Marley’s Geest.
J. Kuylman translation
Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur, zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf, en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van Marley’s begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.—Er bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley’s dood.—Dit moet goed verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat Hamlet’s vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht, bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den avond gaat wandelen op een winderige plaats—bijvoorbeeld St. Pauls Churchyard—met geen ander opzet, dan om den zwakken geest van zijn zoon in verbazing te zetten.
Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles hetzelfde.
Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw, en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.
Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen nog wel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: “m’n waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?” Geen bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken, en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: “géén oog is beter dan een boos oog, blinde meester!”
Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte, en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden, dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge’s hand noemden.
Op een keer—en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den avond vóór Kerstmis—was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen, hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel donker—het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest—en kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar binnen door iedere reet en elk sleutelgat, en was buiten zóó dicht, dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.
De deur van Scrooge’s kantoor stond open, opdat hij een oogje kon houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort hok, brieven copiëerde. Scróóge had al een klein vuurtje, doch het vuur van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer; en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.
“Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!” riep een vroolijke stem. Het was de stem van Scrooge’s neef, die hem zoo plotseling overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.
“Bah!” zei Scrooge, “nonsens!”
Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.
“Kerstmis nónsens, oom!” zei Scrooge’s neef, “dat meent u niet.”
“Waarachtig wel,” zei Scrooge. “Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen.”
“Kom nu,” antwoordde de neef vroolijk, “welk recht hebt ù om knorrig te zijn? ù is rijk genoeg.”
Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij nogmaals “bah” en liet er op volgen: “Nonsens.”
“Wees nu niet knorrig, oom,” zei de neef.
“Wat kan ik anders zijn,” antwoordde de oom, “als ik in zoo’n wereld vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou,” zeide Scrooge verontwaardigd, “zou iedere idioot die rondloopt met “vroolijke Kerstmis” op zijn lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met een hulsttak door zijn hart.—Dàt zou ie!”
“Oom!” pleitte de neef.
“Neef!” antwoordde de oom streng, “vier Kerstmis zooals je verkiest en laat mij het doen zooals ik het wil.”
“Vieren!” hernam Scrooge’s neef. “Maar u viert het heelemaal niet.”
“Laat me het dan laten voor wat het is,” zeide Scrooge. “Veel goed moge het je doen! ’t Heeft je altijd veel geluk gebracht!”
“Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen nut getrokken heb waarschijnlijk,” antwoordde de neef, “en van deze dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd als hij weder dáár was—nog afgezien van den eerbied, verschuldigd aan zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past er van afgescheiden kan worden)—gedacht heb als aan een goeden tijd: een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen, en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem.”
De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.
“Laat ik joù nog es hooren,” zeide Scrooge, “en jij zult je Kerstmis vieren met het verlies van je betrekking.—Ge zijt bepaald een groot redenaar, meneer,” voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. “’t Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit.”
“Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten.”
Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han—, ja, waarachtig, dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.
“Maar waarom?” riep Scrooge’s neef uit. “Waarom?”
“Waarom trouwde je?” zeide Scrooge.
“Omdat ik verliefd werd.”
“Omdat je verliefd werd!” gromde Scrooge, alsof dit het eenige ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke Kerstmis. “Goeien middag!”
“Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen.”
“Goeien middag,” zei Scrooge.
“Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen wij geen goede vrienden zijn?”
“Goeien middag!” zei Scrooge.
“Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch mijn Kerststemming bewaren tot ’t laatste. En daarom, een gelukkig Kerstfeest, oom!”
“Goeien middag!” zei Scrooge.
“En een gelukkig Nieuw Jaar!”
“Goeien middag!” zei Scrooge.
En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.
Deze idioot had, toen hij Scrooge’s neef uitliet, twee andere menschen binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge’s kantoor stonden. Zij hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.
“De firma Scrooge en Marley, geloof ik,” zei een der heeren, zijn lijst inziend. “Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer Marley te zien?”
“Mijnheer Marley is al zeven jaren dood,” antwoordde Scrooge. “Vanavond voor zeven jaren is hij gestorven.”
“Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij zijn overlevenden compagnon,” zeide de heer, zijne geloofsbrieven overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante zielen geweest. Bij het onheilspellende woord “mildheid,” fronste Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven terug.
“In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge,” zei de heer, een pen opnemend, “is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen; honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!”
“Zijn er geen gevangenissen?” vroeg Scrooge.
“O ja, gevangenissen in overvloed,” zei de heer, zijn pen weder neêrleggend.
“En de werkhuizen?” vroeg Scrooge. “Zijn die nog in werking?”
“Zeker. En toch,” antwoordde de heer, “wenschte ik dat ik zeggen kon dat ze ’t niet meer waren.”
“De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?” zeide Scrooge.
“Beide nog op volle kracht, meneer.”
“Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,” zeide Scrooge. “’t Doet me genoegen dàt te hooren.”
“In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen,” antwoordde de heer, “trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?”
“Voor niets!” antwoordde Scrooge.
“Wenscht u anoniem te blijven?”
“Ik wensch met rust gelaten te worden,” zeide Scrooge. “Daar u mij vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen feest op Kerstmis en ’t kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven noemde—en die kosten genoeg—en zij die ’t arm hebben kunnen dáárheen gaan.”
“Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven.”
“Als zij liever willen sterven,” zeide Scrooge, “dan moeten ze dat maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien—neem me niet kwalijk—maar daar weet ik niet van.”
“Maar u kòn het toch weten,” merkte de heer op.
“’t Zijn mijn zaken niet,” antwoordde Scrooge. “Het is voldoende als een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van anderen. De mijne houden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!”
Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden, gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.
Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk, wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna, alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje, waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels, waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages, kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers- en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.
De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtige Stadhuis, gaf zijnen vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze, zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest, roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch te koopen.
Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen (smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus, afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge’s sleutelgat om hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:
“Heil en zegen op deez’ dag, Dat geen leed u treffen mag!”
greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist en de nog meer met Scrooge’s aard overeenkomende vorst.
Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok, die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.
“Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?” zeide Scrooge.
“Als ’t gelegen komt, meneer.”
“’t Komt nièt gelegen,” zeide Scrooge, “en ’t is bovendien niet billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker dat je je al heel verongelijkt zou achten.”
De klerk glimlachte flauwtjes.
“En toch,” zeide Scrooge, “vind je niet dat ìk benadeeld word, als ik jou een dag salaris betaal voor geen werk.”
De klerk merkte op, dat ’t maar eens in ’t jaar was.
“Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten December te rollen!” zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin toeknoopend. “Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te vroeger bent.”
Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers die voortijds behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder begrijpend—wat een stout woord is—den raad, de schepenen en de gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, doch Marley’s gezicht.
Marley’s gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, in ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit verschijnsel keek was het weder een klopper.
Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.
Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half en half verwachtte verschrikt te worden door Marley’s staartpruikje, uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: poe, poe! en sloot de deur met een slag.
Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een eigen naklank van echo’s te hebben. Doch Scrooge was er de man niet naar zich door echo’s uit het veld te laten slaan. Hij grendelde de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, onder het gaan zijn kaars snuitend.
Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.
Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals ’t behoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.
Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot zichzelf in; draaide den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley’s gezicht te zien zijn geweest.
“Malligheid!” zei Scrooge en liep de kamer op en neer.
Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, en al de schellen in het huis deden eveneens.
Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend gerommel laag beneden in ’t huis, alsof iemand een zwaren ketting sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht op zijn deur aan.
“’k Hou toch vol dat het malligheid is!” zei Scrooge. “Ik wil er niet in gelooven.”
Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur helder op, alsof het zeggen wilde: “die ken ik! Marley’s Geest!” en toen doofde het weder.
Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, en zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.
Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.
Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.
Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. “Wat heeft dat nu te beteekenen!” zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. “Wat wilt ge van mij?”
“Heel veel!”—Marley’s stem, daar viel niet aan te twijfelen.
“Wie zijt ge?”
“Vraag me wie ik geweest ben.”
“Wie ben je dan geweest?” zeide Scrooge, zijn stem verheffend. “Je bent nog al kieskeurig—voor een schim.” Hij had willen zeggen “kieskeurig tot op een haar,” maar stelde het eerste ervoor in de plaats, als meer passend.
“Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley.”
“Kunt ge—kunt ge gaan zitten?” vroeg Scrooge, hem twijfelachtig aanziend.
“Jawel.”
“Doe dat dan.”
Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.
“Ge gelooft niet aan mij,” merkte de Geest op.
“Nee, dat doe ik ook niet,” zeide Scrooge.
“Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat uwer zintuigen?”
“Dat weet ik niet,” zeide Scrooge.
“Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?”
“Omdat,” zeide Scrooge, “er maar heel weinig noodig is om ze in de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan ook zijn moogt!” Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.
Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en weer als door de heete lucht uit een oven.
“Ziet ge dezen tandestoker?” zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.
“Zeker,” antwoordde het spook.
“En je kijkt er niet eens naar,” zei Scrooge.
“Maar ik zie hem tòch,” zei het spook.
“Nu,” antwoordde Scrooge, “ik heb dezen maar door te slikken, om voor de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je—allemaal nonsens.”
Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.
Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.
“Genade!” zeide hij. “Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij lastig?”
“Wereldschgezinde man,” antwoordde het spook, “gelooft ge in mij of niet?”
“Ja,” zeide Scrooge, “ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over de aarde, en waarom komen zij tot mij?”
“Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen—oh, wee mij—en getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen.”
Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong zijne doorschijnende handen.
“Ge zijt geboeid,” zeide Scrooge bevend. “Zeg mij waarom.”
“Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde,” antwoordde de Geest. “Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is het model ervan ù vreemd?”
Scrooge beefde al meer en meer.
“Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!”
Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch hij zag niets.
“Jacob,” zeide hij smeekend. “Oude Jacob Marley, vertel mij nòg meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob.”
“Die heb ik niet voor u,” antwoordde de Geest. “Die komen van andere regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren van ons kantoor—luister—gedurende mijn leven dwaalde mijn geest nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle lange reizen liggen vóór mij!”
Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of zijne knielende houding te verlaten.
“Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob,” merkte Scrooge op, op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.
“Langzaam!” herhaalde de Geest.
“Zeven jaren dood!” zeide Scrooge peinzend. “En al dien tijd op reis?”
“Al dien tijd,” zei het spook. “Geen rust, geen vrede en voortdurende knaging van berouw.”
“Reist ge snel?” zei Scrooge.
“Op de vleugelen van den wind,” antwoordde de Geest.
“Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn,” zei Scrooge.
Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal van op te maken wegens burengerucht.
“O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende,” riep het spook uit, “gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!”
“Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob,” stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.
“Zaken!” riep de Geest uit, zijne handen wringend. “De menschheid was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!”
Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag weder op den grond.
“In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd ’k het meest,” zei het spook. “Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?”
Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde voortgaan, en begon erg te beven.
“Hoor mij aan,” riep de Geest. “Mijn tijd is bijna om.”
“Dat wil ik,” zeide Scrooge. “Maar wees niet hard tegen me en wees niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!”
“Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten.”
Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte zich het zweet van het voorhoofd.
“Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening,” ging de Geest voort. “Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, Ebenezer.”
“Je waart altijd een goed vriend voor mij,” zeide Scrooge. “Dank je wel.”
“Je zult bezocht worden,” hernam het spook, “door Drie Geesten.”
Scrooge’s gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.
“Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?”
“Ja.”
“Dan geloof ik, dat—dat ik ’t toch maar liever niet wou,” zeide Scrooge.
“Zonder hun bezoek,” zeide de Geest, “kunt ge niet hopen het pad te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, als de klok één slaat.”
“Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan hebben, Jacob?” stelde Scrooge voor.
“Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden wat er tusschen ons is voorgevallen.”
Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley’s tanden maakten, toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley’s geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.
Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts zweefden. Elk van hen torste ketenen zooals die van Marley’s geest; een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor altijd de macht verloren hadden.
Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.
Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde om weder “nonsens!” te zeggen, doch bleef bij de eerste lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel onmiddellijk in slaap.
