Vierde Bedrijf.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
Het woud bij Athene. Demetrius, Lysander, Helena en Hermia in slaap.
Titania en Spoel komen op, gevolgd door Erwtebloesem, Spinrag, Mot, Mosterdzaad en andere Elfen.
Oberon ongezien op den achtergrond.
Titania.
Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,
Opdat ik u de lieve wangen streel’,
Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,
En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!
Spoel.
Waar is Erwtebloesem?
Erwtebloesem.
Tot uw dienst.
Spoel.
Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?
Spinrag.
Tot uw dienst.
Spoel.
Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?
Mosterdzaad.
Tot uw dienst. 19
Spoel.
Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.
Mosterdzaad.
Wat is uw verlangen?
Spoel.
Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.
Titania.
Kan wat muziek u streelen, liefste schat?
Spoel.
Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij de tangen en botten eens hebben!
Titania.
Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?
Spoel.
Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet. 38
Titania.
Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuur
Eens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.
Spoel.
Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.
Titania.
Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.
Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.
(De Elfen verspreiden zich.)
Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelie
Zich blanke winde;—en even teer omringt
Klimop de ruwe vingers van den olm.
O hoe bemin ik u; ik bid u aan.
(Titania en Spoel vallen in slaap.)
(Oberon treedt naar den voorgrond; Puck komt op.)
Oberon.
Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?
Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.
Pas trof ik in het woud haar aan; zij las
De fijnste kruiden voor dit wangedrocht;
Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;
Zij had de ruige slapen met een krans
Van frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;
En de eigen dauw, die op de knoppen vaak
Als ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,
Stond in der schoone bloempjes oogen nu
Als tranen, over eigen smaad geschreid.
Toen ik naar lust haar had bestraft, en zij
Deemoedig bad om mijn toegevendheid,
Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;
Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droeg
Hem naar het elfenland in mijn prieel.
Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ook
Haar oogen van de’ afschuwelijken waan.
Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kop
Nu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,
Opdat hij, evenals die andren ginds,
Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,
En al die avonturen van deez’ nacht
Hun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.
Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.
(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)
Wees, zooals ge placht te zijn;
Zie weer ’t wezen, niet den schijn;
Deze struik, Diana’s roem,
Fnuike alsnu Cupido’s bloem!
Ontwaak, Titania, mijn koningin! 80
Titania.
Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!
Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.
Oberon.
Daar ligt uw lief.
Titania.
Daar ligt uw lief. Hoe kwam ik zoo ontzind?
O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!
Oberon.
O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—
Titania, een slaap, die diep verdooft,
Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.
Titania.
Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!
(Een zachte muziek doet zich hooren.)
Puck
(tot Spoel). Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.
Oberon.
Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,
En dansend wieg’len wij dit slapersland.
Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,
Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,
Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,
En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—
En daar vereenige ook de huwlijksband,
Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.
Puck.
Elfenkoning, hoort gij ’t niet,
De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.
Oberon.
Zacht, in schaduw van de nacht,
Lieve, dan de reis volbracht;
Sneller, dan de mane vaart,
Doen wij onzen tocht om de aard.
Titania.
Kom, mijn vorst en heer, en zeg
Mij uitvoerig onder weg,
Wat betoov’ring mij van nacht
Bij die stervelingen bracht.
(Oberon en Titania met gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)
(Theseus, Hippolyta, Egeus en Gevolg komen op.)
Theseus.
Dat een van u den jachtopziener zoek’,
Want onze Meibegroeting is volbracht;
En daar de dag zich nu heeft aangemeld,
Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—
Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!
En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—
Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;
Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,
Dat met der dalen echo’s samensmelt.
Hippolyta.
Ik was met Hercules en Cadmus eens, 117
Die met Spartaansche honden op een beer
In Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooit
Een schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,
Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek was
Één roep en tegenroep; ik hoorde nooit
Een zoeter wanklank, liefelijker donder.
Theseus.
Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,
Breedlippig, geel; hun ooren hangen laag
En vagen van het gras den morgendauw;
Krombeenig, met een kossem als een stier;
Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemd
Als klokkenspel. Welluidender geblaf
Klonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,
In Creta, Sparta noch Thessalia;
Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?
Egeus.
Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;
Daar is Lysander, hier Demetrius,
Hier Helena, des grijzen Nedars kind;
Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.
Theseus.
Zij kwamen zonder twijfel vroeg de Mei
Hier vieren, en, verwittigd van ons plan,
Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—
Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,
Dat Hermia haar keus verkonden moet?
Egeus.
Zoo is ’t, mijn vorst.
Theseus.
Nu, laat de jagers hen met horens wekken!
(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel. Demetrius, Lysander, Hermia en Helena ontwaken en springen verschrikt op.)
Theseus.
Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;
En paren deze vogels eerst van daag?
Lysander.
Vergeving, heer.
(Hij knielt met de overigen voor Theseus.)
Theseus.
Vergeving, heer. Staat, bid ik, op. Ik weet,
Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.
Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,
Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,
En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.
Lysander.
Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;
Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,
Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.
Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—
En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)
Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,
Athene te verlaten voor een plaats,
Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.
Egeus.
Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg; 159
Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—
Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!
Ze wilden ons berooven, u en mij,
U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,
Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.
Demetrius.
Mijn vorst, de schoone Helena verried
Aan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;
Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,
Uit liefde mij de schoone Helena.
Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,
(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne min
Voor Hermia als sneeuw versmolt en mij
Nu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,
Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.
Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,
Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,
Is Helena alleen. Ik minde haar,
Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.
Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,
Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,
Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,
Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.
Theseus.
Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,
Maar later hoor ik van dit alles meer.—
Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:
Dat beide paren in den tempel nu
Gelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—
En daar de morgen reeds ten deel verstreek,
Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—
Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drie
Zij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!
Wij gaan, Hippolyta.
(Theseus, Hippolyta, Egeus en Gevolg af.)
Demetrius.
’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,
Als verre bergen, door een wolk omhuld.
Hermia.
En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,
En zag ik alles dubbel.
Helena.
En zag ik alles dubbel. Zóó is ’t mij;
Ik vond Demetrius, als een juweel,
Dat mij behoort en niet behoort.
Demetrius.
Dat mij behoort en niet behoort. Ik denk,
Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,
Die ons den last van hem te volgen gaf?
Hermia.
Ja, en mijn vader.
Helena.
Ja, en mijn vader. En Hippolyta.
Lysander.
De last was, hem te volgen naar den tempel.
Demetrius.
Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;
En elk deele onderweg zijn droomen mee. 204
(Demetrius, Lysander, Hermia en Helena af.)
(Terwijl zij heengaan, ontwaakt Spoel.)
Spoel.
Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdat het zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.
(Spoel af.)
Tweede Tooneel.
Athene. Een kamer in Dissels huis.
Dissel, Wind, Tuit en Slokker komen op.
Dissel.
Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?
Slokker.
Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.
Wind.
Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?
Dissel.
Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.
Wind.
Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.
Dissel.
Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.
Wind.
Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.
(Schaaf komt op.)
Schaaf.
Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.
Wind.
O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!
(Spoel komt op.)
Spoel.
Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?
Dissel.
Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!
Spoel.
Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.
Dissel.
Laat hooren, beste Spoel.
Spoel.
Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!
(Allen af.)