Front matter (continued 3)
Reading edition
"Waar zit je toch?" vroeg ze, "ik zoek je overal! Weet je nog wel wat je beloofd hebt, zeg?"
"Nou, wat dan?"
"Je zou me leeren fietsen!"
"O ja, da's waar," herinnerde Eduard zich, "moet dat juist vandaag?"
"Moeten niet natuurlijk, maar 't is nou mooi weer, enne ...."
"Maar m'n fiets is nog thuis!"
"Nou, ga 'm dan halen!"
Eduard trok zijn neus op. "'t Is zoo'n eind!"
"Maar je kunt bijna heelemaal met de tram gaan Toe, doe 't maar, dan ben je over een half uur weer terug en dan kunnen we dadelijk beginnen!"
Eduard was al half voor 't plan gewonnen. Fietsen was toch ook eigenlijk wel erg aanlokkelijk, en hij wist toch ook niet wat hij anders zou gaan uitvoeren, Hij grabbelde even in zijn zak en vischte onder allerlei rommel een dubbeltje op voor de tram. Toen ging hij naar de eetkamer om aan Tante Lina te vragen of hij de huissleutel mocht hebben.
"Als je 't huis goed weer sluit, ja!" zei Tante Lina, en met de sleutel in zijn zak verdween Eduard.
"Moet je geen jas aan?" riep Tante Lina hem nog na, maar dit vond haar neefje heelemaal niet noodig, en hij riep terug dat hij toch al stikte.
"Kom je vooral gauw terug?" vroeg Lineke nog eens, en "ja zeker!" beloofde Eduard. Daarmee trok hij de voordeur dicht.
Op de zolderverdieping hing Piet uit 't raam.
"Zeg Eduardje!"
"Nou?"
"Wat dee je daarnet toch met die zak?"
"Met welke zak?" vroeg Eduard, onmiddellijk spijt voelend over zijn vraag, waarop hij het antwoord al wist. En hoonend klonk 't van boven: "Die zak waar de duvel z'n kop in stak!"
Eduard wilde nog iets antwoorden, maar Piet had zijn hoofd al weer naar binnen getrokken en in de verte belde de tram. Haastig holde hij de gracht af om nog net op tijd bij de halte op de brug te staan. Vlug stapte hij op toen de tram stil hield.
't Was frisch achterop, maar Eduard had niets geen zin om binnen te gaan zitten, en lustig liet hij zijn dasje wapperen in de wind. Je kon nu toch al echt merken dat het voorjaar werd! De boomen begonnen ook al zoo leuk groen te worden, en dan dat achter op de tram staan in een sportblouse! —Toch eens even opletten hoe de school er uitzag nu 't vacantie was! En toen ze 't gebouw voorbij-reden dacht Eduard er opeens weer aan hoe heerlijk 't toch was vacantie te hebben en hoe plezierig hij 't vond tien dagen lang niet in dat vervelende hok te moeten.
In zijn zak liet hij 't van den conducteur teruggekregen 2.5 centstuk rammelen met den huissleutel en zijn mes. Toen haalde hij de sleutel te voorschijn, stak zijn pink door het oogje en liet hem heen en weer bengelen. Hij zag hoe twee groote meisjes tegenover hem er naar keken en toen tegen elkaar fluisterden en lachten; zeker hadden ze 't over hem, en met zooveel aandacht was hij aan 't luisteren of hij ook iets kon opvangen dat hij bijna vergeten had af te stappen. Hij bedacht 't opeens, toen de tram al haast stilstond, en even daarna was hij er afgesprongen en liep hij naar 't huis toe.
Hoe vreemd zag 't er uit! 't Was net of het hun huis niet was, zoo raar en ongezellig leek het nu! En voor de deur bleef Eduard even staan kijken, als wachtte hij ergens op. Toen stak hij de sleutel in het slot, en bij 't omdraaien maakte het een knarsend geluid. En dadelijk toen de deur open was kwam een muffe lucht van lang gesloten zijn hem tegemoet. Vreemd stil en half donker was 't opeens toen hij de voordeur achter zich dicht had gedaan, 't was of de drukke straatgeluiden plotseling hadden opgehouden. Maar hier binnen bleef 't heel stil; geen stemmen, geen voetstappen, en ook de groote hangklok tik-takte niet.
Eduard liep de gang in en opende de deur van de kast; hij schrikte van het gepiep, maar dadelijk bedacht hij, dat deze deur altijd piepte, en gerustgesteld tilde hij zijn fiets uit den standaard en zette hem in de gang neer. Toen begon hij de pomp te zoeken, die ook in de kast moest liggen, en die hij eindelijk stoffig en wel in een hoek vond. En nadat hij de banden had opgepompt en de kast weer dichtgedaan had liep hij voor hij wegging nog even naar Vaders kamer, half nieuwsgierig hoe 't er daar uit zou zien.
De deur stond half open, en Eduard ging naar binnen. Vlak bij Vaders groote schrijftafel bleef hij staan. Daar was het weer, die vreeselijke stilte. En opeens was 't, alsof hij hier niet hoorde nu. Hij had hier niets te maken, bij die tafel en de stoelen en al de andere dingen, en toen hij langzaam zijn hand van de schrijftafel nam, zag hij, dat de afdrukken van zijn vingers duidelijk zichtbaar bleven in de grijsgrauwe stoflaag; en zijn hand aan zijn broek afvegend speet het hem opeens dat die vingerafdrukken daar stonden, want 't was of hij daarmee iets had weggenomen van 't geheimzinnige iets, dat over de kamer hing. 't Was of hij al die voorwerpen gestoord had, niet in hun rust, maar in iets anders; of ze eigenlijk ergens anders hadden gestaan, en gauw weer naar hun plaats waren gegaan toen ze Eduard hoorden aankomen ....
En toch was alles nog net zooals die laatste keer, toen hij hier met Vader gestaan had. Hier had Vader hem zijn jas helpen aantrekken, hier had Vader hem goeiendag gezegd, en nadat ze toen samen de kamer waren uitgegaan was hier niemand meer geweest; dat was nu al langer dan twee maanden. En straks, als hij weg was, dan zou diezelfde grauw-sombere rust weer terugkomen, en zwijgend en stil zou alles hier weer staan, nog veel weken lang, en aldoor zou de stoflaag dikker en grijzer worden.
En met een plotselinge rilling draaide Eduard zich om; hij liep de kamer uit, en hij zette de voordeur wijd open, zoodat het zonlicht de halfdonkere gang opeens helder verlichtte. Toen reed hij zijn fiets naar buiten, met een gevoel van nu maar zoo gauw mogelijk weg te willen. Daar waren ze weer, de straatgeluiden: het rammelen van karren over de keien, 't geschuifel van voetstappen, gepraat en gelach, en in de verte 't schelle gefluit van een stoomboot. Met een ruk trok Eduard de voordeur dicht; hij liet de sleutel een, tweemaal omdraaien in 't slot, en sprong op zijn fiets, dadelijk flink doortrappend, zonder nog eens om te kijken. Hij nam de kortste weg terug, door de stad, hard rijdend door de drukke straten, telkens uitwijkend voor wagens en menschen en auto's.
Lineke liep voor 't huis al te wachten, ongeduldig uitkijkend.
"Wat ben je lang weggebleven!" riep ze, toen hij er eindelijk aankwam.
"'k Heb me toch heusch gehaast!" riep Eduard terug, en 't laatste eindje liet hij zich gaan, zonder te trappen, tot hij voor 't huis plotseling remde, met een zwaai van de fiets afsprong en buigend voor Lineke stond.
"Wat ken jij 't heerlijk goed!" bewonderde 't kleine meisje, en een stem die uit hooger sferen scheen te komen voegde er bij: "Dat kun je ook niet anders verwachten van zoo'n sportsman als hij is, dat weten we van 't schaatsenrijden, he Eduardje?"
"St, 't is Piet," fluisterde Lineke haastig, "geen antwoord geven, dan heeft hij er geen plezier van." En hardop vervolgde ze, 't stuur van de fiets vastgrijpend: "Moet ik er aan deze kant opklimmen, zeg?"
Met eenige moeite lukte het Eduard zijn nichtje op 't zadel te helpen, en daarmee begon Linekes eerste fietsles.
"Nu trappen!" commandeerde Eduard, "wees maar niet bang dat je valt, flink doortrappen maar! Zoo .... durven maar, ik zal je wel vasthouden!.... Trappen!"
Hijgend viel Lineke aan 't eind van de gracht tegen hem aan. "Ik kan niet meer!"
"Da's niks, dan wachten we even," zei Eduard, en na een paar minuten, waarin hij zich met zijn zakdoek koelte had staan toewuiven: "Nu weer omkeeren, zeg?"
En weer ging het de gracht af, Eduard met één hand aan 't zadel en één aan 't stuur naast de fiets hollend, en telkens klonk het hijgend: "Trappen! Toe dan! Flink doortrappen! Vooruit!"

En iedere keer werd aan het eind van de gracht even gewacht; dan rustten ze uit, lachend en warm, en dan zette Lineke die lastige hoed weer goed, die telkens afwoei en dan in haar hals bleef hangen.
Dan ging 't weer terug, trappend en hollend, en telkens vielen ze half als Lineke haar evenwicht weer verloor.
Zoo vond Oom Tom ze, toen hij tegen half een thuis kwam.
"Jongens, wat zijn jullie warm!" zei hij hoofdschuddend, maar hij had er toch pret in, en bleef voor de deur staan kijken; en toen ze even daarna vlak voor hem stilhielden en Lineke met Eduards hulp van de fiets stapte vroeg hij dadelijk: "Is ze nogal een goede leerling?"
"Zeker Oom, dat gaat best!" lachte Eduard, en Lineke riep: "Vind u niet dat 't al goed gaat, Pa?"
"Ja prachtig!" vond de Kapitein, "maar komen jullie nu in huis; voor vandaag heeft de les lang genoeg geduurd, dat zie ik aan jullie gezichten!"
XIV.
"Zeg nu toch eens, wat voor kleur zal ik het haar van dat kleinste meisje geven?" vroeg Bep, haar penseeltje uitspoelend.
"Kan mij wat schelen, maak 't voor mijn part pimpelpaars," antwoordde Eduard, en Piet zei dat hij oranjezeegroen altijd zoo mooi vond. —
"Wat is dat voor een kleur?" vroeg Bep nieuwsgierig.
"Och, hij plaagt je maar wat," zei Eduard, die dadelijk spijt had over zijn onvriendelijk antwoord van zooeven. "Maak het bruin, Bep, en het strikje rood."
Met een tevreden gezichtje ging Beppie weer aan 't kleuren.
't Was een van de laatste vacantiedagen en 't regende; reden genoeg voor de jongens om uit hun humeur te zijn. Bovendien had Hugo met een paar vrinden de leerkamer in gebruik genomen voor een vergadering van de cricketclub, waardoor de anderen genoodzaakt waren geweest, hun heil in de speelkamer te zoeken. Piet was met een boek op 't kastje gaan zitten, zijn voeten op de leuning van een stoel, en Eduard had met een zucht zijn rekenboek opgezocht en was gaan zitten rekenen. — Hij had de heele vacantie eigenlijk niet meer aan die taak gedacht, en van het plan om iederen morgen wat te werken was niets gekomen. Wél hadden ze heel veel andere dingen gedaan; de fietslessen waren 's morgens geregeld voortgezet, en Eduard had de voldoening dat zijn leerling al heel handig in haar eentje vooruit kon komen; één dag, toen 't heel mooi weer was, waren ze allemaal naar 't strand gegaan met Tante Lina en de juffrouw; dan was Tommy jarig geweest, en met de vrindjes die op visite kwamen hadden ze verstoppertje gespeeld door 't heele huis, en Oom Tom had ze allemaal meegenomen naar de bioscoop; één middag had Hugo gevraagd of Eduard meeging naar het voetbalveld, waar hij in de geheimen van het edele voetbalspel was ingewijd, en gisteren was hij den heelen dag bij Theo geweest; toen hadden ze eerst spelletjes gedaan met Theo's kleine broertjes, en later was er viool gespeeld, waarbij Mevrouw de Beer ze op de piano accompagneerde. Maar bij al die pret was voor de sommen geen tijd overgebleven, en áf moesten ze toch. Enfin, nu maar niet al te lang over een som zaniken, als 't niet gauw ging maar overslaan en aan de volgende beginnen.
"Houd nu toch op met dat vervelende getik!" viel hij opeens uit tegen Tommy, toen hij een som over twee soorten wijn die vermengd moesten worden al driemaal had overgelezen zonder er iets van te snappen.
Maar Tommy, die op de een of andere onbewaakte plaats een zakje spijkers gevonden had en nu met veel ijver 't karpet aan den grond zat te hameren, was in deze bezigheid zoo verdiept dat hij 't niet eens hoorde. —
"'t Orakel zegt dat je uit moet scheiden, Tom!" waarschuwde Piet.
"Stik!" zei Tommy, en kalm hamerde hij verder.
Met verbaasde groote oogen keek kleine Bep de drie jongens om de beurt aan. — Eduard kreeg een kleur, maar zei niets, en strak bleef hij in zijn boek kijken, ook toen Piet een erwt naar hem toeknipte, die rakelings voorbij vloog en op de vensterbank bleef liggen.
"Dat gaat je neus voorbij, Eduardje!" merkte Piet op, en tegen Bep, met een gezicht alsof iets heel bizonders te zien was: "O Bep, kijk eens naar de deur!"
Half ongeloovig draaide Bep haar snoetje naar de deur, en "Twee oogen bedrogen!" besloot Piet; en daar hij op dit moment niet meer geestigheden tot zijn beschikking had, nam hij lachend zijn boek op en begon weer te lezen.
Een half uurtje bleef 't stil in de speelkamer; alleen klonk telkens, met onregelmatige tusschenpoozen, 't gehamer van Tommy, die met een kleur van inspanning zijn arbeid voortzette.
Eduard had al eenige malen gegaapt en zich uitgerekt, gooide nu en dan voor de afwisseling inktmoppen op zijn vloeitje, begon dan opeens weer haastig te schrijven om even later zijn aandacht te wijden aan het zoo netjes mogelijk oprollen van een smal reepje papier.

Met een duidelijk hoorbare geeuw klapte Piet eindelijk zijn boek dicht. "'n Saaie geschiedenis, hoor!" verkondigde hij, en tegen Eduard: "Amuseer jij je nogal?"
"Lamme dingen!" mopperde Eduard.
"Smijt ze in een hoek!" raadde Piet aan, "doe ik ook als me iets verveelt!" en om aan deze philosophische beschouwing kracht bij te zetten nam hij het boek, dat hij "'n saaie geschiedenis" vond, en deed het met een forschen zwaai in den tegenovergestelden hoek van de kamer terechtkomen. —
Toen rekte hij zich nog eens uit en vroeg: "Wat zullen we nu eens gaan doen, jongens?"
"Niet de verf van mijn kast schoppen alsjeblieft!" was het antwoord van Tante Lina, die juist binnenkwam; "en als je nu eens even naar beneden komt, dan .... maar Tommy, wat doe je?"
"Kleed lag los; maak ik vast!" zei Tommy laconiek, en met een gezicht, dat van veel zelfvoldaanheid getuigde, nam hij een nieuwen spijker uit het zakje.
Maar Tante Lina scheen met het werk van haar zoon niet zoo ingenomen te zijn als dit jongemensch zelf, en verwijtend vroeg ze aan Piet en Eduard: "Waarom hebben jullie daar dan toch ook niet eens op gelet?"
Met groote oogen keek Eduard naar 't onregelmatige rijtje spijkers in 't karpet, en Piet mompelde iets dat klonk als: "kon ik toch niet ruiken!"
"Nu, kom jij nu maar eens van de speelgoedkast af," vervolgde Tante Lina op ontevreden toon tegen Piet, "en haal dan eens gauw 't kookkacheltje van boven. Lineke is Hannie gaan halen en dan gaan de meisjes koken."
Kleine Bep was een en al verrukking over dit nieuwe plan; "mag ik ook meedoen, Maatje?" vroeg ze dadelijk.
"Zeker, als je tenminste oppast dat je je vingers niet brandt. Edu, als je werken moet zou je dan niet liever ergens anders gaan zitten?"
"Och nee, Tante," antwoordde Eduard, die niets geen zin had om weg te gaan nu 't juist een beetje leuk begon te worden, "ik kan best hier blijven, dan kan ik misschien ook nog wel wat helpen als 't noodig is."
"Nu, jij moet 't weten," zei Tante Lina. "Begin dan maar eens met dat kleine tafeltje bij de kachel te zetten;" en tegen Bep, die al voor 't open speelgoedkastje op den grond zat, "ja, dat is goed, krijg jij de pannetjes maar vast, en dan mag Tom ze op tafel zetten. Nee Edu, nog een beetje dichter bij, anders past de pijp van 't kleine kacheltje niet in de groote kachelpijp."
Langzaam kwam Piet met zijn vracht naar beneden stommelen, en heel handig zette hij alles in elkaar. Toen ging hij wat hout en turf uit de keuken halen, om de kachel vast aan te maken. Tegelijk met Hannie en Lineke kwam hij terug, en Hannie verklaarde dadelijk dat ze koken 't zaligste vond van alles.
"Zoo, dat treft goed!" lachte Tante Lina, "dan zal ik maar gauw naar beneden gaan en wat ingrediënten voor jullie inpakken. De boodschappenjongen zal 't straks wel komen brengen. —
"Moeten we krenten koken?" vroeg Bep, toen Tante Lina de kamer uit was.
"Welnee," zei Lineke. "Kun jij de kachel aanmaken, Piet?"
"Nou of ik," beweerde Piet. "Kijk nu allemaal maar goed, dan kun je het een volgende keer zelf."
Ze kwamen er allemaal om heen staan, en Piet begon met zwierige gebaren, en legde uit: "Men neemt een lucifer; men strijkt die af; men neemt een vuurmaker; men steekt die aan; men legt die in de kachel; men zorgt dat men zich niet brandt. — Zoo." — Helder vlamde de vuurmaker op, en Piet vervolgde: "Men legt er een stukje hout op; men legt er nog een stukje hout op; men legt er een stukje turf op; men doet het deurtje dicht." — Triomfantelijk keek Piet de anderen aan.
"Men kijkt voldaan rond," zei Eduard, en Hannie merkte op, dat men een ideaal keukenjongen was.
"Wat keukenjongen?" vroeg Piet minachtend, "opperkok bedoel je! Geef me nu de pook eens aan, Tom!" En toen Tommy's zoeken hem te lang duurde: "Gauw nou, uilskuiken, anders gaat hij immers weer uit!"
Bep herhaalde haar vraag wat ze dan toch met die krenten moesten doen, en "wat zanik je toch over krenten," snauwde Lineke, "geen sterveling heeft 't woord krenten in zijn mond gehad."
"Ze bedoelt ingrediënten," bedacht Eduard, "Tante Lina zou ingrediënten sturen."
"Wat zijn ingrediënten?" vroeg Tommy, maar ze gaven geen van allen antwoord.
"Piet, wat zijn ingrediënten?" herhaalde Bep.
"Dat zijn de dingen die je noodig hebt," verduidelijkte Piet, en hij blies zoo hard mogelijk in 't kacheltje, "Ma bedoelde eetwaren en zoo. Lam ding, brand dan toch!"
"Ik ben benieuwd wat voor dingen we krijgen," zei Hannie, en de meisjes verdiepten zich in allerlei gissingen wat er zou zijn en wat niet.
Piet tobde nog wat met de kachel en verklaarde eindelijk: "Nou doet ie 't;" daarna vloog hij met zijn vuile handen zwaaiend op de anderen af, zoodat het een algemeene holpartij werd, die pas eindigde toen Broertje, de boodschappenjongen, met een mandje waarover heel geheimzinnig een servet lag uitgespreid de kamer kwam binnenstappen. Hij werd opeens bestormd, en kreten van verrukking gingen op toen al de heerlijkheden op tafel werden uitgestald en achtereenvolgens een paar aardappels, een klein potje boter, een snee wittebrood, een zakje suiker, een paar balletjes gehakt, wat sucade, griesmeel, rozijnen, vermicelli, en ten slotte ook krenten uit het mandje te voorschijn kwamen.
"We kunnen alles maken!" juichte Lineke, "zeg jullie maar wat je lekker vindt, dan koken wij het wel, he Han? Zeg nu eens waar je veel van houdt, Ee!"
"Van koffiepudding," zei Eduard in alle onschuld. De twee meisjes keken elkaar aan, zagen nog eens even naar de verrukkelijkheden op de tafel, fluisterden samen een beetje, en verklaarden toen eenstemmig dat dat niet kon. "Wel griesmeelpudding." —
"Pruimentaart dan!" vroeg Piet, die zich weer op de kast had geheschen om een goed overzicht van de werkzaamheden te hebben, en toen Hannie zei dat er geen pruimen waren en 't daarom niet kon, vervolgde hij: "Garnalencroquetjes." —
"Kan ook niet."
"Ossenhaas met perziken in 't zuur."
Lineke knikte van nee.
"Haringsla met geslagen room."
"Flauwerd!" zei Lineke verontwaardigd, kwaad omdat ze voor de gek gehouden werd.
"Nou, ik dacht dat je zei dat je alles maken kon," merkte Piet nuchter op, en een hevige kibbelpartij zou gevolgd zijn als niet juist op dit oogenblik Tante Lina was binnengekomen met een kannetje melk; "dat vertrouwde ik den boodschappenjongen nog niet goed toe," vertelde ze lachend.
"Mogen we nu beginnen Ma?" vroeg Lineke, en Hannie voegde er bij: "Wat mag ik doen, Mevrouw?"
"Ik wil pannekoeken bakken!" riep Tommy. "Ik koekjes voor de poppen!" "Ik rozijnentaart!" gilde Broertje. "Och jongen, daar krijg je een rozijnen-baard van!" "Haringsla Ma!"
"Stil jongens!" zei Tante Lina, "als je zoo begint maken we heelemaal niets! We zullen eerst soep en aardappelen koken en een broodpudding maken, en verder zullen we dan wel zien." —Een kwartier later waren ze allemaal druk bezig; Broertje was aan 't beschuit stampen, Bep waschte de krenten, Tommy stond brood fijn te maken, Hannie schilde de aardappelen, en Lineke liep bedrijvig heen en weer, telkens kijkend of er geen hout op 't vuur moest, of de oven al warm was, of 't water voor de soep al begon te koken en of 't gehakt al een heel klein beetje bruin zag. — Tante Lina was weer naar beneden gegaan en had beloofd straks nog eens te zullen komen kijken.
Alleen Piet, die nog altijd op de kast zat, voerde heelemaal niets uit, en Eduard deed niet veel méér; hij was weer aan zijn sommen begonnen, maar er viel zooveel te kijken en te luisteren dat er niet veel op 't papier kwam te staan.
"Kijk Broertje eens!" riep Piet, die van zijn verheven zitplaats steeds op- en aanmerkingen ten beste gaf, "bollewangen hapsnoet, hoor!" en even later klonk het: "Bep steekt telkens een krent in haar mond!"
"Als je kookt mag je proeven," vond Bep.
Ze kregen 't hoe langer hoe drukker. De broodpudding moest in den oven, en Hannie haastte zich om de sucade en krenten er door te doen, want de boter was al gesmolten en Tommy riep maar "gauw, gauw!" — En toen kookte opeens de melk voor de griesmeelpudding over, en Lineke bedacht dat ze 't zout in 't gehakt vergeten had, en wilde 't er toch nog maar overheen strooien, en je kon toch ook niet alles door de kleintjes laten doen!
"'t Zal lekker worden!" plaagde Piet, "'k zal maar vast eens komen proeven!"
"Nee hoor, afblijven!" gilde Lineke, "toe Broer, geef eens gauw die vork aan!"
"'t Begint al echt lekker te ruiken!" zei Eduard, "ik krijg toch zoo'n vreeselijke honger!"
"Ik ook!" en Piet snoof eens. "Kom jongens, wie heeft er vast eens wat te eten, heeft er niet iemand nog wat chocola of zoo, in afwachting van 't diner?"
De anderen hoorden zijn vraag niet, verdiept als ze waren in de kokerij; alleen Bep keek op, en zei plotseling: "Eetje heeft chocola." Ze had er nooit over gepraat, dat ze dien avond chocola van Eduard had gekregen, maar nu vertelde ze 't opeens.
"Heb jij chocola?" vroeg Piet verbaasd. "Kom, haal ze dan eens gauw, ouwe jongen, ik verga van de honger!"
Eduard aarzelde even. Al een paar keer had hij zelf de doos mee naar beneden willen nemen, maar telkens had hij ze toch nog maar wat langer willen bewaren, en 't kwam hem nu eigenlijk een beetje overvallen. Heel veel zin had hij niet om de doos te gaan halen, maar toen de kleintjes ook begonnen te bedelen en beweerden dat ze zoo vreeselijk veel trek in een heel klein stukje chocola hadden, stond hij toch op om naar boven te gaan.
Hij had er wel voldoening van, want de flikken werden met veel smaak verorberd, en ze vroegen dadelijk: "krijgen we er nog een?"
Bep presenteerde, en Piet hield de doos bij zich toen ze hem die aangaf. — "Hij staat hier heel veilig!" antwoordde hij op een ongerusten blik van Eduard.
"Geef hem toch maar hier!" vond Eduard, maar Piet zei: "Dank je wel, dan krijgen we niks meer! Wees maar niet benauwd, hoor, we zullen eerlijk deelen!" En toen Eduard nog bleef protesteeren: "Kerel, ben je gek! He, je lijkt wel zoo'n ouwe theetante! Maak toch niet zoo'n herrie om niks!"
Stijf kneep Eduard zijn lippen op elkaar en hij bleef zwijgen, ook toen Piet aan het uitdeelen ging; "vang Hannie!" klonk het van de kast, "vang Tom!" De flikken vlogen door de kamer, en telkens ging er een luid gelach op als er een mis ving en de flik ergens op den grond terecht kwam. — Vies waren ze er toch niet van.
"Vang, Eduardje!"
Eduard deed alsof hij 't niet hoorde. Even bleef 't stil in de kamer, toen zei Lineke half hard: "Hij is kwaad."
"Da's niks," oordeelde Piet, "moet ie maar weer goed worden ook. — We zullen er een voor hem bewaren." Hij legde een flik naast zich op de kast. "Nou jongens, hier is de laatste! Die is voor Broer, omdat hij de jongste is. Vang Broer!"
Strak bleef Eduard in zijn boek kijken, maar van wat er in stond bleven zijn gedachten oneindig ver verwijderd. Een machtelooze woede voelde hij in zich opkomen tegen Piet, die daar van zijn chocola zat uit te deelen, uit de doos die hij van Vader had gekregen. O, hij zou hem tusschen zijn vingers willen hebben om hem fijn te knijpen, die Piet, die daar lachend en bluffend op de kast zat, en die door de anderen nog toegejuicht werd ook! Eduard nam zijn potlood op en kneep daar zoo hard in dat het bijna tusschen zijn vingers uitglipte en zijn nagels wit werden. Hij wilde, hij moest zich goed houden!
Opeens keek hij weer naar de kast. Waar was de doos? Die wilde hij tenminste terug hebben!
Piet zat er mee te ballen, gooide het ding telkens tegen 't plafond en ving het dan weer op.
"Geef hier m'n doos!" klonk het schor.
Piet keek even op, lachte eens, gooide de doos nog een paar keer in de hoogte, hield toen op, haalde zijn mes uit zijn zak, en zei: "We zullen er een mooie inscriptie opzetten. 'Wie geeft wat hij heeft is waard dat hij leeft', of zoo iets, of weten jullie soms iets mooiers? Dat wordt dan een blijvende herinnering aan deze groote dag!" en Piet zette de punt van zijn mes in het deksel.
Op dit oogenblik voelde Eduard zich razend worden. Zijn gezicht was bleek van woede toen hij driftig opstond, naar de kast ging, en uit alle macht in Piets been begon te knijpen. "Blijf er af!" schreeuwde hij, "geef nou op!"
Piet schopte terug. "Ben je dol!" gilde hij, "schei uit zeg! Laat m'n been los!"
Maar toen Eduard door bleef knijpen, aldoor roepend dat hij zijn doos terug wilde hebben, smeet Piet opeens het ongeluksding naar het andere eind van de kamer; toen liet hij zich van de kast glijden en gaf Eduard een klap in zijn gezicht. — Even later rolden de jongens vechtend over den grond, overal stompend waar ze den ander maar raken konden en telkens worstelend om los te komen; bijna had Piet zijn neefje al onder gehad, maar doldriftig en hijgend wrong Eduard zijn arm los en weer stompte hij Piet zoo hard mogelijk.
Angstig en verschrikt stonden de anderen er om heen. De heele kokerij was vergeten, met groote oogen keken ze naar de vechtende jongens op den grond, en half huilend vroeg Lineke om nu toch alsjeblieft op te houden; de kleintjes gilden, en met een stemmetje dat trilde van angst riep Bep: "Paatje! Kom toch gauw! Ze vechten zoo vreeselijk! Pa! Maatje!"
En opeens stond de Kapitein, die in zijn studeerkamer 't lawaai al gehoord had, naast ze. Haastig duwde hij Bep en Broertje op zij. — "Onmiddellijk ophouden!" commandeerde hij, en plotseling voelden de vechtende jongens zich stevig beetgepakt en van elkaar getrokken. De Kapitein zag rood van verontwaardiging, en de twee vechtersbazen ieder bij een arm vasthoudend schudde hij ze hevig door elkaar.
"Ellendige jongens!" riep hij, "dat gezanik altijd! Allo, de kamer uit! Jij naar mijn kamer en jij kunt naar je slaapkamer gaan! Ingerukt marsch!"
"M'n doos!" huilde Eduard, "ik moet m'n doos hebben!"
"Wat doos! Vooruit, opgemarcheerd! En gauw een beetje!"
En Eduard voelde hoe hij weer bij zijn arm gepakt en de kamer uitgezet werd; hij liep de trap op, naar zijn kamertje, en met een harden slag gooide hij de deur achter zich dicht; toen liet hij zich voorover op zijn bed vallen en huilde, alsof hij nooit weer zou kunnen ophouden.
"'k Wou dat ik dood was!" snikte hij, "'k wou dat ik dood was! Niemand houdt van me!" En aldoor kwamen er maar weer nieuwe tranen, zoodat zijn kussen heelemaal nat werd en zijn oogen pijn deden en zijn voorhoofd gloeide.
En heel zacht, heel droevig klonk het: "Vader!"
Fluitend kwam iemand de trap op. Eduard hoorde de voetstappen zijn deur langs komen en naar de kamer van Hugo en Piet gaan. Hij lichtte zijn hoofd op en luisterde. Zeker was 't Hugo, die na de cricketvergadering naar boven ging. Als hij maar niet hier kwam! Eduard voelde 't in zijn keel kloppen. Zou hij weten van 't vechten?
Maar wat kon 't hem ook eigenlijk schelen? Ze wisten 't verder immers toch allemaal! Och, was hij maar dood! En weer duwde hij zijn gezicht in 't kussen. — Maar toch hoorde hij hoe Hugo op de andere kamer bleef rondscharrelen, aldoor fluitend, hoe hij eindelijk iets liet vallen, — toen hield het fluiten op, Eduard hoorde iets mompelen, en duidelijk verstaanbaar klonk het: "Zeg Ee, ben jij daar soms? Heb jij onze lucifers?" — Eduard hield zich stil; met ingehouden adem bleef hij luisteren. Weer hoorde hij de voetstappen over 't portaaltje gaan en de knop van de deur werd omgedraaid; — Hugo kwam binnen.
Hevig verschrikt zat Eduard opeens overeind en keek zijn neef aan. — Hugo was blijven staan, zijn hand nog aan de deurknop, en staarde in stomme verbazing naar Eduards behuild gezicht.
"Wat heb jij?" vroeg hij toen.
Maar Eduard gaf geen antwoord en drukte alleen zijn mouw tegen zijn oogen.
Hugo deed de deur dicht, en een beetje ongerust begon hij weer: "Wat is er in vredesnaam gebeurd?"
"Och niks," barstte Eduard opeens los — "ga maar weg — we hebben gevochten —" hij snikte het weer uit.
"Wie hebben gevochten?"
"Piet en ik." —
"En huil je daarom zoo?"
Er kwam geen antwoord meer.
"Kom, daar moet je je niet zoo dik over maken, ben je mal! Wie huilt er nou om een beetje vechten? Kom, sta op, en drink eens wat, en wasch je gezicht een beetje, dat zal je opfrisschen! Zoo meteen gaan we koffiedrinken — je moet net doen of er niks gebeurd is!"
En Hugo schonk water in de kom en trok zijn neefje bij zijn arm naar de waschtafel toe. "Vooruit," zei hij, "wasch je nou en begin nou niet weer!"
Toen nam hij de lucifers van de tafel en ging naar zijn eigen kamer. —
XV.
"Hup jongens! naar het hol van de Manahawaas!" riep van Merlen, een van Piets vrienden. — De lange beraadslagingen begonnen hem te vervelen, en midden in een fraaie toespraak van Wouters had hij er opeens genoeg van gekregen; zonder naar het slot te luisteren stoof hij door de openstaande tuindeur naar buiten. — Joelend en schreeuwend holde de heele jongensbende hem achterna, naar het verste gedeelte van den tuin, waar de Manahawaas kampeerden. —
Het hol was een groote kuil, zoowat twee meter lang en breed, en zoo diep dat Tommy er juist in kon staan zonder dat zijn hoofd boven de rand uitstak. Maar dit was pas 't begin, 't moest nog veel dieper worden, en daarom hadden de Manahawaas zich op dezen zonnigen Zaterdagmiddag in 't midden van Mei al om één uur vereenigd bij de Verheys, met het plan nu eens hard aan 't werk te gaan.
De club van de Manahawaas bestond uit negen leden. Hugo was president, maar omdat hij 's Zaterdagmiddags altijd gymnastiekles had, was Wouters nu met het oppertoezicht belast. De andere leden waren van Merlen, Tersteeg, Piet, Eduard, Tommy met zijn vrind Holdert en Broertje, die ook al dapper zijn best deed. Hij had zoo verschrikkelijk graag met de groote jongens mee willen spelen en hij had er zóó om gebedeld dat ze hem eindelijk maar als jongste lid hadden aangenomen. Hij mocht nu 's morgens als ze allemaal naar school waren het hol bewaken.
Van Merlen en Tersteeg zaten allebei in Piets klas.
"Schreeuw jullie nou zoo niet!" riep Wouters eindelijk, toen ze om het hol heenstonden en weer allemaal tegelijk aan 't beweren waren, "laten we nou liever aan 't werk gaan!" en tegen Tommy: "kleine Verhey, haal jij nou eens gauw de schoppen!"
Tommy ging naar 't schuurtje, en Wouters vervolgde: "We zullen om de beurt een half uur werken; eerst Tersteeg en ik, en dan kunnen kleine Verhey en Holdert helpen, en dan kun jullie drieën straks een half uur graven."
Ze hadden natuurlijk niet geluisterd, en Wouters moest zijn voorstel nog een paar keer herhalen voordat ze er allemaal achter waren.
Toen daalde de eerste ploeg langs het laddertje in den kuil af en het werk begon. —
Wouters en Tersteeg waren aan 't uitdiepen, en Tommy en kleine Holdert hielden zich bezig met telkens het uitgegraven zand in emmers naar boven te dragen.
"Nu jij de wacht houden en 'werda' roepen als er iemand aankomt!" zei van Merlen tegen Broertje, knipoogend tegen Eduard en Piet.
"Wat moet ik roepen?" vroeg Broer, die van 't woord "werda" nooit gehoord had, en innerlijk doodsbenauwd was dat hij iets niet goed zou doen, en dat ze hem dan in den kuil zouden stoppen en 't laddertje wegnemen.
"Werda!" herhaalde van Merlen lachend, en toen met groote oogen: "Pas op als je 't vergeet, hoor!"
Broer knikte, en bleef met een ernstig gezichtje den tuin inkijken; van Merlen slungelde weg en ging een eindje van den kuil af languit in 't gras liggen, zijn armen onder zijn hoofd.
Eduard en Piet hadden 't zich er ook al gemakkelijk gemaakt en lagen zoo lui mogelijk van hun rust te genieten.
"'t Is warm!" merkte van Merlen op.
"Wat je zegt!" zei Piet gapend, en Eduard zuchtte: "Straks zullen we 't nog wel warmer krijgen!"
Even zwegen de drie jongens. Toen ging Piet opeens overeind zitten, sloeg zijn handen om zijn knieën en zei: "Lui, ik heb een fijn plan!"
"Vertel op!" verzocht Eduard.
En Piet ging vol vuur door: "Een eindje van dien kuil af, een meter of vier, aan de andere kant bij de schutting maken we nog een kuil, zoowat even groot als deze en even diep, en die twee kuilen verbinden we door een onderaardsche gang."
"Dan mogen we wel aardig diep graven," vond van Merlen, "anders zakt het heele zaakje in."
"Nou, dan gráven we diep!" zei Piet, op een toon alsof hij dat in 't minst geen bezwaar vond.
"Ik weet nog wat leuks," zei Eduard, "we timmeren allerlei planken aan elkaar, en die leggen we over de kuil heen, en dan bedekken we alles met graszoden, dan kan geen mensch ons hol vinden. Fijn, man!"
"Maar waar halen we graszoden vandaan?" vroeg van Merlen, "hier in de tuin is zooveel gras niet."
"Nou, dan halen we ze uit het bosch!" bedacht Eduard.
"Dat kan," stemde van Merlen toe; "nou, 't lijkt me wel moppig."
En Piet vroeg: "Hoe diep zouden we eigenlijk kunnen graven voor we water vinden? Weet jij dat, van Merlen?"
"'k Denk een meter of zes," zei van Merlen, die er eigenlijk niet het minste begrip van had. "Of misschien wel tien, de grond is hier nogal droog."
"Werda!" riep Broer, en toen ze naar hem keken zagen ze dat de kleine jongen naar de schutting wees, waar 't lachende gezicht van Kees Beekman bovenuit kwam kijken.
"Goeiemiddag!" riep Piet.
"Ook goeiemiddag!" antwoordde Kees, "mag ik meespelen, zeg?"
"Zeker!" vond Piet, "als je je zuster tenminste niet meebrengt!" En van Merlen vroeg zachtjes aan Eduard, die 't dichtst bij hem zat: "zeg Kerner, hoe heet dat joch?"
"Kees Beekman," antwoordde Eduard even zacht, en harder tegen Kees: "Waar sta je op, zeg?"
"Op m'n stelten," zei Kees, "en Hannie heeft pianoles dus die komt niet. Wat voeren jullie eigenlijk uit?"
"O," lachte van Merlen, "ik doe niks en Verhey helpt me en Kerner kijkt er naar."
Kees gaf geen antwoord, bleef kijken en lachte.
"Kom," zei Eduard opstaande en zich uitrekkend, "we zullen je eens over de schutting hijschen. Werk je nou eerst maar naar boven, dan zullen we je aan deze kant naar beneden trekken."
Piet en van Merlen bleven er lachend naar kijken hoe Kees zich inspande om zichzelf op te hijschen. Eindelijk zat hij bovenop de schutting en zwaaide zijn beenen er overheen.
"Ziezoo!" riep van Merlen opstaande, "nu ieder aan een been trekken, Kerner, dan zul je eens zien hoe gauw hij beneden is!"
Lachend en gillend trok Kees zijn beenen weer op, en proestend bleven van Merlen en Eduard beneden staan om telkens weer naar Kees z'n schoenen te grijpen zoodra die in hun bereik kwamen. Krampachtig klemde Kees zich aan de schutting vast, telkens schoppend naar de twee jongens, die dolle pret hadden om zijn benauwd gezicht.
"Blijf af nou!" riep Kees, en "kom dan toch ook!" moedigde van Merlen aan terwijl Eduard weer naar de schoen greep; maar 't kwam deze keer anders uit dan hij gedacht had, want Kees had ongemerkt het riempje van zijn schoen losgemaakt en Eduard duikelde achterover, de schoen in zijn hand houdend. Een oogenblik keken de jongens verbluft rond, en Kees zag kans, zich haastig naar beneden te laten glijden. Maar 't ging niet zoo gauw of Eduard was weer opgestaan en holde met den schoen den tuin door. Onmiddellijk zette Kees 't ook op een loopen, Eduard achterna, en telkens roepend: "M'n schoen! Geef op nou!"
Eindelijk liet Eduard zich hijgend in 't gras vallen en gooide Kees den schoen toe. "Daar heb je 'm!" riep hij, "ik stik!"
"Ik ook!" zei Kees, en lachend stak hij zijn voet vooruit om te laten zien hoe aardig zijn teen door zijn kous kwam kijken.
"Moet je mijne zien!" blufte Tommy, -- want de vier anderen hadden het werk gestaakt, -- en hij bukte zich om zijn schoen uit te trekken.
"Nou ja, we gelooven 't wel, laat maar zitten!" zei Piet haastig.
Tersteeg was de laatste die weer aan de oppervlakte der aarde verscheen. Langzaam liep hij naar de anderen toe, gooide de schop op den grond, veegde zijn voorhoofd af, en zuchtte: "Ziezoo, de tijd van luieren is voor jullie voorbij, gaan jullie nu maar eens een beetje graven, hoor!"
"Da's goed," antwoordde van Merlen, "Kees of hoe heet je, nou mag je helpen! 't Is hier hard werken, snap je?"
"Zeker, ik snap 't heel goed!" zei Kees, "en dan ben jij zeker de generaal, he?"
"Welnee!" zei van Merlen lachend, en met een geheimzinnig gezicht: "Ik ben de Manahawa Snelvoet!"
De tweede ploeg daalde in het hol af en Piet inspecteerde de kuil. "Jullie denkt ook 'liever lui dan moe,' er is zoowat niks aan gedaan!" riep hij tegen de anderen, die zich op hun beurt in 't gras hadden uitgestrekt.
"Wel ja! als je soms nog wat hebt?" riep Wouters terug; "geneer je niet!" en "Compliment aan je kippen!" voegde Tersteeg er bij; nog even hoorden de jongens in den kuil ze samen namopperen. "Hoor ze schelden!" lachte Eduard.
Onder 't graven werd Kees ingelicht wat de club van de Manahawaas eigenlijk beteekende, en natuurlijk was hij zóó verrukt over 't idee van de geheimzinnige kelders en de toekomstige strooptochten dat hij dadelijk ook lid wilde worden. "Mag ik?" vroeg hij.
"Wel ja, van mijn part wel!" antwoordde Piet onverschillig, en van Merlen zei dat hij 't ook goed vond, dat 't nieuwe lid straks dan maar gedoopt moest worden. Dat hoorde er bij, en 't was meteen lekker koel in die warmte. —
"Ja, dat hoort erbij!" herhaalde Piet, en hard riep hij: "Zeg, halen jullie eens een emmer water, we moeten er een doopen!"
"Da's goed, dat wil ik wel doen!" antwoordde een hooge stem. Vier hoofden kwamen nieuwsgierig boven den kuil uitkijken.
't Was Lineke, die met Bep aan was komen loopen. "Waar heb je den emmer?" vroeg ze.
Eduard gaf een emmer aan en Lineke liep er mee naar de keuken.
De jongens hadden hun schoppen neergegooid en waren naar boven geklommen om de doopplechtigheid te doen beginnen. "Vind je 't niet griezelig?" vroeg Tommy aan Kees, maar Kees antwoordde dat de heele dooperij hem zoo koud als een kip liet.
"Wat 'n branie!" lachte Wouters, "wacht maar, jongetje, straks zul je wel anders piepen!"
Lineke kwam met den emmer aansjouwen. 't Was zwaar, ze hijgde er van, en van Merlen sprong ineens op en liep naar haar toe om 't vrachtje van haar over te nemen. Eduard keek er verbaasd naar; dat was nou iets waarover hij nooit gedacht zou hebben, en toch vond hij 't erg aardig. —
"Nu mogen we verder toch wel mee blijven doen, he?" vroeg Lineke onvoorzichtig.
"Dat kun je begrijpen!" antwoordde Wouters, "we zijn al met meer dan genoeg!" en Piet voegde er bij, met zijn hoofd naar 't huis wijzend: "Gaan jullie maar stil weer weg, we willen er geen kleine meisjes bij hebben!"
"Ze zouden voor krijgsgevangenen kunnen dienen!" stelde Tersteeg voor.
"Da's wat anders!" zei Wouters, "da's goed, dan stoppen we ze in den kuil en nemen 't laddertje weg!" en met groote passen liep hij naar Bep toe, die bij de rand van den kuil stond en aandachtig naar beneden keek. Maar Lineke pakte haar zusje bij de hand. "Kom mee, Bep!" zei ze met een minachtenden blik naar de jongens, "ze willen niet met ons spelen, we zullen wat gaan schommelen!"
Zwijgend keken de Manahawaas de twee meisjes na, die zonder om te kijken naar den schommel gingen, toen zei Eduard met een kleur: "Wat 'n flauwe kerels zijn jullie, waarom mogen ze nou niet meedoen?"
"Hoor hem!" hoonde Tersteeg, en Wouters snauwde kwaad: "Hou je er buiten, jong kalf! Als je wat aan te merken hebt, ruk je maar uit!" en tegen de anderen: "Ziezoo, nu zullen we met doopen beginnen, kleine Verhey, haal jij eens een glas!"
Eduard stopte zijn handen in zijn zakken, en tegen een boom leunend bleef hij er naar kijken hoe ze Kees een glas water in zijn gezicht gooiden en toen onder veel gelach het water gingen "opdoopen" en elkaar kletsnat smeten. Even verder stond van Merlen zijn fiets op te pompen.
Langzaam slenterde Eduard naar den schommel toe, waar de nichtjes aan 't spelen waren, maar ze waren nog niet in de rechte stemming, en Eduard was te veel uit zijn humeur om gezellig mee te doen.
"Waar ga jij naar toe?" riep hij even later tegen van Merlen, die met zijn fiets den tuin doorliep.
"Naar huis!" riep van Merlen terug, "'k heb om halfvier les!"
"Welke kant ga je?"
"Door 't bosch!"
"Wacht even, dan ga 'k mee!" van Merlen bleef staan, en Eduard vervolgde haastig: "zet jullie ook je hoed op, in 't bosch kunnen we veel leuker spelen dan hier bij dien vervelenden schommel!"
Tante Lina hoorde 't viertal de gang doorloopen en de voordeur dichttrekken, maar ze liet ze maar stilletjes gaan, blij met haar rustigen Zaterdagmiddag.
"Vond jij 't nou ook niet flauw?" vroeg Eduard aan van Merlen, toen de meisjes even voor een winkel bleven staan.
Van Merlen haalde zijn schouders op. "Och, voor mijn part hadden ze wel mee kunnen doen," zei hij, "maar als Wouters eenmaal zoo iets in zijn hoofd haalt geeft het je toch niks om er wat tegen in te brengen. Je bederft je eigen plezier en je wordt nog uitgescholden op den koop toe. Hugo is een veel leukere president dan hij."
"Hij heeft praats voor zes en 'n hoop lèf!" vulde Eduard aan, blij dat hij eens op Wouters kon schelden.
"Nou!" van Merlen knikte veelbeteekenend, "en Piet en Tersteeg doen hem alles na!"
In 't bosch zei van Merlen dat hij geen tijd meer had en door moest trappen.
"Saluut!" riep hij, en Lineke haalde een bal uit haar zak en vroeg of ze nu wat wilden gaan ballen.
"Hoedjebal!" zei Eduard, en met zijn hak trok hij een streep in 't zand voor de lijn. —
Pas om halfvijf gingen ze naar huis toe, rood en warm van het harde loopen, en Lineke legde de bloemen die ze geplukt had even in 't gras om haar hoed op te zetten. —
"Komen jullie eens hier!" riep Bep, die al vooruit geloopen was, en toen Eduard en Lineke bij haar stonden: "Kijk, een vogeltje!"
Ze bogen zich er alle drie over heen, en Eduard ging er bij op zijn knie liggen en nam 't voorzichtig op. "'t Is dood!" zei hij.
Nieuwsgierig keken Bep en Lineke er naar. "Nee," riep Lineke, "'t is niet dood, kijk maar, 't beweegt zijn pootje!"
Opeens begon 't vogeltje angstig te piepen.
"'t Is zeker uit 't nest gevallen," zei Eduard, "'t is nog een jong vogeltje, zie je wel?" en zacht streek hij met zijn vinger over 't kopje.
"'t Piept zeker zoo om zijn vader en moeder," fluisterde Bep; "arm klein vogeltje!" en Lineke vroeg: "Toe Edu, laten we 't mee naar huis nemen, dan kunnen we 't frisch water en eten geven, hier gaat het zeker dood!"

Eduard was opgestaan; nog steeds hield hij 't vogeltje zijn in zijn hand. "Ik vind 't natuurlijk goed om 't mee te nemen," zei hij, "maar hoe krijgen we 't thuis?" en tegen Lineke: "wil jij 't dragen, zeg?"
Lineke strekte haar hand uit, maar trok die haastig terug. "Doe jij 't maar liever," vroeg ze, "je houdt het nu óók zoo voorzichtig vast!"
Eduard ging naar 't pad terug en Bep en Lineke kwamen ieder aan een kant naast hem loopen, telkens naar 't vogeltje kijkend. 't Piepte nu niet meer, stil lag 't in Eduards hand, en met angstige, verschrikte oogjes keek het rond.
"Zielig klein dier!" zei Lineke medelijdend, en Bep vroeg nog eens: "Knijp je 't vooral niet, Eetje?"
Eduard schudde van nee, en langzaam ging het naar huis. —
"Kinderen, waar hebben jullie toch gezeten?" vroeg Tante Lina, toen ze eindelijk thuis waren.
"In 't bosch, Tante!" antwoordde Eduard, en Lineke legde uit: "We hebben een klein vogeltje gevonden, Ma, en nu wilden we het in een sigarenkistje met gras leggen en dan wat brood en melk om het te voeren, en ...."
"Ja, 't is goed," viel Tante Lina in de rede, "ga je gang, maar niet in de huiskamer alsjeblieft, breng 't maar in 't schuurtje."
XVI.
Met een voldaan gevoel legde Eduard zijn viool in de vioolkist. Heerlijk vroeg was 't, nog geen acht uur, en hij had al drie kwartier gestudeerd. De etude ging goed, en 't menuet speelde hij ook bijna zonder fouten.
Eduard was 't eerst van allemaal naar beneden gegaan vanmorgen; terwijl hij aan 't studeeren was had hij de anderen langzamerhand ook hooren komen, maar ze hadden hem niet gestoord, en vlijtig had hij doorgespeeld, drie kwartier lang. Nu naar de huiskamer, en kijken waar ze allemaal zaten!
Maar hij vond er niemand; 't ontbijt stond klaar en 't theewater suisde gezellig, en hij wilde juist den tuin inloopen om eens te kijken of ze daar soms waren toen Tante Lina en Hugo binnen kwamen.
"Wel Edu, wat ben jij matineus!" zei Tante Lina, "'k wist niet wat ons overkwam toen we daar met vioolspel gewekt werden!"
"'k Was zoo vroeg wakker," vertelde Eduard, "en toen ben 'k maar opgestaan ook!"
Tante Lina begon boterhammen te snijden, en Hugo plaagde: "Ja, ja, als luie menschen vlug worden ...."
"Nou, ik vind me zelf gewoonlijk toch niet zoo heel erg lui," merkte Eduard op; "vindt u wel, Tante?"
"Nee, niet zoo héél erg," lachte Tante Lina, de thee opschenkend; "kijk eens wat op je bord ligt, Edu!"
Eduard keek nieuwsgierig naar zijn bord en nam de briefkaart op.
"Van Vader," zei hij, toen hij Vaders bekende letters op het adres ontdekte, en dadelijk draaide hij de kaart om en begon te lezen.
"Beste jongen,
Als je deze kaart krijgt zit ik alweer midden op zee en duurt het niet lang meer of ik ben weer bij je. In 't eind van de volgende week ga ik weer aan boord, en ik begin er erg naar te verlangen om weer thuis te zijn. Wat zullen we elkaar veel te vertellen hebben, he Pepi? Gisteren heb ik je brief gekregen waarin je schreef over 't comediespelen op zolder. Je kunt gezellig vertellen, hoor! Veel groeten van Vader. —
"Vader schrijft dat Vader gauw thuiskomt!" zei Eduard opkijkend, en tegen Oom Tom, die ook beneden gekomen was: "Weet u, wanneer Vader nu precies hier kan zijn, Oom?"
"Precies weet ik 't niet," antwoordde de Kapitein, "de aankomst van de booten verschilt wel eens een paar dagen, maar als 't een beetje wil zullen we je Vader over een week of twee wel zien verschijnen, denk ik."
"Vandaag over twee weken? Dus op een Donderdag?"
"Ja hoor, ik kan er geen eed op doen," lachte Oom Tom, "ik ben geen orakel!" en 't ochtendblad opnemend: "als je nu nog wilt dat je Vader in Genua een brief vindt moet je met schrijven niet al te lang meer wachten!"
Eduard knikte, en Tante Lina vroeg: "Heeft Vader nog iets nieuws te vertellen, Edu?"
"Nee Tante, niets nieuws." Even keek hij nog naar wat Vader geschreven had, toen gaf hij de briefkaart aan Tante Lina en zei: "U mag 't wel lezen als u wilt." En strak bleef hij Tante Lina aankijken tot zij de briefkaart gelezen had en hem zonder iets te zeggen aan Eduard teruggaf. —
"We zullen Edu missen," merkte ze even later op. —
"Komen jullie ontbijten?" riep Hugo tegen de kleintjes, en toen ze 't niet schenen te hooren liep hij zelf ook den tuin in en herhaalde, wat harder nu "Komen jullie ontbijten, zeg?"
Nu kreeg hij antwoord, en langzaam kwamen ze opdagen. Alleen Broertje sprong en kraaide even vroolijk als gewoonlijk, de andere drie keken stil voor zich uit, en 't eerste wat Lineke zei toen ze binnenkwam was: "O Edu, Hansje is dood!"
Eduards prettige stemming verdween opeens; "wat?" vroeg hij verschrikt, en Tommy zei nog eens na wat zijn zusje zooeven gezegd had: "Hansje is dood."
Hansje was 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag in 't bosch gevonden hadden. Vier dagen lang was 't nog blijven leven, ze hadden 't in een leeg sigarenkistje gezet met wat frisch gras en 't mooiste dekentje uit Beps poppenwieltje, en ze hadden 't gevoerd met in melk geweekt wittebrood. Maar toen ze vanmorgen kwamen kijken had Hansje niet gepiept of zijn bekje open gedaan; heel stil was hij op 't gras in 't kistje blijven liggen, zonder zich te bewegen, en toen Lineke hem opnam was hij al heelemaal stijf.
Lineke deed 't heele verhaal met een treurig gezichtje.
"'t Is jammer," vond Tante Lina; "jullie hadt het ook maar liever in 't bosch moeten laten, dan waren de oude vogels het misschien wel komen voeren; melk en wittebrood is geen geschikt eten voor een vogeltje."
"Denkt u dat 't dan niet dood gegaan zou zijn?" vroeg Tommy.
"Lieve jongen, dat weet ik toch niet!" antwoordde zijn Moeder.
De deur ging open en Piet kwam binnen. Hij had zich verslapen vanmorgen, en Oom Tom keek van zijn courant op en zei: "'k Zou nog een beetje later beneden komen als 'k jou was!"
"'k Werd zoo laat wakker," verontschuldigde Piet zich, en hij begon aan zijn boterhammen; "wat zetten jullie allemaal tragische gezichten, wat is er voor narigheid gebeurd?"
"Hansje is dood," vertelde Bep.
Piet begon te lachen. "Zoo, is dat halfdooie beest eindelijk gecrepeerd," zei hij, "da's wel de moeite waard om zoo'n doodgraverssmoel ...."
Een hevige vuistslag op de tafel deed de kopjes rinkelen en verschrikt knipte Bep met haar oogen.
Piet zweeg plotseling.
"Alsjeblieft!!" barstte de Kapitein nijdig uit, "zulke taal kun je voor je houden, begrijp je! Die verkies ik hier niet te hooren, van jou niet en van niemand anders!"
Onverschillig haalde Piet zijn schouders op, maar hij zei niets meer, en op de klok kijkend begon hij te eten met een haast alsof hij minstens uitgehongerd was. Toen dronk hij zijn glas melk leeg, stond op, riep bij de deur "saluut!" dat voor iedereen bestemd scheen die er naar wilde luisteren, en vertrok. De Kapitein riep hem terug, maar Piet hoorde 't niet of deed alsof hij 't niet hoorde, en juist op het oogenblik dat Oom Tom de huiskamerdeur opende werd de voordeur door zijn zoon dichtgetrokken.
Met een gezicht dat niet veel goeds voorspelde ging de Kapitein weer in de courant zitten kijken.
Hugo begon zijn boeken bij elkaar te zoeken en ook de anderen maakten aanstalten om naar school te gaan.
"Moet Hansje daar nu maar zoo in dat kistje blijven liggen?" vroeg Bep, en Lineke antwoordde: "We zullen hem begraven, tusschen twaalf en twee, dan help je immers, Edu?"
"Ja goed," beloofde Eduard, en Tommy zei dat hij om twaalf uur hard naar huis zou hollen om een kuil te graven.
"Dan zal ík vanmorgen bloemetjes plukken," bedacht Bep, "in een mandje, als we met Juf gaan wandelen."
Eduard knikte, sjorde in de gang zijn tasch om, zette zijn pet op, stopte zijn handen in zijn zakken, en ging naar school.
Mal toch, dat hij het nu naar vond, dat 't vogeltje dood was. De kleintjes vonden 't ook wel akelig, maar die waren ook allemaal zooveel jonger dan hij. Piet lachte er om, had ze er al mee geplaagd sedert ze met Hansje thuis waren gekomen, en Hugo —nou, die vond zichzelf er natuurlijk veel te groot voor. En de andere jongens? Meertens of Theo? Och, natuurlijk zouden ze hem ook uitlachen; hij durfde ze 't immers niet eens te vertellen! Of durven wel, hij durfde 't best te vertellen, natuurlijk, maar hij deed 't niet, hij wilde 't niet eens vertellen, 't kon hem niks schelen of ze lachten of niet, ze hadden er niks mee noodig. Hij mocht denken wat hij wilde, dat hoefde hij aan niemand te vragen, en je kon er ook niets aan doen hoe je over iets dacht, of je iets naar vondt of niet, dat was nu eenmaal zoo. Zou hij nu heusch kinderachtiger zijn dan de andere jongens? Of zouden ze allemaal wel eens zooiets náár vinden zonder dat ze 't aan iemand wilden zeggen? Piet zeker wel niet, die lachte altijd maar om alles, maar Theo bijvoorbeeld, dat was nu weer een heel andere jongen ...
"Hei, Kerner, wacht even!"
Eduard keek om en bleef staan. 't Was van Hamel, die achter hem aan kwam hollen: "Heb je je sommen af?" hijgde hij al op een afstand.
"Ja," zei Eduard, die ze wonder boven wonder eens alle drie had kunnen maken, "'k vond ze nogal makkelijk."
"Wat heb je eruit?"
"Weet ik 't, denk je dat ik dat zoo lang onthoud?"
"Nou, kijk dan eens, dan kunnen we zien of we ze goed hebben!"
Maar Eduard liet zijn schrift kalm in zijn tasch zitten. "Zooveel kan 't me niet schelen, hoor, zal 'k wel zien als ik 't schrift terugkrijg," zei hij, "hebben jullie gisteren lang moeten blijven?"
"Tot halfvijf," vertelde van Hamel, "we hebben ons dood gelachen, we moesten regels schrijven, en Snijders ging de klas uit; nou, die regels waren in twintig minuten klaar, en Snijders arriveerde nog steeds niet, en toen heeft Wim Reinders allerlei moppen zitten vertellen, we waren gewoon slap, en Groeneveld schreef onder zijn regels: 'Dag mijnheer Snijders, ik ga maar vast weg. Tot morgen.'"
"En ging hij echt weg?" vroeg Eduard.
"Welnee, dat durfde hij met al z'n branie natuurlijk niet, hij liet 't staan tot Snijders eindelijk weer binnenkwam, en toen veegde hij 't gauw uit; maar Snijders zag 't net nog, en Groeneveld wou niet zeggen wat er gestaan had, en Wim Reinders en ik zaten maar te lachen."
"Nou en toen?"
"Nou, toen niks meer, Snijders was woedend, maar daar gaven we natuurlijk geen cent om, en ..."
"Zeg, laten we een beetje doorloopen," viel Eduard, die op de torenklok gekeken had, hem in de rede; "'t is twee minuten!"
En samen zetten ze 't op een hollen, tot ze eindelijk buiten adem bij school waren en Beek de deur voor hun neus dicht deed.
Eduard belde aan. "Zoo'n mispunt," zei hij.
"Ga nu gauw mee, Eetje!" vroeg Bep, toen 't koffiedrinken afgeloopen was, "ik heb een heeleboel bloemetjes geplukt!"
"En ik heb gehelpt!" voegde Broertje er bij, "en Tommy heeft een kuil gegraafd!"
"Wat gaan jullie in vredesnaam uitvoeren?" vroeg Piet, en toen, alsof hem opeens een licht opging: "Groote goedheid, daar gaan ze me nou die dooie vogel begraven! Daar moet je toch ook wel niet goed je weet wel voor zijn!" en veelbeteekenend wees Piet naar zijn voorhoofd. "Waarom keilen jullie dat dooie beest niet over de heining?"
"Omdat we 't begraven gaan," zei Eduard kort.
Piet begon te grinniken. "Heel aardig maar toch niet erg!" plaagde hij.
"Piet, denk er om wat Papa vanmorgen gezegd heeft!" waarschuwde Tante Lina.
"'k Druk me nu anders heel betamelijk uit!" mopperde Piet.
De vier kleintjes waren al naar 't schuurtje toegegaan, en ook Eduard liep den tuin in, maar Tante Lina riep hem terug.
"Heb jij vanmorgen de karaf op je waschtafel gebroken, Edu?"
"O, ja, da's waar ook!" zei Eduard; hij had aan de heele karaf niet meer gedacht.
"Jullie zijn toch ook altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig," bromde Tante Lina, "'t is altijd smijt maar toe, om de haverklap breekt er iets ..."
"Zoo, is die ook al ter ziele," plaagde Piet, "nou, je gaat toch aan 't begraven, nou kun je de treurige overblijfselen van die karaf meteen een plechtige uitvaart bereiden!"
Eduard gaf geen antwoord meer en liep naar de kleintjes toe. Alles verveelde hem opeens gruwelijk, en Piet was nog 't vervelendste van de heele boel.
"Kijk eens!" riep Lineke. —
Daar lag 't vogeltje, op een bedje van gras en bloemen. "Ligt hij zoo niet lief?" vroeg Lineke, terwijl Eduard keek, "nu willen we het kistje verder heelemaal met bloemen opvullen, en moeten we dan de deksel er los opleggen of vasttimmeren?"
"Laten we er maar liever een paar spijkers inslaan," vond Eduard; "is de hamer hier?"
Lineke begon bloemen in het kistje te leggen en Tommy haalde den hamer en wat kleine spijkertjes.
"Er blijven nog een heeleboel bloemen over!" zei Bep, en "nou, die kunnen we dan straks over de kuil strooien," antwoordde Lineke, terwijl ze de deksel op 't kistje hield en op Eduard wachtte.
En Eduard nam den hamer en begon het eerste spijkertje er in te slaan. "Doe je 't voorzichtig, Eetje?" vroeg Beppie, met tranen in haar groote blauwe oogen.
Eduard knikte, en zwijgend keken ze er alle vier naar hoe hij de spijkers eén voor eén opnam en in het kistje sloeg.
"Nou is 't klaar," zei hij eindelijk, en hij legde den hamer neer. —
Toen nam Lineke het kistje op en bracht het naar den kuil toe.
"'t Is hier een mooi zonnig plekje, he?" vroeg Tommy, en "arm klein vogeltie," zei Broertje zacht.
En Lineke zette het kistje in den kuil en Tommy schepte de aarde er overheen; op 't kleine heuveltje liet Bep al de bloemen uit haar schortje vallen. —
"Kinderen, zijn jullie nog niet naar school? 't Is kwart voor twee!" riep Tante Lina uit de huiskamer.
"Ja Ma, we gaan al," riep Lineke terug, en ze nam Bep en Broertje elk bij een hand en bracht ze op een sukkeldrafje naar de zandhoop toe.

"Gaan jullie wat zandtaartjes bakken," zei ze, "maak er maar een heeleboel, en erge mooie, dan komen we om vier uur bij jullie koopen! Dag!"
Tommy was al weggehold, doodsbenauwd voor te laat komen.
Eduard ging zijn fiets uit de gang halen; je hoefde hier nooit te vragen of je mocht fietsen of niet, je deedt altijd maar waar je zelf zin in hadt.
Aldoor nog moest hij denken aan 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag uit het bosch hadden meegebracht; in zijn hand had hij 't mee naar huis genomen, een klein, warm, beweeglijk diertje; nu was het dood, en koud, en stijf; ze hadden het begraven, en nooit zouden ze 't weer terugzien. Zou het zijn warme nestje en het bosch hebben gemist? Zou het naar de oude vogeltjes terugverlangd hebben? Zeker had het zich hier wel heel eenzaam en verlaten gevoeld; en nu was het dood gegaan.
Eduard opende de voordeur om zijn fiets naar buiten te rijden. En opeens dacht hij aan zijn Moeder; aan die laatste vreeselijke dagen, toen Moeder zoo heel erg ziek was geweest, en aan dien ochtend, toen hij wakker werd en Vader bij zijn bed stond, die hem vertelde, dat Moeder niet meer leefde ....
Eduard wipte op zijn fiets en reed naar school. Eerste uur rekenen en tweede uur geschiedenis; ba, stom-vervelende middag!
XVII.
"Dag Pa! Dag Maatje! Dag! Dag!" en telkens keken ze nog eens om, de vier kleintjes, en dan wuifden ze tegen Oom Tom en Tante Lina, die op de stoep de kinderen stonden na te kijken. 't Was een grappig gezicht om ze daar met hun vieren zoo deftig te zien wegstappen naar de verjaarpartij, waar ze zich al de heele week op verheugd hadden, Lineke en Bep in de nieuwe lichtblauwe jurken en de twee kleine jongens in de schoone witte matrozenpakjes; bij den hoek bleven ze nog even staan om nog eens allemaal tegelijk te wuiven — toen waren ze verdwenen.
Lachend gingen Oom Tom en Tante Lina weer naar binnen. In de gang waren de jongens bezig zich klaar te maken voor een fietstocht. —
"Waar hebben jullie mijn portemonnaie toch gelaten?" vroeg Piet; "ik weet zeker dat er nog drie maffies en een paar centen in zaten, en we moeten toch geld bij ons hebben!"
"Die zul je zelf wel ergens gelaten hebben!" antwoordde Eduard; "zeg, hebben jullie de zuurtjes soms gezien?"
"Ja, die heb ík soms gezien," zei Hugo, "de zak tenminste, die ligt binnen op den schoorsteenmantel, maar stop ze niet in je blouse of zoo, want dan kleeft het heele partijtje aan elkaar."
"'k Zal ze in mijn fietstaschje douwen," bedacht Eduard, "neem jij nog een jas of zoo iets mee?"
"Ja, 'k zal gek zijn," zei Hugo, stevig op 't zadel van zijn fiets drukkend om 't wat lager te zetten, "er is notabene geen wolkje aan de lucht!"
"Nou heb ik nog altijd m'n portemonnaie niet!" mopperde Piet.
"Daar kan ík toch niks aan doen!" merkte Eduard op, en Hugo adviseerde zijn broer om nu eens met zijn oogen inplaats van met zijn neus te kijken.
"Hij zal in den zak van je andere broek zitten!" zei Tante Lina, "ga boven maar eens kijken, en trek dan meteen je laarzen aan, met die oude fietsschoenen kun je niet uit, de lappen hangen er bij!"
"Nee dàt doe 'k niet," verklaarde Piet kwaad, "met laarzen kun je niet fietsen!"
Maar de Kapitein, die zwijgend had staan toekijken, was 't niet met zijn zoon eens. "Nonsens!" beweerde hij, "je doet het wél, dat eeuwige tegenspreken van jullie!"
"Ik heb ook geen tijd meer, we moeten weg," bromde Piet, maar zijn Vader viel hem in de rede: "Je hebt gehoord wat Mama gezegd heeft, he? En anders kun je thuis blijven! Alsjeblieft!" En mopperend ging Piet naar boven; 't was toch te mal om je door dat gezeur je heele prettige Woensdagmiddag te laten bederven!
"Nou, ik ben klaar!" zei Eduard, de fietspomp neerleggend, en hij draaide 't ventieldopje van 't achterwiel weer vast; toen bracht hij zijn fiets naar buiten. "Moeten jouw banden ook nog opgepompt, Huug?"
"Nou, een ietsje mogen ze nog wel hebben. Wil jij 't even doen, zeg? Dan kom ik ook dadelijk."
Tante Lina en Oom Tom waren weer naar de huiskamer gegaan, en Eduard begon de banden van Hugo's fiets op te pompen. Terwijl hij bezig was hoorde hij de andere jongens al aan komen rijden, hard tegen elkaar roepend en lachend; daar sprongen ze alle vier van hun fietsen af, en "komen jullie?" galmde 't door de gang.
"Ja, we zijn klaar!" riep Hugo terug, en haastig kwam hij aanhollen; even drukte hij zijn duim op de fietsbanden; "nou, ze zijn kei, hoor!" zei hij tegen Eduard, "'t is prachtig zoo!" en met zijn fiets de voordeur uitgaande: "Dag Pa, dag Ma!"
"Dag Oom, dag Tante!" riep Eduard.—
"Zeg, waar blijft dat lieve broertje van je?" vroeg Wouters aan Hugo.
"Nou, die zal direct wel arriveeren," antwoordde Hugo; "de liefheid kun je anders van me cadeau krijgen!" —
"Zoo Kernertje! Ga jij ook mee?" vroeg Tersteeg, en: "Ja, als jij 't goed vindt tenminste," lachte Eduard, die al op zijn fiets was gewipt en zich aan de lantaarnpaal vasthield om op de anderen te wachten.
"Nou, dat is maar zoo-zoo," zei Tersteeg met een ernstig gezicht, "dan mag je wel heel zoet zijn, hoor!"
"En doen wat jij zegt zeker!" voegde van Merlen er bij. "Laat je niet voor de gek houden, Kerner!"
"Zoo, is hij weer aan 't opsnijden?" vroeg Ronner, een speciale vriend van Hugo, en plagend trok hij Tersteeg aan zijn dasje.
"Toe, hou je klavieren thuis!" schreeuwde Tersteeg.
Met veel drukte kwam Piet het huis uitstormen; zijn fiets rammelde over de keien, en 't aan de anderen overlatend om de deur dicht te trekken sprong hij op, trapte met veel vaart het troepje bij de lantaarnpaal voorbij, en riep achteromkijkend: "Zie je wel, nou ben ik nog het eerste van allemaal! Wat zijn jullie toch vreeselijk aan 't teuten, zeg!"
Lachend kwamen de jongens hem achterna.
"Nou allemaal naast elkaar!" commandeerde Hugo, "en dan allemaal een hand op den schouder van je buurman!"
Ze vulden bijna de heele breedte van de straat, de zeven fietsen, en telkens keken de menschen, tot groot plezier van de jongens; en iedere keer sloot de rij zich weer aan als ze zich even hadden moeten verdeelen om een rijtuig of een auto door te laten.
"Zeg lui! Bij de Dooi gaan we chocola koopen!" riep Ronner.
Van die naam had Eduard nog nooit gehoord; "wat is dat voor een winkel?" vroeg hij.
"Weet je dát niet eens? Komt zeker omdat je nog niet op de Burger bent," zei van Merlen, "'t is die winkel aan 't eind van de straat, de Vries heet hij, maar we noemen hem altijd de Dooi, de meeste jongens weten geloof ik niet eens dat hij de Vries heet!" en tegen Ronner: "Fuif jij op chocola, zeg?"
"Zeker," antwoordde Ronner. —
"Vooruit lui, allemaal naar binnen," grinnikte Piet, van zijn fiets springend. Met veel gerammel werden de fietsen tegen den muur gezet, en Wouters gooide de winkeldeur open.
Met een beetje dringen konden ze er alle zeven in. "Haring in een ton!" smoesde Piet.
"Nee, sardientjes in een blikje!" proestte Tersteeg.
"Meneer de Dooi, hebt u nog chocola?" informeerde Ronner, over de toonbank hangend.
"Wilt u een tablet hebben?"
"Toe, schei uit," zei Ronner tegen Wouters, die hem tegen zijn arm stond te stompen, "he, wat zegt u? O ja, een tablet."
"Een tablet — wat een pret," dichtte Piet.
"'n Leuke zet," beweerde van Merlen, en proestend vervolgden de jongens:
"En zoo net!"
"Stop 'm onder je pet!"
"Dan wordt-ie vet!"
"Deze is van vijftien cent," zei de winkelier, de pakken chocola op de toonbank uitstallend en meteen zijn best doende de jongens alle zeven in het oog te houden, "en deze van twintig cent, vijfentwintig cent, dertig cent ..."
"Hoeveel is die?" wees Ronner aan.
"Vijftien cent."
"Wat zegt u?"
"Vijftien cent."
"Da's drie keer," zei Hugo half hard.
Ze stonden allemaal met vuurroode gezichten te stikken, en Ronner vroeg, en hij moest twee keer opnieuw beginnen omdat hij niet verder kon van 't lachen: "Is dat erg gemeen goed?"
De winkelier werd kwaad. "De kwaliteit van de andere is natuurlijk beter," zei hij, "maar die van vijftien cent is ook heel goed."
"Nou, laten we dan die 'ook heel goede kwaliteit' maar nemen," vond Ronner, en hij haalde wat klein geld uit zijn broekzak en begon de vijftien centen op de toonbank uit te tellen.
"Wat heb ik een mooi kalotje op," grinnikte Piet, maar nu had "Meneer de Dooi" er genoeg van, en hij schold het heele partijtje de winkel uit; lachend stoven de jongens naar buiten, en even later trapten ze er weer lustig op los.
"Nou twee aan twee en de rest in troepjes!" schreeuwde Ronner, want de weg werd nu te smal om allemaal naast elkaar te rijden, en zelf gaf hij het voorbeeld door met Hugo vooraan te gaan. "En nou eens een beetje doortrappen, lui, anders komen we nooit bij 't kristallen paleis."
't "Kristallen paleis" was 't doel van de tocht, een open plek ergens in de bosschen, die door de jongens zoo gedoopt was; 't eenige bizondere dat je er zag was een vervallen hoop steenen, als treurig overblijfsel van het kristallen paleis, dat daar in vroeger eeuwen gestaan moest hebben. —
In koor de nieuwste straatdeun fluitend fietsten de jongens verder, langs villa's en groote tuinen en vijvers met overhangende boomen, en daartusschen weilanden met koeien, waarover de zon vroolijk scheen.
Eduard genoot; wat was 't ook een prachtige dag voor een fietstocht! Zoo heerlijk frisch en lekker was 't hier buiten, je voelde je zoo echt vrij, en 't hinderde toch ook eigenlijk niets dat de jongens allemaal ouder waren dan hij, ze waren toch wel leuk, en zulke geestige dingen konden ze zeggen, zooals straks bij de Dooi; 't was toch vreeselijk moppig om zoo met je allen uit te zijn, en dan straks de proviand opeten en spelen bij 't kristallen paleis ...
"Hoe is 't toch met 't hol van de Manahawaas?" vroeg van Merlen naast hem.
"O, best!" zei Eduard lachend, "maar we hebben er niet veel meer aan gedaan, de boel ligt er nog net zoo; we moeten 't op een andere keer maar eens vervolgen, he?"
"Nou, daar zal wel niet veel meer van komen," dacht van Merlen, "laten we liever een fietsclub oprichten, en dan geregeld tochtjes met elkaar maken, dat doen ze in de vierde ook."
"Ja, dat zou fijn zijn!" vond Eduard, en hij philosopheerde er over of ze 't goed zouden vinden dat Theo dan ook meeging; de volgende week zou Theo de beloofde fiets krijgen.
"Die vierde is zoo'n echte leuke klas!" vertelde van Merlen, en hij begon een verhaal te doen over de vierde-klassenaren, hoe die laatst mokkataartjes besteld hadden en ze op school hadden laten bezorgen met het adres: "aan de dames en heeren van de vierde klas." — "Nou was de mop dat ze 't laatste uur een leeraar hadden, die 'mokkataartje' genoemd wordt. Nou, tusschen de uren in bracht Laatsemaar 't zaakje binnen, en toen draaiden de jongens de klas van binnen af, en hielden uitdeeling; één taartje legden ze heel voorzichtig op een wit papiertje, en zoo zetten ze het op de tafel waaraan 'mokkataartje' zitten moest. Die had in die tusschentijd al aan de buitenkant tegen de deur staan trommelen, ze dachten tenminste dat 't 'mokkataartje' was, en een van de lui die 't dichtst bij de deur zat draaide de sleutel weer om en vloog toen als een haas in z'n bank. En daar komt me inplaats van 'mokkataartje', van Leeuwen binnen! Ze schrikten zich gewoon dood! 'Waarvoor was die deur op slot?' vroeg van Leeuwen woedend, maar natuurlijk kreeg hij geen antwoord; ze zaten allemaal met hun mond vol tanden of liever vol mokkataartje, want dat durfden ze van schrik niet eens door te slikken. En toen ging van Leeuwen naar de tafel toe, en daar zag hij dat taartje liggen; je hebt er gewoon geen flauw idee van hoe razend hij was! Hij zei niks, maar begon met de les, want 'mokkataartje' was ziek en daarom viel van Leeuwen zelf in, en om vier uur — toen barstte de bom los! Wel een half uur duurde 't, en 't grapje heeft ze nog een heele Woensdagmiddag gekost ook! Met z'n allen moesten ze terugkomen! Als jij 't volgend jaar op de Burger bent ..."
"Maar ik ga niet naar de Burger," viel Eduard hem in de rede, "ik ga naar 't gymnasium!"
"Da's wat anders," zei van Merlen; "enfin, daar kun je ook wel pret hebben, maar je hebt er nooit zulke groote klassen." —
"Links om!" klonk het commando, en netjes zwenkten de fietsen den hoek om, den duinweg in. Voor ze uit, op zij, zoo ver ze zien konden, overal zonnige duinen, en daarboven de effen, helderblauwe zomerlucht.
Eduard haalde diep adem; wat was 't een prettige, heerlijke dag! En over een week kwam Vader weer thuis, en dan werd alles nog veel plezieriger! Hij bedacht opeens dat hij nog niet naar Genua geschreven had; vanavond, als 't huiswerk af was, wilde hij 't dadelijk doen!
't Was hier hard werken voor de jongens, want aldoor steeg de weg, en ze moesten stevig trappen voor ze eindelijk boven waren. —
"Zeg lui, ik verga van den honger!" riep Tersteeg, "laten we nou eerst eens een stukkie eten!" En hij sprong van zijn fiets en veegde zijn voorhoofd af.
Met hun allen gingen ze op de bank zitten, Eduard met Piet en van Merlen op de leuning, en even bleven ze uitblazen; in de verte schitterde de zee, een smalle strook was hier te zien, en heel ver weg, op zij, waren de vuurtorens, twee kleine, nevelige staafjes.
Ronner verdeelde de chocola en Eduard gaf de zuurtjes door, en met hun allen hadden ze pret om een paar fietsrijders, die hijgend den weg optrapten die ze daarnet zelf gekomen waren.
"Die rekenen zeker ook op 't bankje hier," merkte Eduard op.
"Wie 't eerst komt, 't eerst maalt," lachte Wouters.
Hugo, die aldoor naar de fietsrijders gekeken had, herkende ze opeens. "Hou je gezicht," zei hij, "'t zijn de van Weels," en tegen Ronner: "laten we ze eens even vragen hoe ver zij met hun planten zijn, Ron!"
Eduard had zich van de bank laten glijden om zijn fiets eens even onderhanden te nemen. 't Ding had onderweg aldoor gerammeld, en nu wilde hij toch eens kijken waar dat aan lag. —
Zóó druk was hij er mee bezig, dat hij niet gemerkt had hoe Hugo en Ronner, druk pratend, met de jongens van Weel mee waren geloopen, het steile pad naar beneden, en hoe van Merlen over 't prikkeldraad was geklommen om in de struiken naar een vogelnest te zoeken.
Dit alles drong pas tot hem door toen de drie anderen naar hem toe waren gekomen, en toen Wouters, nadat ze even naar Eduard hadden staan kijken, opeens zei: "Zeg Kerner, we gaan den heuvel af-fietsen, jij bent het eerst aan de beurt, we hebben er om geloot!"
Eduard keek op. "De heuvel af-fietsen?" vroeg hij, "dank je feestelijk, dat is me te gevaarlijk."
"Kom, probeer het maar eens," zei Piet, "wij doen 't ook!"
"Nou, gaan jullie dan maar eerst."
"Welnee, we hebben er eerlijk om geloot, jij bent het eerst aan de beurt," beweerde Tersteeg, en tegen de andere twee: "Zie je nou wel dat hij niet durft?"
"Ik durf best, maar ik doe 't niet," hield Eduard vol.
"Ja, dat snappen we," hoonde Wouters, en hij draaide zich om; "kom lui, dan zullen we met ons drieën wel overloten. He, die Kerner is nou toch ook zoo'n vervelende knul!"
Eduard keek ze na terwijl ze langzaam weer naar de bank toeslenterden. Was hij nou heusch zoo laf? En was er ook eigenlijk wel zoo veel aan te durven? Nou ja, de weg was steil, en hij had een freewheel, maar er zaten toch ook remmen aan z'n fiets, en hij kon 't minstens even goed als de anderen. Vooruit, hij zou ze dan wel eens laten zien dat hij wél durfde, en dat hij 't kón ook, en dat hij geen vervelende knul was!
En met een heel bleek gezicht, maar vastbesloten riep hij tegen de jongens bij de bank: "Houden jullie maar op met je geloot, ik zal 't doen!"
"O, hij bedenkt zich," zei Tersteeg, "nou, gauw dan maar, we zullen tot drie tellen, wie 't in den kortsten tijd doet krijgt een zuurtje." En Wouters haalde zijn horloge te voorschijn en telde hardop: "Een, twee, drie!"
En Eduard sprong op zijn fiets. Of hij 't won kon hem niet schelen, maar doén zóu hij het! Nu remmen, aldoor remmen, zooveel mogelijk! De rem van 't achterwiel werkte niet goed meer, maar die van 't voorwiel ging prachtig, en langzaam gleed de fiets naar beneden, den heuvel af.
Plotseling knapte er iets; Eduard schrikte er van, begreep niet dadelijk wat 't was, voelde alleen maar, dat hij de rem niet meer vast had .... met een vreeselijke vaart ging 't verder; aldoor vlugger — zoo stevig mogelijk klemde hij zijn handen om het stuur — vasthouden maar! Daar was de bocht — opeens zag Eduard niets meer, 't was of alles om hem heen begon te draaien — waar was de weg? Welke kant moest hij uit? Vaag drong nog een verward gegil tot hem door — een ontzettende schok volgde — toen niets meer.
"Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" zei een van de jongens.
Eduard opende zijn oogen even, maar dadelijk deed hij ze weer dicht — vlak voor zich had hij 't verschrikte gezicht van Piet gezien, en daarachter de andere jongens — wat was er gebeurd?
Hugo had zich over hem heen gebogen en probeerde voorzichtig hem op te tillen — Eduard schreeuwde 't opeens uit van pijn: "Mijn arm!" gilde hij.

"Zoo schieten we niet op," zei Hugo, "hij kan wel ik weet niet wát gebroken hebben. Piet, wil jij niet eens even 't dorp infietsen en kijken of je ook ergens een dokter kunt vinden, en willen jullie 't een van allen thuis gaan vertellen? Maar niet zeggen dat hij bijna dood is of zoo iets, zeg maar dat hij zijn voet verstuikt heeft bijvoorbeeld, daar zullen ze wel geen flauwte van krijgen!" En toen Ronner weg wilde rijden: "Nee Ron, blijf jij alsjeblieft hier, laat een van de anderen maar gaan!"
XVIII.
"Heusch Tante, u kunt best allemaal naar bed gaan!" zei Eduard; "er hoeft heusch niemand voor me op te blijven, ik ben alweer bijna beter en morgen kan ik wel weer opstaan ook!"
"Nu, dat zullen we morgenochtend wel eens zien," antwoordde Tante Lina glimlachend. "Maar als je dan met alle geweld alleen wilt blijven zal ik je een nachtlichtje brengen, dan is het hier in ieder geval niet zoo pikdonker als je soms wakker wordt."
"Och, maar dat is heelemaal niet noodig," vond Eduard, "ik slaap immers altijd in 't donker!"
"Ja, je bent nu wel een heele held," lachte Tante Lina, "maar dan zet ik toch op 't portaaltje een lichtje neer, hoor! En dan zullen we de deur half open laten, kijk, zoo! En als je dan iets noodig hebt moet je ze maar een van allen roepen, Edu; roep Hugo maar, die wordt altijd nogal gauw wakker!"
"Ik wou m'n horloge graag nog hebben," zei Eduard, en Tante Lina keek even rond en nam het van de tafel; "waar moet ik het laten?"
"Onder mijn kussen, en dan een glas water bij mij." Tante Lina zette het glas water op het nachttafeltje naast Eduards bed en schoof het horloge voorzichtig onder zijn kussen. Toen ging ze naar beneden. —
Oom Tom kwam ook nog even naar zijn neef kijken. "Hoe is 't met de patient?" vroeg hij.
"Goed Oom!" antwoordde Eduard dadelijk.
"Doet de arm geen pijn meer?"
"Nee, ik voel er nu bijna niks meer van!"
"Mooi zoo! Nu probeeren om gauw te gaan slapen, hoor! Je niet wakker laten houden door de wind!"
"Waait het zoo?" vroeg Eduard verbaasd; "'t was vanmiddag zulk prachtig weer!"
"Ja, maar na vieren is de wind erg opgestoken, je kunt het wel hooren als je even stil bent;" — Oom Tom zweeg even en Eduard luisterde.
"'t Stormt bijna, geloof ik," zei hij.
"Nou, zoo erg is 't niet," lachte Oom Tom, "'t lijkt meer dan 't is! Maak nu maar dat je gauw slaapt, dan wed ik dat je morgen weer een heele kerel bent!"
Maar Eduard sliep nog lang niet; 't was ook nog veel te roezig in zijn hoofd; zoo'n vreeselijke verwarring was 't opeens geweest, toen hij daar onder aan dien heuvel lag, met die afschuwelijke pijn in zijn arm, en de andere jongens er allemaal omheen met hun verschrikte gezichten — en 't duurde zoo akelig lang voordat Piet met een dokter terugkwam. — Maar eindelijk, eindelijk was de dokter toch gekomen, — o, hij had het uitgegild van pijn toen de dokter in zijn arm gevoeld had, — 't was vreeselijk geweest! "Gebroken," had de dokter gezegd, "moet dadelijk gezet worden!"
En later, toen hij werkelijk aan 't zetten toe was: "'t Zal wel een beetje pijn doen, maar niet schreeuwen, hoor!"
Verschrikkelijke pijn had 't gedaan, Eduard rilde nog als hij er aan dacht, en heel stijf had hij zijn tanden in zijn lippen gedrukt, en zonder dat hij 't wilde waren telkens groote tranen in zijn oogen gekomen; maar geschreeuwd had hij niet; zouden de andere jongens het dapper van hem vinden, dat hij niet geschreeuwd had? Och, maar ze hadden niet gevoeld hoeveel pijn het deed, en natuurlijk hadden ze gezien dat hij huilde! Maar Vader zou hem toch zeker wel flink gevonden hebben als Vader 't wist; hij had toch ook zijn best gedaan een moedige jongen te zijn. — Wat was dat ook weer? Wie had dat gezegd? Wanneer zou dat geweest zijn? Even was 't, of hij niet meer kon denken, — wat beteekende het dan toch? En in zijn gedachte herhaalde hij weer de woorden: "Zul je je best doen een moedige jongen te zijn?" — Nee, 't was niet "een", 't was iets anders, wát was 't? Eduard voelde weer tranen in zijn oogen komen, en nog eens probeerde hij te denken — och, wie kon hem dat nu toch zeggen, wie wist 't dan toch? Nee, hier wisten ze 't niet, hier wisten ze niks — Vader wist 't, Vader begreep zooiets altijd dadelijk — Vader, wat was dat dan toch, van die moedige jongen?
Eduard deed zijn oogen dicht: ja, daar was Vaders gezicht, daar was hij ook weer in Vaders kamer, daar begon Vader te praten; — wat zei Vader? Nu goed luisteren — duidelijk zag hij Vaders lippen bewegen: "Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?"
Daar was 't! Nu wist hij 't weer: "Zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?" — Heel, heel dikwijls was hij niet moedig geweest, maar dit zou hij dan toch aan Vader kunnen vertellen, dat hij niet geschreeuwd had toen zijn arm gezet werd; — dat was immers moedig? Wie had gezegd dat het moedig was? Daarnet zei iemand dat toch — o ja, de dokter had het gezegd, de dokter had het zélf verteld aan Tante Lina — "hij heeft zich ferm gehouden, nu hebben we het ergste gehad!" — 't Ergste was nu voorbij; o, een heerlijk gevoel was 't geweest, toen hij eindelijk hier in bed lag, toen hij heel stil, heel rustig kon blijven liggen; — 't had ook nog zoo vreeselijk lang geduurd voordat hij thuis was, die akelige lange rit in het rijtuig, waar maar geen eind aan kwam, met de dokter en Hugo, toen hij maar aldoor zijn oogen dicht gehouden had; en 't was zoo ongemakkelijk geweest! En toen die drukte hier in huis, ze waren allemaal zoo geschrikt, en ze hadden toch dadelijk gedacht dat 't erg was, al was van Merlen ook gaan zeggen dat 't niets beteekende. Eduard hoorde beneden een deur open en dicht gaan, toen volgde een zacht gestommel op de trap — er kwam iemand met licht naar boven — o, dat was 't nachtlichtje waarover Tante Lina al iets gezegd had — wie kwam 't nu brengen? Was 't Tante Lina zelf? Nee, zeker was 't Juf. — Eduard hoorde hoe 't nachtlichtje heel zacht op 't portaaltje werd neergezet — de juffrouw was straks ook zoo stil naar boven gekomen, toen de kleintjes naar bed gingen, en bij 't uitkleeden had hij ze ook bijna niet gehoord; anders maakten ze altijd zoo'n lawaai, maar zeker waren ze ook geschrikt. Wat zouden Lineke en Bep wel gezegd hebben, en de kleine jongens? Zouden Hugo en Piet nog niet naar bed gaan? O nee, 't was pas half negen ... nu niet meer denken, maar slapen; — waar dacht hij daarnet nu ook weer aan, voordat 't nachtlichtje daar stond — aan 't rijtuig — nee, dat was toch niet 't laatste — o ja, van Merlen die 't was gaan zeggen — van Merlen was een leuke jongen, hij was er ook niet bij geweest toen ze hadden gezegd van dat naar beneden rijden — "ik durf best, maar ik doe het niet" — o, had hij het ook maar niet gedaan, had hij maar volgehouden dat hij niet wilde, dát was moedig geweest, en dat hij gegaan was, was laf! Hij was heelemaal niet Vaders moedige jongen geweest — had hij toen hij op het punt was om naar beneden te rijden maar aan Vader gedacht, misschien had dat hem wel geholpen, misschien had hij 't dan wel niet gedaan! Of had het vanmorgen nu maar dadelijk zoo gewaaid, dan waren ze heelemaal niet gaan fietsen, en dan was er ook niets gebeurd — nu woei het, heele vlagen waren 't, maar 't was nu te laat — waar zou de fiets gebleven zijn? Hadden de jongens hem vergeten? Zeker was hij heelemaal kapot; hij had er nog niet eens aan gedacht om 't te vragen — straks roepen tegen Hugo en Piet als ze boven kwamen. Nee, alleen Hugo roepen — als de fiets kapot was moest hij zoo gauw mogelijk gemaakt worden, — hij kon hem niet missen; — of ja, nu wel, hij kon nu toch niet rijden — hoe lang zou 't wel duren? Een dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes .... wat zes? — O ja, dagen, zes dagen — zou 't zes dagen duren? Wat? 't Maken van de fiets? Of 't in bed liggen? Wat zei de dokter? Hoeveel dagen? Zes dagen, zeven dagen, acht, negen, tien ....
Onrustig flikkerde 't nachtlichtje, telkens bijna uitwaaiend als een hevige windvlaag langs 't huis streek; hoe laat was 't nu? Waren Hugo en Piet al naar bed? — Eduard luisterde — stil, akelig stil was het in 't heele huis — had hij lang geslapen? 't Kon best midden in den nacht zijn; buiten joeg de wind door de boomen en langs de muren — 't was nu nog veel erger dan straks, zeker had hij toch nogal lang geslapen — sloeg er nu maar eens een klok! En zijn lippen waren zoo akelig droog — o, maar 't glas water stond naast hem; — even probeerde Eduard zich op te richten, maar dadelijk zakte hij weer in 't kussen terug — 't deed pijn; was 't hier maar niet zoo donker, dan kon je tenminste op je horloge kijken — 't nachtlichtje op 't portaaltje gaf haast niets; en hij had zoo'n dorst! Toch nog eens probeeren om te drinken — voorzichtig haalde hij 't glas naar zich toe; nu ging 't beter — he, dat was wel heerlijk frisch, maar iedere beweging deed pijn — nu verder stil blijven liggen. —
Weer loeide een windvlaag langs 't raam, en weer flikkerde 't lichtje. Nu stormde 't dan toch wel —zoo angstig hard was 't aldoor — en wat zou 't op zee vreeselijk weer zijn! Eens was hij op een stormachtigen dag aan 't strand geweest met Vader; hooge golven met groote witte schuimkoppen, en daarboven die heel donkere, zwarte lucht — maar dat was nog overdag geweest, nu was 't midden in den nacht, nu was 't heelemaal pikdonker, niets zou je zien, alleen zou je 't hooren, 't slaan van de golven en 't geloei van den wind — en midden op zee was Vader, heel ver weg was 't schip nog, midden in den storm — zou Vader ook de golven tegen 't schip hooren slaan en zou Vader ook 't gieren van den wind hooren? Zou Vader ook wakker zijn, en nu, op 't oogenblik, aan hem denken? Zeker zou Vader denken dat hij kalm sliep, en Vader zou zelfs heelemaal niet vermoeden hoe hij hier wakker lag, met een gebroken arm! Wat zou Vader 't akelig vinden als Vader weer thuis kwam — natuurlijk zou Vader denken dat hij zijn jongen al aan 't station zou vinden; — maar Vader zou hem niet zien, en dan zou Vader hier komen en hooren dat hij ziek was, en dan zou Vader dadelijk naar boven gaan — wat kráákte daar op de tráp? —
Nee, 't was niets. —
Dat was zijn straf, dat Vader hem zóó zou moeten vinden, met zijn gebroken arm, en 't was allemaal zijn eigen schuld — dat had de dokter ook nog gezegd: "Eigen schuld natuurlijk, dat malle woeste rijden ook, en dan zoo'n gevaarlijke helling! 't Is nog wonder dat het zoo is afgeloopen!" — O, hij had best dood kunnen zijn; — wat zouden ze hier dan wel gezegd hebben, als hij eens echt dood was? Zou 't ze veel kunnen schelen? Een heel klein beetje misschien? — Och, ze zouden 't morgen alweer vergeten zijn — alleen Vader niet, arme Vader! Heel ver weg, midden op zee, was Vader —
"Vader," snikte Eduard zacht en groote tranen druppelden langs zijn wangen op 't kussen, "Vader, ik voel me zoo eenzaam! Vader!"
Maar niemand hoorde hem. —
O, hij kon Vader niet missen, evenmin als Vader hem, waarom was Vader toch weggegaan? — En als Vader nu terug kwam vond hij zijn jongen met een gebroken arm — en dat was zijn eigen schuld, zijn eigen onvoorzichtigheid; — hoe had Vader 't ook weer gezegd toen Vader wegging: "Pepi, zul je maken dat ik een vroolijke, gezonde jongen terugvind?" En toch was hij niet voorzichtig geweest, en als hij nu dood was .... "Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" — dat had een van de jongens gezegd, maar 't was net of hij 't Linekes stem hoorde herhalen — hoe kon dat nu? Zijn nichtje was er toch niet bij geweest? Waar kwam Lineke nu opeens vandaan? Lineke had er niets mee te maken, en Bep ook niet — "Nee, hij is niet dood" — wie was niet dood? — Nee, hij was zelf niet dood, als je dood was kon je je niet meer bewegen, dan was je koud en stijf, zooals — zooals 't kleine vogeltje — daar was 't, 't kleine vogeltje, dat ze in het bosch gevonden hadden, dat hij voorzichtig opgenomen had — "nee, 't is niet dood," zei Lineke, "kijk maar, 't beweegt zijn pootje ...." Dat was het! — Arm klein vogeltje, 't was toch gestorven, ver van zijn warme nestje, alleen ... En zonder ophouden gleden Eduards tranen in 't kussen — "Vader, Vader, kom toch gauw!"
Daar was de zee; aldoor loeide de storm, en donkere, zwarte wolken hingen over de met witte schuimkoppen bedekte golven. — Eduard rilde; — had hij toch maar een jas meegenomen, hij had 't nog tegen Hugo gezegd, maar Hugo vond 't immers niet noodig. — Daar was 't schip, duidelijk zag hij het in de verte, 't schip waarmee Vader thuis kwam, en daar stond Vader ook en wuifde — "Vader!" riep Eduard, en de menschen om hem heen keken hem met malle, verbaasde gezichten aan — maar 't schip kwam niet verder, aldoor bleef 't maar even ver weg; weer zoo'n hooge golf — waar was 't schip nu? Weg was 't — overal de donkere zee met de witte schuimkoppen — Vader — o, waarom zochten ze Vader nou niet? Was Vader dood? Vader! Vader! En nog aldoor keek Eduard naar de woeste zee daar voor hem .... ineens, daar was 't schip weer, nu heel dicht bij, heel duidelijk kon hij Vader zien staan, en weer zag hij Vader wuiven en hij zag Vaders lippen bewegen — wat zei Vader? Och, kon hij 't nu maar verstaan, wat was 't dan toch? Weer opende Vader zijn mond: "Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?" ... Weg was alles weer, niets was meer te zien van Vader, van het schip, alleen de donkere, zwarte zee — "Vader, Vader!" riep Eduard wanhopig, en nog eens: "Vader!" —
Eduard schrikte wakker; 't was nu heelemaal donker in 't kleine kamertje, want 't nachtlichtje op 't portaal was uitgewaaid — wat was er ook weer voor akeligs gebeurd? Zijn arm was gebroken, maar wat nog meer? Of had hij gedroomd? Wat stormde 't buiten! Ja, dat was 't, en wat nog meer? Buiten — op zee — het schip — Vader .... Eduard was er weer; zoo akelig duidelijk was 't geweest, — o, als 't eens echt waar was, als 't schip eens echt vergaan was — met groote, angstige oogen keek Eduard in de donkere, zwarte ruimte, en opeens was 't alsof hij hier niet in zijn kleine kamertje lag maar in een heel groote, wijde, hooge zaal waarvan de muren oneindig ver weg waren — en Eduard voelde plotseling een rilling door zich heen gaan, alsof er iets heel griezeligs was — wat bewoog daar in de verte, wat ging daar door de kamer heen — wat was dat? Eduard kneep zijn oogen stijf dicht om 't maar niet meer te zien — wat was dat nu weer? Allemaal groene en roode figuren die heen en weer bleven zweven, eerst heel langzaam, toen vlugger, aldoor vlugger — daar ging 't weer door de kamer ....
"Hugo!" riep Eduard, en hij schrikte van zijn eigen stem, vreemd klonk 't door 't stille huis — maar niemand antwoordde ....
Ingespannen bleef Eduard luisteren: zeker had hij niet hard genoeg geroepen, want alles bleef stil — alleen een zacht, zagend geluid drong tot hem door; hoe kwam dat nu weer? — Ineens vond hij de oplossing van 't raadselachtige gezaag — 't was 't snurken van Piet, dat was altijd zoo hard en de muur tusschen de kamers in was niet heel dik. —
Hoe kwam 't nu opeens weer dat hij met zijn hoofd aan 't voeteneind lag? Hij had zich toch niet omgedraaid? Wat was alles toch raar vannacht! Waar was de muur nu? Nee, daar niet — voorzichtig voelend stak Eduard zijn hand uit — daar? Maar dat was de verkeerde kant — o, wacht, dan lag hij toch goed, dan was 't maar verbeelding geweest daarnet ... Nu aan iets anders denken; wat had hij vanavond ook weer willen doen? O ja, een brief aan Vader schrijven — dat had hij nu nog niet eens gedaan, en morgen moest de brief uiterlijk weg.
Er moest toch een brief naar Vader toe, hij wilde Vader toch vertellen dat hij zijn arm gebroken had, en dan vragen of Vader zoo gauw mogelijk thuis kwam — en Beppie zou 't schrijven, ze kon alleen maar drukletters maken, maar dan zou hij wel voorzeggen wat ze zetten moest — aan de anderen wilde hij 't toch niet vragen. —
Nu bedenken wat hij schrijven zou ....
"Eindelijk wakker? Wel, je hebt een gat in den dag geslapen!" zei Tante Lina, de gordijnen openschuivend, "weet je wel dat het al kwart over negen is?"
Eduard wreef met zijn hand in zijn oogen. "Zoo laat al?" vroeg hij verbaasd.