, en beklimmen den berg Pupuq, die op eene hoogte van omstreeks duizend meters een uitgestrekt plateau vormt, dat met lianen en struikgewas is bedekt. De temperatuur van den grond wordt merkbaar hooger, en de lucht is vervuld met zwavelachtige dampen. Aan den voet van de noordelijke helling van den berg Pupuq ontspringt een der bronnen van de rio Tagulaya. Aan de overzijde van deze beek verandert de vegetatie eensklaps van karakter. De boomen en planten, die tot dusver den berg bedekken, maken plaats voor een woud van boomvarens, tusschen de tien en twintig ellen hoog; de stammen zijn, evenals de grond, geheel overdekt met een dichten mantel van mosch en klimop; de vochtigheid is buitengewoon, en overal, op den grond, op de bladeren, langs de stammen, vloeit en druppelt het water. Omstreeks twee uur in den namiddag begint de helling minder steil te worden, en betreden wij de bijna uitgedroogde bedding van een bergstroom, die na den regen eene opeenvolging van bruisende watervallen moet vormen. Gelukkig heeft de beek nu zoo goed als geen water; maar toch kost het geweldige inspanning, om de reusachtige steenblokken en steile rotsen te beklimmen, die ons telkens den weg versperren. De zwaar beladen soldaten kunnen bijna niet meer voort; een hunner zinkt, aan den rand van den afgrond, bewusteloos neer, met alle verschijnselen van dreigende verlamming der longen; met groote moeite sleepen wij hem voort tot aan de plaats, waar wij ons bivouak willen opslaan, op eene hoogte van 2229 meter. Wij bevinden ons te midden van lage varens, waarvan het water afdruipt; dit is te onaangenamer, daar gedurende den nacht mijn minimumthermometer tot 8° boven nul daalt.
Omtrent den verder te volgen weg kunnen onze Bagobos ons geene inlichtingen meer geven. Wij kunnen den vulkaan zeer duidelijk zien; de zuidelijke helling van den Apó is naar ons toegekeerd; deze helling is over de geheele hoogte verdeeld door eene breede spleet, waaruit wolken van damp opstijgen. Voor zoover wij zien kunnen, is de berg van die zijde ongenaakbaar. Wij besluiten, de bestijging aan de oostzijde te beproeven: en dit besluit werd ons door een goeden genius ingegeven, want alleen daar is beklimming mogelijk.
10 October.—Hoewel wij eene hoogte van 2229 meter hebben bereikt, moeten wij nog een goed eind hooger klimmen; twee uren lang gaat de tocht met zeer veel moeite bergopwaarts. De boomvarens zijn op eene hoogte van 1900 meter verdwenen; wij bevinden ons thans in een dicht bosch van lage varens, wier knoestige, dooreengevlochten, over den grond kruipende stammen en takken een soort van veerkrachtig bed vormen, waarop men niet kan voortkomen, dan door van den eenen tak op den anderen te springen. Na tallooze malen gestruikeld en gevallen te zijn, komen wij, uitgeput van vermoeienis, op eene hoogte waar de schrale en armelijke plantengroei geen beletsel meer is (2370 meter). Hier begint de bestijging van den eigenlijken vulkaan: de bodem bestaat voor een goed deel uit steenen en asch, meestal met een laag zwavel van een tot twee duim dikte. In de spleten der rotsen vinden wij uitmuntend water, dat ons heerlijk te stade komt.
Tegen tien uren bevinden wij ons aan den rand van de groote zuidelijke spleet, die wij gisteren uit de verte hebben gezien; hare breedte bedraagt ongeveer vijftig el; de loodrechte wanden hebben eene hoogte van tusschen de twintig en zestig meter. Uit die wanden stijgen, met een schel gefluit, zwavelzure dampen omhoog, wier helder witte kleur scherp afsteekt bij het vuile geel van de dikke zwavellaag, die de gansche spleet bedekt. De grond wordt brandend heet: weldra houdt bijna alle spoor van plantengroei op; slechts enkele jeneverstruiken verheffen zich nog hier en daar tusschen de asch. De Bagobos staan aarzelend stil. Ziende dat wij vast besloten zijn, voort te gaan, verzekert een oude slaaf, die tevens het beroep van toovenaar uitoefent, zijn makkers, dat zij ons zonder vrees kunnen volgen; hij heeft den god Mandarangan uit den krater zien opstijgen en in de wolken verdwijnen; aanstonds wordt zijne getuigenis bevestigd door verschillende Bagobos, die verklaren hetzelfde gezien te hebben.
Om twaalf uren komen wij aan den voet van den krater, in eene kleine vallei, waarvan de noordelijke rand, veel minder hoog dan de zuidelijke, van Davao gezien, de top van den berg schijnt te zijn. Op hetzelfde oogenblik, nog eer ik eenige waarneming had kunnen doen, worden wij omhuld door dichte wolken. Wij besluiten niettemin, de bestijging ten einde toe te volbrengen. Ondanks de buitengewoon steile helling van den buitenrand van den krater, bereiken wij zonder al de groote inspanning den top, dank zij vooral de eigenaardige ligging der blokken puimsteen, die bijna overal eene natuurlijke trap vormen. Juist als wij het einddoel van onzen tocht bereiken, worden de wolken die ons omhullen nog dichter, en worden wij onaangenaam verrast door een fijnen, doordringenden regen. Het is mij ter nauwernood mogelijk, het inwendige van den krater, die ongeveer vijfhonderd Bladzijde 212el in doorsnede heeft, te onderscheiden; ook aan de binnenzijde groeien nog dwergachtige jeneverstruiken. De bodem is onzichtbaar door de voortdurend opstijgende rook- en dampwolken. Tot overmaat van ramp, is Marcello, mijn getrouwe muchacho, die de instrumenten draagt en tot hiertoe mij trouw is bijgebleven, ongeveer honderd el lager eensklaps blijven stilstaan, hetzij door uitputting, hetzij ten gevolge van duizeligheid; maar toch kan de hieruit voortvloeiende vergissing in do hoogte-berekening slechts zeer gering zijn. Volgens mijne waarneming bedraagt de hoogte van den berg 3185 meter. De honderdgradige thermometer teekent vijftien graden onder nul.
Wij aanvaarden zoo haastig mogelijk den terugtocht, uit vrees voor slecht weer. Tot op eene hoogte van 2400 meter afgedaald, worden wij verrast door een prachtig schouwspel. Achter ons verrijst de geheel van wolken bevrijde krater, als een reusachtige, afgebrokkelde muur, en teekent tegen den blauwen hemel de onregelmatige lijn van zijn getanden top; rondom strekt zich een onmetelijk tapijt van zwavel uit, waarvan de omtrekken zich verliezen in de violette tinten van de lichtende wolk, die langzaam onder onze voeten voortglijdt. Over dien zwevenden wolkensluier heen, overziet de blik een prachtig panorama: de dichte wouden, die de hellingen van den Apó bedekken, en verder de blauwe wateren van de golf, waarin de landpunten van Dumalac en Malalac, en de eilanden Samal en Talikoed als donkergroene massaas uitkomen tegen het lichtend blauw der zee.
Het was ons niet lang vergund, van dit wonderschoone tafreel te genieten; nauwelijks zijn wij weer in de streek der lage varens aangekomen, of een geweldige regenvloed verblindt en verstijft ons van koude; in den woesten storm verlies ik de meeste planten, die ik boven op den kegel geplukt had. Onder een stroomenden zondvloed komen wij aan ons ellendig bivouak van gisteren, waar wij den nacht doorbrengen op een leger van haastig dooreengevlochten knoestige takken.
11 October.—Toen de dag aanbrak, waren wij bijna verstijfd, maar een goed vuur en eenige koppen koffie helpen ons weer op de been. Wij overnachten in de rancheria van Bitil, waar wij het genoegen hebben onzen vriend aan te treffen, die geheel van zijne koorts genezen is.
Den volgenden dag kwamen wij aan de rio Tagulaya, die ons bij de beklimming zoo veel moeite heeft veroorzaakt. Mani heeft nu geen enkele reden meer om ons aan de waterproef te onderwerpen: hij brengt ons dan ook langs een zeer bruikbaar pad, dat over de hoogten aan den linkeroever van de beek loopt. Op de vraag, waarom hij ons de eerste maal dien weg niet had gewezen, antwoordde hij, dat hij meende dat wij haast hadden en dat de weg door de beek de naaste was. Wij stelden ons met dat antwoord tevreden; wij hadden ons doel bereikt, en tot onze groote verrassing en blijdschap vonden wij ook onze paarden terug, die wij niet meer hadden gehoopt weer te zien. Om drie uren in den namiddag komen wij aan de rancheria van Mani, waar wij de treurige tijding vernemen van het overlijden van eene zijner vrouwen, die den vorigen dag bezweken was. Dit is een ongelukkig geval, want er is alle reden om te vreezen, dat de Bagobos den dood van deze vrouw zullen beschouwen als een teeken van den toorn van Mandarangan over het beklimmen van den hem gewijden berg; en dat zij, als naar gewoonte, zullen trachten, den toorn van den god door menschenoffers te bezweren. De kommandant Rajal neemt Mani ter zijde en brengt hem met den meesten nadruk onder het oog, dat zoo iets niet geduld zal worden. De dato zweert bij de nagedachtenis zijner moeder, dat hij geen bloed zal vergieten; en naar ik later vernomen heb, heeft hij eerlijk zijn woord gehouden.

Mijn muchacho Lorenzo.
13 October.—In den loop van den morgen zijn wij weder te Davao, waar men met niet weinig verbazing het welslagen verneemt van onze expeditie, waarvan de inlanders en de Bisayas eenstemmig verklaard hadden, dat zij noodwendig mislukken moest. Wij zijn wel een weinig vermoeid, maar zeer voldaan. Ik voor mij heb, ondanks enkele vermoeienissen en ontberingen, die trouwens van zulk een tocht onafscheidelijk zijn, de aangenaamste herinnering behouden aan dit uitstapje, dat door de welwillendheid, de vriendelijkheid en het onverstoorbaar goede humeur mijner spaansche gastheeren voor mij een waar genot is geweest.