← Table of contents
Eduard Kerner

Front matter (continued 2)

Reading edition

"Ja, maar Moeder zou me straks komen halen. — Ben jij hier alleen?"

"Nee, met Piet, m'n neefje, maar die rijdt al zoo vreeselijk goed!"

"O. — Moppig dat je me zag, 't is veel gezelliger met je tweeën dan in je eentje, en nu kunnen we verder den heelen middag bij elkaar blijven!"

"Ik zie verder bijna niemand van onze school, jij? Ik begrijp niet waar ze allemaal zitten!"

"Een paar heb ik straks toch gezien, Groeneveld en Van der Wege en Wim Reinders, maar 't is ook zoo bar koud!" zei Theo, tegen zijn handen blazend.

"Nou! Laten we doorrijden, zeg, anders bevriezen we!"

En verder gingen ze, om 't hardst met hun armen zwaaiend en hun oogen half dichtgeknepen tegen den fellen wind, en luid klonken telkens hun heldere, hooge stemmen als ze elkaar iets toeriepen.

"Zeg Eduard! 't vriest nog acht graden!"

"Wat?"

"Dat 't nog acht graden vriest!"

"Hoe weet je dat?"

"Op de thermometer, daar tegen de tent aan, bij de kleine baan!"

"Is 't daar leuk, op die kleine baan?"

"Welnee, sloom! 'k Heb er daarnet ook nog even gereden, maar daar is 't zulk gemeen ijs, daar ga ik niet weer naar toe!"

"'k Had je vanmorgen nog willen vragen of je ook naar 't ijs ging, maar onze afdeeling was zoo akelig laat uit, en toen zag 'k je nergens meer!"

"Nee, 'k was dadelijk naar huis gegaan om gauw te vragen of 'k mocht gaan rijden, en eerst vond Pa 't maar half goed, en toen heeft Moeder bedacht, dat Moeder hier in de buurt een visite kon gaan maken, en toen mocht 't!"

"Hoe laat komt je Moeder je halen?"

"Om half vier zoowat, geloof ik, hoe laat moet jij weg?"

"Om half vijf moeten we thuis zijn, en om even over vier ...."

Hij hield op want Theo viel plotseling, en toen Eduard hem helpen wilde met opstaan, haakten hun schaatsen in elkaar en hij kwam naast Theo op 't ijs te land.

image: 11_schaatsen.jpg
image: 11_schaatsen.jpg

Lachend krabbelden ze weer op, en duidelijk waren de sporen van hun val te zien. — Bij de tent bonden ze hun schaatsen weer wat vaster, en opnieuw reden ze de baan op; wel gleden ze nog telkens uit, maar ze waren over de eerste moeheid heen en 't ging heusch al wat beter dan straks.

"Theo!"

"Nou?"

"'k Heb vanmorgen een briefkaart van Vader gekregen."

"Leuk, zeg! Waar vandaan?"

"Uit Bazel;" en toen Theo verder zweeg: "Wil je eens zien?"

"Heb je hem bij je?" vroeg Theo verwonderd.

Eduard haalde uit zijn zak de briefkaart te voorschijn; Theo kwam naast hem staan, en aandachtig kijkend bogen de jongenshoofden zich over het Bazelsche stadsgezichtje.

"Aardig, zeg!"

"Ja." — En zonder verder iets te zeggen stak Eduard de briefkaart weer in zijn zak.

Theo stootte hem aan. — "Kijk eens!" 't Was een heele sliert groote jongens achter elkaar, die met veel gejoel voorbij gleed, en Eduard zag dat Piet en Wouters er ook bij waren.

"Wat gaat dat dol," zei hij, en terwijl hij ze nakeek dacht hij er over hoe leuk 't zou zijn als hij 't eenmaal zóó kende!

Theo was met zijn gedachten al weer bij een ander onderwerp.

"Waarom komt Meertens niet?"

"Meertens? O, die mocht niet omdat hij zoo vreeselijk verkouden was. — Er zijn wel tien jongens uit onze klas verkouden, bij jullie ook?"

"Bij ons wel vijftien!"

't Speet Eduard toen Theo's Moeder om kwart voor vier op de ijsbaan verscheen om Theo te halen. Mevrouw de Beer vroeg nog of Eduard meeging, maar de de Beers woonden eigenlijk toch den anderen kant uit, en hij vond het dus maar beter te wachten tot Piet straks meeging.

Hij reed nog wat alleen rond, maar 't was nu niet half zoo leuk meer, en 't werd nog veel kouder ook.

Om vijf minuten over vier bond hij af. Wat deden zijn voeten pijn toen hij weer stond! Voorzichtig bleef hij op 't ijs heen en weer loopen om Piet aan te klampen, en toen hij hem eindelijk zag liep hij op een sukkeldrafje naar hem toe. "Ga je mee, zeg?" vroeg hij.

Piet, die in een echte pret-stemming was, keek Eduard ontevreden aan. "Al mee?" herhaalde hij, "dank je feestelijk, hoor, 't wordt hier nou juist leuk!"

"Maar we moesten om half vijf thuis zijn!"

"Nou, wat kan mij dat bommen?"

"En ik heb al afgebonden!"

"Wat geeft dat? Dan bind je maar weer aan!" en lachend reed Piet door.

Eduard had geen zin om weer aan te binden. Bij iederen stap die hij deed voelde hij de tintelende pijn in zijn voeten, en rillend bleef hij op 't houten platform voor de tent staan, rammelend met zijn schaatsen en telkens op de klok kijkend.

Aldoor gingen er menschen weg, en telkens zag hij Piet weer voorbijrijden, pratend en lachend met de andere jongens. — Wanneer zou hij nu toch eindelijk mee willen! Ze kwamen natuurlijk veel te laat thuis! Zou hij maar vast weggaan?

Toen Piet weer langs de tent reed riep Eduard hem.

"Ik ga naar huis."

"Doe wat je niet laten kunt, maar ik ga nu anders dadelijk mee, nog één baantje!"

Eduard wachtte op 't eene baantje, waar Piet blijkbaar drie maal rond mee bedoelde. Maar toen had hij dan ook met ongelooflijke vlugheid zijn schaatsen afgebonden.

"Nou hollen!" zei hij met een haastigen blik op de klok. — 't Was over half vijf.

En Eduard holde mee.

"Laten we toch wat lángzamer loopen," riep hij eindelijk, toen ze 't nauwe poortje weer door waren, "mijn voeten doen zoo'n pijn."

Piet vond dat je juist lekker warm werd van hollen, en dat die pijn straks wel zou overgaan, maar toch matigde hij het tempo wat.

't Was bijna donker toen ze thuis kwamen, maar niemand maakte er aanmerking op. Tante Lina was uit, en kwam pas een kwartier later thuis, Oom Tom zat in zijn kamer, de juffrouw was boven met de kleintjes en ook Hugo was onzichtbaar. —

Aan 't eten deed Piet opgewonden verhalen over 't prachtige ijs.

"Zoo, je hebt dus plezier gehad," zei Oom Tom eindelijk, "en mijn buurman, vond die 't ook prettig? Wel jongen, je hebt er een kleur van!"

Eduard lachte. Zijn wangen gloeiden nu. "Ja Oom, het was heerlijk!" verklaarde hij.

"Mooi zoo! En ben je dikwijls gevallen?"

"Twee keer!"

"Och," viel Piet in, "dat komt omdat hij niet durft! Verbeeld je dat je er nog niets van kent en dat je dan maar twee keer valt! Twintig of dertig keer moet je vallen, dan leer je het tenminste!"

"'t Vallen zeker!" zei Eduard verontwaardigd. — Dat hij niet zou durven was natuurlijk groote onzin. Net of 't hem iets kon schelen om te vallen! Daar gaf hij nou geen cent om! Maar in ieder geval: leeren moest en zou hij het, en liefst zoo gauw mogelijk! — Wat zou Vader 't ook leuk vinden als zijn jongen 't volgend jaar goed kon schaatsenrijden!

VIII.

"Eetje, doe je na 't eten weer een spelletje met me?"

Geen antwoord.

Eduard zat of liever hing op den stoel naast de kachel, en hield zijn doornatte laarzen tegen 't gloeiende ijzer aan. 't Maakte een hard sissend geluid. Een minuut of vijf geleden was hij met Hugo en Piet thuisgekomen, moe en nat, want ze waren den heelen Woensdagmiddag op de ijsbaan geweest, en 't dooide nu hard. 't IJs leek wel borstplaat, en voor de groote tent was 't op 't laatst één groote waterplas, een meer bijna, waar je telkens doorheen moest waden en dat hoe langer hoe dieper werd, want op verschillende plaatsen borrelde 't water naar boven. — Van half vier af had 't gemotregend, maar toch hadden de jongens voor 't laatst nog maar geprofiteerd, en ze waren gebleven totdat eindelijk om vijf uur de ijsbaan gesloten werd. — Eigenlijk hadden ze om kwart voor vijf thuis moeten zijn, maar ze waren nu al drie keer te laat gekomen, en geen enkele maal had iemand er iets van gezegd, en toen Hugo en Piet kalm door bleven rijden had Eduard 't ook niets noodig gevonden om ze te waarschuwen. — Al was 't ijs niet mooi meer, toch was 't nog niet zoo goed gegaan als juist vandaag.

"Eetje!"

"Wat is er?"

"Doe je na 't eten een spelletje met me?"

"'k Weet nog niet hoor," zei Eduard gapend, "'k heb nog een heeleboel te doen."

"Ik dacht dat je iederen avond spelletjes met ons zou doen!" pruilde Bep, die den heelen dag al zeurig geweest was van verkoudheid.

"Ik zeg je immers dat ik 't nog niet weet!" herhaalde Eduard knorrig. — Vijf lastige sommen lagen nog op hem te wachten en een lange Fransche les, en hij had van de week nog heelemaal niet viool gestudeerd ook. — Er was ook heusch geen tijd voor geweest, want ze hadden tot nu toe eigenlijk iederen dag schaatsen gereden. — Zaterdag den heelen middag, Zondag, toen 't zulk prachtig helder weer geweest was en Tom en Lineke ook mee gegaan waren, en Maandag en Dinsdagmiddag ook al, want ze hadden die twee dagen om drie uur vrij gekregen, voor 't ijs. — Heel veel huiswerk hoefde er die dagen ook niet gemaakt te worden, maar doordat ze telkens na 't eten nog spelletjes deden had het Eduard toch nog moeite genoeg gekost om 't op tijd klaar te krijgen, en dan zag 't er nog alles behalve netjes uit. — Van vioolspelen was natuurlijk heelemaal niets gekomen, en Vrijdag had hij les!

"Ma, gaan we nu nog niet eten?" vroeg Lineke. Ze moest vanavond op visite bij een van de vriendinnetjes en ze had met Mientje afgesproken vroeg te komen.

"Ja, dadelijk, bel de anderen maar vast."

Een halve minuut lang stond Lineke om den hoek van de kamerdeur de tafelschel heen en weer te zwaaien, en langzamerhand kwamen ze allemaal opdagen. De juffrouw met Tom en Broertje, die in de speelkamer een Indianengevecht hadden gehouden, en nu met luidruchtig krijgsgeschreeuw de trap afdaalden, Piet, die in de keuken zijn schaatsen had staan afdrogen, want hij had zijn Vader een paar nieuwe afgebedeld en had daar nu nog bizonder veel zorg voor, Hugo, die naar boven was gegaan om zijn natte laarzen uit te gooien en pantoffels aan te trekken, en eindelijk ook Oom Tom, die even eerder dan de jongens was thuisgekomen en zijn uniform voor politiek verwisseld had.

"Edu, moet je je handen niet wasschen?" vroeg Tante Lina.

Eduard bekeek zijn vingers eens. Hij vond ze eigenlijk niet eens erg vuil, maar toch liep hij naar de keuken om ze onder de kraan te houden, en bood meteen Trijntje aan haar eens nat te spuiten.

"Met Sintjuttemis, als de kalveren op 't ijs dansen," zei Trijntje, die heel wat steviger was dan Rika, en die vandaag ook al niet bijster in haar humeur was, "en je handen ga je voortaan maar boven wasschen, dat geklieder in m'n keuken wil 'k niet hebben."

"En Bakker heeft zoo op z'n kop gehad!" vertelde Hugo, toen Eduard weer binnengekomen was en zijn stoel tusschen Oom Tom en Beppie ingeschoven had, want dat was zijn plaats gebleven, "van Leeuwen was woedend!"

"Ja, maar Wouters zei dat hij toch niets over dat overgeschreven werk gezegd had!" vulde Piet aan.

"Nou, dat zullen ze toch wel gesnapt hebben!"

"Och, dat weet je niet!" merkte Piet wijsgeerig op, "in ieder geval is er niets te bewijzen!"

"Praat toch niet zoo'n onzin, hoe kun jij nu bewijzen dat er niets te bewijzen is!"

"Je bent niet wijs! Als je nu toch ...."

"Jongens, houd op met dat gezanik," viel de Kapitein hen in de rede. — Hij had al de halve week verhalen over die kwestie te hooren gekregen en had er nu zoo langzamerhand volkomen genoeg van. "Doe me nu 't plezier en verschoon me van verdere mededeelingen over die Bakker, ik wil er nu geen woord meer over hooren!" en om een ander onderwerp aan de orde te brengen vroeg hij aan Eduard of 't schaatsenrijden al wat beter ging.

"O, ik geloof heusch wel dat het beter gaat," zei Eduard, "veel beter dan Zaterdag tenminste, vond je ook niet Huug?"

Hugo haalde zijn schouders op en beweerde dat hij er Zaterdag niet geweest was. "'t Ging wel beter dan Zondag, je kwam nu heel wat vlugger vooruit!"

"Pa, weet u wie hier op de ijsbaan kampioen is?" vroeg Piet.

"Jij zeker!" antwoordde zijn Vader droogjes.

"Nee, Eduardje."

't Was een mop zooals Piet ze altijd verkocht, en waarmee hij gewoonlijk nogal succes had. — Eduard vond 't dezen keer machtig flauw.

"'k Heb nog een vers gemaakt ook," zei Piet, die nog meer geestigheden in voorraad had.

"Zeg 't dan maar niet op," raadde Lineke aan, "'t zal wel niet veel soeps zijn!"

Maar Piet vond 't veel te jammer om Eduard, die hij nu eens tot mikpunt van zijn aardigheden gekozen had, niet nog wat te plagen, en van een oogenblik dat zijn Vader en Moeder met de juffrouw aan 't praten waren maakte hij gebruik om zijn vers half hard op te zeggen:

"Ik heb een aardig neefje, Dat op zijn schaatsen rent! Zijn naam is Eduardje, 'k Wed dat je hem wel kent!"

"En jij bent een vervelend mispunt," viel Eduard nijdig uit.

Opeens voelde hij een krachtige hand op zijn schouder. "Bedaar jongen, bedaar!" kalmeerde Oom Tom, die van het vers alleen iets over "Eduardje" opgevangen had, en tegen Piet: "en dat steeds herhalen van 'Eduardje' moet nu uit zijn, daar is de aardigheid nu wel zoowat af. We noemen jou toch ook niet 'Pietje!'"

De Kapitein had het niet als een grap bedoeld, maar toch lachten ze allemaal, en Lineke knikte haar broer dadelijk toe met een "Dag Pietje!"

"Dag juffrouw bemoeial!" zei Piet, die zich niet gauw van zijn stuk liet brengen, en voor wie het hooren wilde deelde hij nog mede dat je 't zingen kon ook op de wijs van "Ik wou dat jij van was was."

"Spaar ons dat alsjeblieft maar," verzocht Tante Lina, "'t is hier al drukte genoeg!" Want Broer maakte nog steeds Indianen geluiden, en Tommy schopte aanhoudend tegen de tafelpoot.

"Ja, 't is of 't ijs ze in 't hoofd zit," verklaarde de Kapitein zuchtend. "Waarom kwamen jullie eigenlijk zoo laat thuis, jongens?" En toen het drietal zweeg: "He?"

"Nou," zei Hugo, "ik had haast nog niet gereden, en 't was vandaag de laatste dag," en Piet mompelde iets van "wist niet hoe laat het was."

"En waarom ging jij dan niet eerder naar huis?" vroeg Oom Tom aan zijn neefje.

"Omdat Hugo en Piet nog niet gingen," antwoordde Eduard, half verlegen, want hij vond zelf dat het klonk als: "Waarom lach je?" "Omdat hij lacht."

"'t Zijn me de verontschuldigingen wél!" merkte de Kapitein op.

"Hadt u ons dan ook op de fiets laten gaan, dan waren we veel eerder thuis geweest," waagde Piet. Maar nu werd zijn Vader werkelijk boos en verklaarde dat ze verder van 't jaar heelemaal van 't ijs thuis konden blijven.

"'t Dooit nu ...." begon Piet, maar toen hij zijn Vader aankeek oordeelde hij het toch wijzer de rest maar voor zich te houden.

En Oom Tom vervolgde brommend: "Dat rent maar naar de ijsbaan en al het werk lijdt er onder ..."

Dat ellendige werk ook! En Eduard bedacht hoe door 't haastige schrijven zijn sommen Maandag zoo slordig waren geweest, dat hij er twee moest overmaken. — En dat moest nu ook al vanavond! —

"Nu gaan we Lineke aankleeden voor de visite, en dan zullen we meteen Bep en die twee Indianen in bed stoppen!" zei de juffrouw na het eten, want zij ging zelf ook uit, en dan zorgde ze altijd dat de kleintjes eerst onder de wol lagen.

"Beppie gaat nog niet mee," vertelde 't kleine meisje, "Beppie gaat eerst spelletjes doen met Ee."

Piet begon te lachen; Eduard zag het toen hij zijn stoel opnam om die tegen den muur te zetten. Zijn humeur werd er niet beter op, want Piet had hem al eenige malen met die kinderachtige spelletjes geplaagd, en 't klonk dan ook onvriendelijker dan hij zelf wel bedoelde toen hij kortaf zei: "Op mij hoef je niet te rekenen, ik doe vanavond niet mee."

"En daarnet zei je dat je 't nog niet wist?"

"Toen wist ik 't ook nog niet, maar nu weet ik 't wel."

De tranen kwamen bij Bep voor den dag. "Maar ik wou spelletjes doen!" huilde ze.

"Kind, zeur niet zoo, ik heb geen tijd." En Tante Lina voegde er bij: "Maar Bep, wat is dat nu, je begrijpt toch wel dat Edu niet altijd zin heeft om spelletjes met jou te doen! Kom, droog gauw je tranen af."

"Ik heb geen zakdoek," snikte Bep, "en ik vind Ee een nare jongen!"

"Dank je voor 't compliment!" zei Eduard, maar Tante Lina wenkte hem dat hij nu maar liever verdwijnen moest.

Eduard ging naar de leerkamer, gooide met een ontevreden gezicht zijn boeken en schriften op tafel, schoof met een ruk een stoel aan en begon te rekenen. En hij keek zelfs niet op toen Hugo en Piet even later ook binnen kwamen en aan 't werk gingen.

Van uit de huiskamer drong nog het huilen en dwingen van Beppie tot Eduard door; dan weer hoorde hij Tante Lina's stem; en terwijl hij haastig voortschreef aan zijn sommen, verstond hij opeens toen de huiskamerdeur openging: "Beppie is stout!" Daarna hoorde hij de juffrouw, die met Lineke en de kleine jongens naar boven was gegaan, weer beneden komen; hij hoorde haar praten in de kamer en met Bep de trap weer oploopen; 't kleine meisje snikte nog steeds, en "Ee was ook niets lief!" meende hij nog te verstaan. — Toen werd het stil in de gang.

En Eduard schreef weer verder, telkens gapend, met een akelig stijf gevoel in zijn armen en ijskoude voeten.

Lineke vertrok naar het partijtje, en Eduard hoorde de stem van den oppasser, die haar zou brengen. — Met een slag viel de huisdeur achter hen dicht.

Heel stil was 't in de leerkamer, en half soezend luisterde Eduard naar 't suizen van 't gas en 't krassen van Hugo's pen, en even keek hij naar Piet, die vanavond bij uitzondering ook zoo heel rustig doorwerkte. — En weer ging hij aan 't rekenen, totdat eindelijk om kwart over acht de twee oude sommen overgeschreven en vier van de nieuwe afwaren. — Eén zou wel fout zijn, en de vijfde kende hij niet, maar er was geen tijd meer om langer te probeeren. — Waar was dat vervelende Fransche boek nu? Eduard zocht op tafel en in zijn tasch, maar 't was niet te vinden, en toen bedacht hij dat 't boven was blijven liggen. — In een vlijtige bui had hij 's ochtends onder 't aankleeden woordjes willen leeren, maar 't was bij 't goede voornemen gebleven, en hij had vanmorgen 't heele boek vergeten.

En Eduard liep naar boven om 't te halen. — 't Zou zeker wel ergens op zijn kamertje liggen, op tafel of zoo. Maar hij vond het niet dadelijk, en toen hij licht wilde maken schenen de lucifers ook al verdwenen te zijn. Waar waren die lamme dingen nu toch? 't Maakte hem woedend, dat gezoek voor niets in 't donker, en eindelijk liep hij 't portaal weer over naar de meisjeskamer, om daar 't brandende nachtlichtje te halen.

Bij de deur bleef hij opeens staan. Wat was dat voor een geluid? Hij luisterde even. — Was dat Bep die daar huilde?

Op zijn teenen liep hij naar binnen, zijn oogen op Beppie's ledikantje gevestigd. Bij 't flauwe schijnsel van 't nachtlichtje was van zijn kleine nichtje niets anders te ontdekken dan een verwarde blonde krullebol. Maar toen hij voor 't bed stond, waar de dekens half uithingen, hoorde hij heel duidelijk dat ze huilde.

"Beppie, slaap je niet?" vroeg Eduard, fluisterend om de kleine jongens in de kamer er naast niet wakker te maken.

Een hevig gesnik volgde.

"Bep, lieve kleine Bep, wat is er toch?" en Eduard boog zich over zijn nichtje heen.

Bep draaide zich half om, en even keken de groote blauwe oogen hem aan.

"Ik heb 't zoo vreeselijk warm," snikte een schor stemmetje, "en mijn dekens zijn aldoor weg!"

"Wil ik ze dan weer goed leggen?"

"Dat geeft toch niets, ze zijn telkens wéér weg!"

Eduard begreep niet wat hij met haar beginnen moest. — Arme kleine Bep! Had hij maar met haar gespeeld, of was hij tenminste maar niet zoo onvriendelijk geweest! En wat moest hij nu toch doen? Hij kon nu toch maar zoo niet weer naar beneden gaan! En heel zacht vroeg hij: "Wil ik je dan even uit bed nemen, Bep, en alles weer over instoppen?"

"Ja," huilde Bep, en voorzichtig sloeg Eduard een deken om haar heen. — Ze was eigenlijk te zwaar voor hem, maar met veel moeite tilde hij haar toch op den stoel naast 't bed.

"Ik wou wat drinken!"

Eduard ging naar de waschtafel en schonk een glas half vol water, telkens schrikkend als hij tegen iets aanstootte. En toen Bep gedronken had begon hij aan 't bed; eerst gooide hij de dekens er af; hij legde het laken recht en stopte het aan de kanten zoo stevig mogelijk in, en daarna zwoegde hij met de dekens tot zijn vingers er pijn van deden. Maar eindelijk was 't toch klaar. En voor dat hij Bep weer in bed tilde ging hijzelf nog even op den stoel zitten, en zijn kleine nichtje voorzichtig op zijn knieën nemende vroeg hij zacht dicht bij Beppie's oor, — "Vind je me nu nog zoo'n nare jongen, Bep?" en even streek hij met zijn wang over het zachte haar.

"Nee, maar vanmiddag was je niets lief!"

"Dat weet ik wel, het spijt me erg." En stil bleef hij met haar zitten tot ze heelemaal bedaard was, toen hielp hij haar weer in bed kruipen en dekte haar toe.

"Nacht Bep!"

"Nacht Eetje!" klonk 't heel slaperig; "ik houd nu weer heel veel van je!"

image: 12_slaperig.jpg
image: 12_slaperig.jpg

Eduard draaide zich om, zijn oogen vol tranen, en met de lucifers in zijn hand liep hij op zijn teenen 't portaal weer over; 't nachtlichtje wilde hij nu liever maar niet meenemen.

In zijn kamertje stak hij de kaars aan; 't Fransche boek lag op zijn bed en zijn lucifers waren op de waschtafel verzeild geraakt. — En voor hij de kaars weer uitblies maakte hij zijn koffer nog even open, en nam uit de chocola-doos van Vader een flik, die hij bij Bep bracht en met een zacht "mond open!" in Beppie's mond duwde.

"Lekker!" fluisterde Bep half slapend, "hoe kom je daaraan?"

"Van Vader gekregen voordat Vader wegging," legde Eduard uit, "ga nu maar gauw slapen!"

Toen holde hij de trap weer af. 't Was over half negen toen hij weer op zijn stoel in de leerkamer zat en op de klok keek.

"Wat heb je toch uitgevoerd?" vroeg Hugo, "ik dacht dat je al naar bed was!"

"Ik had jullie toch nog niet goeienacht gezegd!"

"Nee, maar je bleef zoo lang weg."

"Kon m'n Fransche boek niet vinden, en m'n lucifers waren weg, en ...."

"Och," viel Piet hem in de rede, "hij heeft natuurlijk vast een dutje gedaan! Heb je niet gezien dat hij de heele avond al heeft zitten gapen? En kijk z'n oogen eens raar staan!"

IX.

"Is er een brief van Vader voor me gekomen?"

Tante Lina keek verwonderd op van haar naaiwerk. — "Een brief van Vader? Welnee! Hoe kom je daar zoo bij?"

"Ik dacht het zoo maar," zei Eduard teleurgesteld. Vanmiddag onder de aardrijkskundeles had hij er ineens aan gedacht: "Misschien is er straks als ik thuis kom wel een brief van Vader!" En nu was er niets!

"'t Zal nog wel een dag of wat duren voor je een brief krijgt," vervolgde Tante Lina. "'t Is vandaag Dinsdag — laat eens zien — nee, voor Donderdag kan er toch geen brief zijn. — Zou Vader uit Port Saïd schrijven?"

"Ja, dat heeft Vader beloofd," verzekerde Eduard. Maar Tante ging er niet verder over door. "In de maat spelen," zei ze tegen Lineke, die piano studeerde, "Een twee drie vier, een twee drie vier!"

image: 13_verkouden.jpg
image: 13_verkouden.jpg

Eduard ging voor 't raam staan en trommelde tegen 't glas. Alles was ook zoo vervelend! Op school en thuis, overal was 't even akelig, en iedereen deed zoo vervelend, en hij was verkouden, en hij had zoo'n naar gevoel in zijn hoofd, en 't regende aldoor. — En was er nu maar een brief van Vader geweest!

Dat was tenminste iets prettigs!

Donderdag pas. — Dat duurde nu nog zoo'n eeuwige tijd! — En was 't hier nu maar niet zoo ongezellig! Dat vervelende getjingel op die piano, en Tante Lina die verder maar niets meer zei! En waar zaten de anderen toch allemaal? Zeker boven ergens, maar 't kon hem eigenlijk ook niet schelen, hij had toch geen zin om iets te gaan uitvoeren! En stil bleef hij door het raam naar buiten kijken, in den tuin, waar alles er ook al zoo nat en saai uitzag.

Op school was 't al even ellendig tegenwoordig. 't Was vandaag nu al de tweede keer geweest sinds Vader weg was, dat hij had moeten schoolblijven omdat hij zijn Fransche les niet kende. Wat zou Vader er wel van zeggen als hij 't wist! Hier vertelde je 't natuurlijk niet, niemand vroeg er naar, 't ging ook niemand iets aan! Als Vader er geweest was had hij 't ook zeker die tweede keer wel gekend! Vader zou wel gemaakt hebben dat hij 't wist, maar als je hier aan Hugo vroeg om je te overhooren zei hij dadelijk: "'k Heb wel wat anders te doen!" en Piet wou wel, maar die vroeg zulke gekke dingen dat je er heelemaal niets mee opschoot. En Oom Tom wou hij 't niet vragen, want Piet en Hugo's lessen werden ook niet overhoord.

Lineke hield op met studeeren, vertelde dat ze niet meer kon zien.

"'t Is nog licht genoeg," zei Tante Lina, "ik kan ook nog wel zien te naaien. En anders speel je maar gamma's en vingeroefeningen, die heb je toch ook nog niet gehad."

"Die hoeven niet elken dag," zeurde Lineke.

"Nu, gisteren heb je ze ook niet gestudeerd."

"Toen had ik les!" En na een halve minuut, want haar Moeder naaide rustig verder: "Moeten ze nu toch?"

"Ja natuurlijk."

't Pianokrukje piepte toen Lineke zich weer omdraaide, en ze begon met haar loopjes.

Zuchtend stopte Eduard zijn handen in zijn zakken en duwde zijn voorhoofd tegen 't koude glas. Dat afschuwelijke eentonige pianospelen maakte hem nog ellendiger dan hij al was, en was er nu tenminste maar eens iemand die iets vriendelijks tegen hem zei, maar 't was net of alle menschen hem even naar vonden.

"Edu!"

"Ja Tante."

"Waarom ga je zelf niet eens een brief aan Vader schrijven? Vader vroeg nog of je vooral gauw schreef, weet je wel?"

Eduard kwam bij de tafel staan. "'k Weet niet wat ik schrijven moet." Tante Lina keek hem verbaasd aan.

"Weet je niet wat je schrijven moet? Je kunt toch vertellen over 't schaatsenrijden, en hoe 't je hier bevalt, en over school, en ...."

"Ik heb geen zin in schrijven ook," viel Eduard in de rede. In ieder geval hoefde Tante Lina hem niet te vertellen wat hij zetten moest! Als hij schrijven wou schreef hij toch wat hij zelf wilde!

"Nu, ga dan viool studeeren, dat heb je van de week bijna niet gedaan en morgen heb je immers les?"

"'k Heb Vrijdag pas les."

"Ik dacht dat je verteld hadt dat je 's Woensdags les hadt."

"Och ja, dat had ik vroeger ook," zei Eduard ongeduldig, "maar verleden week kon mijnheer Hofman niet, en daarvóór had Ik gevraagd of ik 't verzetten mocht omdat 't toen Woensdag Vaders laatste dag was, en nu heeft Mijnheer Hofman gevraagd of we nu vooreerst maar altijd op Vrijdag wilden komen. En studeeren kan 'k niet als hier piano gespeeld wordt."

Eduard schrikte zelf toen hij 't gezegd had, maar Tante Lina gaf hem heelemaal geen antwoord meer en liet hem stil staan. — Had Tante nu toch maar iets prettigs bedacht! Dat vervelende taallesje maakte hij nu ook niet; 't was nogal kort, en dat kon best na het eten, maar wat moest hij nu dan doen?

Eentonig klonken de vingeroefeningen.

Tante Lina stond op om 't licht aan te steken en deed de gordijnen dicht. — Toen nam zij zonder op Eduard te letten haar naaiwerk weer op.

"Tante."

"Wat is er?"

"Hebt u ook een velletje postpapier voor me? Ik wou toch maar aan Vader gaan schrijven."

"In 't schrijfbureau op Ooms studeerkamer, 't bovenste laadje rechts, haal daar maar een velletje uit en daar liggen de couverten ook."

"En waar moet ik dan gaan zitten?"

Tante Lina's geduld was eindelijk uitgeput. "Hé, jongen, zeur zoo niet, in de leerkamer niet natuurlijk, want daar is Keetje nog niet klaar met schoonmaken, maar je kunt toch wel ergens anders zitten! Hier, of boven, op je eigen kamertje, of blijf in Ooms studeerkamer, Oom komt toch pas laat thuis, en dan mag je 't gas optrekken, 't kan mij verder heusch niet schelen!"

Eduard liep naar boven; in Ooms studeerkamer leek hem nog 't aanlokkelijkste.

Even duwde hij de deur van de speelkamer open toen hij er langs liep; de kleintjes waren met den trein aan 't spelen en de grond was in een spoorwegnet herschapen. In 't midden van de kamer stond Piet, die zichzelf voor deze gelegenheid tot Directeur van de Spoorwegmaatschappij bevorderd had, zijn bevelen uit te deelen. — "Chef!" riep hij tegen Tommy, "wie heeft de nachtdienst voor de Bazelexpres?"

"'t Is Beppie's beurt," vertelde Tom, en Piet vervolgde: "Nou, machinist, wil je dan alsjeblieft eens dadelijk een beetje gang in je locomotief brengen? Hij is al twee minuten over zijn tijd!"

"Ja maar de menschen zijn nog niet allemaal ingestapt!" beweerde Bep.

"Die moeten dan maar met de volgende mee, denk je soms, dat we daar op kunnen wachten? Allo, wind op, vlug een beetje!"

"Nou, Piet!" waarschuwde de juffrouw, die vanuit haar hoekje bij 't raam een oogje in 't zeil hield.

"Och drakement, hou je mond," mompelde Piet binnensmonds, en tegen Bep: "Vooruit nou!"

Beppie had de locomotief opgewonden en de machine rolde over de rails, achtervolgd door Broertje, die de trein nasprong met een luid: "Wou nog mee, wou nog mee!"

"Edu, kom je ook hier?" vroeg Tommy.

"Wel ja," zei Piet genadig, "we kunnen nog wel een wisselwachter gebruiken; heb jij daar soms liefhebberij voor, Eduardus?"

Maar Eduard antwoordde dat hij geen tijd had, een brief moest schrijven, en ging toen naar Ooms studeerkamer, waar hij 't licht optrok.

Gek, anders vond hij de spoor altijd leuk, maar hij had er vandaag evenmin plezier in als in iets anders; ze speelden ook precies even prettig, of hij er bij was of niet.

Uit het laadje nam hij een velletje papier en een couvert; toen zocht hij een penhouder op, ging aan Ooms hooge bureau zitten en begon te schrijven.

"Lieve Vader!"

Wat een ellendige pen! Eduard stond weer op om een inktlap te zoeken. Maar die was er niet, en daarom trok hij de pen er maar zóó uit, waarbij hij zijn vingers natuurlijk vol inkt maakte. — Wel vond hij een nieuwe pen, maar toen hij dat ding in de penhouder wilde steken liet hij het in zijn haast op den grond vallen. Ongeduldig bukte hij zich om 't op te rapen, ging er bij op zijn knieën liggen tot hij 't eindelijk vlak bij de kachel vond — en met de pen in zijn hand bleef hij even languit voorover op den grond liggen, zijn armen onder zijn hoofd, en zijn oogen dicht. — Kon hij zich maar verbeelden, dat hij hier in Vaders kamer was! Dat hij hier bij 't gezellige open haardje lag, op 't harige kleed! Kon hij zich nu maar eens even verbeelden, dat Vader zoo meteen binnen zou komen, en hem overeind zou trekken, en met hem in de leunstoel zou gaan zitten, zooals die keer, toen Vader hem vertelde dat hij naar Indië zou gaan!

Maar dat kon natuurlijk niet. Vader was weg, heel ver weg, en het zou nog heel lang duren voordat Vader weer terug was. —

Als Vader nu eens heelemaal niet meer terugkwam? Als Vader nu eens dood ging in dat akelige Indië? Dan zou hij Vader heelemaal nooit meer zien; dan zouden ze nooit meer samen in die gezellige kamers thuis zijn; nooit meer in de huiskamer, of in de slaapkamer, of in Vaders eigen kamer, en nooit zouden ze meer samen in de groote stoel zitten, bij Vaders schrijftafel. — En dan zou hij zeker wel altijd hier moeten blijven, bij Oom en Tante, waar niemand zich met hem bemoeide, en waar hij aldoor voelde, dat hij er toch eigenlijk niet bij hoorde!

Als Vader hem hier zoo alleen zag liggen, zou Vader dan medelijden met hem hebben, en willen, dat hij niet was weggegaan? En opeens hoorde hij Vaders stem weer: "Wil je probeeren Vaders moedige jongen te zijn?" — Ja, dat had hij Vader beloofd. — Toen dacht Eduard er aan, dat Vader hem nu, op dit oogenblik, zeker niet moedig zou vinden. Wat moest hij zeggen, als Vader weer terug was? Dat hij 't maar heelemaal niet geprobeerd had, om moedig te zijn? O, Vader kwam zeker terug, natuurlijk kwam Vader terug! En nu wist hij ook opeens wat Vader zeggen zou als Vader hem hier zag, 't was hetzelfde dat hij misschien wel honderd keer van Vader gehoord had: "Kom Pepi, zou je nu niet eens aan het werk gaan?"

Eduard stond op, en schoof de pen in de penhouder. Hij hield niet van brieven schrijven, maar Vader zou 't zeker prettig vinden iets van hem te hooren.

Toen ging hij weer aan 't bureau zitten en begon opnieuw, en ijverig schreef hij deze keer verder, alleen zoo nu en dan even wachtend om te bedenken, wat hij verder zetten zou.

"Lieve Vader!

Hoe is 't met u? Ik dacht dat er vanmiddag een brief van u zou zijn, maar er was niets, en Tante Lina zei dat 't nog niet kon. Ik vond het niets leuk en wist heelemaal niet wat ik moest gaan doen, en daarom schrijf ik nu maar. 't Is hier soms nogal erg vervelend. Piet en Hugo vind ik nog niets leuk. U zei dat u 't prettig zou vinden als ik goede vrienden met ze werd en ik probeer soms wel eens om ze aardig te vinden maar dan zijn ze meestal juist vervelend. Hugo is een beetje aardiger dan Piet maar hij doet zoo geleerd. Hij wil electrische schellen maken. Oom Tom lacht er wat om. Hij zou er over slapen. Beppie is aardig. Ik heb haar ook van de chocola gegeven. 't Is erg lekker. Ik was erg blij toen ik de doos vond. We hebben schaatsen gereden op de ijsbaan. Eerst ging 't heelemaal niet maar nu ken ik 't wel zoowat. Oom Tom zei dat 't niet meer mocht want we kwamen te laat thuis. 't Dooide toen ook hard. Ik wou zelf ook juist niet meer want omdat ik me zoo haastte had ik bijna al mijn sommen fout en Bep huilde zoo omdat ik geen spelletjes met haar deed. Theo was er ook. We hadden veel pret samen. Ik vind brieven schrijven een naar werk maar doe 't toch maar omdat 't aan u is. Ik ben erg verkouden geweest maar 't gaat nu weer een beetje over. De briefkaarten waren heel leuk. Is het prettig op zee? Mijn lessen worden hier nooit overhoord. Tante Lina heeft het altijd erg druk. Oom Tom is soms vreeselijk streng. Als Piet je overhoort vraagt hij allerlei gekke dingen. Voor viool studeeren heb ik zoowat heelemaal geen tijd. Ik wou dat u maar weer terug was. U komt toch zoo gauw mogelijk, he Vader? Ik vind vier maanden toch verschr...."

De etensbel luidde, en Eduard hield op met schrijven. 't Papier was bijna vol, en straks zou hij wel even eindigen.

Hij stak de brief in 't couvert, stopte hem in zijn zak en veegde de pen aan zijn kous af.

X.

"Jullie moet je vandaag maar alleen amuseeren, jongens!" zei Oom Tom, toen hij op een regenachtigen Zondagmorgen in Maart beneden kwam om te ontbijten. "Mama heeft erge hoofdpijn en blijft in bed."

"Wat saai!" zuchtte Piet, en Broertje gaf door een knorrig gebrom zijn ontevredenheid te kennen. De kinderjuffrouw was gisterenmiddag voor 't eten uitgegaan en zou vanavond pas laat terugkomen; Lineke had daarom vanmorgen de kleintjes helpen aankleeden, maar heel vlug was 't niet gegaan en er was al heel wat afgekibbeld voor ze eindelijk allemaal beneden waren, en Broertje was dan ook tot het besluit gekomen, dat het veel plezieriger was, door een vertellende en grapjes makende juffrouw aangekleed te worden, dan door een ongeduldig zusje!

"Komt Maatje vandaag heelemaal niet beneden?" vroeg Beppie.

"'k Weet niet, prul, misschien na de koffie als 't dan wat beter is," antwoordde de Kapitein, Bep over haar krullen strijkend, en tegen de anderen: "Komen jullie ontbijten, en wil jij thee schenken, Lineke?"

"Ik moet ook altijd alles doen," mopperde Lineke. 't Gezeur boven had haar al lang uit haar humeur gebracht, maar ze begreep wel dat er nu niet veel aan te veranderen viel.

"Wil Ma ook thee?"

"Dat denk ik wel; ik zou maar een kopje inschenken en naar boven brengen, en dan wilde Mama je meteen iets vragen."

Langzaam begon Lineke de kopjes klaar te zetten.

Eduard, die aan Tommy de moppen van 't scheurkalenderblaadje en een recept tegen zomersproeten had voorgelezen, eindigde met het raadsel, dat er op stond: "Welk water is onthoofd een deugd?" Toen zette hij zijn stoel bij de tafel, en opeens kreeg hij een inval toen hij Linekes ongelukkig gezicht zag.

"Wil ik je eens helpen, zeg?" vroeg hij. "Geef maar hier, ik zal suiker in de kopjes doen. Hoeveel moeten 't er zijn? Vier?"

Lineke keek hem ongeloovig aan, en Eduard begon te lachen. "Ik kan 't heusch wel," verzekerde hij, "ik schenk thuis heel dikwijls thee!"

En zonder zich aan het gegrinnik van Piet te storen hielp hij zijn oudste nichtje heel voorzichtig, totdat eindelijk alle kopjes op tafel stonden en Lineke naar boven ging.

"Jongens," vroeg Oom Tom, toen ze allemaal aan hun boterhammen begonnen waren, "willen jullie nu niet eens iets bedenken waarmee je samen een prettigen Zondag kunt hebben? Mama vertelde me dat Hannie en Kees Beekman zouden komen koffiedrinken, en als al dat kleine grut met elkaar speelt komt er niets van terecht. Kunnen jullie drieën nu niet een beetje de wijsheid bewaren, en zorgen dat ze niet al te luidruchtig worden?"

"Laten we die kinderen maar liever afzeggen," vond Hugo, "Ma zei gisteren dat ze al om elf uur zouden komen en ik geloof dat ze tot 't eten moesten blijven, en 'k was nu juist van plan eens flink aan mijn telefoon te werken."

"Wel ja," voegde Piet er bij, "we kunnen best zeggen dat Ma ziek is, dan zullen ze toch wel snappen dat we geen kindervisite kunnen hebben. Ik had nu juist eens genoegelijk willen lezen vandaag, maar als je met die twee van hiernaast opgescheept bent komt daar natuurlijk niets van."

"Afzeggen kan nu niet meer," zei de Kapitein ongeduldig, "Mijnheer en Mevrouw Beekman zouden den heelen dag uit de stad gaan, en om nu op 't laatste nippertje met de boodschap aan te komen dat Hannie en Kees niet hier kunnen komen is te gek. Heb je dat nu niet eens voor Ma over dat je een beetje met die kinderen speelt? Daar zul je toch heusch niet van bederven!"

"Ik wist toch niet dat 't niet afgezegd kon worden?" bromde Hugo, "nee, natuurlijk zal ik er niet van bederven, 'k vind 't alleen misselijk taai."

"Zijn die kinderen zoo vervelend?" vroeg Eduard.

"Och nee, ze zijn wel aardig," en Piet haalde zijn schouders op. — "Had jij vanmorgen soms ook iets anders uit willen voeren?"

"Nou, 'k moet noodig eens viool studeeren, maar ik vind ...."

"'t Kan me nu verder niets schelen wat jullie vindt," besloot de Kapitein, "je hebt gehoord wat ik gezegd heb." — Daarmee verdiepte hij zich in het ochtendblad, en aan zijn gezicht was duidelijk te zien dat het verstandig zou zijn niet langer tegen te pruttelen.

"Wat kijkt Hugo kwaad," merkte Tommy op, nadat Beppie verteld had dat ze Hannie eigenlijk aardiger vond dan Kees, maar dat Kees toch ook heel leuk was.

"Hou je gezicht!" snauwde Hugo tegen zijn broertje.

"Ma voelt zich niets prettig," vertelde Lineke; toen ze weer beneden kwam, "en Ma vraagt of wij de ontbijtboel willen afwasschen, want Trijntje heeft het toch al zoo druk nu de juffrouw en Keetje uit zijn."

"Wij? Wie zijn die wij?" informeerde Piet.

Lineke aarzelde. "Nou, ik dacht: jullie wilt me misschien wel helpen!" zei ze toen. "Als ik alles alleen moet doen kom ik nooit klaar!"

Niemand antwoordde.

"Weet je wat," bedacht Hugo eindelijk, "wasschen jullie nu met elkaar af, dan zal ik in die tijd wat leuks bedenken om te gaan spelen als Hannie en Kees komen, maar dan moet je me tot elf uur ook rustig aan mijn telefoon laten werken."

"Hoe vindingrijk!" merkte de Kapitein van achter zijn courant op, en Beppie vertelde, dat ze best kon wegzetten.

"Dat doe ik voor juf ook altijd!"

"Dat kan ik ook wel!" beweerde Tommy.

Lineke begreep wel dat er van de groote broers niet veel hulp te verwachten was, en daarom probeerde ze 't maar eens bij haar neef. — "Wil jij dan afdrogen, Ee?"

Eduard keek eens even schuins naar Piet. "Jawel," zei hij toen.

Piet beloofde dat hij 't gezelschap in dien tijd dan wel aangenaam bezig zou houden, en Broer, die ook niet achter wilde blijven, verkondigde dat hij zijn bordje wel zoo schoon af zou likken dat 't niet meer omgewasschen hoefde te worden.

Een luid gelach volgde. —

"Viezerd!" zei Bep verontwaardigd.

Oom Tom was na 't ontbijt naar zijn studeerkamer gegaan, en ook Hugo maakte aanstalten om te verdwijnen.

"Zeg Huug, bedenk je vooral niet iets voor de speelkamer?" riep Lineke hem na.

"Wat vertel je, kind?" vroeg Hugo.

"Laten we maar niet op de speelkamer gaan," herhaalde Lineke, "ik denk dat Ma liever niet zoo'n lawaai naast zich wil hebben."

"'t Is goed, hoor." En Hugo trok af.

Lineke haalde het teiltje warm water uit de keuken en duwde Eduard de theedoeken in zijn handen. Toen begon ze ijverig te wasschen en de kleintjes dribbelden heen en weer om alles aan te geven.

"Welk water is onthoofd een deugd?" herhaalde Piet, die 't scheurkalenderblaadje weer opgenomen had; "afwaschwater", zei Eduard, en Lineke probeerde: "Rivier-ivier."

"Vaart, aart," schreeuwde Tommy.

"Wat 'n onzin!" lachte Eduard.

"Onzin? Niets geen onzin! Aart is echt een woord!"

"Hou je gemak!" kalmeerde Piet hem, "aart is toch geen deugd, he? Nou, wat zanik je dan?" en zelf noemde hij vlug op: "Kanaal, anaal, stroom, troom, plas, las."

"Zee, ee;" riep Lineke.

"He ja, dat 's aardig!" vond Piet, "Ee als een deugd. De deugd, laten we zeggen, die kopjes afdroogt. — Grappig bedacht van de scheurkalender!"

Eduard trok zijn neus op.

"Flauw!" zei hij, "'k weet al lang wat 't is!"

"Nou, wat dan?"

"Meer, eer, natuurlijk!"

"Niet waar!" riep Lineke, met de afwaschkwast zwaaiend, "eer is geen deugd!"

"Wel waar!"

"'t Is niet!"

Eduard gooide de theedoek op tafel en pakte Lineke de kwast af, en gillend holde Lineke om de tafel heen, doodsbenauwd voor de natte kwast die haar steeds achtervolgde.

Hijgend smeekte ze eindelijk om genade.

"Wil ik je nou eens vertellen wat het antwoord is?" vroeg Tommy, toen Lineke weer bij 't afwasch-teiltje stond.

"Nou?"

Tommy liep naar de scheurkalender toe, trok het bovenste blaadje er af, en las op: "Vijver, ijver."

"Ja, dat 's nogal glad," merkte Piet op, "'k wist het al lang."

"Je jokt 't! Waarom zei je het dan niet?" Met de druipende kwast wuifde Lineke in Piets richting.

"Nou, 'k wou jullie plezier niet bederven!" antwoordde Piet, en tegen Tommy: "Geef hier!" Toen las hij het nieuwe raadsel op: "In welk geval is vier maal drie elf?"

"Zeg 't nu maar ineens als je 't soms weet!" vond Eduard.

"In géén geval natuurlijk!" zei Piet, het volgende kalenderblaadje afscheurend: "Zie je wel, 't staat er, in geen geval!" En hard lachend kwam hij met het nieuwe raadsel aan.

"Zou je nou niet eens ophouden?" vroeg Lineke eindelijk, toen Tommy en Piet samen een veertiental blaadjes afgescheurd hadden. "Pa zal woedend zijn als hij 't ziet!"

"Dat 's niks," zei Piet, "geef me de gom maar eens." En heel netjes plakte hij de blaadjes achtereenvolgens aan het bovenste puntje weer vast. De twintigste Maart ontbrak, want die had Bep gebruikt om een steek van te vouwen voor een van haar kleine poppetjes.

Piet sloeg hem heel leuk over. — "Pa zal wel denken: dat is een vreemdsoortig schrikkeljaar," merkte hij op. — En Tommy, die met aandacht naar de opplakkerij stond te kijken, een likje gom op zijn neus gevend: "Dat 's voor jou, omdat je me zoo mooi hebt helpen afscheuren!"

't Sloeg elf uur toen Hannie en Kees de kamer binnenstapten. — Een blond meisje van tien jaar in een witte jurk en een jongen van negen in een donker fluweelen pakje.

De ontbijtboel was juist opgeruimd, en haastig gooiden de jongens het kleed over de tafel.

"Wat zijn jullie mooi!" zei Lineke, en ze keek naar haar eigen wollen jurk, waarop de waterspatten duidelijk zichtbaar waren.

"We komen ook op visite!" antwoordde Hannie. "We hadden eerst al om halfelf willen komen, maar Moeke zei dat 't niet beleefd was om zoo vroeg te gaan, en 'k moest de groeten aan je Ma doen."

"Ma is ziek," verkondigde Tommy, Hannie strak aanstarend.

"O," zei Hannie, en Kees vroeg: "Wat zullen we gaan spelen?"

"Verstoppertje door 't heele huis," stelde Piet voor, "aftellen wie hem is."

"Welnee, dat maakt immers veel te veel leven voor Ma!" en Lineke keek hem verontwaardigd aan.

"Laten we dan aan Huug vragen wat voor leuks hij bedacht heeft," vond Eduard, "wil ik hem eens gaan halen?" Bep vertelde dat ze meeging om eens te kijken hoe het met Maatje ging, en samen liepen ze de kamer uit.

Na lang zoeken en roepen vond hij Hugo op zolder. "Ze zijn er!" hijgde Eduard, "heb je wat bedacht?"

Hugo hield even op met timmeren. "Zeker, laat ze maar boven komen!"

"Waar, hier?"

"Ja natuurlijk!"

Eduard verdween om de anderen te waarschuwen.

Met veel lawaai stormden ze de trappen op, en lachend en elkaar duwend kwamen ze op de zolder, waar Kees en Tommy dadelijk op de ringen afvlogen en ieder aan een ring bleven hangen.

"Nou, wat had je nou?" vroeg Piet.

"Wel," zei Hugo langzaam, "ik dacht dat het wel leuk zou zijn om comedie te spelen. 'k Heb aan Ma gevraagd of we de koffer met verkleedgoed mochten gebruiken, en nu ben ik bezig hier in 't midden een gordijn op te hangen." En tegen Hannie en Eduard: "Ken jullie charades?"

Eduard had 't wel eens meer gedaan, maar Hannie nooit, en Piet zou 't uitleggen terwijl Hugo met Linekes hulp 't gordijn verder ophing.

Kees moest ook komen luisteren, maar hij had niet veel zin en bleef lustig aan de ringen zwieren. "Is 't niet prachtig?" riep hij, verrukt over de mooie toeren die hij uitvoerde, waar Tommy met bewondering naar stond te kijken.

"Nou!" zei Piet, terwijl hij Broer, die groote kans liep een schop te krijgen, een eindje achteruit trok, "een aap is er maar een beestje bij, maar kom nou even hier, dan kun je 't ook hooren!" En hij legde uit: "Je bent in twee partijen en één partij bedenkt een samengesteld woord en in ieder tooneel moet een deel van 't woord voorkomen en in 't laatste het geheel. De andere partij moet raden en verder zul je 't wel zien."

En daarna werden de twee partijen gekozen, en Piet en Eduard bleven met Hannie en Tom aan de eene kant van 't gordijn, terwijl aan de andere kant het verdere vijftal aan 't bedenken ging.

Hugo's partij zou 't eerst vertoonen, en "taalboek" kozen ze, na heel wat gefluister. 't Eerste tooneel was een troepje "vreemdelingen," allereigenaardigst uitgedost, waarbij alleen de costuums de toeschouwers zoo aan 't lachen maakten dat ze van "de vreemde taal" niet veel verstonden. 't Eindigde met een "Good bye" van Hugo. — In 't tweede tooneel speelde Linekes boek de hoofdrol, en Lineke zelf stelde een weerspannige dochter voor; ze vond die rol niet bepaald benijdenswaardig, want de hardhandige "Papa" spaarde haar ooren niet. — Toen deelde Hugo mede, dat het derde tooneel een school voorstelde, en het kijkende viertal kreeg een in lange groen-zijden sleepjapon gekleede schooljuffrouw te zien, die straffen uitdeelde aan een troepje ongelooflijk brutale kinderen. "Kees Beekman" werd eindelijk in de hoek geduwd, omdat hij zijn "taalboek" vergeten had.

"Laten we nu eens wat anders gaan doen," vond Piet, toen allebei de partijen een paar keer aan de beurt waren geweest en 't hem begon te vervelen.

"Ja," vond Hannie, "laten we nu eens echt comedie-spelen, er zijn zulke leuke costuums, en dan met programma's!"

"Maar dan hebben we geen publiek!" bedacht Eduard.

"Welja!" riep Lineke opgewonden, "dan vragen we Pa om te kijken, en misschien is Ma vanmiddag ook wel wat beter, en Trijntje, en Kreek als hij er is!"

"Een uitgelezen publiek!" spotte Hugo; "maar in ieder geval spelen we toch nooit allemaal tegelijk, en dan kunnen de anderen meekijken."

"Mogen wij ook meedoen?" vroeg Bep onvoorzichtig, want Hugo had al een paar keer gedreigd haar en Broertje naar beneden te zullen sturen als ze hun mond niet hielden. "Zoo lang jullie niet lastig zijn wel!" beloofde hij.

En toen bedachten ze dat ze nu ook een beter tooneel moesten hebben en de groote jongens haalden 't kamerschut van beneden. 't Gordijn kon prachtig als scherm dienst doen.

"Wat moeten we nu opvoeren?" vroeg Lineke, en Hannie, die de inhoud van de koffer nog eens onderzocht had, riep: "O, ik weet iets vreeselijk leuks, we moeten 'De schoone slaapster in 't bosch' doen, er zijn zulke prachtige prinsen- en prinsessecostuums bij, en dan nemen we het tooneel waar ze allemaal in slaap vallen, we hebben 't vroeger eens opgevoerd, en dan zingen we achter de schermen, en ...."

"Achter het scherm," viel Piet in de rede.

"Nou, achter het scherm dan."

"Nou, en verder?" —

"Nou, verder niks," besloot Hannie nuchter.

Ze lachten allemaal, en toen hoorden ze beneden de bel luiden om te komen koffiedrinken.

De Kapitein zat ze al op te wachten, en met opgewonden kreten werd hij begroet.

"Meneer, we hebben zoo'n pret!"

"Zoo, jongen, dat doet me plezier!"

"Pa, we hebben charades gedaan!"

"En we hebben alles geraden!"

"En nu gaan we echt comediespelen!"

"Komt u ook kijken, Oom?"

"We doen 'de schoone ....'" maar een hand werd plotseling op Beppie's mond gelegd. "St, niet zeggen, 't blijft een verrassing!"

Piet beloofde dat hij programma's zou maken met zijn drukpersje, en Hugo wilde strooken papier op 't kamerschut prikken, waarop stond wat 't tooneel voorstelde.

"En nu weet ik nog wat leuks!" riep Kees.

"Wat dan?"

"Dat zal ik straks wel zeggen!"

"Oom, mag ik uw sabel hebben?"

"Mijn sabel? Waarvoor?"

"Ook voor vanmiddag!"

Oom Tom trok een bedenkelijk gezicht. "Daar moet ik eerst nog eens over peinzen, hoor! Zoo'n gevaarlijk moordwerktuig!"

De koffietafel duurde niet heel lang vandaag, want ze wilden allemaal graag weer zoo gauw mogelijk naar boven gaan. Lineke, die aan het spreekwoord van de slapende honden, die je nooit wakker moest maken, dacht, vroeg maar niet of er nog afgewasschen moest worden.

Boven begonnen ze weer druk te beweren, telkens door elkaar pratend. "We moeten 'Asschepoetster' ook doen!" "Ja, en 'Sneeuwwitje!'"

"Allemaal tooneelen en voorstellingen uit bekende sprookjes!"

"Ik wil Klein Duimpje zijn!"

Piet trok Hugo op zij.

"Moeten we nu allemaal van die sloome sprookjes doen?" vroeg hij.

Hugo haalde zijn schouders op. "Och, laten we dat nou maar goed vinden!" zei hij, "dit kennen ze tenminste allemaal, en ze vinden 't leuk!" En tegen Lineke en Hannie, die er over kibbelden wie Sneeuwwitje moest zijn: "Zeuren jullie nu niet, en laten we nu eerst de costuums voor de schoone slaapster passen. Lineke is natuurlijk de schoone slaapster, want Hannie moet zingen. Ik zal 't gordijn open en dicht schuiven, en moet de rest hof houding zijn?"

"Ja, één koning, en dan verder pages en zoo."

En het gegrabbel in de koffer begon weer, tot ze allemaal in een passend costuum gestoken waren. En toen moest er een troon gemaakt worden, en voor de prinses werd een stoel gehaald. En Hannie zong achter het scherm, nadat koning, prinses en hof houding zich in schilderachtige houding hadden neergevleid, van de "doodstilte, die voortaan in het slot zou heerschen."

"Slot!" grinnikte Piet, en toen begon hij hard te snurken. Alle edellieden schudden opeens van het lachen.

"Laten we nu Sneeuwwitje spelen!" riep Kees, toen 't lied uit was, "dan kunnen de dwergen capes omdoen en de puntmutsen opzetten, en wij hebben thuis nog een echt dwergenpakje!"

"Heb je dan een sleutel?" vroeg Eduard.

"Nee, maar dat geeft niet, we kunnen over het plat klimmen!"

Eduard weifelde. "Is dat niet gevaarlijk?"

"Gevaarlijk? Welnee, er is niks aan! Toe, ga nou gauw mee, zij willen toch eerst Asschepoetster doen en dan kunnen wij 't in die tijd halen." En Eduard meetrekkend liep hij de trap af.

"Zouden we die mooie pakjes niet eerst uitdoen?"

"Maar niet doen," vond Kees, "we moeten ze straks toch weer aantrekken."

Op de meisjeskamer schoven ze 't raam op, en in een wip stond Kees op 't glibberige plat. Eduard klom hem achterna. 't Viel hem niet mee; tusschen de twee schuinafloopende platten was een ruimte van zoowat een halve meter, waar Kees overheen moest, en eigenlijk vond Eduard 't een griezelige tocht.

"Je moet me een hand geven," zei Kees, en voorzichtig liep hij langs de muur over 't plat, terwijl Eduard zich met zijn andere hand aan de vensterbank vasthield. Bij 't raam van zijn eigen kamer deed Kees vergeefsche moeite om 't op te schuiven. "Je moet me komen helpen!" riep hij.

"Wacht dan even!" riep Eduard terug. Hij had bedacht dat 't zeker minder gevaarlijk zou zijn als ze wat meer houvast hadden, en van beneden haalde hij Linekes springtouw, dat hij stevig aan een van de bedden vastbond. Toen, met 't eind van het touw in zijn hand liep hij naar Kees toe, en samen schoven ze 't raam in de hoogte.

't Viel Eduard ineens op hoe gek ze daar met hun tweeën stonden, in hun riddercostuums op 't natte plat in de regen, en toen Kees naar binnen geklommen was ging Eduard op de vensterbank zitten, telkens met zijn laarzen tegen den muur schoppend. Wat zou Vader lachen als Vader hem hier zag zitten! Of zou Vader 't gevaarlijk vinden? Och, welnee, wat was hij toch flauw, en hij had Vader immers beloofd moedig te zullen zijn! Maar dit was zeker niet de moed die Vader bedoelde, en hij had Vader óok beloofd voorzichtig te zijn; voorzichtig was 't heelemaal niet! En als die jongen van negen jaar nu een ongeluk kreeg was 't zijn schuld, want hij was al twaalf, en hij had verstandiger moeten zijn!

"'k Heb 't hoor!" riep Kees vanuit de kamer, en hij hield het rolletje in de hoogte.

"Maak dan maar gauw voort!" en Eduard haastte zich zóó, dat hij, toen Kees weer op 't andere plat stond en hij 't rolletje naar hem toe wilde ballen, te ver gooide, en 't heele dwergenpak kwam in den tuin terecht.

"Laat maar," zei Eduard, "'k zal 't straks wel even halen!" en zich vasthoudend aan het touw liep ook hij weer terug. — Hij was blij toen ze allebei weer in de kamer stonden.

Voor de tweede maal holde hij de trappen af en zocht in den tuin de verschillende kleedingstukken bij elkaar, want 't rolletje was natuurlijk uit elkaar gevallen. En gauw plukte hij een paar primula's en wat grasjes, om Bep in haar handje te geven als ze straks voor Roodkapje speelde.

"Waar zitten jullie toch?" vroeg Lineke ongeduldig, toen ze eindelijk weer boven kwamen, "we wachten al een uur op jullie!" En Broertje vertelde, dat hij Klein Duimpje was geweest, en dat hij Pa's groote kaplaarzen had mogen aanhebben.

"Maar dit is allemaal groote repetitie," zei Hugo, "nu Sneeuwwitje en Roodkapje nog, en dan gaan we Pa en zoo roepen."

"Vijf tableaux is ook eigenlijk genoeg," vond Piet. Van 't sabeltooneel hadden ze moeten afzien, want Bep wilde niets van Blauwbaard weten, en tot Roodkapje was ze alleen maar te bewegen geweest als de wolf er niet bij te pas kwam.

Piet hoefde verder niet meer mee te spelen, en terwijl Hugo de anderen commandeerde en vertelde waar ze allemaal zitten moesten, schreef hij de programma's vast en zocht beneden een doosje Bengaalsche lucifers op. — 't Drukpersje was nergens te vinden geweest. — Eindelijk riepen ze van de zolder dat alles klaar was, en Piet ging 't publiek halen. — Alleen de Kapitein kwam mee naar boven; Tante Lina was wel opgestaan, maar had nog niet veel lust om de heele vertooning bij te wonen, en beloofde, straks misschien nog even te komen. —Trijntje beweerde dat ze niet van haar eten af kon, en Kreek was er niet.

"Kinderen, wat is 't hier koud!" zei Oom Tom toen hij op zolder stond. Hugo zette een stoel voor hem neer en gaf hem een programma. "Wacht u nu maar even, zoo meteen zult u 't wel warm krijgen!" zei hij, en zijn hoofd om het gordijn stekend: "Ben je klaar, Piet?"

"Wacht even!" fluisterde Piet, die juist de koningsmantel omgegooid had, en de kroon opzette: "Nou, vooruit maar!"

En met een plechtige beweging schoof Hugo 't gordijn open.

De Kapitein had even moeite niet hardop te lachen, maar toen 't zingen begon keek hij weer ernstig, en heel aandachtig luisterde hij tot 't lied uit was.

"'t Is heel mooi!" verklaarde hij, en de kleinste slapende page werd opeens wakker en vertelde dat er nog meer kwam.

Achter 't dichtgetrokken gordijn volgde een druk gefluister en geschuifel om 't Asschepoetster tableau voor te bereiden, en Oom Tom kreeg gezelschap, want deze keer waren er maar drie spelers, Asschepoetster, de Prins en de Fee, die door Bep, Tom en Hanny voorgesteld werden.

Alles liep best van stapel, en directeur Hugo kon tevreden zijn. Piet streek zijn Bengaalsche lucifers af, en na ieder tableau kwam een luid applaus; juist had Hugo voor de laatste voorstelling 't gordijn opengeschoven toen ze een zachten stap op de trap hoorden. 't Was Tante Lina, die naar boven kwam. "Hallo!" riep Piet, en even holden ze allemaal door elkaar om plaats te maken.

't Kleine Roodkapje, dat voor 't kamerscherm stond, wachtte tot ze allemaal weer zaten. Toen, na een "toe maar!" van Hugo, begon ze te vertellen; duidelijk klonk het hooge stemmetje over de zolder.

"Ik ga naar Grootmoeder toe, om haar te brengen wat ik hier in mijn mandje heb.

image: 14_roodkapje.jpg
image: 14_roodkapje.jpg

Het zijn wafels, maar die kunnen jullie niet zien omdat ze onderin zitten, en een leege wijnflesch, maar we doen net of die vol is." Even keek Bep met een heel ernstig gezicht naar de lachende toeschouwers, toen vervolgde ze: "Ik ben ook heelemaal niet bang voor de wolf, want die is er niet, en o ja, deze bloemen zijn eigenlijk ook voor Grootmoeder, maar die wou ik nu maar aan Maatje geven!" En toen holde ze naar haar Moeder toe en klom op haar schoot.

"Dat 's ook wat!" zei Hugo, die dit niets geen gepast slot vond, maar de andere kinderen klapten zoo hard dat er verder geen woord tusschen te krijgen was.

Tante Lina vond dit slot mooier dan ze het hadden kunnen bedenken.

"En gaan jullie nu mee naar beneden om een glaasje limonade te drinken?" vroeg ze, Bep op den grond zettend.

In vliegende haast werden de mooie pakjes uitgeschopt, want ze verlangden nu opeens allemaal weg te komen van de rommelige zolder, waar een benauwde lucht van afgebrande Bengaalsche lucifers hing. —

"Vond u 't mooi?" vroeg Eduard, toen ze de trap afgingen.

"Zeker," zei Tante Lina, "wat ik gezien heb vond ik heel aardig!"

En de Kapitein verklaarde dat hij zich bepaald dol geamuseerd had.

XI.

"Heb je nu eigenlijk gestudeerd of niet?" vroeg Mijnheer Hofman ontevreden, want Eduard stond op een geweldige manier te knoeien en hakkelde nu al voor de derde maal in een etude die hij de vorige week al had moeten kennen.

Eduard keek van Mijnheer Hofman naar Theo, en van Theo naar zijn viool.

"Jawel meneer!" zei hij toen.

"Hoeveel keer?"

Eduard zweeg.

"Nu, hoeveel keer heb je gestudeerd?"

"Drie keer!" klonk het zachtjes.

"Zoo, en dat vond je zeker voldoende, he? Verbeeldde je je nu heusch dat je die etude kende? Ik wil je dan wel vertellen dat 't naar niets lijkt! Vroeger kon ik tenminste merken dat je behoorlijk gestudeerd hadt, maar 't is de laatste keeren al heel treurig! Je staat te knoeien of je nog nooit een viool in je handen hebt gehad, en dat is nu een jongen die bijna drie jaar les heeft!"

"Er was zoo weinig tijd!"

"Ja natuurlijk, dat kennen we! Zwijg nu alsjeblieft maar en speel de sonatine!"

De jongens verwisselden de muziek en Eduard begon te spelen. Vanmorgen voor hij naar school ging had hij de sonatine nog gauw even een paar keer geprobeerd, maar hij wist heel goed dat hij er niet veel van kende.

De eerste regels vielen hem mee, 't ging vrij goed, maar verderop waren een paar moeilijke loopjes, en daarna raakte hij zoo in de war, dat Mijnheer Hofman het al gauw mooi genoeg vond en hem vertelde dat hij wel kon ophouden. "Berg je viool nu maar weg," zei hij boos, "en dan zullen we zien of je er de volgende week meer van kent. — Theo, wil jij de sonatine spelen alsjeblieft?"

Theo bracht het er nogal goed af, maar Eduard wilde er niet naar luisteren. Vervelend gezanik ook, om hem zijn viool te laten wegbergen; Theo maakte ook wel fouten; je moest het ook altijd even prachtig kennen, en hij kon 't toch niet helpen dat Hofman vandaag uit zijn humeur was. — Zoo vreeselijk slecht was 't niet eens gegaan, maar omdat hij nu had verteld dat hij maar driemaal gestudeerd had moest Hofman ook op alles vitten. Maar als die malle vent soms dacht dat 't hem schelen kon, had hij het toch glad mis!

En Eduard probeerde zoo onverschillig mogelijk te kijken en staarde strak naar buiten, steeds met zijn knokkels op de vioolkist tikkend, totdat Theo eindelijk klaar was met spelen en Mijnheer Hofman opgaf wat ze voor de volgende week te doen hadden. Toen konden ze hun jassen aantrekken en naar school gaan.

image: 15_vioolkisten.jpg
image: 15_vioolkisten.jpg

"Flauwe aardigheid," was 't eerste wat Eduard mopperde, nadat de voordeur achter ze dichtgevallen was.

"Wat flauwe aardigheid?" vroeg Theo.

"Nou, van Hofman natuurlijk!"

Theo keek Eduard eens even schuins aan en begon te lachen. "Nou, je kende er dan toch ook eigenlijk wel een bar schijntje van, als ik 't zeggen mag!" beweerde hij.

"Zeker mag je 't zeggen!" zei Eduard kwaad, "als jij Hofman geweest was had je me zeker dadelijk naar huis gestuurd!"

"Wees nou niet zoo, flauw!"

"Flauw? 'k Ben niet flauw, jij bent flauw!"

"Nou ja, maar heel veel gestudeerd had je toch ook niet!"

"Dat zei 'k immers al!"

"Jawel. — Maar 't was toch zeker geen drie keer?"

"Waarom niet?"

"Zoo maar. Je zei 't net of je dacht: drie keer vind ik wel zoowat het minste dat ik zeggen kan!"

Eduard zweeg even. "Maandag heb ik een kwartiertje gestudeerd," zei hij toen, "en Woensdag had ik juist mijn viool gekregen en toen was er net iets anders, 'k weet niet meer wat, nou, en vanmorgen voor 'k naar school ging heb ik de sonatine nog eens gespeeld."

Theo antwoordde niet.

"Jij moest maar eens bij een Oom en Tante en zes nichtjes en neefjes logeeren, dan zou je eens zien hoe hard je werken kon!" vervolgde Eduard, verwoed tegen een steentje schoppend, en Theo aanziende: "Zeg nou eens, wat zou jij tegen Hofman gezegd hebben?"

"Dat weet ik niet," zei Theo, nadat hij even gefloten had, "ik zou 't misschien ook wel gezegd hebben, hoor!"

"Vind je 't erg gemeen?"

"Gemeen? Och ja, natuurlijk is 't gemeen, maar dat bedenk je meestal pas achteraf."

"Ja, dat is lam genoeg!" Eduard zuchtte. "'t Is net of 't me nu niets meer zou kunnen schelen om te zeggen dat ik maar ééns gestudeerd had. Hij was toch al woedend, en een beetje meer of minder is dan toch zoo erg niet!"

"Als je nu maar maakt dat je 't de volgende week kent," besloot Theo. "Wanneer 't sonatineboek uit is krijg ik als 'k twaalf word een fiets, heeft Pa beloofd!"

"Krijg je ook een fiets? Wat moppig!" riep Eduard, want door dit nieuwtje was hij opeens de narigheid van de vioolles vergeten. "Wat zullen we dan van de zomer leuk samen kunnen rijden, zeg!"

"Nou, fijn!" vond Theo, "een Fongers, leuk he?"

"Ja, mijne is een Humber, hij staat nog thuis, maar zoo gauw als het mooi weer wordt mag ik hem gaan halen!"

En ze hadden 't nog druk over de fietsen toen ze eindelijk de school inliepen en Theo met een "Nou dag!" naar zijn eigen klas ging.

Fransche themaschriften terug! Eduard schoof in zijn bank en sloeg 't schrift open. Met schrik keek hij naar de elf fouten en naar het "slecht, overmaken", dat in groote blauwe letters onder aan de bladzijde stond. Afschuwelijke thema ook! 't Was een echte ongeluksdag vandaag, eerst die ellendige vioolles, en nu dit weer!

En ongeduldig stopte hij 't schrift in zijn lessenaar toen om twee uur de bel luidde.

"Ziezoo, dat hebben we alweer gehad!" en Tante Lina leunde achterover in haar stoel. 't Was een roezemoezig half uurtje geweest na 't eten, maar zooeven waren de twee jongsten door de juffrouw mee naar boven genomen, en een oogenblikje genoot Tante van de rust, nu de twee schel en helder boven alles uit klinkende kinderstemmetjes niet meer gehoord werden.

Broertje had voor 't eerst ook mee mogen spelen vanavond, en met gesloten oogen dacht Tante Lina nog even aan het opgewonden gezichtje en de drukke bewegingen van 't kleine ventje. Maar toen viel haar iets in, en glimlachend keek ze Oom Tom aan en zei: "Die jongste zoon van jou zal anders een beste worden!"

"Hoezoo?" vroeg de Kapitein, die 't zich in een groote leuningstoel gemakkelijk gemaakt had, en juist een sigaar aanstak.

"Wel, vanmiddag nam ik hem mee uit, 't was mooi weer, en voor we naar huis gingen liep ik nog even 't plantsoen door. Opeens zag ik Kolonel Durand naar mij toekomen; hij maakte een praatje en begon toen notitie te nemen van Broer, die hem met zijn groote blauwe oogen strak stond aan te staren. 'Hoe heet je wel, vent?' vroeg hij, en Broer verklaarde heel ernstig dat hij Willem Cornelis Verhey heette, maar verder verkoos hij heelemaal geen antwoord meer te geven, en toen Kolonel Durand eindelijk wegging en vroeg of hij een hand kreeg hield Broer stijf zijn handen op zijn rug en zei niets anders dan 'Ik doet het niet!'"

De Kapitein lachte. "Dan legde je met dat jongemensch meer eer in!" merkte hij op, naar Piet wijzend, en Tante Lina vertelde nog aan Eduard en Lineke hoe Piet als jongetje van een jaar of vier met alle officieren beste maatjes was, en als ze hem vroegen wat hij worden moest, altijd antwoordde "Generaal!" "Och, 't was zoo'n lieve jongen, he?" besloot ze, op één na haar oudsten zoon op den schouder kloppend.

"Je zou 't nu niet meer van hem gelooven!" zei de Kapitein droogjes, en Lineke zong zachtjes:

"Zeg eens, ken je onze Piet? Och, da 's jammer, ken je 'm niet, Och, hij was zoo'n lieve jo...."

Een harde klap op haar wang van Tommy deed haar plotseling ophouden, en half verbaasd, half verschrikt vloog Lineke van haar stoel, om de beleediging met de rente terug te betalen. Maar haar Moeder hield haar tegen, en de Kapitein vroeg streng: "Tommy, waarom sla je Lineke?"

Tommy gaf geen antwoord, en schopte met zijn laars tegen de tafelpoot, maar toen zijn Vader opstond en naar hem toe kwam, schoof hij haastig naar den anderen kant van de kamer.

"Tommy, kom onmiddellijk hier!"

Maar Tommy, die zich, zoolang hij buiten 't bereik van den Kapitein was, nog veilig voelde, zei met een ondeugend gezicht: "Ik doet het niet!"

"Doe je het niet?"

"Nee!"

Zonder verder nog iets te zeggen ging de Kapitein op hem af; nog eenige oogenblikken deed Tommy vergeefsche moeite om te ontkomen, toen voelde hij zich stevig bij den kraag gepakt. "Waarom heb je Lineke geslagen?"

"Omdat ze zoo gemeen deed!" riep Tommy half huilend.

"Gemeen?" vroeg zijn Vader, zich even bedenkend wat Lineke gedaan had, dat de boosheid van haar broertje zoo had opgewekt: "Wat deed ze dan?"

"Ze zong over Piet!"

"Was dat alles? Maak je daar nu zoo'n scène om? Begreep je nu niet eens dat dat gekheid was?"

Tommy zweeg.

"Zeg nu maar dadelijk tegen je zusje: 'Het spijt me dat ik je geslagen heb,' en laat het dan uit zijn alsjeblieft."

Maar Tommy verroerde zich niet en herhaalde alleen zijn ondeugend: "Ik doet het niet!"

Tante Lina wenkte Oom Tom, den kleinen jongen verder aan zijn lot over te laten, en stuurde de andere kinderen de kamer uit. "Neem de kaarten maar mee en ga in de leerkamer een spelletje doen!"

Langzaam verdween het drietal, om even later in de leerkamer te gaan "banken", tot groot ongenoegen van Hugo, die zat te werken, en met 't gezelschap dat hij kreeg alles behalve ingenomen was; zuchtend besloot hij, dan maar liever mee te doen; de fiches werden verdeeld, en Eduard, die de bank hield, schoof ze ieder een kaart toe, met een luid "opzetten!"

"'k Ga nog lang niet naar bed!" verklaarde Lineke met een kleur van plezier, toen haar bakje met fiches steeds voller werd.

Aan Tommy dachten ze niet meer, totdat ze hem om kwart voor acht weer in de gang hoorden, hard gillend, en steeds herhalend: "Ik doet het niet!"

"Ma zal wel spijt hebben dat ze dat verhaal over Broertje verteld heeft!" merkte Piet lachend op.

Een kwartier daarna kwam Tante Lina de leerkamer binnen om Eduard en Lineke naar bed te sturen. 't Was Linekes tijd, en Eduard moest ook maar eens vroeg gaan slapen, 't was al een paar avonden achter elkaar erg laat geworden, en hij was vanmiddag aan tafel zoo stil geweest, zeker een beetje moe.

"He Ma, nog even! 'k Heb nu juist zoo'n mooie kaart!" zeurde Lineke, en Eduard zei dat hij juist heelemaal niet moe was; maar Tante Lina's geduld was door 't gezanik met Tommy vrijwel uitgeput, en met een "'t Is nu mooi geweest!" konden ze gaan opruimen. Langzaam werden de fiches weer in de doosjes gestopt, en na nog wat lachen en onzin praten gingen ze eindelijk naar boven.

't Licht brandde nog in de kamer van de kleine jongens, Tommy scheen nog steeds niet in bed te zijn, en duidelijk hoorde Eduard nog zijn boos: "ik doet 't niet." En toen hij zelf al uitgekleed was hoorde hij de juffrouw pas naar beneden gaan. Even keek hij om de deur; alles was nu donker, ook in de meisjeskamer. Maar stil was 't nog niet geworden, en Eduard lag er in bed naar te luisteren hoe Tommy nog maar steeds bleef doorschreeuwen en eindelijk zelfs 't portaal opkwam om over de trapleuning hangend nog eens hard naar beneden te roepen dat hij 't niet deed.

Wat zou hij nu toch eigenlijk niet willen doen? Hield die vervelende jongen zijn mond nu toch maar! Net of je zoo kon slapen!

Daar ging opeens beneden haastig de deur open en dicht, en een driftige stap kwam naar boven; Eduard hoorde duidelijk dat het Oom Tom was —wat zou er nu gebeuren? Een zacht geritsel op 't portaal — Tommy was zoodra hij zijn Vader hoorde aankomen naar zijn bed gevlucht.

Eduard voelde zijn hart kloppen en met wijd open oogen bleef hij liggen luisteren. Oom Tom liep langs zijn deur naar de kamer van de kleine jongens, en begon daar heel kwaad tegen Tommy te praten —Eduard verstond het niet, maar wel kon hij duidelijk de klappen hooren, die toen volgden, en Tommy's huilend geroep: "Ik zal wel gaan slapen!"

Arme Tommy! Hij was wel vreeselijk ondeugend en vervelend geweest, maar hij riep nu toch al dat hij zou gaan slapen en 't duurde zoo lang! Oom Tom was toch ook wel vreeselijk streng; Vader was ook wel streng, maar héél anders, en zóó zou Vader nooit gedaan hebben! Tenminste .... ja, toen! 't Was nu al meer dan een jaar geleden, ze waren samen aan 't koffiedrinken en weer hoorde hij Vaders stem vragen: "Wel, hoe was 't vanmorgen? Ging 't uit 't hoofd rekenen goed? Hoeveel sommen had je?" En weer hoorde hij zichzelf haastig antwoorden: "vijf Vader." — Dadelijk kreeg hij spijt toen hij 't gezegd had: 't waren er maar vier geweest, maar hij had de laatste keeren al altijd moeten vertellen dat 't onvoldoende was, en dan had Vader altijd zoo teleurgesteld gekeken, want ja, 't was dikwijls zijn eigen schuld als hij een som fout had, als hij middenin vergat verder te rekenen of zoo — maar vier of vijf maakte toch niet zoo'n groot verschil — hij had 't eerst nog willen vertellen voor hij naar school ging, maar Vader had verder aldoor over andere dingen gepraat en was toen al heel gauw naar de fabriek gegaan .... Dien middag was Vader hem 's middags van school komen halen, zooals hij wel meer deed, en Vader had met Mijnheer Snijders staan praten — en duidelijk herinnerde Eduard zich hoe Vader toen naar hem gekeken had, hoe Vader toen met hem naar huis gegaan was, hard loopend en steeds zwijgend, hoe hij zelf Vader telkens even schuins aangezien had, zonder iets te durven zeggen ....

En ook wist hij nog heel goed wat er gebeurd was toen ze eindelijk thuiskwamen; hoe Vader hem heel kortaf vertelde dat hij mee moest gaan, naar Vaders eigen kamer, en wat Vader hem daar vroeg: of hij dan heelemaal vergeten was hoe vreeselijk boos Vader werd als hem iets verteld werd dat niet waar was; of hij er dan heelemaal niet aan gedacht had hoe naar Vader het zou vinden, om te merken dat zijn eigen jongen hem voorgelogen had, en of hij wel wist wat hij nu verdiende?

Dát was de eenige keer geweest.

En nu? Wat had hij vanmiddag gedaan? Wat had hij tegen Mijnheer Hofman gezegd? Hoeveel keer had hij er wel bij gelogen dat hij gestudeerd had? Dit was véél erger dan die ééne som! Wat zou Vader wel zeggen als hij dát wist! Als Vader hem gehoord had vanmiddag, hoe zou hij Vader tegengevallen zijn! Een gemeene jongen was hij, en veel meer dan Tommy had hij verdiend wat zijn kleine neefje zooeven gekregen had —

Maar niet van Oom Tom — dat mocht alleen Vader zelf doen!

En Eduard draaide zich om en drukte zijn gezicht zoo stijf in 't kussen dat hij bijna geen adem kon halen — och, kwam Vader maar!

XII.

"Zeg Kerner!" klonk het zachtjes.

"Nou?"

"Wacht even, hij kijkt!"

Mijnheer Snijders zag zoekend de klas rond. "Van Hamel, wil jij de gebergten Van Zwitserland eens komen aanwijzen?" En Van Hamel schoof zijn bank uit om langzaam naar voren te komen.

"Zeg Kerner!" herhaalde dezelfde fluisterende stem. Eduard leunde zoo ver als hij durfde achterover en draaide zijn hoofd half opzij, om geen woord te verliezen van wat zijn achterbuurman te zeggen had.

"Wil je een stukje drop hebben?"

"Jawel."

"Nou, steek je hand dan uit. — Voorzichtig, doe nou niet zoo sloom, straks ziet hij het!"

Een kleverig stukje drop werd tusschen Eduards vingers geduwd.

"Ik heb niks geen zin om op te letten!" ging de stem achter hem voort.

Eduard maakte van een oogenblik dat Mijnheer Snijders naar 't bord keek gebruik om 't stukje drop in zijn mond te stoppen.

"Ik ook niet; 'k verveel me dood."

"Dat taaie Zwitserland ook."

"Net zoo taai als die drop van jou."

"Wat?"

"Ik zeg dat 't net zoo taai is als die drop van jou, je tanden blijven er in kleven!"

"Kerner, je zit aldoor te praten, je hebt een aanteekening! Wilkens, kom jij de rivieren aanwijzen!"

"Natuurlijk doe ik 't weer," mopperde Eduard. "Net of je in je eentje kan praten!" en Meertens fluisterde hem in dat dat zijn straf was, omdat hij zijn drop voor taai had uitgescholden. "Wil je soms nog een stukje?"

"Nee, dank je feestelijk!"

"Nou, niet of graag!"

"Meertens, houd nu onmiddellijk op met dat gepraat!" viel Mijnheer Snijders uit, die aldoor in dezelfden hoek hoorde fluisteren; "Kerner, kom jij voor de kaart en wijs de rivieren nog eens aan!"

Eduard stond op, zijn handen in zijn zakken, liep tusschen de banken door, en begon voor de klas de verschillende rivieren op te noemen, telkens even wachtend om 't lastige stukje drop achter zijn kiezen te duwen.

"Wat eet je toch eigenlijk?"

Eduard keek verschrikt op. "Een stukje drop," zei hij toen.

"Waarom? Ben je verkouden?" en toen Eduard geen antwoord gaf, nog eens, ongeduldig: "Geef me antwoord, ben je verkouden?"

"Nee meneer."

"Heb je drop meegebracht?"

"Nee meneer."

"Heb je het gekregen?"

't Was doodstil in de klas.

"Heb je het gekregen?"

Alle jongens keken en luisterden, maar Eduard bleef zwijgen.

"Heel goed," besloot Mijnheer Snijders, "je verkiest dus geen antwoord te geven. Ga nu maar naar je plaats, om twaalf uur kun je schoolblijven."

"Daar bof je bij!" fluisterde Meertens, toen Eduard weer in de bank schoof, "'n taaie boel, he?"

Maar Eduard was niet meer in de stemming om door te praten, en schoof met een kwaad gezicht zijn elleboog op de bank.

"Wil je soms een turf hebben?" vervolgde Meertens, en hoe boos Eduard ook wilde kijken, toch kon hij niet laten even te lachen.

"Kerner, doe die elleboog weg!"

"Ook al goed!" mompelde Eduard, en onverschillig langzaam trok hij zijn arm weg en bleef schuin in de bank hangen.

Mijnheer Snijders keek nog even naar hem, maar liet hem verder stil zitten.

"We zullen voortgaan met de les; Van Effen, het is jouw beurt!" Toen om twaalf uur de bel gegaan was en de andere jongens weg waren liet Mijnheer Snijders Eduard bij zich voor de klas komen.

"Kerner, wilde je deze zomer nog toelatingsexamen voor het gymnasium doen?"

Eduard knikte van ja.

"Zoo, nu, dan wilde ik je eens even het volgende zeggen: ik heb van de week de rapporten opgemaakt, die jullie vóór de Paaschvacantie zult krijgen, en ik heb je voor Fransche taal een 4 en voor rekenen een 3 gegeven. Het werk dat je tegenwoordig inlevert is bepaald slecht, en je huiswerk is eigenlijk gezegd beneden alle critiek; en het ergste is, dat het niets dan luiheid van je is; als je je werkelijk inspant kun je heel goed werken, maar van de fouten die je maakt is het grootste gedeelte slordigheid en onattentie, en ik heb je voor vlijt dan ook niet meer dan een 4 kunnen geven."

Eduard luisterde met zijn handen op zijn rug, en aldoor keek hij naar den grond.

"Je vader zal het zeker wel heel plezierig vinden als je hem dat schrijft!"

Stijf kneep Eduard zijn vingers tegen elkaar.

"Ik waarschuw je nu nog eens voor de laatste keer, 't is vandaag 3 April, je hebt nog ruim drie maanden tijd, maak dat alles zoo gauw mogelijk beter wordt en probeer in de Paaschvacantie de tijd die je verknoeid hebt in te halen. Je begrijpt wel, dat er, als het laatste rapport zoo is als dit, van examen doen niets komt! Ziezoo, denk daar nu maar eens goed over, en nu kun je naar je plaats gaan en voor je gepraat en je koppigheid vanmorgen de aardrijkskundeles nog eens uitschrijven."

Haastig begon Eduard, met een krassende griffel; een 4 voor Fransch en een 4 voor vlijt en een 3 voor rekenen! 't Was ook allemaal zoo ellendig lastig en vervelend! En dan dat toelatingsexamen nog! Vader rekende er vast op dat hij er door zou komen! De Rijn, de Rhône, de Aar, de Reuss, de Limath .... En nu kwam hij natuurlijk weer veel te laat voor de koffie ook! De Sint Gothard, de Simplon .... had hem tenminste best een 4 voor rekenen kunnen geven, 't was op 't vorige rapport ook een 4 geweest! De Jungfrau .... Vooruit, klaar, streep er onder! —

"Zie je wel dat je 't wel weet?" vroeg Mijnheer Snijders, toen hij 't nagekeken had.

"Nou ja, aardrijkskunde!" Eduard haalde zijn schouders op.

"Ja, maar 't andere kun je ook wel! Heusch, span je nu eens in! Begin nu eens met te maken dat er geen enkele fout in de Fransche thema voor morgen zit! En ga nu maar gauw weg, dag Kerner!"

Eduard haastte zich niet om thuis te komen. Even holde hij tot hij de straat uit was, toen bleef hij met aandacht bij den singel staan kijken; een troepje jongens was er aan 't spelen op een vlot, dat met een stevig touw aan den kant vastlag. Telkens klonk een luid gejuich als een van de jongens met een flinke sprong op 't vlot terecht kwam, en geen van 't troepje scheen zich er aan te storen dat bij 't daarop volgende geschommel de klompen vol water liepen. Wat zou 't ze ook kunnen schelen! Zij hoefden geen akelige Fransche thema's te maken, en toelatingsexamen voor 't gymnasium hoefden ze ook niet te doen!

Met een harden schop tegen een kiezelsteentje liep Eduard verder.

Een 4 voor vlijt! Verbeeld je! En een 3 voor rekenen! Nou ja, rekenen kon hij nou ook eenmaal niet, en dat zou hij wel nooit leeren ook! Maar die 4 voor vlijt was onzin! Dat was zeker om vanmorgen; net of je altijd maar hetzelfde uitgestreken gezicht kon zetten! En natuurlijk had hij moeten schoolblijven, en Meertens, die begonnen was, kon stilletjes naar huis gaan. Die kwam er altijd goed af, en hij kreeg er de standjes voor! En die cijfers moest hij nu aan Vader schrijven! Wat zou Vader 't ook lam vinden! Misschien kwam 't rapport ook wel te laat om 't nog te schrijven, Oom Tom had gezegd dat wanneer hij na de volgende week nog schreef Vader de brief toch niet meer zou krijgen. Dan moest hij 't vertellen als Vader terug was!

Eduard liep de stoep op en trok hard aan de schel.

Vervelende boel hier ook al! Was hij maar weer goed en wel thuis!

Trijntje deed de deur open, brommend over 't malle gebel, maar Eduard liep haar zonder iets te zeggen voorbij en hing zijn pet aan de kapstok.

"Edu!" en Lineke kwam de huiskamer uithollen.

"Wat is er?" vroeg Eduard op alles behalve beminnelijke toon.

image: 16_humeurig.jpg
image: 16_humeurig.jpg

Lineke bleef voor hem staan. "Wat heb je?" vroeg ze.

"Ik? Ik heb niks!" 't Klonk dreigend. "Wat heb jij?"

"Ik wou je alleen maar vragen of je mij wilde leeren fietsen!" zei Lineke verontschuldigend, "maar je zult het zeker ook wel niet doen!"

"Waarom niet?"

"Nou, je kijkt zoo kwaad!"

Eduard draaide zich om en hing zijn jas op. "Vraag 't maar aan Hugo of Piet, hoor!" antwoordde hij, toen Lineke bleef staan wachten.

"Dat heb ik al gedaan, maar die willen juist niet!" klonk het treurig, "en 'k zou het toch zoo vreeselijk graag leeren!"

Eduard keek zijn nichtje even aan, maar hij zei niets.

"Heb je school moeten blijven, Ee?" vroeg Lineke opeens; "waarom kijk je zoo boos? Heb je gehuild?"

Hij had niet gehuild, heelemaal niet, verbeeld je dat hij zou huilen om dat malle schoolblijven! En hij keek Lineke aan en probeerde te lachen. "Welnee!" antwoordde hij luchtig, "hoe kom je er bij?" en haastig over het fietsen doorpratend: "In de Paaschvacantie zal ik mijn fiets gaan halen en dan zal ik het je wel leeren hoor!"

De uitdrukking van Linekes gezichtje veranderde onmiddellijk. "Zalig dol-leuk!" riep ze, en toen sloeg ze in haar verrukking opeens een arm om Eduards hals en gaf hem een zoen. "Je bent een snoes!" verklaarde ze.

Eduard duwde haar lachend op zij.

"Toe, schei uit!" zei hij, "gaan we nog niet koffiedrinken?"

"Ze zijn al lang bezig!"

Eduard wilde naar binnen gaan, maar Lineke hield hem bij zijn mouw vast. "Wacht nog even," riep ze, "ik weet nog wat!"

"'t Zal wat zijn!"

"Nee, heusch!"

"Nou, wat dan?"

"Er is een brief!"

"Een brief? Wat voor brief?"

"Nou, voor jou, van Oom Eduard, en ...." Maar Eduard had zich al losgetrokken en liep de huiskamer in.

"Edu zal 't me leeren!" vertelde Lineke aan de anderen, toen ze weer op haar stoel schoof, en ze keek met voldoening rond.

"Daar ben je vet mee!" zei Hugo, en Piet reciteerde half hard:

"Ik heb een aardig neefje Dat op zijn fiets óók rent! En als je vraagt 'hoe rijd je toch?' Dan zegt hij 'Wel, patent!'"

Dit vers was een blijvende aardigheid geworden en werd bij alle mogelijke en onmogelijke gelegenheden en met alle denkbare variaties te pas gebracht. Maar de geestigheid ging voor Eduard deze keer verloren; haastig had hij het couvert met de Indische postzegel opengescheurd, en met alle aandacht was hij verdiept in wat Vader schreef:

"Mijn beste jongen!

Daar zit ik nu in de leeskamer van de groote mailboot te schrijven; we zijn nu al een heel eind; overmorgen zullen we waarschijnlijk in Batavia aankomen, en ik kan je vertellen dat ik er al naar verlang om mijn voeten weer op vasten grond te zetten! We hebben een prettige reis gehad, en ik ben gelukkig maar heel weinig zeeziek geweest. De warmte maakt me erg lui, en eigenlijk zit ik maar 't liefst in een gemakkelijke stoel op 't dek te lezen of te rooken of een praatje te maken met een van de andere passagiers. Zoo nu en dan komt mijn vriendje Pim mij een bezoek brengen, een grappig klein jongetje van vier jaar; hij heet eigenlijk William, maar hij wordt altijd Pim genoemd. 's Morgens begint hij al met mij te komen 'verras.' — Als ik na 't ontbijt een prettig plaatsje op 't dek heb uitgezocht komt hij heel zachtjes naar mij toe, op zijn teenen; meestal hoor ik dan al wat schuifelen, maar ik doe natuurlijk net of ik niets merk. En dan voel ik opeens twee kleine handjes voor mijn oogen, en met een lage bromstem vraagt hij: "Wie ben ik?" En dan heeft hij dolle pret als ik 't maar niet raden kan! Hij heeft ook een zusje, dat heet Nelly en is zeven jaar. Ze vindt het erg jammer dat ik jou niet meegenomen heb en ze heeft me verteld dat ze bij ons komt logeeren als ze weer naar Holland gaat. Maar dat zal nog wel een poosje duren, want haar vader en moeder gaan in Batavia wonen, en als je daar eenmaal bent kom je maar niet zoo eens eventjes in Holland logeeren! Ik ben toch maar blij dat ik niet in Indië ga wonen, en weer gauw terug kom, jij ook niet? Of moet ik maar liever wegblijven? Als je dezen brief krijgt duurt het nog maar twee maanden, en dan ben ik weer bij je. Je moet maar eens iets prettigs bedenken om mijn terugkomst te vieren! Je maakt zeker veel plezier met de neefjes en nichtjes; ik wed dat je zoo aan al dat gezelschap gewend raakt dat je niet eens meer met me mee naar huis wilt! Je maakt het Tante toch niet al te lastig, zeg? En hoe gaat het op school? Worden de cijfers mooi? En is Mijnheer Hofman tevreden over 't vioolspelen? De Paasch-vacantie zal nu zeker wel gauw beginnen, en dan kun je eens uitrusten van het "harde werken!" Ik verlang er naar om eens iets van je te hooren; je zult zeker ook wel heel wat te vertellen hebben! Ziezoo Pepi, nu ga ik de brief dicht doen, hoor! Mijn groeten aan Oom en Tante, en zeg ook de neven en 't verdere kleine grut maar voor me goeiendag! Een kus van Vader. —

"Goed nieuws, jongen?" vroeg Oom Tom, toen zijn neefje den brief weer in 't couvert stak. Met een blij gezicht keek Eduard op.

"Ja, een echte leuke brief! Vader schrijft altijd zoo echt gezellig," zei hij opgewonden, "'t is net of je het Vader zelf hoort zeggen!"

Tante Lina knikte hem eens toe. "Schrijft Vader nog wat bizonders?" vroeg ze.

"Och nee Tante, bizonders eigenlijk niet. Over de zeereis een beetje, en u en Oom moet de groeten hebben en jullie allemaal ook."

"Wanneer komt Oom Eduard nu eigenlijk terug?" informeerde Hugo.

"Over twee maanden," zei Eduard. "Mag ik een boterham, Tante?"

XIII.

Om zes uur was Eduard al wakker geworden door 't gebons op den tusschenmuur, en met zijn kussen onder zijn arm en een deken achter zich aan sleepend was hij naar de kamer van de neven getrokken. Een woest spiegelgevecht volgde, waarbij kussens, kousen, pantoffels en verdere projectielen in het rond vlogen, tot groot plezier van de drie jongens en tot groot ongenoegen van Keetje, die boven op de zolderverdieping het lawaai duidelijk kon hooren en daar al een visioen kreeg van een wanhopig slordige kamer waarin geen stuk op zijn plaats stond.

Daarna had het edele drietal, met behulp van hockeystokken, hengels en lakens, Hugo's bed in een tent herschapen, en zelfs Hugo, die zich gewoonlijk te groot vond voor zulke spelletjes, had met zooveel plezier meegedaan, dat hij evenmin als de twee anderen tot aankleeden te bewegen was geweest, toen de juffrouw om acht uur riep dat het hoog tijd was om op te staan. — Oom Tom, wien de voortdurende herrie boven zijn hoofd al lang verveeld had, was eindelijk zelf de trap opgekomen, maar nauwelijks hadden de jongens zijn stap gehoord of plotseling was de rust in de slaapkamer teruggekeerd. — 't Tooneel dat de Kapitein te zien kreeg toen hij de deur geopend had was wel bizonder. In artistieke bevalligheid lagen de verschillende eigendommen van zijn zoons door de kamer verspreid; op een vreemdsoortige verzameling van allerlei artikelen in Hugo's bed lag dit jongmensch met zijn gezicht naar den muur gekeerd kalm te slapen; op het andere bed lag Piet, het tafelkleed half over zich heen getrokken en zijn handen onder zijn hoofd; een luid gesnurk moest verkondigen dat ook hij in diepe rust was. En ten slotte zag de Kapitein zijn neef, die in een deken gerold op den grond lag, zijn oogen dicht en de punt van een kussen in zijn mond.

Een halve minuut lang bleef Oom Tom staan kijken, toen barstte hij in lachen uit, welk oogenblik Piet zeer geschikt oordeelde om zich geeuwend uit te rekken en wakker te worden.

"He, he!" zuchtte Piet, en toen doodnuchter Eduard aanziende: "Wat doe jij hier?"

Eduard proestte 't opeens uit, en ook Hugo's rug maakte een verdacht schuddende beweging.

"Nou," zei de Kapitein eindelijk, "nu moet het uit zijn, hoor jongens! 't Is veel te mooi weer om zoo lang in je bed te liggen! Kijk de zon eens mooi schijnen!" En daarmee was hij naar beneden gegaan.

Zoo hadden ze de Paaschvacantie ingewijd. En ook onder 't aankleeden waren ze in de vacantie-stemming gebleven. Telkens begon Eduard in zijn eentje te lachen als hij dacht aan de malle vertooning van straks, en met 't heerlijke gevoel van geen haast te hebben teutte hij bij alles wat hij deed. Geen haar op zijn hoofd dacht meer aan 't goede voornemen van den vorigen avond, om geregeld iederen morgen van negen tot tien uur sommen te maken. —Mijnheer Snijders had hem gelegenheid willen geven zijn cijfer voor rekenen wat te verbeteren voor het Juli-rapport, en daarom had hij Eduard voor de vacantie twintig sommen opgegeven. "Meer dan een uur per dag hoef je er niet aan te werken!" had Mijnheer Snijders er bij gezegd, en al had Eduard niet veel zin in de taak, hij wist zelf toch heel goed dat het hoognoodig was om eindelijk eens iets te gaan uitvoeren.

Toen Eduard naar beneden ging om te ontbijten was 't kwart over negen. — Ze waren er allemaal al, en Tante Lina bromde omdat 't zoo laat geworden was. — Eduard zei maar niks en begon te lachen om een verhaal van Oom Tom, die juist beneden was gekomen toen er gebeld werd, en bij het opendoen de een of andere kleine krent op de stoep gevonden had die vroeg: "Is Verhey thuis?" En de Kapitein stelde heel aanschouwelijk voor hoe hij eerst op het punt gestaan had de kleine krent een draai om zijn ooren te geven voor zijn brutaliteit, maar op het juiste moment nog tot de conclusie gekomen was dat Tommy bedoeld werd.

Tommy vertelde dat hij 't niets bizonder aardig vond. "We noemen elkaar altijd bij onze achternaam," zei hij, "als 'k Holdert zie zeg ik ook 'zoo Holdert, ga je mee?'"

"Nou, vraag jij dan maar aan Holdert of hij vanmorgen hier in de tuin komt spelen," lachte Tante Lina, en Tommy holde weg om zijn vriend, die door den Kapitein zoo oneerbiedig met den naam "krent" betiteld was, te gaan halen. — Ook de kleintjes liepen naar den tuin om in den zandhoop te spelen, en Lineke verdween met een boek.

Oom Tom stak een sigaar op en ging naar de kazerne.

"Ziezoo," zei Piet, zich eens flink uitrekkende, "en nu ga ik in de vacantie eens lekker niks doen. Ma, weet u waar de hangmat gebleven is?"

"'k Geloof boven in jullie kast," antwoordde Tante Lina.

Een kwartier later amuseerde Piet zich met op de zolder zijn hangmat vast te maken, was Hugo met een paar vrienden op weg naar 't voetbalveld en zat Eduard in de leerkamer met een nieuw schrift en 't sommenboek open voor zich, verdiept in de wandeling van A en B uit P naar Q en omgekeerd. Deze soort sommen vond Eduard altijd nog zoowat het gemakkelijkst, maar met de tweede, een kranen-som, begon de ellende al, en een heele poos bleef hij aan 't probeeren zonder dat het hem lukte de goede manier te pakken te krijgen. 't Maakte hem ongeduldiger en ongeduldiger. Die lamme dingen ook! Daar kon je nu je vacantie aan opofferen! Prettig!

Nog even werkte hij door, mopperend en scheldend op de sommen, toen verveelde 't hem zóó en had 't hem zóó uit zijn humeur gebracht, dat hij met een harden klap zijn schrift dichtsloeg en 't met zoo'n vaart over de tafel keilde dat 't aan den anderen kant open op den grond terecht kwam. 't Vloeitje dwarrelde achteraan.

Met zijn handen in zijn zakken liep Eduard de gang in, waar hij bijna tegen Lineke aanbonsde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings