Vijfde Bedrijf.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
Athene. Een kamer in het paleis van Theseus.
Theseus, Hippolyta, Philostratus, Hovelingen en Gevolg komen op.
Hippolyta.
Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.
Theseus.
Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan al
Die sprookjes of die elfenspokerij.
En liefde èn waanzin maakt het brein verhit
En wekt verbeelding op en doet steeds zien
Veel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.
Waanzinnigen, verliefden, dichters zijn
Geheel verbeelding: die, de dolle, ziet
Meer duivels dan de hel bevat; de minnaar,
Niet minder dol, ziet schoone Helena,
Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;
In schoonen waanzin rolt des dichters oog,
Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;
En waar verbeelding dingen, ongekend,
Te voorschijn roept, daar schept des dichters stift
Hun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel niets
Op de aard bestaan, een woning en een naam.
Verbeelding is in grillen overrijk;
Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,
Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;
Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,
Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.
Hippolyta.
Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,
En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,
Moet meer zijn dan een spel der phantasie.
Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;
Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.
Theseus.
Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.
(Lysander, Demetrius, Hermia en Helena komen op.)
Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagen
Naar ’s harten wensch!
Lysander.
Naar ’s harten wensch! Nog hooger heil, mijn vorst,
Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!
Theseus.
Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,
Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,
Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?
Waar is de man van onze feestlijkheid?—
Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat ons
De mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—
Waar is Philostratus?
Philostratus.
Waar is Philostratus? Hier, edel vorst. 38
Theseus.
Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?
Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wij
Den tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?
Philostratus.
Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;
Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.
(Hij reikt een geschrift over.)
Theseus.
(leest). “De strijd met de Kentauren; voor te dragen
Door een Atheenschen zanger bij de harp.”
Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteld
Ter eere van mijn neef, van Hercules.
“Het woeden der Bacchanten, die den zanger
Van Thracië verscheuren in haar roes.”
Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,
Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.
“De negen Muzen, jamm’rend om den dood
Der bedelarm gestorven wetenschap.”
Dat is een strenge, bijtende satire,
Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.
“Een kortgerekt vertoon van Pyramus
En Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”
Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?
Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.
Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?
Philostratus.
’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,
En dus zoo kort, als ik er een maar ken;
Maar twintig woorden is het ruim te lang,
En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch is
Geen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.
Een treurspel is het ook, doorluchte heer,
Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.
Ik zwom, toen ik de repetitie zag,
In tranen, ja; maar blijder tranenvloed
Heeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.
Theseus.
Wie zijn de spelers?
Philostratus.
Wie zijn de spelers? Mannen, hard van hand,
Handwerkers van Athene, die nog nooit
Hun brein met arbeid plaagden, maar die nu,
Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stuk
Bezwaarden om uw feestdag op te luistren.
Theseus.
Wij willen ’t hooren.
Philostratus.
Wij willen ’t hooren. Neen, mijn eedle vorst,
’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,
En het is niets, ter wereld niets, tenzij
Gij u verlustigt in hun goeden wil,
Die zich heeft afgemarteld, om dit vod
Voor u te leeren.
Theseus.
Voor u te leeren. Hooren wil ik ’t stuk,
Want nooit is iets verkeerd of ongepast,
Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.
Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.
(Philostratus af.)
Hippolyta.
’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,
Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt. 86
Theseus.
Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.
Hippolyta.
Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.
Theseus.
Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.
Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,
Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeert
Van ijver, die onmachtig blijkt, den wil.
Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,
In keur van taal, geleerden, groot van naam;
Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,
Ophouden in het midden van een zin;
Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;
In ’t eind verstomden zij en braken af,
En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, toch
Klonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;
En de bescheidenheid van schuchtere’ angst
Sprak me even duidlijk als de rateltong
Van onbeschroomde, stoute redenaars.
Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,
Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.
(Philostratus komt terug.)
Philostratus.
Zoo ’t u behaagt, Heer, de
Proloog staat klaar.
Theseus.
Hij trede binnen.
(Trompetgeschal achter het tooneel.)
(Dissel, als Proloog, komt op.)
Proloog
(Dissel). “Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.
Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,
’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunst
Let op het doel, waarmee we nu beginnen.
Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spot
Bij uwen echt. Drijft lust om te behagen
Ons hier aan ’t hof. Voor uw en ons genot
Acht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagen
Staan hier de spelers klaar. O, gij verstaat
Al wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”
Theseus.
Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.
Lysander.
Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.
Hippolyta.
Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.
Theseus.
Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu? 127
(Pyramus, Thisbe, Muur, Maneschijn en Leeuw komen als stomme personen op.)
Proloog
“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,
Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.
Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,
Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.
Die man met leem en mortel, is de muur,
Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;
En door een muurspleet wist hun minnevuur
Te fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!
Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,
Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,
Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vond
Het paar gelegenheid om saam te komen.
Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,
Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,
Geweldig doen verschrikken, en zij nam
De vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;
Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;
En Pyramus, de schoonste bloem van allen,
Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;
Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,
Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;
Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,
Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.
Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paar
Nu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”
(Proloog, Thisbe, Leeuw en Maneschijn af.)
Theseus.
Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.
Demetrius.
Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.
Muur
(Tuit). “Het komt er in dit treffend stuk op neer,
Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;
Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,
Dat die verdistreweerd, gespleten is;
En door die spleet, daar lispelt zeer geheim
Met Thisby Pyramus wel menig rijm.
Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,
Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;
En rechts en links toon ik u hier de spleet,
Die van ’t gefluister der gelieven weet.”
Theseus.
Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken? 167
Demetrius.
Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!
Theseus.
Pyramus komt daar op den muur af; stilte!
(Pyramus komt op.)
Pyramus
(Spoel). “O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!
O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!
O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!
Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.
En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,
Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,
Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,
Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.
(Muur spreidt zijn vingers uiteen.)
Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!
Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.
O booze Muur, door wien ik niets zie nu!
Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”
Theseus.
Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.
Pyramus.
Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.
(Thisbe komt op.)
Thisbe
(Wind.) “O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,
Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;
Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,
Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”
Pyramus.
“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouw
Of ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.
Thipsy!”
Thisbe.
“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”
Pyramus.
“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,
En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”
Thisbe.
“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”
Pyramus.
“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”
Thisbe.
“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”
Pyramus.
“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”
Thisbe.
“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”
Pyramus.
“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?” 204
Thisbe.
“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”
(Pyramus en Thisbe af.)
Muur.
“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,
En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”
(Muur af.)
Theseus.
Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.
Demetrius.
Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.
Hippolyta.
Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.
Theseus.
De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.
Hippolyta.
Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.
Theseus.
Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.
(Leeuw en Maneschijn komen op.)
Leeuw
(Schaaf). “Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,
Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,
Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart
’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.
Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,
Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;
Want kwam ik als een echte leeuw alhier
En snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”
Theseus.
Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.
Demetrius.
Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.
Lysander.
Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.
Theseus.
Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.
Demetrius.
Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.
Theseus.
En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren. 242
Maan
(Slokker). “Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”
Demetrius.
Hij moest de horens op het hoofd dragen.
Theseus.
Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.
Maan.
“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—
Theseus.
Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.
Demetrius.
Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.
Hippolyta.
Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.
Theseus.
Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.
Lysander.
Ga voort, Maan.
Maan.
“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetje in de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.
Demetrius.
Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.
(Thisbe komt op.)
Thisbe.
“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”
Leeuw.
“Ooh!”
(De Leeuw brult; Thisbe loopt weg.)
Demetrius.
Mooi gebruld, Leeuw.
Theseus.
Mooi gevlucht, Thisbe.
Hippolyta.
Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.
(De Leeuw rijt Thisbe’s mantel stuk en gaat heen.)
Theseus.
Mooi geklauwd, Leeuw.
Demetrius.
En daar kwam Pyramus.
Lysander.
En daar verdween de Leeuw.
(Pyramus komt op.)
Pyramus.
“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans, 277
Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,
Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,
Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.
Maar stil!—wat leed!
O lot, hoe wreed!
Wat jammer is dit hier?
Mijn oog, o ziet!
Dat kan toch niet;
Mijn hartlap, mij zoo dier!
Uw mantel goed
Bevlekt met bloed?
O, alle Furiën, kom!
O, noodlot, schaf
Mijn leven af,
Blusch, doof, verplet, breng om!”
Theseus.
Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.
Hippolyta.
Bij mijn ziel, ik beklaag den man.
Pyramus.
“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?
Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,
Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,
Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?
Weg, tranenschaar!
Kom, zwaard, doorvaar
De borst van Pyramus!
Hier links geprikt,
Waar ’t hart mij tikt,
Dus sterf ik, dus, dus, dus!
Nu ben ik dood;
Mijn ziel die vlood
En zweeft in hooger dreef;
O, tong, word blind!
O, maan, verzwind!
O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”
(Hij sterft. Maneschijn af.)
Demetrius.
’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.
Lysander.
Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?
Theseus.
Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.
Hippolyta.
Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?
Theseus.
Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.
(Thisbe komt op.)
Hippolyta.
Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.
Demetrius.
Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.
Lysander.
Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.
Demetrius.
En ze jammert als volgt: 330
Thisbe.
“In slaap, mijn schat?
Wat, wat is dat?
O, Pyramus, ontwaak!
O, spreek, o, spreek!
Wat ziet ge bleek!
Wat! zijt ge dood? o wraak!
Uw leliemond,
Uw neus zoo blond,
Uw wangen van saffraan,
Zijn heen, zijn heen,
O bruidjes, ween,
Dat lookgroen oog vergaan!
Drie zustren, gij,
Komt thans tot mij!
Hoe melkwit is uw hand!
O doopt ze in ’t bloed;
Uw schaar verwoed
Doorsneed zijn levensband!
O tong, geen woord!
O zwaard, ga voort,
Doorweek mijn boezem mee;
Vaart, vrienden, wel;
Thipsy sneeft snel;
Atjé, atjé, atjé!”
Theseus.
Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.
Demetrius.
Ja, en Muur ook.
Spoel
(opspringend). Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagt het u nu ook den epiloog te zien of een zelfbedachten dans tusschen een paar van ons gezelschap te hooren?
Theseus.
Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.
(Een dans van de Handwerkslieden.)
Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—
Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.
Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wij
Zooals een deel der nacht is doorgewaakt.
Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nacht
Haar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—
Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;
Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!
(Allen af.)
(Puck komt op, met een bezem op schouder.)
Puck.
Hongrig brult de leeuw nu weer; 378
Huilend groet de wolf de maan;
Snurkend ligt de ploeger neer,
Nu zijn dagtaak is gedaan;
Nauw één vonk in de asch nu gloort;
Uilgekras klinkt in de nacht;
En de kranke, die het hoort,
Huivert, dat het graf hem wacht,
’t Is nu middernacht, de tijd,
Dat de graven openstaan,
En, van hunnen boei bevrijd
Alle geesten waren gaan;
En wij elfen, die met dans
Om ’t gespan van Hecaté
Zweven, doch voor zonneglans
Vlieden, met het duister mee,
Zijn nu lustig; niet een muis
Store dit gewijde huis;
’k Veeg het met den bezem schoon,
Dat geen smetje zich vertoon’!
(Oberon en Titania, met Gevolg, komen op.)
Oberon.
Spreidt uw lichtgloed om u heen,
Want geen vonkje geeft hier schijn;
Iedere Elfe repp’ de leên,
Vlug en lucht als ’t vogelkijn,
En herhale wat ik zing,
Zinge ’t lustig, danse en spring’!
Titania.
Zing,—en klink’ op ieder woord
Van het lied het juist akkoord!
Vorm een keten en verspreî
Zoeten zegen, elfenrei!
(Gezang en dans.)
Oberon.
Danst tot de uchtendzonneglans,
Elfen, in dit huis uw dans.
Zeeg’nend zweven onze schreên
Om het schoonste bruidsbed heen.
Groeien, bloeien, jaar op jaar,
Zal het kroost van ’t edel paar;
Eeuwig bind’ de teêrste trouw
Deze drie paar man en vrouw;
En de spruiten van hun bed
Blijven vrij van elke smet;
Hen ontsier’ geen moedervlek,
Geen misvorming of gebrek,
Dat een ouder in zijn kind,
Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!
Sprenkelt, Elfen, op den grond
Dezen heil’gen dauw in ’t rond;
Wijdt er iedre kamer mee
Van ’t paleis, tot vreugde en vreê:
Eeuwig worde, die er woont,
Met het hoogste heil gekroond!
Flink uw plicht
Nu verricht;—
Treft mij weer bij ’t morgenlicht! 429
(Oberon, Titania en Gevolg af.)
Puck
(tot het Publiek).
Heeft dit schimmenspel mishaagd,
Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,
En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—
Als gezicht verschenen is.
Gispt het niet, dat deze nacht
U een droom, niets anders, bracht,
Want wij geven u misschien
Dra wat beters weer te zien.
Hebben wij,—dit zegt u Puck,—
Heden ’t onverdiend geluk,
Dat geen slangenstem ons groet,
Weldra maken we alles goed;—
Of noem Puck een leugenaar.
Goede nacht nu, al te gaar!
Toont handgeklap aan Puck uw gunst,
Dan toont hij ras u beetre kunst.
(Allen af.)