Front matter
Reading edition
[Illustratie: kaft]

[Illustratie: rug]

EDUARD KERNER
[Illustratie: Maar Edu bleef kalm op de rand van de keukentafel zitten en liet zijn beenen heen en weer bengelen. (Pagina 1.)]

Eduard Kerner
DOOR
M. C. VAN DOORN
Met Teekeningen van J. B. Midderigh-Bokhorst
[Illustratie: logo]

HAARLEM VINCENT LOOSJES 1907
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
Inhoudsopgave
Hoofdstuk Blz.
I. 1.
II. 12.
III. 22.
IV. 32.
V. 41.
VI. 55.
VII. 71.
VIII. 85.
IX. 98.
X. 109.
XI. 129.
XII. 141.
XIII. 153.
XIV. 165.
XV. 181.
XVI. 194.
XVII. 208.
XVIII. 220.
XIX. 235.
XX. 249.
I.
"Edu, toe, laat me er nou uit!"
Maar Edu bleef kalm op de rand van de keukentafel zitten en liet zijn beenen heen en weer bengelen.
"Maak toch alsjeblieft de deur open, Edu! Toe, moet ik het je nu nóg vriendelijker vragen?"
Edu hield zich doof.
"Ben je er nog?" klonk het vol ontzetting uit de provisiekast.
Nu kon Eduard zich niet langer goedhouden, en hij barstte in lachen uit. Jammer, want anders had Rika bepaald gedacht dat ze tegen een leege keuken had staan praten, en 't zou heusch grappig geweest zijn om haar dat nog even te laten denken!
Zijn vroolijke jongenslach had de arme, opgesloten Rika wat haar laatste vraag betreft tenminste gerust gesteld.
"Maak dan toch open, ondeugende bengel!" begon ze weer.
Edu sprong van de tafel en ging voor de kast staan.
"Vind je het daar dan niet plezierig?"
"Plezierig? Och, zeur toch niet en laat me er uit, zoo meteen brandt mijn eten aan!" klonk het huilerig.
"Ik dacht 't zoo maar," zei Edu, die het goed vond om de kast nog even dicht te laten. "Er zijn daar toch genoeg lekkere dingen!"
"Er zijn hier geen lekkere dingen. Doe open!"
"Niet?" vroeg Eduard, met de grootst mogelijke verbazing in zijn stem. "Kom, je vergist je zeker! Ik laat je er niet uit als je niet wat lekkers voor me meebrengt!"
"Ingemaakte snijboonen en augurken in 't zuur, anders is hier niets!" En Rika morrelde van binnen aan de knop, want Edu had het slot weer opengedraaid, en hield nu met al zijn twaalfjarige kracht de knop aan de buitenkant in bedwang.
"Er is nog pruimengelei!"
Maar een gil van Rika maakte hem heusch even aan het schrikken.
"De appeltjes branden aan! Ik ruik het!" jammerde, ze.
Eduard snoof eens. "Maar niet heusch!" plaagde hij, en toen Rika's wanhopige kreten niet ophielden: "Nou ja, dadelijk mag je er uit, zal je dan niet boos op me zijn, beste Rika?"
"Nee, akelige jongen, gauw dan ook!"
"Daar dan!"
De deur vloog open en Edu stoof achteruit. — Bij de deur bleef hij staan, buigingen makend en gezichten trekkend tegen de arme Rika, die op een holletje naar de kachel liep om van de appeltjes te redden wat er nog te redden viel.
Eduard was op een stoof gaan staan en had zijn armen uitgestrekt; op plechtigen toon begon hij nu: "Gegroet, o schoone keukenprinses".... Maar verder kwam hij niet, want hier werd hij in zijn toespraak gestoord door het omdraaien van den huissleutel in de voordeur. Op 't zelfde oogenblik stormde Edu de gang in, de keukendeur met een harden slag achter zich dichtgooiend. — Het dreunde nog even na in de ruime keuken. — "Hè, hè, dat lucht op," zuchtte Rika, en ze zette de stoof weer onder de tafel.
Eduard was terecht gekomen in de armen van zijn Vader, die hem aan 't eind van de gang opving met een luid "Hallo!"
Een seconde lang was hij bijna geheel in Vaders donkere overjas verdwenen, toen sprong hij achteruit en trok een vies gezicht. "Wat bent u nat," zei hij, en hij wreef met zijn hand over zijn wang, waarop Vaders baard een paar kleine druppeltjes had achtergelaten.
"Nat?" lachte Vader, "geen wonder, 't is nog altijd aan 't motregenen! Help me maar eens gauw die natte overjas uittrekken!"
"En u bent zoo vreeselijk laat!"
"Heeft je maag je al gewaarschuwd dat 't etenstijd was? We zullen gauw beginnen!"
Achter zijn Vader aan stapte Eduard de huiskamer binnen, waar een prettige warmte de kilte van den regenachtigen Januaridag buitensloot. De tafel was gedekt, en terwijl Vader de overgordijnen dicht trok en de kachel opnieuw vulde, bij welke bezigheden Eduard hem steeds in den weg liep, bracht Rika het eten binnen.
"En — wat heeft Pepi vanmiddag uitgevoerd?" vroeg Vader, toen ze tegenover elkaar aan tafel zaten en een gedeelte van den inhoud der schalen naar de twee borden verhuisd was.
"Pepi" wachtte even voor hij een hap appeltjes in zijn mond stak.
"Wel, eerst had ik vioolles, en dat duurde nogal lang, want mijnheer heeft een paar stukjes voorgespeeld, een zoo'n leuk ding was er bij, zoo heel gauw ging 't, maar 't is wel heel moeilijk."
"En kende je al de oude stukjes al?"
"Ja, zoowat. Dat laatste, dat menuet, dat ik gisterenavond speelde, u weet wel, ging nog niet zoo heel mooi, maar dat heb ik er nu bij gehouden en dan wat nieuws."
"En was mijnheer tevreden?"
"Mijnheer vond wel dat ik vooruit ging, leuk dat hij dat zei, maar hij vond ook dat ik te haastig was, ik moet niet net doen of ik blij ben als een stukje haast uit is, en .... enne ...." Eduard wachtte even, als was hij vergeten wat hij verder had willen zeggen, en maakte toen haastig zijn zin af: "en rustig spelen." — Bij de laatste woorden had hij een kleur gekregen en strak keek hij op zijn bord, maar 't was niet omdat hij aan de vioolles dacht. Hij had de aangebrande appeltjes geproefd, en 't had hem er aan doen denken wat hij dien middag nog meer had uitgevoerd.
Vader scheen er nog niets van gemerkt te hebben, hij at tenminste kalm door; zeker dacht hij, dat Eduards vuurrood gezicht met de vioolles in verband stond.
"En waarom doe je dat dan ook niet?"
"Wat, Vader?"
"Wel, rustig spelen!"
"O, ja ziet u, als ik iets goed ken dan speel ik graag vlug, en als er dan weer een eindje komt dat niet zoo goed gaat dan doe ik dat langzamer, en dan kom ik niet gelijk uit met mijnheer, die natuurlijk precies in de maat er bij piano speelt. Kijk, 't was heel wat anders als ik hier ook kon studeeren met de piano er bij, maar u speelt geen piano en Rika natuurlijk ook niet." — Even lachte hij om het denkbeeld, dat Rika piano zou spelen, maar toen hij zag dat Vader opeens heel ernstig keek: "Och, maar dat is ook eigenlijk mijn eigen schuld; ik zal voortaan maar heel goed tellen, want daar komt het toch eigenlijk door! Denkt u ook niet dat het dan wel beter zal gaan, Vader?"
Zijn Vader gaf geen antwoord. Hij dacht er aan, hoe het altijd een van de liefste wenschen van zijn vrouw geweest was dat hun jongen viool zou spelen, en hoeveel plezier zij er nu in gehad zou hebben zijn stukjes op de piano te begeleiden. — In zijn verbeelding zag hij haar weer op de rustbank in de zitkamer liggen, en daar opeens klonken hem ook weer de luidruchtige stappen en de bekende hooge jongensstem in de ooren, en hij zag Eduard, toen een ventje van negen jaar, de kamer binnenstormen, met een kleur van opgewondenheid, de vioolkist in de hand. 't Was zijn eerste vioolles geweest, en druk pratend en vertellend had hij de viool te voorschijn gehaald en aan zijn Vader en Moeder laten zien hoe hij het instrument vast moest houden; toen had hij met den strijkstok de snaren aangeraakt, en zij hadden geluisterd naar de eerste tonen die hun jongen ten gehoore bracht; en tot slot had hij een soort negerdans uitgevoerd, aldoor de viool vasthoudend en met den strijkstok in het rond zwaaiend. Weer hoorde hij de stem van zijn vrouw zeggen: "Voorzichtig, lieveling!", toen Eduard half tegen de tafel aanviel, en weer hoorde hij zichzelf eindelijk zeggen: "Nu niet te druk, vent, denk aan Moeder!" Toen had in minder dan geen tijd de viool op een stoel gelegen, en een paar stevige jongensarmen waren om Moeders hals geslagen. Weinig had hij toen vermoed, dat zij nog geen jaar later haar stem nooit meer zouden kunnen hooren ...
Eduard, die zag dat Vader in gedachten verdiept was, durfde hem niet meer te storen en at stil zijn bord leeg.
Toen, op een wenk van Vader, belde hij Rika, om de schalen te komen verwisselen.
Half hoopte hij, dat Vader vergeten zou te vragen wat hij verder had uitgevoerd, want hij begreep wel, dat hij dan over de plagerij in de keuken moest beginnen, en het was hem ook heel duidelijk dat Vader daar niet bizonder mee ingenomen zou zijn. En toen Rika binnengekomen was en hij haar even aanzag kreeg hij opeens een heel onplezierig gevoel, want Rika keek heelemaal niet vroolijk en haar oogen waren rood. Haastig zag hij naar Vader, en haalde toen verruimd adem, want Vader scheen nergens op te letten, en vroeg heel gewoon: "Zoo Rika, druk gehad vanmiddag?"
"Dat schikt wel meneer," zei Rika, maar haar stem klonk wat vreemd, en toen Vader naar haar keek draaide ze zich haastig om en verdween met de leege schalen door de openstaande deur.
Vader bleef haar verwonderd nakijken. Vanwaar die plotselinge spoed? Een blik naar Eduard scheen hem wel eenige opheldering te geven; de jongen keek zoo verlegen en zette zoo'n schuldig gezicht dat hij heusch even moeite had heelemaal ernstig te blijven. Bedaard wachtte hij tot Rika de schoone borden neergezet had en de deur weer dicht was; toen liet hij Eduard rijst nemen, en vroeg: "Wat heb je na de vioolles gedaan, Eduard?"
"Na de vioolles, Vader? Toen ben ik naar huis gegaan, en toen heb ik mijn sommen gemaakt, en één som kwam niet uit, en toen heb ik eerst mijn Fransche les geleerd, en toen ik die zoowat kende heb ik die eene som nog eens geprobeerd. Ik heb er heusch een heele tijd op gezeten, Vader, maar hij wóu niet uitkomen!"
Vader knikte heel ernstig. "Wel gek toch, gewoonlijk komt een som toch dadelijk uit als je er maar eerst eens een poosje op bent gaan zitten, hè Pepi?" Vader begon te lachen, en Eduard wist niet of hij boos moest kijken of meelachen.
"Wat flauw," zei hij eindelijk. "Ik bedoel niet echt zitten!"
"Niet echt zitten? Wat bedoel je dan?" en Vader lachte nog maar.
"U begrijpt best wat ik meen," zei Eduard kwaad.
Zijn Vader was opeens weer ernstig geworden. "Nou vrindje, bedaar maar! Je kunt toch nog wel tegen een grapje, is 't niet? Je zet een gezicht als een oorwurm!"
Eenige oogenblikken bleef 't heel stil in de kamer. Toen begon Vader weer, want hij was nog niet waar hij op aan stuurde: "Nu, en verder, wat heb je na dat probeeren van die som gedaan?"
"Toen? Ja, toen ben ik naar de keuken gegaan, en daar heb ik wat op de tafel gezeten, enne ...."
"En toen heb ik wat kattekwaad uitgevoerd."
"Hè, Vader, hoe weet u dat?"
"Dat vertelt je arme zondaarsgezicht me," antwoordde Vader lachend. "Wat was 't? Biecht maar eens op!"
Eduard had het opeens erg warm gekregen. "Och," zei hij, "ja, ziet u, 't kwam heelemaal vanzelf, want Rika wilde iets wegzetten, en toen ging ze in de provisiekast."
"En toen?"
"Toen deed ik de deur dicht."
"Welke deur?"
"Van de kast."
"Op slot?"
"Ja, Vader."
"En hoe lang duurde dat?"
"Een paar minuten, denk ik."
"En wat zei Rika?"
"Rika zei eerst dat ik haar er uit moest laten," even kwam er een ondeugende flikkering in Eduards oogen, "en toen zei ze dat de appeltjes aanbrandden."
"Dat deden ze ook. En liet je haar er toen uit?"
"Ja, tenminste bijna dadelijk."
Vader lachte nu heelemaal niet meer, en hij zweeg even.
Toen zei hij: "Kijk eens, ik vind dat nu eigenlijk niet zoo erg prettig. Ik heb je nu al een keer of drie gevraagd om het Rika niet lastig te maken, en telkens gebeurt het weer. Ik vind het heel goed dat je gekheid maakt, maar dit is plagen."
Eduard keek heel sip. "Ik kon toch niet vooruit weten dat ze boos zou worden," zei hij.
"Als je even nagedacht hadt, toen je die kast op slot deedt, had je het wél geweten.

Rika heeft het druk en ze is wat zenuwachtig, en je weet nu eenmaal dat ze niet tegen die plagerijen van jou kan. Jij hadt plezier, maar Rika heelemaal niet, en dat merkte je heel goed, en vind je het dan niet een beetje zelfzuchtig om alleen maar aan je eigen plezier te denken, en kalm door te gaan?"
"Ja maar daar heb ik heelemaal niet over gedacht!"
"Dat begrijp ik wel," zei Vader terwijl hij opstond, "maar wil je dan niet eens probeeren om daar voortaan wel aan te denken?"
"Ja Vader."
"Mooi. En ga dan nu maar met me mee en laat me die lastige som eens zien."
Vader opende de deur om naar zijn eigen kamer te gaan.
Eduard volgde hem, maar eerst holde hij nog even naar de keuken.
"Rika, ben je nog boos op me?"
"Ik ben niet boos."
"Geef me dan een hand, Rika!" En hij schudde de uitgestoken hand zóó lang en zóó krachtig, dat Rika "au" riep.
II.
"Och, Vader, u luistert niet!"
"Jawel vent, ik luister, de man heeft rogge en tarwe."
"Een een vijfde maal zooveel rogge als tarwe!"
"Een een vijfde maal zooveel," herhaalde Vader geduldig.
"En nu verkoopt hij de helft van de rogge en een derde van de tarwe, 1 H.L. rogge voor f 10.—en 1 H.L. tarwe voor f 15.—, en nu ontvangt hij voor de rogge f 75.— meer dan voor de tarwe, hoeveel heeft hij van elk gehad?" dreunde Eduard op, en toen: "Kijk, nu heb ik zoo gedaan," en hij zocht in een hoek van zijn kladpapier tusschen een menigte cijfertjes, waar hij zelf blijkbaar nog maar met moeite uit wijs kon worden: "O ja, kijk, zoo ben ik begonnen" .... Maar opeens hield hij midden in zijn zin op toen hij toevallig Vader even aanzag. "Och, nu hebt u weer heelemaal niet geluisterd!" zei hij ongeduldig.
Vader schrikte op. "Nee, ik heb ook niet geluisterd, ik zat aan iets anders te denken. Leg het me nog maar eens uit, ik zal nu beter opletten."
"Heusch?"
"Ja heusch," en Vaders donker hoofd boog zich over het sommenschrift heen.
Eduard begon weer van voren af aan over zijn rogge en tarwe tot hij eindelijk midden in zijn uitlegging bleef steken. "Maar nu kan ik niet verder komen," zei hij, "ik begrijp niet wat ik nu doen moet."
"Je kunt er zoo ook nooit komen," verklaarde Vader. "Begin nu eens van den anderen kant af, en reken uit hoeveel rogge hij verkoopt als hij 1 H.L. tarwe verkoopt."
"Dat heb ik ook al gedaan," zei Eduard uit zijn humeur, "maar toen ging 't ook niet!" en toen Vader zweeg: "Komt 't dan wel uit, Vader?"
"Probeer 't maar eens," antwoordde Vader kort, terwijl hij de courant openvouwde en begon te lezen.
Eduard beet besluiteloos op zijn potlood en streek met zijn hand door het kortgeknipte blonde haar. Toen ging hij zuchtend weer aan 't cijferen.
Een minuut of tien bleef 't stil in de kamer.
"Vader!"
"Wat is er?"
"'t Komt niet uit!"
"Laat maar eens kijken!" en Vader verdiepte zich even in de som en besloot: "Je hebt je vergist, reken 't maar eens over, dan vind je de fout wel."
En weer was 't stil; alleen ritselde nu en dan de courant, wanneer Vader een blad omsloeg, en telkens zuchtte Eduard, wanneer weer een nieuwe poging om de fout te ontdekken mislukt was.
"Niet zoo zuchten!" zei Vader eindelijk, "gaat het niet?"
En Eduard keek even op, eerst heel nadenkend en met rimpels in zijn voorhoofd, en toen glimlachend, en rekende weer verder. —
"Klaar!" 't Klonk als een juichkreet, en met een triomfantelijk gezicht legde hij het sommenschrift op de opengeslagen courant.
Vader las 't even vluchtig door. "Mooi zoo," zei hij, toen klapte hij het schrift dicht en gaf het aan Eduard terug.
De jongen ging naar een hoek van de kamer waar zijn schooltasch op den grond lag, en stopte er zijn boeken en schriften in.
"Pepi, kom eens hier!" vroeg Vader, en toen Eduard tegen zijn knie aanleunde en hem verwonderd aanzag: "Weet jij nog, wanneer ik het laatst op reis ben geweest?"
"Op reis? Ja, was dat niet verleden week, toen u naar Arnhem was, of bedoelt u dat niet?"
"Nee, dat bedoel ik niet, toen kwam ik 's avonds weer thuis; ik bedoel voor langer tijd."
"O," zei Eduard; hij begreep niet goed wat Vader eigenlijk wilde vertellen; "was dat niet twee jaar geleden, toen u naar Engeland was?"
"Ik geloof het ook; ik vroeg 't maar, omdat ik nu weer op reis moet, zie je."
Eduards gezicht betrok. "Gaat u op reis? Waar naar toe?"
"Naar Indië.
"Naar Indië?"
"Ja; er moeten een heeleboel nieuwe machines naar Indië toe, en nu gaat een van de ingenieurs mee, en dat ben ik."
"En hoe lang blijft u dan weg?"
"Vier maanden."
"En wanneer gaat u?"
"Over drie weken."
Eduard vroeg niet verder. Stijf hield hij de leuning van den stoel vast en keek Vader met wijd open oogen aan. 't Was, of hij 't nog maar half begreep, maar vóór zich zag hij alleen vier lange, eindeloos lange maanden, leeg en vreemd, en Vader heel ver weg. Toen barstte hij uit: "Maar ik ga toch mee, is 't niet Vader?" en toen Vader geen antwoord gaf: "Vader, zeg dat ik mee ga!"
"Nee jongen, ik kan je niet meenemen," zei Vader, en hij legde zijn hand op Eduards schouder. "Kijk, als ik voor mijn plezier op reis ging zou dat gaan, maar ik moet daar in Indië hard werken; ik zal den heelen dag druk bezig zijn, en ben nu hier, dan daar. Je zou er niets aan hebben, ik zou je den heelen dag alleen moeten laten, en bovendien zou al dat heen en weer trekken veel te vermoeiend voor je zijn."
"Maar u doet 't zelf toch ook!"
"Ja, maar ik ben ook geen kleine jongen meer!"
"Ik ook niet!"
"Nu, een groote jongen dan," en Vader glimlachte even. "Heusch vent, 't gaat niet, 't is veel verstandiger dat je kalm hier blijft en naar school gaat!"

"En moet ik dan alleen thuis blijven?"
"Nee, je blijft niet thuis, je gaat uit logeeren. Ik heb gevraagd of je dien tijd bij Tante Lina mag komen. Ik hoorde het vanmiddag, en toen ben ik dadelijk aan het plannen maken gegaan; voor het eten liep ik even bij Oom en Tante aan om te vragen of zij 't niet te lastig vonden er nog een jongen bij te krijgen, en daardoor kwam ik zoo laat thuis."
Eduard was op Vaders knie gaan zitten; tot nu toe had hij rustig geluisterd, maar nu sloeg hij opeens zijn armen om Vaders hals en begon onstuimig: "Maar u mag niet weggaan! Ik wil niet alleen hier blijven, en ik wil ook niet naar Tante Lina!" En toen smeekend: "O, Vader, ga toch niet weg!"
Vader zweeg, en drukte zijn jongen dicht tegen zich aan; het was het eenige wat hij op dit oogenblik voor hem kon doen. Veel was het hem waard geweest, wanneer een van de andere ingenieurs deze reis had kunnen maken, maar een langdurig gesprek met den directeur van de groote machinefabriek waaraan hij verbonden was, had hem de noodzakelijkheid van zijn gaan doen inzien. Het lachte hem niet erg toe, zijn jongen alleen te moeten achterlaten, maar hij was er van overtuigd, dat Eduard bij de oudere zuster van zijn vrouw werkelijk goed bezorgd zou zijn, ook al was hij geen groot huishouden gewend en al zou hij er in het begin misschien wat moeite mee hebben, zich naar zijn nichtjes en neefjes te schikken.
"Eddy, lieveling, maak het niet nog moeilijker voor me dan het is! Doe je best om ferm te zijn! Vier maanden zijn gauw om, en je zult het zeker prettig hebben bij Tante Lina!"
"Hugo en Piet zijn zulke vervelende jongens!" klonk het gesmoord.
"Ja, dat vind jij, maar ligt dat nu ook niet een beetje aan jezelf? Kijk, Oom en Tante wonen hier nog niet lang en je kent je neefjes pas kort, zijn die jongens nu heusch zoo vervelend, nu je ze niet dadelijk bizonder aardig vindt?"
Er kwam geen antwoord.
"Eddy, waaraan denk je?"
"Was Moeder er nog maar!"
Vader zweeg, en kuste zacht het blonde hoofd, dat tegen zijn schouder leunde.
"Weet je nog wel hoe Moeder altijd probeerde het goede in de menschen op te zoeken?" begon hij toen. "Moeder zei altijd, 'als ik iemand vervelend vind, dan kan dat even goed aan mij liggen als aan hem, en dan wil ik toch eerst eens trachten te weten te komen, waarom een ander wel van hem houdt en ik niet!' En waarom zouden andere menschen Hugo en Piet wel aardig vinden, en jij niet? Begrijp je wat ik bedoel?"
"Ja."
"En zou je het zelf ook niet prettig vinden om goede vrienden met de neefjes te zijn?"
Eduard antwoordde niet. "Alleen dán zou ik niet graag willen dat je goede vrienden met ze werdt, als het jongens zijn die liegen of laf zijn of gemeene dingen doen, maar dat geloof ik niet van ze. Kijk eens, je zult een heeleboel te doen hebben in die vier maanden; je zult je best moeten doen geduldig te blijven en niet boos te worden, ook al gaat alles niet even gemakkelijk. — En het moeilijkste van alles is om altijd te doen wat je zelf weet dat goed is. — Om moedig te doen wat je duidelijk ziet dat je plicht is, en je er niet aan te storen wat de andere jongens zeggen. — En daar is een heeleboel moed voor noodig, weet je dat wel?"
"Ja, dat weet ik wel." —
"En wil je daarvoor je best doen? Kijk me eens aan, Eddy! Zoo — wil je probeeren Vaders moedige, eerlijke jongen te zijn?"
Eduard knikte van ja, met een vreemd, strak gevoel in zijn oogen. —
"En je zoo flink mogelijk houden als ik weg ben?"
En weer knikte Eduard van ja, half hopend dat Vader nu maar over iets anders zou gaan praten, want hij voelde dat hij zich nu niet lang meer goed zou kunnen houden.
"Mooi!" en zacht streek Vader over het kortgeknipte haar. "Heusch, 't zal zoo lang niet duren, in 't begin van Juni ben ik weer bij je!"
"Maar ik vind het juist zoo vreeselijk lang!"
"Ja, maar dat valt wel mee; kijk, 't is niet eens vier heele maanden, we gaan den achtsten Februari uit Genua; morgen over drie weken ga ik weg, 's ochtends vroeg, en dan over land naar Genua. En daar ligt de Willem II dan al op ons te wachten, en die brengt ons naar Indië toe."
"Wie gaat er nog meer mee?"
"Mijnheer van der Zande gaat mee; hij heeft de machines gekocht voor zijn fabrieken in Indië en nu gaat hij zelf mee om ze te brengen, en dan maken we samen de reis."
"En blijft u dan eerst nog in Genua?"
"Blijven? Welnee! We komen er 's avonds aan, en ja, dan blijven we er één nacht, en den volgenden morgen gaan we weg." —
"Maar u kent toch geen Italiaansch?"
Vader glimlachte even; "Nee, dat ken ik ook niet, maar ze verstaan in Genua wel Fransch ook! Zoo zie je al weer, doe op school maar goed je best met Fransch, anders kun je later nooit in Italië reizen!"
"En ik vind Fransch juist zoo'n naar vak," zuchtte Eduard. "Fransch en sommen vind ik 't akeligste dat er bestaat, maar sommen toch eigenlijk nog 't allerakeligste!"
"Juist een reden om er heel goed je best op te doen; heusch, als je iets goed kent vind je het niet akelig meer, geloof je dat ook niet?"
"Misschien niet," zei Eduard voorzichtig, "maar sommen zal ik toch wel altijd naar blijven vinden, denk ik."
Vader lachte, en kneep zijn jongen in de wang. "Pepi!" zei hij; — en toen: "Maar kijk eens op de klok! Vraag aan Rika een glas melk en maak dat je naar bed komt!"
"Ja, maar ik wou nu juist nog zoo'n boel vragen, en ik wou nog veel meer hooren over Indië!"
"Goed Pepi, morgen. Nacht Pepi!"
"Maar Vader, ik ...."
"Nacht Pepi!"
En lachend nam Vader zijn tegenstribbelenden jongen bij een arm om hem de kamer uit te zetten.
"Luister dan nog even, Vader!"
"Nu, wat is er?"
"Komt u dan zoo meteen nog even boven als ik roep?"
"Ja, voor dezen keer."
"En, Vader, ik zal heusch denken aan wat ik beloofd heb, maar ik" — Eduard slikte even — "ik wou toch wel dat u niet weg ging, Vader!"
"Ik ook," antwoordde zijn Vader.
III.
Eduard stak zijn hoofd om de huiskamerdeur.
"Vader, mag ik eerst nog wat steltenloopen voor we gaan koffiedrinken?"
"Ha, daar hebben we Pepi! Kom eens hier, Pepi, zeg je mijnheer van der Zande niet goeiendag?"
Eduard kwam dichter bij, "Dag mijnheer!" zei hij.
"Dag e... jongmensch, hoe heet je ook weer?" en de jongen voelde zich van het hoofd tot de voeten opnemen.
"Eduard," zei hij kort, en toen tegen zijn Vader, "mag ik nog even?"
"Ja, nog vijf minuten, maar voor 't huis blijven."
De beide heeren stonden voor 't raam, en keken er naar hoe Eduard even later met een vlugge beweging op de stelten sprong.
"Een flinke jongen," zei mijnheer van der Zande, "hij begint op je te lijken, Kerner!"
"Vind je?" vroeg Eduards Vader afgetrokken, en toen levendiger: "Hij doet mij altijd sterk aan zijn Moeder denken." En knikkend tegen Eduard, die op één stelt hinkend met de andere probeerde aan te slaan: "maar 't is een echte bengel."
Eduard had intusschen ergens op straat een steentje ontdekt en was daar nu zoo vlug als hij op zijn stelten vooruit kon komen naar toe gegaan om in zijn eentje wat te voetballen.
Hij was niet erg gesteld op mijnheer van der Zande, die óf tegen hem sprak als tegen een kind van vijf jaar, óf doodkalm deed alsof hij niet bestond. Maar dat was nog niet het voornaamste. Eduards grootste grief was, dat mijnheer van der Zande, die een oude kennis van Vader was, altijd onverwacht kwam, en juist altijd, als er het een of ander prettige plannetje gemaakt was, dat daardoor dan natuurlijk in het water viel. En dat kon hij nu wel niet helpen, maar 't was voor Eduard toch reden genoeg om zijn komst nu niet met bizonder veel genoegen te begroeten. — Vandaag ook weer, 't was de laatste dag dat Vader er was, want morgenochtend vroeg zou Vader weggaan; verder was 't Woensdag, en Eduard had zijn vioolles mogen verzetten om voor 't laatst nog een gezelligen middag met Vader te hebben en om te helpen Vaders handkoffertje in te pakken — en natuurlijk kwam nu mijnheer van der Zande. — Misschien ging hij wel dadelijk weg, maar die hoop werd steeds flauwer en verdween geheel, toen Vader hem tikte om te komen koffiedrinken. Eduard gaf nog een fermen schop tegen zijn steentje, toen sprong hij van zijn stelten en zette ze met een verdrietig gezicht in de gang neer.
"En dan vind ik je morgen dus aan het station in Arnhem," hoorde hij zijn Vader zeggen toen hij binnenkwam, en mijnheer van der Zande: "Uitstekend; in ieder geval ga ik vanmiddag nog door, ik moet nog verschillende lui spreken."
De twee heeren zaten al aan tafel en Eduard schoof haastig zijn stoel bij. — "In ieder geval gaat hij voor 't eten dus weg," dacht hij.
Mijnheer van der Zande begon iets te vertellen over zijn Vader, die nog zoo flink was, en nog altijd zelf aan 't hoofd stond van de fabrieken in Indië, en gaf toen een uitvoerig verslag van de oude machines, en de bizonderheden waarin zij van de nieuwe verschilden.
Eduard luisterde er niet naar; 't kon hem niet veel schelen; verder hield hij zich bezig met het tellen van de broodjes en de kopjes koffie, die mijnheer van der Zande achtereenvolgens deed verdwijnen.
"O, de betrekking van Hollandsche vertegenwoordiger van de zaak bevalt mij best!" hoorde Eduard hem zeggen; "op mijn tiende jaar kwam ik voor 't eerst naar Holland, en sedert dien tijd ben ik al zes keer heen en weer geweest, maar nooit voor langer dan drie maanden; dit is de zevende keer."
"Bleef hij er nu maar voor goed," dacht Eduard, "dan kwam hij hier onze middagen tenminste niet meer bederven!"
Mijnheer van der Zande wendde zich nu plotseling tot Eduard.
"Zoo, mannetje, en leer je nogal vlijtig?" vroeg hij.
Eduard zei niets, en keek zijn Vader aan. — "Dat gaat nogal, hè Pepi?" antwoordde deze voor hem, en toen mijnheer van der Zande weer: "En in welke klas zit je wel?"
"In de zesde, mijnheer."
"Zoo, zoo; nou, dat schiet al op, hoor!" en toen van onderwerp veranderend: "En ga je niet met Pa mee naar Indië?"
"Nee mijnheer."
"Zoo; 't is anders een best land, geloof je dat niet?"
"Jawel mijnheer."
"En waarom wil je dan niet mee?"
"Ik wil wel mee."
"Wat? En daarnet zei je dat je niet mee wou?" Eduard zei niets meer, maar keek naar zijn Vader, alsof hij dacht, dat die wel voor hem antwoorden zou.
"Later gaat hij eens mee," zei Vader, en toen, om er een eind aan te maken: "Wil je nog een kop koffie?"
Rika werd gebeld om nog eens koffie te schenken.
't Was zijn derde kopje al, dacht Eduard, aldoor schuins naar mijnheer van der Zande kijkend, en hij was aan zijn vierde broodje bezig.
En zonder dat mijnheer van der Zande het merkte stak hij tegen Rika, die opnieuw het kopje vulde, eerst drie, en toen, met een veelbeteekenende blik — naar de broodbak, vier vingers in de hoogte. — Maar Vader had het wél gemerkt, en zag hem een halve minuut lang streng aan.
Mijnheer van der Zande had zijn spoorboekje te voorschijn gehaald en er met aandacht in gekeken. — "Mijn plan was om de trein van 3.17 te nemen," zei hij toen, "maar heb je soms iets anders te doen, zeg het dan gerust, ik vind mijn weg wel."
"Wel neen, ik vind het uitstekend. Ik had mijn jongen beloofd om wat met hem te wandelen, maar dat kan toch gebeuren; na de koffie kunnen we in mijn kamer gaan zitten en Eduard kan in dien tijd zijn huiswerk maken; daarna brengen we je samen naar den trein en dan loopen we buitenom, door het bosch."
"Ik vind ...." begon Eduard, maar zijn Vader viel hem haastig in de rede. "Je opinie wordt niet gevraagd," zei hij kortaf.
Eduard was niet bizonder ingenomen met de schikking. Waarom zei Vader nu niet dat hij wél wat anders te doen had? Vader had hem toch beloofd met hem te gaan wandelen, en tegen dat mijnheer van der Zande nu goed en wel weg was, zou de middag om zijn. En dan dat vervelende huiswerk nog! Haastig dronk hij zijn glas melk leeg.
Mijnheer van der Zande begon weer een nieuw verhaal over Indische huizen en Indische tuinen. Eduard luisterde maar half, maar opeens begon hij 't zelf ook leuk te vinden, en toen wilde hij er ook dadelijk nog veel meer van weten en ging van alles vragen.
Eindelijk stond Vader op. "Willen we nu maar eens naar de andere kamer gaan?" stelde hij voor, "en ga jij dan boven aan 't werk, Pepi?"
Maar Pepi had niet veel zin. Aan Vaders arm liep hij mee naar de studeerkamer. "Toe, nog eventjes," smeekte hij, "omdat 't uw laatste dag is!"
Vader gaf geen antwoord, maar liet toch toe dat hij nog wat bleef rond hangen. Een paar keer waarschuwde hij: "Kom, Pepi!" Want mijnheer van der Zande was weer van onderwerp veranderd en had het over groote orders van den laatsten tijd, en Vader zag duidelijk dat Eduard er geen belang in stelde en zich verveelde. — "Kom, Eduard, ga nu aan je huiswerk!" zei hij nog eens; maar toen de jongen eindelijk lastig werd en met propjes papier door de kamer begon te knippen raakte zijn geduld op, en plotseling viel hij mijnheer van der Zande in de rede met een boos: "Eduard, ga nu onmiddellijk naar boven; je hoeft niet weer beneden te komen voor ik je roep."
Een benauwende stilte volgde, en heel verschrikt zag Eduard zijn Vader aan; toen stond hij langzaam op en liep aldoor naar den grond kijkend de kamer uit, zijn handen in zijn zakken. — Pas toen hij de trap opging hoorde hij in de studeerkamer weer praten.
Vader boos, en dat op den laatsten dag! Was dat nu zoo erg, dat hij eens eventjes met een propje schoot? Die akelige mijnheer van der Zande ook, 't was allemaal zijn schuld, als die niet gekomen was zou hij nu prettig met Vader bezig zijn aan 't koffertje of iets anders, en nu moest hij hier alleen op de slaapkamer zitten — met een ruk trok hij zijn tasch op tafel en schudde zijn boeken en schriften er uit. Och, hij had immers ook zoowat niks te doen, het grootste deel van zijn sommen had hij gisterenavond al gemaakt, juist om vandaag niet veel te hebben; 't waren net nog twee korte dingetjes, die waren in een wip klaar. Maar dat gaf nou allemaal niks, want naar beneden gaan mocht hij toch niet.
Kom, er nu maar niet meer aan denken en schrijven.

Maar telkens dwaalden zijn gedachten weer af, en telkens vergiste hij zich, en toen de sommen eindelijk klaar waren zagen ze er slordig en knoeierig uit. — 't Kon Eduard niets schelen en ongeduldig schoof hij alles op zij. — Toen zette hij zijn ellebogen op tafel, liet zijn hoofd in zijn handen leunen en keek naar buiten.
Dat was nu bijna voor 't laatst dat hij al die tuinen en daken zoo zag. — Morgenochtend misschien nog even, en dan in vier maanden niet meer. — En vannacht zouden Vader en hij hier ook voor 't laatst samen slapen en morgen — dan was Vader al heel ver weg en zou 's nachts in Bazel ergens in een vreemd hotel slapen, en hij zelf zou bij Tante Lina zijn, ook in een vreemd kamertje en in een vreemd bed. — Niets geen gezellig huis was dat van Tante Lina, met al die groote kamers, 't was hier thuis toch veel prettiger en gezelliger. Wat zou 't gek leeg zijn, als hier nu morgenavond niemand meer in de kamer kwam, en beneden ook, in de huiskamer, en in Vaders kamer, wat zou 't overal akelig leeg en donker en koud zijn. — Hoe lang zou Vader er nu nog zijn, 't was nu bijna drie uur, en morgenochtend om kwart voor negen ging Vader weg, dat was dus nog twaalf, en nog zes, nog achttien uur, bijna. En nu zat die mijnheer van der Zande, die Vader nog vier heele maanden zien kon, en die 't bovendien niks schelen kon of hij vader zag of niet, aldoor maar gezellig beneden te praten, en hij zelf moest hier alleen boven zitten. — Hoe lang zou dat nu nog duren?
En uit medelijden met zichzelf kwamen de tranen hem in de oogen; maar hij veegde ze haastig weg, en keek toen weer stil naar buiten.
En zoo zat hij nog toen Vader om drie uur naar boven kwam om hem te roepen. — Zachtjes trok Vader het hoofd van zijn jongen achterover en keek hem aan, en weer voelde Eduard zijn oogen vochtig worden.
"Ik vind 't zoo naar dat u boos werdt!" fluisterde hij, "maar 't kwam allemaal door mijnheer van der Zande, als die niet gekomen was ..."
"Nee vent, dat weet je wel beter, ik had je genoeg gewaarschuwd, je hadt niets meer te doen beneden, en als ik je dan drie, vier keer zeg naar boven te gaan moet je het ook doen; en ik wil nu wel gelooven dat je het niet prettig vondt dat mijnheer van der Zande er was, maar daarom mag je toch niet onbeleefd zijn, en dat propjes schieten kwam heelemaal niet te pas; zul je dat nu voortaan onthouden?"
Eduard knikte. "Maar nu bent u toch niet boos meer, is 't wel Vader?"
"Nee, ik ben nu niet meer boos. Ga nu maar gauw je jas aantrekken, dan gaan we mijnheer van der Zande naar den trein brengen."
Eduard trok zijn ijsmuts over de ooren toen ze buiten kwamen. 't Was koud, vriezend weer. — "Hoe is 't mogelijk, we gingen al haast naar de lente toe, en nu weer zoo'n kou, we krijgen bepaald nog ijs!" hoorde hij mijnheer van der Zande zeggen. Toen holde Eduard vooruit naar 't bosch. Een helder winterzonnetje deed de witte sneeuwplekken, die hier in 't bosch na de laatste sneeuwbui nog niet waren weggedooid, glinsteren. — Eduards verdriet van straks was vergeten, en voor een half uurtje dacht hij er niet aan dat het Vaders laatste dag was, en dat het de eerstvolgende keer, dat hij hier weer met Vader zou wandelen, midden in den zomer zou zijn.
Telkens holde hij een zijweg in, om dan opeens weer uit een klein laantje te voorschijn te schieten en een pas of tien rustig naast de beide heeren verder te wandelen, die druk in gesprek hun weg vervolgden; dan rende hij weer vooruit om even verder over een bank te springen.
"Wel Kerner, die jongen van jou lijkt wel onvermoeid!" zei mijnheer van der Zande eindelijk. "Wat een levenslust!" en tegen Eduard, die weer hijgend aan kwam loopen: "Word je niet moe, baas?"
"Nee mijnheer, heelemaal niet!" lachte Eduard, "maar nu blijf ik toch eens een beetje hier!" En hij stak zijn hand door Vaders arm.
IV.
"Meneer, alles is klaar, zal ik nu maar heengaan? En dan breng ik meteen het restje van Edu z'n goed naar mevrouw Verhey."
Vader liet zijn koffertje, waar nog een paar vergeten dingen ingeperst werden, in den steek.
"Is alles klaar, Rika? En achter alles gesloten ook? Mooi, dan zal ik zoo meteen nog wel even gaan zien. — Ja, dan zou ik nu maar weggaan," en op een pak in de gang wijzend: "is dat alles wat nog voor Eduard weggebracht moet worden?"
"Ja meneer, het andere is gisterenavond gegaan."
"Mooi, mooi. — Nou Rika, 't ga je goed hoor, tot over vier maanden!"
"Ja meneer. Dag meneer, goeie reis!"
"Dank je. Dag Rika!"
Eduard ging mee om Rika uit te laten. "'k Zal vast aan je Tante vertellen wat voor een lastpost ze in haar huis krijgt," beloofde ze.
"Dat zeg je nou wel, maar dat doe je toch niet!" lachte Eduard, "je durft het niet eens! Dag ouwe Rika!" En toen ze de deur al uit was nog eens "Dag ouwe Rika!"
Toen liep hij weer naar de huiskamer terug en bleef stil staan kijken terwijl Vader de riemen van het koffertje dicht gespte. 't Was 't laatste stuk van Vaders bagage; de groote koffer was de vorige week al weggegaan, en twee kleinere stonden nog in de gang om straks boven op de vigelante getild te worden. 't Handkoffertje zou Vader bij zich houden.
"Afgeloopen," zei Vader, toen de riemen vast waren, en hij keek Eduard aan. — "En nu gaan we weer verder," en hij nam 't koffertje op om het in de gang bij de andere te zetten.
En toen begon een tocht door het huis; 't was een van de akeligste tochten, die Eduard ooit gemaakt had. — Aldoor zwijgend liep hij met Vader mee, bezochten ze alle kamers om de beurt, en terwijl Vader keek of de ramen goed dicht waren, en de kasten sloot, moest Eduard steeds maar denken aan dat vreeselijke oogenblik, dat nu al zoo vlak bij was, het oogenblik, dat Vader weg zou rijden, dat hij Vader niet meer zien zou, voor vier lange maanden, voor een vreeselijk langen tijd, waaraan bijna geen eind zou komen.
Vaders eigen kamer was het laatst aan de beurt, en daar borg Vader de sleutels weg. — "Ga je aankleeden, Pepi," zei hij, "je moet naar school toe, het rijtuig zal mij wel dadelijk komen halen." En toen hij merkte dat Eduard maar heel stil dicht bij hem bleef staan en hem aldoor strak aanzag, keek hij zijn jongen diep in de oogen en zei zacht: "zul je voorzichtig zijn, Pepi? Zul je maken dat ik over vier maanden een gezonden, vroolijken jongen terugvind?"
Eduard knikte, maar zonder iets te zeggen. — En aldoor bleef hij Vader maar aankijken.
Toen klonk in de verte het geluid van wielen; dichter en dichter bij kwam het. Eduard ging naar het raam; "het rijtuig," zei hij. —
Voor de deur hield het stil. —
Toen werd er gebeld, Vader liep de gang in en zette zijn hoed op, en opende toen de voordeur om den koetsier aanwijzingen te geven voor het opladen van de koffers. Toen trok Vader zijn jas aan, nam die van Eduard van den kapstok, en kwam weer binnen.
Eduard stond nog voor het raam, en Vader ging naar hem toe en heesch hem in zijn jas. — En toen .... "Vader, Vader!" snikte Eduard, en hij klemde zijn armen om Vaders hals.
"Mijn kleine Eddy!" Even liet Vader zijn jongen nog tegen zich aanleunen en klopte hij hem zacht op den rug. Toen maakte hij zich los, en Eduards hoofd tusschen zijn handen nemende kuste hij hem voor 't laatst.
Toen nam Vader de schooltasch van tafel op en hielp hem die op zijn rug te hangen. En Eduard liet zich meenemen, de gang in, waar Vader hem zijn pet aangaf, en verder naar buiten, waar de koetsier op den bok al zat te wachten.
Vader sloot de huisdeur, en stak den sleutel in zijn zak.

"Denk er aan, als je soms iets noodig hebt, dat Tante Lina den anderen sleutel heeft," zei hij. —
"En zul je nu gauw naar school toe gaan?"
Eduard knikte, en Vader stak zijn hand uit: "Dag Pepi, houd je taai!"
"Dag Vader!"
Toen draaide Vader zich om, en wenkte den koetsier dat alles in orde was. — Vader stapte in; nog even knikte hij Eduard toe, toen klapte het portier dicht en de wielen begonnen zich te bewegen. Eduard keek het rijtuig na terwijl het verder en verder wegrolde, nog even zag hij Vader wuiven, toen verdween het om den hoek.
Vader was weg.
Vreemd leeg en stil was de heele straat, en Eduard keerde zich om en liep den anderen kant uit, naar school.
"Kerner, hoe is 't? Let je nu weer niet op?"
Eduard schrikte op. Dat was de derde keer al vanmorgen, eerst had hij bij 't lezen al niet geweten waar 't was, en dit was nu al den tweeden keer dat mijnheer hem er met 't uit het hoofd rekenen op betrapte dat hij er niet bij was.
"Nu," klonk het ongeduldig, "heb je geluisterd of niet?"
Eduard schudde van nee; hij voelde, dat de jongens allemaal naar hem keken, en daar waren ook die akelige tranen weer. Hij knipte ze haastig weg. Hij wilde in de zesde klas niet huilen.
"Dan wacht je om twaalf uur maar eens. — En nu jij, van Effen, de laatste som nog eens alsjeblieft."
Eduard probeerde te luisteren, maar hij hoorde er nog niet veel van.
Eerst, onder de leesles, was hij aldoor met zijn gedachten aan 't station geweest, zag hij Vader afscheid nemen van Tante Lina en Oom Tom, die nog even aan 't perron zouden komen. En verder had hij er den heelen morgen telkens over zitten soezen waar Vader nu zou zijn, of 't nog lang zou duren voor Vader in Arnhem zou aankomen, of Vader daar mijnheer van der Zande gauw zou vinden ...
Nu was hij nog kwaad op zichzelf ook, had hij maar beter geluisterd! Om twaalf uur schoolblijven, en dat juist nu het de eerste keer was dat hij dadelijk uit school naar Oom en Tante moest! Wat zou Tante Lina wel zeggen, als hij zoo laat kwam, en Oom Tom was altijd zoo streng!
Weer spande Eduard zich in om op te letten. Dat was de zevende som nu al, en hij had er pas twee goed! 't Ging nooit prachtig, uit het hoofd rekenen, maar vandaag was 't al heel erg! Akelige, nare dingen! Deze keer waren ze dan toch ook bizonder lastig!
Hij vond er van de drie laatste nog maar één, en toen om twaalf uur de bel ging, kon hij er maar drie als goed opgeven.
De jongens stormden weg, en Eduard bleef in zijn bank zitten. Mijnheer Snijders liep mee de gang in. Een paar minuten galmde het drukke geroes nog na in het groote steenen gebouw, toen werd het stiller en stiller, en mijnheer Snijders kwam weer binnen en deed de deur van de klas dicht. Ongeduldig hing Eduard in zijn bank, vurig verlangend om weg te komen uit 't ongezellige, leege lokaal.
De onderwijzer bleef rustig even staan schrijven aan zijn lessenaar, en begon toen: "Kerner, dat gaat zoo niet, dat rekenen moet beslist beter worden. — Dat zijn nu vandaag maar drie van de tien sommen, en je schriftelijk werk is tegenwoordig ook al niet schitterend, ik sprak er de vorige week al met je Vader over, toen hij hier was, en ... is je Vader al weg?" viel hij zichzelf in de rede.
"Vader is vanmorgen weggegaan," antwoordde Eduard zacht.
"Zoo." — Mijnheer Snijders zweeg eenige oogenblikken, en vervolgde toen: "Nu, ik heb het je nu gezegd, als je op het volgende rapport voldoende voor rekenen wilt hebben dien je deze maand terdege je best te doen. En maak nu maar gauw dat je wegkomt."
Eduard holde de school uit, blij dat het niet langer geduurd had. Tot Tantes huis toe bleef hij hollen, in de hoop dan nog niet zóó laat thuis te komen dat het de aandacht zou trekken, en hijgend liep hij de stoep op en belde aan. Het luidruchtige gepraat van zijn neefjes drong vanuit de gang al tot hem door, toen trok Piet met een ruk de deur open.
"Kijk, daar hebben we Eduardje ook!" riep hij, en toen met een plechtig uitnoodigende handbeweging: "Treed binnen, mijn zoon, en ontdoe uw schoeisel van het aanklevende stof opdat onze dierbare Trinia u niet hooghartig tegemoet trede en u met één blik uit haar vurige oogen vernietige, met andere woorden: veeg je voeten anders is Trijntje kwaad."
"Doe nou niet zoo idioot," snauwde Hugo en hij deed de voordeur dicht, en Eduard vroeg met een akelig gevoel van niet-thuis zijn: "Moet ik mijn jas hier ophangen, zeg?"
"Zeker Eduardje, hang jij je jas hier maar op," zei Hugo, en tegen Piet: "Nou, en wat deed Somers toen?"
En Piet: "Nou, eerst deed hij niks, en toen zei hij: 'Wie piept daar zoo?' Maar toen gaf natuurlijk niemand antwoord, en toen vroeg hij 't nog eens en toen zei weer niemand iets, en eindelijk werd hij nijdig en Jansen piepte altijd maar door, en we zaten allemaal te schudden van 't lachen en op 't laatst snapte hij dat Jansen het deed en toen vloog hij naar Jansen z'n bank toe en Jansen riep maar aldoor: 'Ik deed 't niet, de bank deed het!'"
De jongens waren naar binnen gegaan, Hugo aandachtig luisterend, zijn handen in zijn zakken, Piet druk pratend en gebaren makend. Eduard volgde ze in de huiskamer. — "Dag tante," zei hij, en hij ging naar Tante Lina toe om haar een hand te geven.
"Zoo Edu, ben je daar," zei Tante, "dat is best. Hoe is 't er mee?"
"Goed, Tante."
"Vader is op tijd aan den trein gekomen, hoor! Oom en ik waren allebei aan 't station, en Vader liet je nog de groeten doen en vroeg of je vooral gauw schreef."
"Vroeg Vader dat?"
Tante knikte, maar haar aandacht was alweer op de jongere leden van de familie gevestigd. "Stil Tommy, niet zoo'n leven maken, en Broertje, laat je nu dadelijk zoet je slabbetje voor doen door Juf!"
En tegen de anderen: "Jongens, komen jullie gauw zitten, ik hoor Pa al in de gang!"
Daar kwam kleine vijfjarige Beppie naar Eduard toe en duwde haar vuistje in zijn hand. 't Gaf hem opeens een warm gevoel van vriendelijkheid in de vreemde omgeving. En een hoog, overslaand kinderstemmetje vroeg: "Mag Eetje naast mij zitten, Maatje?"
V.
't Was een vroolijk span, Tantes zestal.
Hugo was de oudste. Hij was veertien jaar, zat in de derde klas H. B. S., werkte hard, en commandeerde de kleintjes.
Piet was een jaar jonger dan zijn broer, en nam het werken heel wat luchtiger op. Hij was ook op de H. B. S., maar in de eerste klas, en de andere jongens vonden hem "een leuke vent". Hij leerde heel gemakkelijk, en vond het gewoonlijk niet de moeite waard, aan zijn lessen veel tijd te besteden. Meestal keek hij ze even door, en probeerde dan bij het overhooren zich er op de een of andere manier handig uit te redden.
Dan volgde Lineke, een donker kind van tien jaar, die dol veel van lezen hield, en die, wanneer ze in een boek verdiept was, niets meer zag of hoorde van wat er om haar heen gebeurde. — Ze was heel wat rustiger dan zevenjarige Tommy, een ondeugende bengel, die zijn Moeder en de kinderjuffrouw heel wat last bezorgde. — Beppie was een blond krulkopje met een vriendelijk snoetje en groote, helderblauwe oogen, en dan volgde nog de benjamin, Broertje, een stevige dikzak van drie, die zijn eigen willetje al graag deed gelden, en in zijn koninkrijk, de groote speelkamer, onbeperkt heerschte.
De jongens hadden hun stoelen aangeschoven, en Beppie had Eduard meegetrokken naar haar eigen hooge kinderstoeltje, waar ze vlug inklauterde. "Nu moet jij hier zitten, Eetje!" zei ze, op den stoel naast zich wijzende.
Eduard lachte even tegen het grappige kleine ding, en keek toen Tante aan, want hij begreep wel dat het niet de bedoeling was dat hij op Oom Toms stoel ging zitten.
Tante Lina had zich naar hen toegekeerd. "Maar Bep," zei ze, "Edu moet eigenlijk tusschen Piet en Lineke zitten, dat vindt hij natuurlijk ook veel prettiger!" En van Beppie's teleurgesteld gezichtje naar Eduard ziende: "Of wil je wel graag tusschen Oom en Beppie inzitten, Edu?"
"Jawel Tante," antwoordde Eduard, om Bep plezier te doen, en Tante zei haastig: "Nu, verzet de stoelen dan maar even en schuif die van jullie wat dichter bij elkaar, dan zit Oom toch op zijn gewone plaats."
De Kapitein was binnengekomen, en 't had Tommy, die aan zijn verontwaardiging tegen Piet op handtastelijke wijze uiting gaf, dadelijk doen bekoelen.
"Pa," begon hij, nog rood van kwaadheid, "Piet zegt, dat ik een uil ben!" en met een triomfantelijken blik naar Piet: "en hij is er zelf een!"
De Kapitein voelde niet veel roeping om uit te maken, wie van zijn zoons een uil was. — "Stil jongens!" zei hij, "wat moet je neef wel van jullie denken!" en Eduard op den schouder kloppend: "Ben je niet eerst bij vergissing naar huis geloopen, zeg?"
Maar Beppie liet hem geen tijd om te antwoorden.
"Paatje," vertelde ze, "Eetje wil liever tusschen Paatje en Beppie zitten dan tusschen Piet en Lineke!"
De Kapitein begon hardop te lachen. "Zoo prul, dat is vleiend voor ons, he?" zei hij, en met een komiek ernstig gezicht: "En Beppie wil liever naast Eetje zitten dan naast Paatje!"
Beppie deed dadelijk haar best om 't weer goed te maken. — "Beppie wil ook wel tusschen Eetje en Paatje zitten!"
"Och, die arme juf!" zei Oom Tom hoofdschuddend. "Juf, hoort u 't, dan hebt u bij Beppie afgedaan!"
Bep strekte haar handje naar juf uit. "Nee, heusch niet!" verzekerde ze ernstig, en toen verlegen de tafel rondziende: "Beppie wil wel naast allemaal zitten!"
Een uitbundig gelach volgde, en Bep keek verwonderd rond.
Broertje, die het niet geschikt vond dat er van zijn zusje zooveel meer notitie werd genomen dan van hem, schoof met een boos gezicht het bordje met de netjes in dobbelsteentjes gesneden boterham van zich af, en verklaarde: "Ik wou niet meer eet."
Niemand lette op hem, behalve de juffrouw, die kalm het bordje weer naar hem toeschoof, met een "dooreten, Broer."
Maar Broer liet zich niet gauw lijmen, en 't kostte de juffrouw veel moeite, er nog een halve boterham in te stoppen. — Broertje mopperde hevig, maar niemand luisterde naar hem. Bep peuzelde met een tevreden gezichtje haar bordje leeg, en Eduard keek vol aandacht naar Hugo, die op school pas de electrische schel behandeld had, en nu zijn Vader wilde overhalen het geheele huis van boven tot beneden van electrische schellen te voorzien. De anderen zaten te ver van Broer af om op hem te letten.
"Heusch Pa," zei Hugo, "'t zal zooveel niet kosten, en als u nu maar goed vindt dat ik alles wat ik noodig heb voor uw rekening laat opschrijven, dan zal ik het allemaal fijn in orde maken!"
"Zeker," antwoordde de Kapitein, "en dan op de manier van Piet, die de tuin wel in orde zou maken toen we hier kwamen wonen; er werd tuingereedschap gekocht, twee maanden bleef alles liggen, en ..."
"Nou ja Pa, maar dat kwam ..." begon Piet, en Hugo viel hem haastig in de rede: "Maar ik zal dit nu heusch wel netjes doen, toe Pa, zegt u nu maar dat het goed is, het zal heusch zoo gemakkelijk zijn!"
"Ja, heel gemakkelijk, dat denk ik ook; dan bellen de heeren boven op hun slaapkamer: 'Keetje, wil je eens even aan Ma zeggen dat er geen enkele knoop meer aan mijn broek zit!'"
Tante Lina lachte, en Hugo, half hopend dat hij het gewonnen zou hebben nu Pa er gekheid over maakte, besloot: "Dus u vindt het goed, Pa?"
"Tut, tut, dat zeg ik niet, ik zal er eens over ..."
"Ik wou niet meer eet!" klonk het opeens boven alles uit, en Broertje gooide met een driftige beweging zijn melkkroesje, dat hij juist had leeggedronken, op den grond, schuins naar zijn Vader glurende om te zien, hoe deze nieuwe stoutigheid zou worden opgenomen.
"Hei jongenheer, wat is dat? Wat wou je niet meer?" informeerde de Kapitein streng.
"Ik wou niet meer eet!" herhaalde Broer, maar heel wat kalmer nu.
"Zoo? Waarom niet?"
"Och, Broertje is ondeugend," zei de juffrouw, "hij wilde eerst een boterham alleen met gelei hebben, en nu wil hij niet eten omdat er geen boter onder is!"
"Foei Broer," zei Tante Lina, "eet gauw op!" Maar Broertje hield koppig vol: "Wou niet meer eet!"
Zijn Vader keek hem strak aan.
"Broertje, waarom heb je je kroes op den grond gegooid?"

Broer wreef met zijn wijsvinger over de plek waar de kroes gestaan had, toen draaide hij zich half om, boog zich over de zijleuning van zijn stoel, en bleef zoo aandachtig kijken naar het bewuste voorwerp op den grond.
Het was zoo'n vermakelijk gezicht, dat Eduard niet kon laten er om te lachen.
"Nu, Broer?"
Broer had bedacht wat hij zeggen wilde. — "Kroesje wou niet meer op de tafel staan," verklaarde hij, "en daarom is kroesje op den grond gaan liggen." En weer naar beneden kijkend: "Toute kroes, wil jij wel eens gauw weer bij Broertje komen!"
Lineke en de jongens hadden dolle pret, en zelfs de Kapitein keek gauw een anderen kant uit.
De juffrouw wilde 't nog eens probeeren, en hield weer een hap voor Broers mond, maar hij liet zich niet foppen, en begon dadelijk weer met zijn zeurig "wou niet meer eet!"
"Nu, dan laat je het maar," zei de Kapitein koeltjes, "en verdwijn dan meteen maar gauw. Ga maar naar de leerkamer en blijf daar een poosje."
Nu begonnen Broers tranen te vloeien. "Wou niet weg!" riep hij, en hij klemde zich stevig aan zijn stoel vast.
"Broertje, moet ik je komen halen?" Een heftig nee-schudden was het eenige antwoord.
"Vooruit dan; een, twee, drie, opgemarcheerd marsch!"
Nu liet de kleine jongen zich van zijn stoel afglijden en huilend holde hij de kamer uit.
"Kinderen die nog niet weten, hoe ze zich behooren te gedragen, moeten maar verdwijnen," zei de Kapitein.
Eduard dacht aan iets dat gisteren gebeurd was, dat hier zoo veel op leek, en dat toch zoo heel anders was. Gewoonlijk was hij aan tafel druk genoeg, maar nu was hij heel stil, niet thuis als hij zich voelde in de roezige drukte om hem heen. Hij luisterde stil naar het gepraat van zijn neefjes en nichtjes, die steeds doorbabbelden en lachten; aan scènes als die van zooeven met Broer waren ze al lang gewoon.
"Eet jij nu nog eens een boterham," zei Oom Tom.
Maar Eduard bedankte; hij had geen trek meer.
"Ik wel," zei Piet, en etend vertelde hij dat de ijsbaan Zaterdag geopend werd als 't bleef vriezen. "Heb je ook je schaatsen meegebracht?" vroeg hij.
"Nou of ik," zei Eduard dadelijk.
"Als hij open is, hol ik er Zaterdag na de koffie dadelijk naar toe," verklaarde Piet "of ik ga op de fiets, dan ben ik er nog gauwer. Mag dat Pa?"
"Eet nou eerst je boterham maar op," antwoordde de Kapitein, "we zijn allemaal klaar." En tegen zijn vrouw: "Wanneer komen de van Marens nu eigenlijk, vánavond of mórgenavond?"
"Vanavond."
"O ja, juist." — Oom Tom keek op de klok en stond op. "Ik moet weg, laat jij Broer meteen even uit de leerkamer? Tot straks dan. — Dag juffrouw, dag jongens!"
De Kapitein sloot de deur achter zich, en ook de juffrouw stond op, om met Bep en Tommy naar de speelkamer te gaan.
't Gaf in eens een heele leegte.
"Edu," begon Tante Lina, "vertel eens, zit je in een prettige klas?"
"Jawel, Tante."
"En heb je aardige vrinden?"
"Theo de Beer is een leuke jongen, en Meertens ook wel, die zit achter me."
"Is dat die jongen met die kalfsoogen?" vroeg Piet.
"Meertens heeft geen kalfsoogen!" begon Eduard verontwaardigd, maar Tante Lina viel hem in de rede: "Och, hij plaagt maar wat, hij kent die jongen niet eens!" En verder vragend: "Wanneer maak jij meestal je huiswerk, Edu, óók 's avonds?"
"Ik begin haast altijd dadelijk als ik uit school thuis kom, en als ik dan niet klaar kom maak ik 't 's avonds af!"
"Kijk eens aan, dat komt prachtig uit; Piet en Hugo werken altijd 's avonds, dus als je dan om vier uur naar de leerkamer gaat heb je 't rijk alleen, en dan kun je daar heel rustig en op je gemak werken."
"Graag Tante."
Tante Lina stond op en begon de bordjes in elkaar te zetten. — "Willen jullie nu een van allen Edu zijn kamertje eens wijzen?"
Lineke was met haar boek bij het raam gaan zitten en Hugo keek zijn les nog eens over. Piet was de eenige die niets deed. Toen hij geen aanstalten maakte vroeg zijn Moeder nog eens: "Piet, wil jij 't doen?"
"Graag Tante," zei Piet met een hooge stem, en Eduard een arm aanbiedende: "Waarde neef, mag ik het genoegen hebben u naar boven te begeleiden?"
In de gang liet hij zijn "waarde neef" los, en rende vooruit de twee trappen op. — "Je slaapt naast Huug en mij," vertelde hij. "Ben jij 's morgens nogal vroeg wakker?"
"Ja, meestal wel."
"Nou, bons dan eens flink tegen den muur en por ons op, wij zijn echte slaapkoppen."
"Goed, maar roep mij dan ook als jullie eens vroeg bent!"
Piet had de deur van 't logeerkamertje opengedaan. "Betreed dit heilige der heiligen met gepasten eerbied!" fluisterde hij.
Eduard lachte, en liep naar binnen.
"Nou, ik smeer 'm, hoor! 'k Heb om half twee school," verkondigde Piet, die met zijn handen in zijn zakken op den drempel was blijven staan. "Dag Eduardje!" en op zijn hielen draaide hij zich om.
"Da-ag!" zei Eduard.
Hij keek eens om zich heen. — 't Was een klein, helderlicht kamertje. — Aan den eenen kant, tegen den muur die aan de kamer van Hugo en Piet grensde, stond het bed met de geelkoperen knoppen, en even streek Eduard zacht over de vouwen in 't schoone linnen.
Tegen den anderen muur stonden de waschtafel en een kastje, en voor 't raam op een klein tafeltje zag hij een kandelaar met een nieuwe kaars, een doosje lucifers er naast.
Eduard keek naar de schoone handdoeken op de waschtafel en naar 't nieuwe stuk zeep in 't zeepbakje; toen, aarzelend omdat hij niet wist of 't wel mocht, trok hij de deur van 't kastje, die op een kier stond, open. 't Was heelemaal leeg. — Zeker voor hem, om allerlei dingen in te leggen. — Maar gauw deed hij de deur weer dicht toen hij dacht dat er iemand naar boven kwam, en stil bleef hij staan luisteren. — Nee, hij hoorde nu niets meer, zeker was 't dus verbeelding geweest.
Eduard liep naar 't raam om naar buiten te kijken, en daar opeens, naast 't bed tegen de muur, zag hij een oude bekende staan. 't Was zijn koffertje. De doos, die Rika 's morgens gebracht had, en zijn vioolkist stonden er bij. Eduard verlangde er opeens naar, nu nog meer bekende dingen te zien, en hij draaide den sleutel, die in het slot stak om, en lichtte het deksel van den koffer op.
't Eerste wat hij zag was een klein pakje, dat hij zich niet herinnerde gezien te hebben toen de koffer dicht ging. 't Was in bruin papier gepakt, en met Vaders bekende letters stond er op geschreven: "Voor Pepi."
Eduard trok aan het touwtje en ongeduldig scheurde hij het papier er af. 't Was een doos chocola. Dat was nou net iets voor Vader, om zoo iets te bedenken! Vader bedacht altijd van die aardige, echt leuke verrassingen, waar je heelemaal niet op rekende!
Hij opende de doos, die gevuld was met groote flikken, en stak er onmiddellijk een in zijn mond. — Was Vader er nu maar, om ook mee te eten! Om alleen chocola te eten was toch lang zoo gezellig niet! Maar hij hoefde ook eigenlijk niet alleen te eten; straks, na het eten bijvoorbeeld, kon hij de doos mee naar beneden nemen en al de neefjes en nichtjes presenteeren, dat zouden ze zeker wel leuk vinden!
Maar dan was 't ook eigenlijk ineens op! Was 't niet prettiger om de doos maar hier te houden, en er alleen maar zelf een te nemen als hij er erg veel trek in had? Dan kon hij hem later altijd nog eens mee naar beneden nemen, dat hoefde toch ook niet dadelijk, en dan eerst maar maken dat niemand hem vond. — Maar waar zou hij hem dan stoppen? In 't kastje? Dat durfde hij toch niet op slot te doen!
Besluiteloos keek Eduard naar de doos. Liever maar in 't koffertje, dat was eigenlijk nog het veiligst! Hij raapte het papier op en begon de doos weer in te pakken. — Wat vreeselijk lief toch van Vader, om daar met al die drukte nog aan te denken! Waar zou Vader nu zijn? Om één uur zouden ze uit Arnhem gaan, dus Vader was zeker nog wel in het land, maar wie weet hoe kort nog maar! En in eens bedacht hij dat hij iederen keer als hij een flik uit de doos nam daarbij aan Vader wilde denken; hij peuterde aan het touwtje om den knoop los te krijgen, maar 't ging slecht met zijn koude vingers. 't Was hier boven ook wel verschrikkelijk koud! Zou de ijsbaan heusch Zaterdag open zijn? 't Zou leuk zijn! Gauw nog even zijn schaatsen opzoeken, dat kon nog net voor hij naar school moest! Hij rommelde in den koffer, maar vond ze niet dadelijk, zeker lagen ze heelemaal onderin! Vlug gooide hij een paar dingen die hem in den weg lagen op den grond, zijn schoenen, wat ondergoed, een paar boeken, een blouse, ja, daar waren de schaatsen ook! Eduard bekeek ze even; ze zagen er nog prachtig uit, verleden jaar was er heelemaal geen ijs geweest, en het jaar daarvoor had hij ze pas nieuw gehad, en er ook maar een keer of vier op gereden. — Hij dacht aan den eersten keer dat hij er toen op gestaan had, en aan al de buitelingen die hij toen gemaakt had; 't zou nu zeker wel veel beter gaan!
"Edu, moet je niet naar school?" klonk het beneden.
Eduard keek verward naar den rommel om hem heen. "Ja Tante, ik kom!" riep hij. Er was nu geen tijd meer om alles op te ruimen, dat moest dan vanavond maar; haastig legde hij de schaatsen op een stoel en de doos chocola in den koffer, toen klapte hij het deksel dicht en draaide den sleutel om. — Waar moest hij dat ding nu laten? Zoo maar los in zijn zak? Niet erg veilig, beter aan zijn horloge-ketting. — Sleuteltje en horloge werden bij elkaar weggestopt, toen liep Eduard vlug naar beneden.
Een verdieping lager stak Beppie haar krullebol om den hoek van de speelkamerdeur. "Eetje!" riep ze, en naar hem toekomend: "Doe je na het eten een spelletje met me?"
"Wat voor spelletje?"
"Een leuk spelletje!"
Eduard begon te lachen. "Ja, goed," beloofde hij. Toen holde hij verder de trap af.
VI.
"Jij bent 'm, jij bent 'm!"
Helder klonken de hooge kinderstemmen door de ruime, marmeren gang.
Tommy, die 'm was, had zijn eene been opgetrokken, en hinkte op het andere zoo vlug mogelijk zijn zusjes en Eduard achterna, om ze een van drieën te tikken. 't Was moeilijk genoeg, want ze waren naar het wijde middengedeelte van de gang gevlucht, tusschen de trap en de leerkamer, en Tommy had het hard te verantwoorden; de anderen konden zich op hun twee beenen heel wat vlugger bewegen dan hij op één, en vroolijk dansten en sprongen ze om hem heen met hun steeds herhaald uitdagend gezang: "En Tommy is 'm, en Tommy is 'm!"
Telkens klonk een luid gegil, als ze een van allen bijna gepakt werden; als ze dan nog juist bijtijds aan Tommy's grijpende handen ontglipten ging er een gejuich op, en dan volgde weer 't refrein: "En Tommy is 'm!"
Tommy kreeg 't er warm van. Even bleef hij tegen den muur staan om uit te rusten, toen begon hij weer met nieuwen moed; opeens verloor hij zijn evenwicht en bonsde tegen de deur van de leerkamer aan.

"Toe nou!" riep een booze stem, maar 't verstoorde de pret in de gang niet, en Tommy hinkte met zoo'n vaart naar de trap toe, dat Lineke nauwelijks kon ontsnappen. Vlug als een aal was ze over de trapleuning gegleden, en twee treden hoog staande zong ze, met een kleine variatie op 't thema van straks, op de wijs van "In Holland staat een huis": "En Tommy is 'm nog, en Tommy is 'm nog!" Bep en Eduard deden dadelijk mee, en Bep vond 't zoo leuk, dat ze op een vervaarlijke manier begon te springen.
Tommy, aangevuurd door 't gezang, was naar haar toegehinkt, en Bep, die vlak bij 't traphoekje stond, merkte het te laat om nog weg te loopen. — "Nee, nee!" gilde ze, maar 't hielp haar niets, en ze werd getikt.
De anderen lachten, en Eduard viel dadelijk in: "En nu moet Bep 'm zijn; en nu moet Bep 'm zijn!"
Bep hinkte er dapper op los, en Tommy, dolblij dat hij het gebruik van zijn twee beenen weer had, holde van 't eene eind van de gang naar het andere, en schreeuwde zoo opgewonden, dat zijn Moeder hem van uit de huiskamer waarschuwde met een: "Niet zoo druk zijn, Tommy!"
't Viel kleine Bep niet mee. Ze werd erg moe van 't hinkelen, en bleef telkens uitrusten; toch vond ze 't echt leuk, zoo heelemaal met de grooten mee te mogen doen, en haar blauwe oogen straalden van pret. — Maar eindelijk hijgde ze zoo, dat Eduard medelijden met haar kreeg, en toen liet hij zich maar vangen.
"Nou heb ik je getikt!" riep Bep verrukt, en Tommy, die de trap half op was geloopen en nu over de leuning hing, schreeuwde: "Ouwe Ee, ouwe Ee!"
"Je mag niet op de trap!" riep Lineke, en Eduard zei dadelijk: "Nee, dat mag niet, kom naar beneden, Tom!"
"Ga jij dan een eindje weg!"
"Ja, ik ben al weg!" Eduard hinkte een paar passen achteruit; "ik zal wachten tot je weer beneden bent!"
Stampend kwam Tommy de trap af, en toen hij in de gang stond begon hij onmiddellijk weer met zijn uitdagend: "Ouwe Ee!"
"Wacht, ik zal je krijgen!" Eduard hinkte met zulke groote passen naar hem toe dat Tom zoo vlug mogelijk maakte dat hij wegkwam. — Eduard draaide zich lachend om; de kleintjes konden hem dezen keer niet schelen, Lineke moest er aan gelooven, en nu begon er een wilde jacht, waarbij hij Lineke steeds in het oog hield, en waarbij Bep en Tommy hem telkens in den weg liepen, steeds juichend: "En hij kan ons lekker niet krijgen!"
Hij had de kleintjes al lang kunnen pakken als hij gewild had, maar 't was hem dezen keer om Lineke te doen, en dat kind was hem telkens te vlug af.
"Je loert aldoor op mij!" riep ze, en ze schoof weer weg langs de deur van de leerkamer, juist toen Eduard haar grijpen wilde.
"Kinderen, komen jullie nu toch binnen!" riep Tante Lina, "'t is veel te koud om zoo lang in de gang te blijven!"
"Toe Tante, nog even!" vroeg Eduard, warm en rood van inspanning, en weer hinkte hij Lineke achterna, en weer was 't een gejoel en gejuich en gehol, tot hij haar eindelijk in een hoekje had waaruit geen ontsnappen meer mogelijk was. — Toen bleef ze hijgend tegen den muur aanleunen, en lachend liet ze zich tikken, tot groote pret van Tom en Bep.
In optocht gingen ze naar binnen, Tommy voorop en Eduard er achter, de twee nichtjes aan zijn armen hangend.
"Wat zijn jullie druk!" Tante Lina schudde het hoofd, en de Kapitein keek van zijn courant op en zei, op Eduard wijzend: "Maar je hoeft anders niet te vragen of die hier soms al ingeburgerd is!"
"'t Was leuk!" verklaarde Lineke, en nog puffend van 't harde loopen schoof ze een stoel aan de tafel en klapte haar boek open.
Beppie hield Eduard stevig vast; "nu nog een ander spelletje!" vleide ze.
"Een ander spelletje naar bed!" zei haar Moeder. "Denk je dat Edu maar altijd zin heeft om spelletjes met jou te doen?" en tegen Eduard: "Is je werk al af?"
"Bijna, Tante, 'k moet alleen nog een Fransche les leeren," en haastig voegde hij er bij: "maar ik kan best eerst nog een spelletje doen!"
Tante Lina lachte. "Nog even dan, maar dan ook dadelijk meegaan als de juffrouw komt, Bep! Broertje is al lang onder de wol, wed ik!"
Bep knikte ijverig, en wees naar de open haard in de voorkamer. "Mogen we dan daar zitten?"
Tante vond 't goed, en Eduard werd meegetrokken. Gehoorzaam ging hij naast Bep op 't haardkleed zitten, voor 't zacht knappende vuurtje. — Even keek hij nog om, of Tommy niet mee kwam doen, maar die werd door zijn Vader beziggehouden; toen draaide hij zich weer naar Beppie toe, die hem al ongeduldig aan zijn mouw trok, en hij vroeg: "Wat moeten we spelen?"
"'k Zie 'k zie wat jij niet ziet!" bedacht Bep, "jij moet eerst opgeven."
"Goed," vond Eduard, "ik weet al wat, 't is blauw." Hij dacht er opeens aan hoe hij vroeger, toen hij nog heel klein was, met Moeder dit spelletje gedaan had; later heelemaal niet meer.
"Zoo is 't niet, je moet zeggen: "'k Zie 'k zie wat jij niet ziet," en dan moet ik zeggen: 'Wat zie je dan?'"
En Eduard herhaalde geduldig: "'k Zie 'k zie wat jij niet ziet!"
"Wat zie je dan?" vroeg Bep deftig.
"Iets blauws."
Bep keek om zich heen.
"De gordijnen?"
"Nee."
"'t Behang?"
"Nee."
"'t Tafelkleed?"
"Nee."
"Dit blauw?" En Bep duwde haar wijsvingertje op een stukje blauw in 't kleed op den grond.
"Nee."
"Iéts van dat blauw?"
"Nee, heelemaal niet; 't is ook niet donker maar lichtblauw!"
Beppie keek nog eens rond. "O, 'k weet het al!" riep ze met haar hoog stemmetje, "dat blauwe jurkje van dat kindje op dat schilderij!"
Eduard keek er naar en lachte; 't heele poppetje was niet grooter dan zijn duim. "Nee."
"'t Stukje lucht dan?"
"Ook niet." En nog eens herhaalde Eduard, nu sterk den nadruk leggend op de vier laatste woorden: "'k Zie 'k zie, wat jij niet ziet!"
"Zie ik 't echt niet?"
"Nee," lachte Eduard, "je ziet 't echt niet."
"Ja, maar kán ik het niet zien?"
"Nee, je kunt het zelf niet zien!"
"En zie jij 't dan wel?"
"Ja, ik wel."
Bep greep naar haar krullen. "Mijn haarlint?" vroeg ze, en ze trok aan de strik.
Eduard knikte lachend, en Bep schudde haar krullen weer naar achteren. "'t Was moeilijk," zei ze ernstig, "maar ik vind toch dat ik het erg gauw geraden heb, jij niet?"
"Ja, erg gauw; nu moet jij opgeven!" Beppie keek Eduard even nadenkend aan, en begon toen te lachen. Toen keek ze met een eigenwijs gezichtje naar de deur, naar de muur, en naar 't plafond, en zei langzaam, steeds naar boven kijkend: "Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet!"
"Wat zie je dan?"
"Iets bruins!"
Eduard was plotseling in een andere stemming vervallen. — "Iets bruins, iets bruins?" begon hij, "er is hier niets bruins!" En naar boven kijkend: "je dacht zeker dat 't daar boven bruin was, he? Maar dat heb je lekker mis, hoor, dat dacht je maar, of je hebt met je neus gekeken, want dat is wit, en dat blijft wit!" En met zijn handen om zijn knieën geslagen, half achteroverhangende, keek hij Bep plagend aan.
Beppie gierde het uit van pret. "Dommerd!" riep ze, "jij kijkt zelf met je neus! Zie jij hier niets bruins? Haast alles ziet hier bruin!"
Eduard keek haar bedenkelijk aan en krabde zich achter zijn oor. — Toen begon hij, steeds malle gezichten trekkend, achtereenvolgens al de meubels in de kamer op te noemen, en lachend schudde Bep haar bol bij iederen nieuwen stoel dien hij aanwees.
"Beppie! 't Is bedtijd!" klonk de stem van de juffrouw uit de achterkamer. Bep hoorde 't niet eens, verdiept als ze was in haar spel.
"Bep, ga je mee naar boven?" De juffrouw was door de openstaande suite-deuren naar het tweetal op het haardkleed toegekomen.
"Nog heel eventjes, toe Juf?" smeekte Bep, en tegen Eduard: "Heb je 't nu nóg niet geraden?"
De juffrouw stak Bep haar beide handen toe, en 't kleine ding liet zich optrekken; toen greep ze Eduard stevig bij zijn mouw vast om 't naar bed gaan nog even te verschuiven.
"Ik geef 't op, Bep!"
"Geef je 't op?" kraaide Beppie, aan een hand met de juffrouw meeloopende, en omkijkende: "'t Zijn je oogen, jouw eigen oogen!"
Lachend stond Eduard op, en langzaam volgde hij ze naar de achterkamer, waar kleine Bep aan 't nachtzoentjes uitdeelen was.
"Dat is een leventje, he Prul?" en vroolijk tilde de Kapitein zijn jongste dochtertje in de hoogte; "ik geloof dat die neef van jou een bovenste beste speelkameraad is! Je mag hem wel heel hartelijk bedanken, hoor!" Toen zette hij haar weer op den grond, en Bep trippelde naar haar Moeder toe. Tante Lina hield haar hand even tegen Beppie's wang. "Kindje, wat ben je warm!" En tegen de juffrouw: "Zouden we haar niet wat om doen in dat koude huis? Neemt u dien grooten doek maar uit de gangkast!"
De juffrouw verdween om den doek te halen, en Bep zoende Tommy en Lineke en kwam toen met een vooruitgestoken mondje naar Eduard toe; hij voelde opeens dat hij een kleur kreeg toen hij zich naar haar toe boog. — "Dank je wel dat je zoo prettig met me gespeeld hebt, Eetje!" zei ze. En toen werd ze door de juffrouw in den grooten wollen doek gepakt en mee naar boven genomen.
De Kapitein liet Tommy verder lezen en ook Lineke verdiepte zich weer in haar boek. Eduard bleef nog even bij de tafel staan niets doen, zijn handen in zijn zakken.
Tante Lina had al een paar keer opgekeken. — "Jongen, ga wat uitvoeren!" zei ze eindelijk; "heb je niet gezegd dat je nog een les moest leeren?"
"Ja Tante, moet ik dat hier doen, offe ....?"
"Ga maar bij Hugo en Piet zitten, daar zit je rustiger dan hier."
Eduard trok naar de leerkamer, waar hij 's middags ook al had zitten werken, en waar zijn neven nu bijna de heele tafel in beslag hadden genomen. "Kan ik hier ook zitten, zeg?" vroeg hij met een twijfelachtig gezicht naar den rommel kijkend, en Hugo schoof zonder op te kijken een paar boeken op zij. — Piet, die wanneer hij zat te werken blij was met iedere variatie, was opgestaan, en zette nu met een sierlijke buiging een stoel voor Eduard neer. "Zeker meneer, zeker!" zei hij gedienstig, "gaat u zitten, meneer!"
Een oogenblik had Eduard lust, hem een klap te geven, maar hij bedacht zich juist bijtijds, en zonder iets te zeggen bukte hij zich, om uit zijn tasch zijn Fransch boek op te visschen. Toen zocht hij zijn les op en begon te leeren.
Piet was weer gaan zitten en had zijn bezigheden voortgezet, die hoofdzakelijk bestonden uit het illustreeren van zijn geschiedenisboek. Al gauw zat Eduard er naar te kijken.
"Mooi, vind je niet?" begon Piet, hem het boek onder zijn neus duwend. Eduard lachte even om de malle poppetjes.
"Dat is Kreek," legde Piet uit, "weet je wie Kreek is?"
"Nee?"
"Dat is de oppasser. Die heeft precies zoo'n neus en hij steekt altijd net zoo mal z'n duimen vooruit; je moet morgenochtend maar eens opletten!" Piet wees op een ander poppetje. "En weet je wie dat is?"
"Nou?"
"Dat is 'Laat ze maar' als hij aan 't schaatsen-rijden is."
"Wie?"
"'Laat ze maar.' Dat is de conciërge, hij heet Metselaar, maar van Leeuwen .... weet je wie van Leeuwen is?"
"Ja, de directeur, is 't niet?"
"Ja, nou, we noemen hem altijd 'Leeuw' natuurlijk, en die praat zoo gemaakt, en dan roept hij door de gang 'Máatselaar,' en dan draaien wij het om, 'Laatsemaar' of 'Láat ze máar.' Geestig he?" en zonder op antwoord te wachten: "Nou, hij laat ons ook altijd maar, als hij ziet dat je er aankomt wacht hij altijd met bellen."
"Bij ons niet," zei Eduard, "Beek is een echt mispunt en als hij ziet dat je er aankomt doet hij gauw de deur voor je neus dicht en dan holt hij hard naar de bel, en dan ben je natuurlijk te laat, en ...."
"Houden jullie nu toch je monden!" viel Hugo nijdig uit, "die algebrasommen zijn toch al zoo ellendig lastig, en dan dat gezanik van jullie nog!"
Eduard zweeg verschrikt, en keek strak in zijn boek, maar Piet liet zich door zoo'n kleinigheid niet van de wijs brengen. Hij was aan dergelijke terechtwijzingen van zijn broer gewoon. "Nou, heb maar zoo'n lèf niet!" zei hij, en na een minuut of vijf half fluisterend: "Zeg Eduardje!"
Eduard keek hem aan.
"Is die ijsbaan hier nogal leuk?"
Eduard haalde zijn schouders op.
"Weet je 't niet? Ben je er nooit geweest?"
"Nee."
"Waar heb je dan schaatsen gereden?"
"Nou, op slootjes en zoo."
"O;" Piet keek even minachtend; "vervelend zeker?"
"Nee, juist erg leuk, met Vader!"
"In Amsterdam was 't moppig, 'n prachtige groote ijsbaan, tien minuten van ons huis af; fijn man!"
Hugo stampte even op den grond. "Stil nou!"
Eduard probeerde verder te leeren. Hij had zich zóó voorgenomen dat al zijn werk uitstekend in orde moest zijn zoolang Vader weg was, maar hoe kon hij nu opschieten op die manier? En nu had hij vanavond nog aan een brief aan Vader willen beginnen ook, maar daar kwam hij nu zeker niet aan toe. Nu eerst de les maar. En zacht bewoog hij zijn lippen bij het telkens herhalen van de Fransche woordjes.
Opeens merkte hij dat Piet grinnikend naar hem keek.
"Waarom lach je?"
"Och, zoo maar; je zit zeker altijd alleen te werken?"
"Alleen? Ja, meestal wel; of bij Vader als Vader thuis is."
"Prettig voor Oom Eduard!"
"Waarom?"
"Nou, omdat je aldoor hardop leert."
"Ik leer niet hardop!"
"Wel waar, je doet aldoor zóó!" En zijn mond bewegend maakte hij een zacht zoemend geluid.
Eduard was vuurrood geworden; met een "klets niet" begon hij weer aan zijn les, en hij drukte zijn lippen stijf op elkaar.
Een poosje bleef 't stil in de kamer. Toen vond Piet 't weer lang genoeg.
"Zeg!"
Eduard gaf geen antwoord.
"Ben je benauwd geworden voor dien schoolmeester daar?" met zijn duim wees Piet naar zijn broer.
Half onwillig keek Eduard hem aan. "Wat wou je vertellen?"
"Katje poesje nelle."
"Hè, wat flauw!"
"Doe er dan een beetje zout bij!" Lachend klapte Piet zijn schoolboeken op elkaar, en met zijn ellebogen op de tafel ging hij zitten lezen.
Eduard keek op de klok; 't was half negen. Eigenlijk tijd om naar bed te gaan, hij had Vader beloofd nooit veel later dan gewoonlijk te gaan! En zouden die jongens hier altijd den heelen avond blijven zitten? Nu nog maar even leeren; dat afschuwelijke Fransch ook!
Een kwartier later deed hij zijn boek dicht.
"Zeg, hoe lang blijven jullie hier altijd?" vroeg hij aarzelend.
't Was deze keer Hugo, die opkeek.
"Waar?"
"Nou, hier. Ik bedoel, zitten jullie 's avonds nooit in de huiskamer?" —
"O ja, soms wel, maar vanavond niet, want Pa en Ma hebben visite."
"En hoe laat gaan jullie dan naar bed?"
"Om half tien zoowat."
Hugo werkte weer door.
Eduard bleef nog even niets zitten doen en zei toen: "Ik wou nou maar gaan."
"Hè?" vroeg Hugo, die weer een en al som was.
"Ik wou maar naar bed gaan."
"Zoo, nou, ga je gang, dank je voor de mededeeling."
Terwijl Eduard zijn tasch dichtgespte kwam in Hugo toch 't gevoel van gastheer zijn op. — "Je kunt alles boven toch wel vinden?" vroeg hij.
"Ja, best." En zijn tasch naast de deur tegen den muur zettend: "Nou, goeie nacht dan!"
"Slaap lekker, nacht Eduardje!" En Piet herhaalde werktuigelijk, zonder van zijn boek op te zien: "Nacht Eduardje!"
Eduard sloot de deur en liep naar de huiskamer toe. Zou hij Oom en Tante nog goeienacht zeggen? In de gang hoorde hij ze binnen al hard praten en lachen, en toen hij door de kier van de deur keek zag hij in de voorkamer allerlei vreemde menschen zitten. Liever maar niet doen. —
En met een zucht ging hij de trap op.
't Was donker boven op 't portaaltje, en met vooruitgestoken handen liep Eduard in zijn kamertje op 't tafeltje af, half struikelend over den rommel op den grond. Toen scharrelde hij in 't donker de lucifers op.
Even knipte hij met zijn oogen tegen 't felle vlammetje, en ongeduldig streek hij een tweede lucifer af toen de nieuwe kaars niet dadelijk wilde branden.
Eindelijk!
Eduard keek rond en wreef zijn handen. Wat was 't hier vreeselijk koud! De bloemen stonden op de glazen! En wat een akelig vreemd kamertje! Heel wat anders dan die gezellige slaapkamer thuis, en daar was 't altijd dadelijk lekker als je maar even de gaskachel aanstak! Eduard wond zijn horloge op en begon zich uit te kleeden. Zou Vader nu al in Bazel zijn? Zeker wel. Nu was Vader net twaalf uur weg. Gek, 't was net of 't veel langer was; er was ook zooveel gebeurd vandaag! Even langer dan twaalf uur was 't; wat zei Vader ook weer? "Dag Pepi, houd je taai!" Och, hij wou 't wel, zich taai houden, maar wat wás 't hier akelig!
En een warme druppel viel op zijn hand toen hij zich klappertandend bukte om met zijn koude vingers de sleutel in 't slot van 't koffertje te steken.
"Houd je taai!" fluisterde hij, maar 't maakte hem opeens nog veel ellendiger dan hij al was, en 't gaf niets meer of hij op zijn lippen beet en zijn oogen met zijn mouw afveegde.
Als Vader hem zoo nu eens zag! Och, maar wat hinderde het ook! Zag Vader het maar, kwam Vader nu maar ineens binnen, even maar, dan was alles tenminste niet meer zoo vreeselijk! Maar Vader was ver weg, en dit was nu pas de eerste avond! Had Vader hem toch maar meegenomen!
Eduard pakte Vaders doos uit en stak een flik in zijn mond, maar 't hielp ook al niets, en telkens moest hij nog zijn zakdoek nemen, tot hij eindelijk klaar was om in bed te kruipen.
Hij zette de kandelaar op den stoel en bleef nog even met opgetrokken beenen in bed zitten, zijn hoofd op zijn knieën en zijn handen onder zijn armen om ze wat te warmen.
Toen blies hij de kaars uit en kroop onder de dekens.
VII.
Dof klonk het geluid van de voetstappen op den hard bevroren grond, en bij iederen stap klikten de schaatsenijzers tegen elkaar. — Uit de kleine zakjes keken vroolijk de gele ijskaarten met de roode koordjes, met opzet maar half weggestoken door de jongens, om aan iedereen te laten zien dat ze naar de ijsbaan gingen.
Zoo vlug mogelijk hadden Piet en Eduard aan de koffie hun boterhammen naar binnen gewerkt, en daarna waren ze er met hun tweeën van door gegaan, de schaatsen in de eene hand en de andere hand in hun zak, flink doorstappend, en telkens glijdend over de bevroren plassen. — Tom en Lineke hadden hen verlangend nagekeken, teleurgesteld omdat ze niet mee mochten, en Tommy had er nog half een scène om gemaakt, maar Tante Lina had het te koud voor ze gevonden, en had ten slotte met een "morgen mogen jullie, als 't niet zoo waait," een eind aan 't gezeur gemaakt.
En 't wás koud. — Een ijzige wind blies door alles heen, en Eduard twijfelde er eigenlijk aan of zijn Vader hem zou hebben laten gaan; maar Tante Lina had het goed gevonden dat hij en Piet gingen en daarom dacht hij er verder maar niet over.
"'t Zal een fijne Zaterdagmiddag worden," zei Piet, en hij bukte zich om een steen op te rapen.
"Nou! En we zijn zoo lekker vroeg!" Eduard bleef staan om te zien hoe Piet met een fermen zwaai de steen op het ijs in den singel gooide, en met innig vergenoegde gezichten keken ze er samen naar hoe de steen even voortschoof over 't ijs en toen bleef liggen.
Een eindje verder vloog een bonte kraai krassend op.
Bij de brug zag Piet opeens een van de jongens uit zijn klas, die voor hen uitliep, de schaatsen onder den arm, en met een: "Daar heb je Wouters, even hollen, dan gaan we met hem mee," zette hij het op een loopen.
Wouters, een groote, forsche jongen, keek om toen hij het gehol achter zich hoorde, en bleef toen staan wachten tot de jongens hem ingehaald hadden.
"Zoo Verhey, ga je ook naar 't ijs?" begon hij, "gaat je broer niet?"
"Die had les," bracht Piet hijgend uit.
"En is dát ook een broertje van je?"
"Nee, een neefje," zei Piet, en Wouters vervolgde, Eduard aanziende: "Zeg jongen, hoe heet je?"
"Kerner," antwoordde Eduard kortaf.
"En waar ga je op school?"
"Bij Van Eerde."
"'n Rot school," merkte Wouters aan, en Eduard vroeg op zijn beurt: "Waar ga jij op school?"
"Ik op de Burger. 'n Fijn hok! Zeg Verhey, heb je al van die scène met Bakker in de tweede gehoord?"
"Ja, hij had zijn werk vergeten of zoo iets, is 't niet? Huug vertelde er wat van; weet jij 't goed?"
"Nou, of ik! Holm, dat is die jongen, die bij ons in huis is, zit naast Bakker, nou, en die deed 't verhaal natuurlijk in kleuren en geuren! Holm is een leuke vent, en die Bakker is ook een echt type, en dan zitten ze met hun tweeën op de achterste bank, dus je snapt dat ze den heelen dag zitten te grinniken en geen steek uitvoeren."
"Ja natuurlijk."
"Nou is Holm nogal vlug, dus die rolt er meestal toch wel door, maar Bakker is een uil, en gewoon fabelachtig lui, en daarom had hij zijn Duitsche werk dan ook maar doodkalm niet gemaakt, met het plan, het dan later wel eens van Holm over te schrijven, en toen de Mopneus het werk ophaalde zei hij heel leuk dat hij zijn schrift vergeten had."
"En toen?" vroeg Piet ongeduldig, toen Wouters even ophield en bleef staan om de veters van zijn laarzen in te stoppen.
"Nou, Holm en Bakker zaten verder den heelen morgen op hun gewone manier te grinniken, en daar gaat opeens om kwart over elf de deur open. 'St, hou je mond,' zegt Holm bijwijze van mop, 'daar heb je van Leeuwen, die komt vragen waar je Duitsche werk is!' Bakker proestte het uit, maar plotseling verstomde hij toen van Leeuwen, die echt binnengekomen was, opeens naast hem stond en bedaard vroeg: 'Bakker, heb je je huiswerk vergeten?' Bakker was opeens zoo tam als wat, en fluisterde dood verschrikt: 'Ja, meneer!' en van Leeuwen commandeerde heel plechtig: 'Ga 't dan halen!'"
Piet was een en al belangstelling, en ook Eduard luisterde met groote oogen.
"Nou, Bakker keek in wanhoop naar Holm, en die schoof hem ongemerkt over de bank het Duitsche boek toe, en dat heeft Bakker toen, hoe snap je niet, maar op de een of andere manier nog in zijn zak weten te moffelen, en toen is hij naar huis gegaan, hollend natuurlijk, en heeft daar in een nieuw schrift zijn thema opgeknoeid, zonder uitgangen in te vullen, en juist toen de bel van twaalf uur ging was hij terug."
"En wat zei van Leeuwen?"
"Niks nog, want Bakker gaf 't schrift stiekum aan Laatsemaar en is er toen zoo gauw mogelijk van door gegaan. 'k Ben wel benieuwd hoe 't af zal loopen!"
"Ik ook, hij zal wel op zijn kop krijgen, denk je niet?"
"Nou, of-ie!"
Eduard had met steeds stijgende verbazing het verhaal aangehoord, en zijn verwondering werd er niet minder op, toen een tweede en derde geschiedenis van 't zelfde gehalte, die vroeger eens gebeurd heetten te zijn, volgden, en toen Piet een paar Amsterdamsche schoolmoppen opdischte, die aan 't ongeloofelijke grensden.
"Hé, jongens, wat schieten jullie met spek!" hoorden ze opeens achter zich zeggen, en alle drie keken ze verschrikt om. 't Was Brust, een lange jongen uit de vijfde klas Burgerschool, die al een poosje achter ze had geloopen en ze nu lachend voorbijging. — De jongens hadden in 't vuur van hun gesprek zoo hard gepraat, dat 't zelfs op een eerbiedigen afstand duidelijk te verstaan was.
"Och, hou je mond," riep Wouters, die 't eerst van de schrik bekomen was en Brust wel kende.
"Zeker," zei Brust omkijkend, "'k zal 'm ten minste niet aan jou geven, jij schettert al hard genoeg!"
Eduard begon te lachen, en Wouters snauwde nijdig: "Toe, kuiken, bemoei je er niet mee!"
"'k Hoef jou toch niet te vragen of 'k mag lachen!" antwoordde Eduard, en Piet vroeg knorrig, kwaad omdat hij midden in zijn laatste verhaal gestoord was: "Waar is die ijsbaan nou eigenlijk?"
"Dat poortje daar moeten we door, en dan zijn we er dadelijk."
Achter elkaar liepen ze het poortje door en het smalle bruggetje over, Wouters voorop, dan Piet, dan Eduard, en toen stonden ze op een smal wegje tusschen grauw-witte weilanden, in de verte nevelig samenvloeiend met de grijze winterlucht.
"Daar is de ijsbaan," zei Wouters, "achter den spoorweg."
Vol verwachting gingen de jongens onder de viaduct door; het glijden van de schaatsenijzers over het gladde ijs was hier al duidelijk te hooren.
Aan den ingang liet de controleur ze met een: "Kaarten zichtbaar, jongeheeren!" doorgaan, toen volgde nog een rijtje lage boompjes, en daar lag de ijsbaan voor ze.
Eduard bleef staan. — Er waren nog maar weinig menschen, maar toch was 't een leuk gezicht om ze daar met zoo'n gemak te zien rondzwieren. Heerlijk, om het zoo goed te kunnen! Nu gauw aanbinden en dan vlug, ineens wegrijden!
En hij holde Wouters en Piet achterna, die doorgeloopen waren, en nu op de lange bank hun schaatsen zaten aan te binden.
Even keek hij er naar hoe Piet die dingen ook weer vastmaakte, want hij was half vergeten hoe 't moest, toen plofte hij op de bank neer, boog zich voorover en ging aan 't werk, de banden zoo stevig mogelijk aantrekkend. — De twee anderen waren al klaar toen hij nog aan zijn eerste schaats bezig was, en hij keek er naar hoe ze druk pratend en lachend samen wegreden, eerst even langzaam voortschuivend, toen vlugger, met flinke lange slagen.
En toen eindelijk zijn tweede schaats was aangebonden stond ook hij op, voorzichtig, om niet uit te glijden; wat een vreemd, raar gevoel, om weer op schaatsen te staan! Nu durven en flink uitslaan! Maar 't "flink uitslaan" bracht hem van de wijs; er volgden een paar vergeefsche pogingen om te blijven staan, en toen maakte Eduard zijn eerste buiteling. Maar dadelijk werkte hij zich weer overeind en krabbelde verder; nu ging 't beter, al kwam hij nog maar langzaam vooruit, en zonder verdere ongelukken schoof hij tusschen de menschen voor de groote tent door. — Nu de heele baan om rijden! Moedig begon hij en dapper hield hij vol, en hij deed zijn best niet te denken aan de akelige pijn, die hij al heel gauw in zijn enkels voelde. Telkens bleef hij even staan om uit te rusten of om een van zijn schaatsen recht te duwen, en dan probeerde hij weer om vooruit te komen en uit te slaan.
Al een paar keer waren Wouters en Piet hem voorbij gereden, en Eduard had ze nagekeken, alsof hij daarmee te weten kon komen hoe ze 't toch aanlegden om zulke lange slagen te maken.
"Dat Kernertje kent er nog niet veel van," hoorde hij Wouters zeggen, die hem weer met een sierlijken zwaai voorbij gleed.
Eduard was voor 't laatste gedeelte van de baan blijven staan, rondkijkend, en niet goed wetend wat te beginnen, want de wind stond pal op dit laatste eind, en zijn schaatsen zaten ellendig los.
"Dat zegt hij zeker expres zoo hard," dacht Eduard kwaad, en hij bukte zich om de schaatsen-banden wat stijver aan te halen. 't Ging erg lastig, staande, en daarom ging hij maar even op het ijs zitten; 't was wel een minder gemakkelijke houding, maar dat moest je er voor over hebben, en toen hij weer stond tobde hij nog wel lang met den harden wind maar hij bereikte toch het eind van de baan.
Nu even uitrusten, en dan weer verder rijden!
Eduard was blij, toen hij een poosje later Theo de Beer ontdekte, die nu ook niet bepaald een held op de schaatsen was, en juist met een kleur van inspanning de vreemdste bewegingen maakte.
"Theo!" riep hij.
Theo, een donkere krullebol, keek zoekend rond, tot hij eindelijk Eduard in het oog kreeg, die zoo gauw mogelijk naar hem toekwam.
"Wat leuk dat je hier ook bent!" zei Eduard, toen hij naast Theo stond. "Ben je hier alleen?"