← Table of contents
Een Kerstlied in Proza

Het Einde.

J. Kuylman translation

Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien tijd tekort geschoten was!

“Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!” herhaalde Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. “En de Geesten, al deze drie, zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!” Hij was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.

“Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!” riep Scrooge uit, een zijner bedgordijnen in zijn arm nemend, “ze zijn dus toch nog niet neergehaald met ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!”

Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.

“Ik weet niet wat ik beginnen moet!” zei Scrooge tegelijkertijd lachend en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij volkomen op Laokoön geleek. “Ik voel me zoo licht als een veêr en ben zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, hallo!”

Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten adem.

“Daar staat de sauskom, waar de pap in was!” riep Scrooge, opnieuw beginnend en om den haard dansend. “Daar is de deur waardoor de Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en ’t is allemaal zoo gebeurd. Ha, ha, ha!”

Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!

“Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!” zeide Scrooge. “Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!”

Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.

Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende koude; ’n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke klokken. O, heerlijk, heerlijk!

“Wat voor ’n dag is ’t vandaag?” riep Scrooge een jongen, die op zijn Zondags gekleed was, toe.

“Hè?” antwoordde de jongen, “wel Kerstdag natuurlijk!”

“Kerstdag zegt ie!” zeide Scrooge bij zichzelven. “Dan heb ik ’t tòch niet gemist. De Geesten hebben ’t alles in één nacht gedaan. Zij kunnen alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen.”

“Hallo!” antwoordde de jongen.

“Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den hoek?” vroeg Scrooge.

“Dat zou ’k gelooven,” antwoordde de jongen.

“Knappe jongen!” zei Scrooge. “’n Merkwaardig gladde jongen! Weet je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, maar de groote die bekroond is?”

“Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?” antwoordde de jongen.

“Wat een engel van een jongen!” zei Scrooge. “’t Is een genot op zichzelf met dièn jongen te praten.—Jawel, kerel, die bedoel ik.”

“Nee, die hangt d’r nog,” antwoordde de jongen.

“Is ’t waar?” zei Scrooge. “Ga hem dan dadelijk halen.”

“Mot je mèìn hebbe?” antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem voor den gek hield.

“Nee, nee,” zei Scrooge. “Ik meen ’t. Ga ’em dadelijk voor me koopen, en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, krijg je een daalder.”

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. ’t Moest al een flinke schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had kunnen krijgen.

“Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!” fluisterde Scrooge, zich in de handen wrijvend en innerlijk lachend. “Hij zal niet weten wie hem stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!”

De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.

“Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!” riep Scrooge uit, den klopper met zijn hand aaiend. “Vóór vandaag keek ik er nauwelijks naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een wonderbare klopper!—Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe gaat het? ’n Goeie Kerstmis, hoor!”

Wat een kalkoen was dat! ’t Was niet mogelijk dat die vogel ooit fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.

“Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen,” zeide Scrooge. “Daarvoor moet je een bakje hebben.”

De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en lachte tot hij begon te huilen.

Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z’n Zondagsch en eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden “Goeie morgen, meneer, een prettige Kerstmis!” tegen hem zeiden. En Scrooge placht nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn ooren klonken.

Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: “Het kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?” Het gaf hem een steek in ’t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als zij elkaar ontmoetten, doch hij wist nu welken weg voor hem lag en dien volgde hij.

“M’n waarde heer,” zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den ouden heer bij beide handen vattend. “Hoe gaat het? Ik hoop dat u gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een blijde Kerstmis, mijnheer!”

“Meneer Scrooge?”

“Juist,” zeide Scrooge. “Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus vraag. En als u zoo goed wilt zijn”—hier fluisterde Scrooge iets aan zijn oor.

“God beware me!” riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. “M’n waarde heer Scrooge, meent u dat?”

“Zeker,” zeide Scrooge. “Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u mij het genoegen doen?”

“M’n waarde heer,” zeide de ander, hem de hand schuddend, “ik kan u niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......”

“Kom, het is de moeite niet waard,” hernam Scrooge. “Kom mij eens opzoeken. Wilt u?”

“Zeker, dat zal ik beslist doen,” riep de oude heer uit. En het was duidelijk dat hij dit meende te doen ook.

“Heel graag,” zei Scrooge. “Zeer verplicht. Duizendmaal dank.”

Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. Nooit had hij gedacht, dat een wandeling—of iets anders,—hem zoo gelukkig kon maken.

Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn’ neef.

Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.

“Is meneer thuis, kind?” zeide Scrooge tot het dienstmeisje, ’n knap meisje.

“Jawel meneer.”

“Waar is hij, kind?” zeide Scrooge.

“Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan naar boven.”

“Goed hoor, hij kent me wel,” zei Scrooge, met zijn hand reeds op het slot der eetkamer. “Ik zal hier maar binnengaan, meisje.”

Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke punten, en zien graag dat alles in orde is.

“Fred!” zeide Scrooge.

Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben doen ontstellen.

“Wel, heere m’n tijd!” riep Fred. “Wie hebben we hier?”

“Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is ’t goed, Fred?”

Of ’t goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets kon hartelijker zijn.

Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.

Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.

En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.

Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:

“Hallo!” gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij kon. “Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft aankomen?”

“’t Spijt me erg, mijnheer,” zei Bob. “Ik bèn werkelijk over mijn tijd.”

“Zoo?” herhaalde Scrooge. “Ja, dat zou ’k ook gelooven. Kom es even hierheen, alsjeblieft.”

“Het is maar eens in ’t jaar, meneer,” pleitte Bob, uit het hokje komend. “Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te veel pret gemaakt, meneer.”

“Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje,” zei Scrooge. “Ik wil iets dergelijks niet langer dulden. En daarom,” ging hij voort, van zijn kruk springend en Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij in het hokje terugwankelde, “en daarom ben ik van plan je salaris te verhoogen.”

Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en een dwangbuis te roepen.

“Vroolijke Kerstmis, Bob!” zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. “Een vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit.”

Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.

Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, en men zei altijd van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: “God zegene ons allen!”

Einde
Einde

Einde

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings