Op verdrinken af.
Reading edition
Ofschoon ik vermoeid was en rust behoefde, kon ik den slaap niet vatten. Ik hoorde het gedurige, zachte gelach van mijn Hadschi, die zich aldoor verkneukelde van pret over het welgelukken van de kool, die hij den mannen op het dak had gestoofd en daarom ook geen rust kon vinden. Ik luisterde naar het onverpoosde eentonige geruisch van den regen, dat mij deed indommelen. Nauwlijks was die betrekkelijke rust mij geworden, of men klopte aan mijn deur, juist zooals ik het Janik gezegd had. Ik richte mij op, vermoedende dat het Anka zou zijn, die ons iets te zeggen had.
Janik deed open, en mijn vermoeden bleek juist geweest te zijn. Het meisje kwam binnen. Halef, Osko en Omar waren natuurlijk terstond bij de hand.
—Neem mij niet kwalijk, Effendi,—zeide onze bekoorlijke bondgenoote.—Ik breng u een tijding. Janik heeft mij uw voornemen verteld: gij wildet die mannen daar boven in het water zetten. Is u dat gelukt?
—Ja, en zij zijn nog boven.
—En ik houd het er voor, dat ze weg zijn.
—Neen maar! Hoe zouden zij er hebben kunnen afkomen?
—Dat weet ik niet; maar ik heb alle reden om te gelooven, dat zij bij ons in huis zijn.
—Dat zouden wij allerminst verwachten. Maar vertel, wat gij weet.
—Janik zeide, ik moest scherp opletten. Habulam zond mij al vroeg naar boven, maar ik ging niet slapen, ik bleef uit het raam kijken. Ik zag mijn Heer met Humun naar den tuin sluipen. Opdat ik hen zou hooren terugkomen, ging ik naar de beneden-verdieping en verstopte mij achter de deur van een daar aanwezig kamertje, waar hij voorbij moest, en die ik op een kier liet staan. Ondanks de moeite, die ik mij gaf om wakker te blijven, toch sliep ik in. Hoe lang dat geduurd heeft, weet ik niet. Ik werd wakker doordat er twee mannen uit den tuin kwamen en mijn deur voorbij gingen. De eene sprak en ik herkende Habulam aan zijn stem. Hij vloekte zooals ik het nog nooit van hem had gehoord. Hij zeide, dat er een groot vuur moest aangemaakt worden en men hem kleeren moest brengen. Ik geloof, dat het Humun was, tegen wien hij sprak. In de keuken begon het al spoedig te spoken. Allerlei kwaadaardige stemmen hoorde ik bij het knetterend en knappend vuur. Wat die lui van plan zijn, weet ik niet, maar ik heb mij gehaast om naar u toe te gaan, opdat gij zoudt weten wat ik opgemerkt had.
—Goed gedaan! Maar op de een af andere manier moeten die menschen beneden gekomen zijn. Halef, waar hebt gij de ladder gezet?
—Nergens wij hebben die op den grond laten liggen. Mijn badgasten kunnen toch van boven af haar niet opgehaald hebben!
—Dat zeker niet, maar enkelen van hen kunnen langs de slang zich naar beneden hebben laten zakken en de ladder opgericht hebben.
—Hascha—God beware! Dat moeten wij terstond gaan zien!
In allerijl ging hij naar buiten. Omar en Osko hem achterna. Toen zij na enkele oogenblikken terug kwamen, keek Halef mij innig verdrietig aan en zeide:
—Ja, Sihdi, ze zijn weg. Ik ben boven geweest.
—Dus staat de ladder tegen den toren?
—Helaas! Aan de andere zijde ligt de slang op den grond.
—Juist zooals ik vreesde. Zij hebben de slang ontdekt. Enkelen hebben zich daar langs laten afglijden, waarna ze losgemaakt en naar beneden geworpen is. Toen hebben zij de ladder opgezet. Zij, die nog boven waren, zijn toen naar omlaag gekomen en naar de keuken gegaan om hun kleeren te drogen.
—Ik wou ze zaten in de hel, waar ze veel gauwer zouden drogen dan in de keuken,—vloekte Halef.—Wat moeten wij nu doen, Sihdi?
—Hm! Dat moet overlegd worden. Ik meen, dat wij——
Er liet zich een stem hooren. Wij hadden de deur niet gegrendeld en iets aan laten staan, zoodat het licht naar buiten viel. De deur werd opengestooten en wij hoorden de stem van Habulam:
—Anka, scheitan kijzi (duivelskind)! Wie heeft je verlof gegeven om hier naar toe te gaan?
Het meisje kromp ineen van schrik.
—Kom er terstond uit!—beval de buitenstaande.—En Janik, beest, jij ook daar binnen! Wat heb jelui naar den tuin te sluipen! Er uit, alle twee! De zweep zal je leeren gehoorzaam te zijn.
—Murad Habulam,—antwoordde ik,—zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn, binnen te komen?
—Om me van uw boozen blik te laten verderven? Dank je wel! Als ik geweten had, wat een opstoker van dienstvolk gij zijt, ge waart in mijn huis niet gekomen.
—Daarover wil ik het met u wel eens nader hebben. Kom maar binnen!
—Ik zal je danken! Stuur me mijn volk terug! Dat valsche tuig heeft niets bij u te maken!
—Haal ze!
Hij antwoordde niet, maar ik hoorde fluisteren. Hij was dus niet alleen.
—Als hij niet komt, zal ik hem halen,—zeide Halef en vatte de half geopende deur. Ik hoorde het overhalen van een haan en de woorden:
—Terug, hond, of ik schiet je neer!
Halef trad op zij en deed de deur dicht.
—Hebt gij het gehoord, Sihdi?—vroeg hij, veel meer verwonderd dan verschrikt.
—Zeer duidelijk,—antwoordde ik. Dat was de stem van Barud el Amasat.
—Dat geloof ik ook. Er stonden hier tegenover bij de koornschelf twee mannen, die de geweren op mij aanlegden. De sluipmoord is hun niet gelukt, nu willen zij tot een openlijken aanval overgaan.
—Dat betwijfel ik. Ze durven ons maar niet zoo neerschieten; dat zou te algemeen bekend worden. Was het hun ernst geweest, dan hadden zij niet slechts gedreigd maar ook geschoten.
—Zou u dat denken? Maar waarom posteeren die twee zich daar ginds?
—Dat begrijp ik heel goed. Zij willen zich uit de voeten maken. Men heeft de afwezigheid van Janik en Anka opgemerkt en heeft argwaan opgevat. Men heeft ze gezocht en bij ons gevonden. Nu weten de schurken, dat zij het best doen met te vluchten, en opdat wij hun niet zouden hinderen, moeten die twee ons hier binnen houden, onderwijl de anderen alles voor een snelle vlucht gereed maken.
—Dat hebt gij, mijns inziens, goed geraden, Effendi; maar zullen wij ze maar zoo ongehinderd laten wegtrekken?
Ik nam mijn berendooder, stond op en strompelde langs den muur tot aan het luik naast de deur. Omar moest het licht uitblazen, zoodat men mij van buiten af, niet goed zou kunnen zien. Ik trok het luik zachtjes open en keek naar buiten. Het had opgehouden met regenen, en de dag begon te lichten. Tegenover mij, slechts enkele passen van onzen toren af, leunden twee personen. De een had de kolf van zijn geweer op den grond; de andere hield het geweer recht overeind in zijn rechterarm. Daar hij met zijn rechterprofiel naar mij toe stond, liep de loop van zijn geweer langs zijn wang en stak boven zijn hoofd uit. Die twee schenen ernstig met elkaar te redeneeren.
Ik kon mijn berendooder op het raam van het luik laten rusten en was daardoor, ook in mijn kreupelen toestand, volkomen zeker van mijn schot, hoe het ook nog schemerde. Ik mikte op den loop van ’s mans geweer, en schoot. Bijna op hetzelfde moment, dat het schot viel, weerklonk een jammerkreet. Mijn kogel had getroffen, waardoor de man met den loop van zijn eigen geweer zulk een geweldigen slag tegen wang en hoofd had gekregen, dat het hem uit de handen vloog.
—Ej mussibet, ej bylekiat! O ramp, gluiperd!—kreet hij. Ik herkende de stem, het was Barud el Amasat.
—Voort, voort!—riep Manach.—Dat schot brengt alle man in huis op de been!
Hij raapte het geweer van den ander op, greep hem bij den arm en trok hem met zich mee. In een oogenblik waren zij verdwenen.
Uit wat Manach zeide, bleek dat zij niet van plan geweest waren om te schieten. Zij wilden niet, dat het dienstpersoneel iets van hun aanwezigheid zou weten.
Nu wendde ik mij tot mijn genooten:
—Vat uw wapens, en vlug naar den stal! Er is gevaar dat die schurken onze paarden zullen meenemen.
Allen ijlden de deur uit. Ik posteerde mij er tegenover en hield mijn berendooder in de hand, om op alles gewapend te zijn.
Ook Anka was mee gegaan. Al spoedig kwam zij met Janik en Omar terug, en ik hoorde, dat Osko en Halef in den stal waren gebleven om op de paarden te passen. Het scheen, dat niemand ze voor zich had willen hebben; er was niemand komen opdagen. Dat stelde mij gerust.
Nu moesten wij vóór alles, weten waar de boomen te zoeken, waar de paarden van onze vijanden ondergebracht waren; maar noch Anka noch Janik wisten het.
—Ik ben er zeker van, dat Humun het weet,—zeide de flinke jongen,—maar hij zal het u niet zeggen.
—O, ik heb een probaat middel, gaf ik hem ten antwoord,—een tang, waarmee ik alles wat ik wil uit hem haal.
—Dan kunt gij meer dan anderen. Hij zal zijn meester en diens bondgenooten nooit verraden.
—Welnu, gij zult er bij zijn, om u te overtuigen, hoe openhartig hij mij zal zeggen wat ik weten wil. Kent gij Afrit, den kleermaker, beter?
—Neen. Wel weet ik, dat hij eigenlijk Suef heet, maar veel weet ik van hem niet. Hij komt zeer dikwijls bij Murad Habulam, en ik verdenk hem sterk dat het geen eerlijke zaken zijn die zij doen. Daarom ben ik hem steeds uit den weg gegaan. Het is beter met zulke menschen niet in aanraking te komen. Het liefst zou ik van hier weggaan en blij zijn, als ik u naar Weicza zou mogen begeleiden. Indien gij nabij of te Karanorman-Khan iets te doen hebt, zou ik u misschien van dienst kunnen zijn.
—Ik zoek daar een groot misdadiger, die waarschijnlijk een vriend en bondgenoot van Habulam is.
—Hoe? Met zulke menschen is mijn Heer bevriend?
—Ja. De mannen, die heden bij hem waren, zijn even groote dieven en moordenaars, en staan ons naar het leven. En wat uw heer is, behoeft gij niet te vragen, daar hij ons heeft willen vergiftigen.
—Dat is zoo. Effendi, ik blijf niet hier! Ik verlaat dit huis, al moest ik ook nog zoo lang zonder werk en verdienste blijven. Ons trouwen moet dan wel langer uitgesteld worden, maar wij wachten liever, dan dat wij zulk een meester zouden dienen.
—Nu, wat dat uitstellen betreft, dat zal zoo lang niet zijn, want gij hebt van mij nog te vorderen, en Anka ook, wat ik u schuldig ben. Gij hebt ons het leven gered. Zonder u leefden wij niet meer. Gij hebt dus van ons een loon te vorderen voor de redding, een loon overeenkomende met wat wij kunnen geven.
—Dat is zoo—werd er bij de deur gezegd.—Wij zullen van ons niet laten zeggen, dat wij ondankbaar zijn, Sihdi!
—Het was Halef, die dat zei. Hij was uit den stal gekomen en had het laatste gedeelte van ons gesprek gehoord. En hij liet er opvolgen:
—Wij zijn, helaas! niet rijk, maar toch is het ons misschien nog wel mogelijk uw uitstel wat te bekorten. Als gij om ons uw dienst verlaat, dan moeten wij er voor zorgen, dat gij niet weer moet gaan dienen. Ik vraag u dus, Janik, krachtens mijn hoogheiligheid als Hadschi, of gij deze Anka, hier tegenwoordig, tot vrouw hebben wilt?
—Natuurlijk!—zei Janik, bij dat vooruitzicht vergenoegd lachende.
—En tegen wanneer?
—Liefst zoo spoedig mogelijk.
—En gij, roos van Kilissely en redster van ons leven, zal deze dienstknecht Janik uw man zijn, wien gij steeds zult gehoorzamen, zoolang hij niet onredelijk is en geen domheden van u vordert?
—Ja, hij zij mijn man!—zei het meisje blozend.
—Welnu, dan moge onze zegen op u nederdalen uit den buidel van geluk en dank. Ik ben de roemrijke kassier van ons gezelschap. Het was geld uit den booze, maar wij besloten, het tot engelen-munt te maken, en daartoe stelt gij ons nu in de gelegenheid.
Hij bracht zijn langen geldbuidel te voorschijn, dien wij in den strijd bij de Derekulibe hadden veroverd, en hij deed dien open.
—Draagt het uw goedkeuring weg, Sihdi?—vroeg hij.
—Volkomen!—knikte ik hem toe, benieuwd, hoeveel hij aan hen zou geven.
—Zoo steke dan ieder van u de handen naar mij toe, om daarin den regen der fortuin te ontvangen.
Janik deed terstond wat Halef hem zeide. Hij sloot zijn vingers, bracht de pinken tegen elkaar en strekte de komvorm zijner handen Halef toe. Anka, dat ziende, deed eveneens. De kleine Hadschi tastte in den buidel, en begon te tellen. Hij legde telkens in Janiks en in Anka’s handen een goudstuk en telde:
—Bir, iki, aetsch, dourt, besch, alti, jedi, sekiz, dokus, on.... aldus tot tien.
Hij had telkens louter gouden turksche ponden uitgeteld, alzoo hadden Janik en Anka, ieder duizend piasters ƒ 108,—à ƒ 114,—ontvangen, wat voor die menschen een waren schat uitmaakte. Daarna vroeg hij den vroolijk verwonderden:
—Weet gij soms wat Aktsche baschy (agio) is?
—Neen—antwoordde Janik.
—Aktsche baschy is de meerdere waarde van honderd piasters in goud, dan van honderd in zilver. Dat verschil is op dit oogenblik acht piasters op de honderd. Wanneer gij dus een goudstuk van honderd piasters voor zilver wisselt, moet gij honderd en acht zilveren piaster er voor krijgen. Denkt er aan, want dat maakt voor ieder van u een verschil van tachtig piasters.
Die uitlegging was niet overtollig. Want die de meerdere waarde van goud, boven die van zilver, niet kent, komt vooral in het Oosten, allicht bedrogen uit. En die tachtig piasters waren voor onze jongelui een niet te verwerpen som. Zij verstonden echter maar half wat Halef hun zeide. Al hun denken en zinnen concentreerde zich in de beschouwing van al het goud dat zij in hun handen hadden en hun toegeteld was. Dat het werkelijk voor hen was, konden zij niet gelooven. Toen Halef het evenwel niet terugnam, begon Janik te twijfelen en vroeg:
—Heer, het is toch geen ernst, dat gij ons dat geld zoudt laten houden?
—Het is mij volle ernst,—antwoordde Halef.
—Maar dat kan toch niet waar zijn! Duizend piasters voor mij en duizend voor Anka, dat is niet te gelooven!
—Wat gij in uw handen hebt, is van u, en wat ik in de mijne heb, is van mij. Doe nu met uw eigendom, zooals ik met het mijne. Let op!
Hij bond zijn buidel dicht en stak ’m knipoogend in zijn zak. Maar zij aarzelden zijn voorbeeld te volgen.
—Dit geld, allemaal goud!—riep Anka uit.—Zeg het ons nog eens, dat het voor ons is, anders kan ik het niet gelooven.
—Of gij het al dan niet gelooft, is mij hetzelfde. De hoofdzaak is, dat gij het neemt en terstond trouwt. Janik had er zoo’n haast mee, waarom talmt hij nu zoo?
—Toch moet ik het eerst van den Effendi hooren! Het is zoo’n groote som! Wij hebben zooveel niet noodig, want wij hebben ons gespaarde geld nog. Als gij een heel vermogen geeft, wat blijft er dan voor u over?
—Bekommer u over ons maar niet,—zei de kleine Hadschi lachend.—Wij verstaan de kunst om zonder geld te leven. Wij nemen het Jol mihmandarlijkuun (pad der gastvrijheid). En onze grootste vijanden moeten ons de grootste schatting betalen. Of meent gij dat wij uw Heer ook maar een piaster schenken van wat wij hem hebben te betalen voor wat hij ons opgedischt heeft? Dat komt niet in ons op. Ik wil hopen, dat mijn Sihdi mij vergunt hem met een munt te betalen, die gestempeld maar ook geslagen wordt. Zoo als gij ziet, geld hebben wij niet noodig. Gij kunt deze enkele goudstukken dus nemen, zonder te vreezen dat wij gebrek zullen lijden. Bovendien hebben wij ons, sedert eenigen tijd, de loffelijke gewoonte aangewend, om aan iederen schurk te ontnemen wat hij gestolen heeft, en dat aan eerlijke menschen uit te deelen. Naar ik hoop, ontmoeten wij spoedig weer eenige van die schurken! Dan zitten wij weer als een Kusch (vogeltje) in een pirindsch demeti (rijstveld), en prijzen Allah voor Zijn zorg, waarmee Hij het rijk van den Padischa regeert.
Om aan de dankbetuigingen der twee overgelukkigen een einde te maken, droeg ik aan Halef en Janik op, onze bagage te nemen en naar den stal te gaan, waar ze onze paarden moesten opzadelen.
—Gaat ge dus weg, Effendi?—vroeg Janik verschrikt.
—Ja, maar niet terstond. Ik wilde, dat onze paarden in allen gevalle klaar zouden staan. U en Anka neem ik mee.
—Maar dat zal Murad Habulam niet toestaan!
—Ik zal er voor zorgen, dat hij zijn toestemming geeft.
—Dan zullen wij u dubbel dankbaar zijn. Gij zijt hier gekomen, als onze——
—Stil! Ik weet, wat gij wilt zeggen, en dat gij een goede dankbare jongen zijt; daar willen wij het voor het oogenblik bij laten.
Zij gingen, en ik zette mij in den rolstoel van Habulam’s vrouw, om met Omar hen te volgen.
De dageraad begon door te breken. Men kon reeds tamelijk ver zien. Het had heelemaal opgehouden met regenen en, aan de lucht te zien, konden wij op mooi weer rekenen.
Om in den stal te komen, moesten wij voorbij een rondom open gebouw. Het dak rustte van achteren op muurwerk en aan de voorzijde op houten zuilen, zoodat men alles wat er in stond, kon overzien. Ik zag een voertuig, niet van den lompen zwaren bouw, als de gewone ossewagens, die Araba worden genoemd, maar een van veel lichteren bouw, meer op een rijtuig gelijkend en dat hier Kotschu of Hintof heet. Er naast hing een Turksch At takymy, (paardetuig), dat evenveel op een Duitsch tuig leek, als de kroeskop van een vetten, zwarten haremwachter op de frisuur van een Franschen balletmeester. Wagen en tuig konden mij dienen voor wat ik voornemens was, te meer omdat ik bij de andere paarden, een flink jong wagenpaard zag, dat in het tuig paste. Ik liet de paarden, onder mijn toezicht, drenken en zadelen, en beval dat men mij naar Habulam zou brengen.
—Moeten Anka en ik ook meegaan?—vroeg mijn knecht.
—Zeker.
—Maar, daar zal wat voor ons op zitten!
—Heb daar geen zorg over. Gij gaat achter mij staan en verlaat die plaats niet zonder dat ik het u zeg.
Toen wij uit den stal kwamen, zagen wij een kerel tegen een stuthout leunen, die ons blijkbaar gade sloeg.
—Wie is dat? vroeg ik Janik.
—Een van de knechten, die waarschijnlijk buiten bij de paarden van uw vijanden de wacht hebben gehouden. Wilt gij hem vragen, waar die boomen ergens staan?
—Hij zal het mij wel niet zeggen.
—Dat geloof ik ook niet.
—Dan wil ik mij de moeite van het vragen besparen, want Humun zegt het mij stellig.
Toen wij bij het voorportaal kwamen, zag ik hem tegen den muur leunen. Hij stond zóó, dat hij door de deur in den stal kon zien. Dus ook hij had ons zijn opmerkzaamheid geschonken.
—Wat wilt gij hier?—snauwde hij ons toe.
—Ik wenschte Murad Habulam, uw Heer, te spreken,—antwoordde ik.
Hij paste wel op, dat hij mij niet behoefde aan te zien want hij was bang voor mijn blik en hield zijn vingers aldoor in de richting, die hem tegen mij beschermen moest.
—Dat kan niet,—zeide hij.
—Waarom niet?
—Omdat hij slaapt.
—Zoo verzoek ik u hem te wekken.
—Dat mag ik niet.
—Maar ik wensch het!
—Met uw wenschen heb ik niets te maken.
—Welnu, dan beveel ik het u!—zei ik met grooten nadruk.
—Gij hebt mij niets te bevelen.
—Halef, de zweep!
Nauwelijks had ik die drie woorden uitgesproken of de nijlpaarden Kurbatsche viel knallend op den rug van den onwillige neer, en wel zoo krachtig, dat hij terstond tegen den grond sloeg. Tegelijk riep Halef hem toe:
—Wie heeft je niets te bevelen, ellendige vlegel? Ik zeg je, dat het geheele gebied van den Sultan en alle landen ter wereld mijn Emir moeten gehoorzamen als ik bij hem ben, ik, die een brullende leeuw ben tegenover zoo’n wurm als gij zijt!
Humun wilde zich nog tegen die slagen verweren, maar zij vielen zoo geducht en dicht, dat hij ze onderworpen in ontvangst moest nemen. Toch stiet hij een gebrul uit, dat doordrong in alle hoeken van het huis. Eindelijk hield Halef op, maar toch hield hij de zweep slagvaardig, terwijl hij vroeg:
—Wilt ge nu soms den Jaschly Uerkeki (het oude ondier) uit zijn bed halen?
—Aanklagen zal ik u! Gevild zult gij worden, gevild bij levenden lijve!—brulde de getuchtigde, terwijl hij wegliep.
—Effendi, dat wordt een leelijk geval,—meende Janik.
—Toch niet,—antwoordde ik.—Het is van daag een groote feestdag, die Jortu guunuu dajakuun (het feest van de zweep) genoemd wordt. Wij willen dat feest met grooten ernst vieren.
—Ik heb van dien feestdag nog nooit gehoord.
—Dan zult gij dien heden leeren kennen,—verzekerde Halef. Sihdi, gij hebt een prachtig, voortreffelijk woord gesproken. De geloovigen zullen zich over u verblijden en de zaligen der drie bovenste hemelen zullen zich over u baden in genot. Eindelijk zult gij dan optreden als het sieraad van het mannelijk geslacht en het hoofd aller helden. Mijn spieren worden tot slangen en mijn vingers als de scharen van een kreeft. Ik zal woeden onder de struikroovers en het bloed drinken der moordenaars. Er zal gehuil worden gehoord in Kilissely en gejammer onder de zonen des verderfs. De moeders en dochters dergenen, wier geweten niet zuiver is, zullen jammeren, en de tantes en zusters der ongerechtigen zullen zich de haren uittrekken en heur sluiers verscheuren. De vergelding opent haar kaken en de gerechtigheid scherpt haar klauwen, want hier staat de richter met de roede der wraak in de hand, de held van het feest van de zweep, Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah!—Hij stond, de rechter geheven, de oogen fonkelend van verrukking, in de houding van een redenaar, die zich bewust is te arbeiden aan de wereldhervorming.
Humun had gelogen, toen hij beweerde dat zijn Heer sliep. Juist toen wij ons gereed maakten, om het vertrek binnen te gaan, waar Habulam ons had ontvangen, kwam hijzelf op ons af en viel grimmig toornend tegen mij uit:
—Mensch, wat krijgt gij in uw hoofd, mijn knecht te laten slaan! Ik heb grooten lust u allemaal te laten ranselen!
Hij was niet alleen, maar Humun en de kleermaker Suef, die zich Afrit genoemd had, waren bij hem, en achter deze groep kwamen nog vijf of zes knechten en vrouwelijke dienstboden.
Ik antwoordde niet, maar gaf Omar een wenk, om mij bedaard wat dichterbij te rijden. De woede van Habulam scheen door mijn zwijgen nog grimmiger te worden, want voor ons heen en weer loopende, brulde hij bedreigingen, wier volvoering, ons volkomen zou hebben vernietigd. Toen wij bij de bekende deur waren en Halef die wilde openen, ging Habulam er voor staan, en schreeuwde bevelend:
—Hier komt niemand binnen! Ik verbied het u!
—Gij!—vroeg Halef. Mensch, zijt ge dol? Gij hebt hier niets te bevelen.
—Ik ben in deze afdeeling, het hoofd der politie en opperste rechter!
—Daar kan het lieve Kilissely tevreden mee zijn! Wanneer de hoogste magistraat zelf steelt en moordt, wat zullen dan wel de onderdanen doen! Wees nu zoo beleefd en ga uit den weg, anders krijgt gij een Oepisch (kus) van mijn zweep, die op een Scheftalay (smakkert) zal lijken. Begrepen?
Halef hief zijn zweep op, en daar Habulam niet uit den weg ging, kreeg hij een zoo geduchten slag, dat hij wegvloog met een sprong, zooals een circus-clown hem moeilijk had kunnen verbeteren. Daarbij gilde hij:
—Hij slaat mij! Allah heeft het gezien en gij ook! Grijpt hem! Voor den grond met hem! Bindt hem!
Dit bevel gold de knechten, maar niet een waagde het, ook Humun en Suef niet, om de hand naar den kleinen Hadschi uit te steken. En deze verwaardigde zich evenmin, naar hen om te zien, maar deed de deur open en ging naar binnen. Wij volgden. Habulam kwam ons na en de anderen drongen achter hem op. Midden in de kamer bleef hij staan en riep:
—Dat is ongehoord! Ik zal het ten strengste straffen! Ik ben de Chef van de Dschesah mehkemeleri (crimineele rechtbank) alhier.
—Kilissely is maar een dorp, waar zulk een rechtbank niet bestaat,—antwoordde ik.
—Maar ik ben de Mollao (rechter) van deze plaats!
—Dat geloof ik niet. Waar hebt gij dan gestudeerd?
—Dat is daar niet voor noodig.
—Oho! Om Mollao te kunnen zijn, moet gij allereerst tot uw twaalfde jaar een Subjahn mekteb, (Lagere school), en voorts een Medresseh (kweekschool) bezocht hebben, om den titel van Softa te krijgen. Hebt gij dien behaald?
—Dat gaat u niets aan!
—Toch wel. Die ons richten wil, moet kunnen bewijzen, dat hij het recht en de bekwaamdheid er toe heeft. Kunt gij Arabisch spreken en schrijven?
—Ook Perzisch?
—Ja.
—En kent gij den Koran heelemaal van buiten. Dat alles moet een Softa kennen.
—Ik ken den Koran van buiten.
—Bewijs het mij dan! Zeg mij de zes en veertigste Sure, die el Ahkaf genoemd word, eens op.
—Hoe begint die?—vroeg hij verlegen.
—Natuurlijk met de woorden: ’In naam van den barmhartigen God’, zooals iedere Sure.
—Maar dat is niet de zakelijke aanvang.
—Welnu, zij luidt: De openbaring van dit boek is van God, den Almachtige en Alwijze. Den hemel en de aarde, met wat daar tusschen is, hebben wij op een bepaalden tijd geschapen, maar de ongeloovigen wenden zich af van de nadrukkelijke waarschuwing, die hun geworden is.—Nu gij verder!
Hij krabde zich achter zijn oor, en zeide toen:
—Maar wie geeft u het recht om mij te examineeren? Ik ben Softa geweest, en dat hebt gij te gelooven!—Pas op de deur, opdat niet een van die aangeklaagde vreemdelingen ontvluchte! En breng terstond de Kötek aleti (bastonnade-bank) hier!
Hij had dit bevel aan zijn eigen volk gegeven, en dat haastte zich het te doen. Humun en Suef plaatsten zich aan weerskanten van hem, en de anderen stelden zich op, tusschen ons en de deur, om ons het vluchten te beletten. Een van de vrouwelijke dienstboden ging om de noodige instrumenten te halen.
Toen zette zich Habulam in het midden der kamer en wenkte de twee om naast hem te komen zitten.
—Gij zijt de Schehadedschiler en Imdadlar, (getuigen en bijzitter),—zeide hij. Gij zult mijn vonnis bevestigen.
De drie sukkels zetten zulke ernstige ambtsgezichten, dat het mij moeite kostte niet hardop te gaan lachen.
—Sihdi,—vroeg Halef fluisterend,—zullen wij nu ook niet een woordje gaan meepraten? Het is toch eigenlijk een schande voor ons.
—Geen schande, Halef, maar een aardige komedie tot inleiding van het treurspel, dat wij straks zullen opvoeren. Wij zijn al zoo dikwijls van beschuldigden aanklagers geworden, en dat zullen wij ook nu vertoonen.
—Stilte!—riep Habulam mij toe.—Als de misdadiger voor zijn rechter staat, heeft hij te zwijgen. Janik, Anka, wat hebt gij daar achter die boosdoeners te staan? Later zult gij gestraft worden, omdat gij tegen mijn bevelen in hebt gehandeld. Gaat nu voorloopig daar van daan.
Het werd toch al te gek! Wij hadden natuurlijk onze wapens bij ons, en die oude zondaar dacht werkelijk dat wij ons aan zijn uitspraak zouden onderwerpen. Janik bleef met Anka bij ons staan; daarom herhaalde Habulam zijn bevel op nog strengeren toon.
—Neem me niet kwalijk,—zei ik,—maar deze personen zijn, sedert vandaag, in mijn dienst.
—Daar weet ik niets van.
—Maar nu zeg ik het u, dus weet gij het.
—Dat begrijp ik. Ze hebben zich laten omkoopen om mij ontrouw te worden; maar dat laat ik niet toe en zal ze ook daarvoor straffen.
—Daar zullen wij het nader over hebben,—antwoordde ik bedaard.—Maar zooals gij ziet, de rechtzitting kan beginnen.
Hij wees op de teruggekeerde dienstbode, die de bastonnade-bank bracht en voor hem neerzette.
Men moet zich zulk een bank voorstellen als oorspronkelijk vier pooten gehad te hebben, waarvan er nu één paar ontbrak, zoodat er nu nog maar twee aan het uiteinde waren. Die bank wordt nu omgekeerd op den grond gelegd, zoodat de twee bij elkaar zijnde pooten omhoog steken. Aan die pooten worden de voeten van den delinquent vastgebonden en hij zelf aan het lager eind, in gestrekte houding. Zoo gerekt en gestrekt, krijgt hij dan, op zijn naakte voetzolen, de hem toegedachte slagen of bloedende striemen.
Wat vreeselijke pijn dat doet, zal men begrijpen uit het feit, dat veeltijds reeds bij den eersten slag de voetzool openspringt. Een geoefend Khawasz slaat dwars op de smalle vlakte der zolen; hij begint bij de hielen en eindigt bij de teenen, zorgende dat de slagen opvolgend naast elkaar terecht komen. De eerste slag valt op den rechter, de tweede op den linkervoetzool, en zoo vervolgens. Zijn beide zolen van af de teenen tot de zolen opengeslagen, zonder dat de vereischte slagen gegeven zijn, dan moeten de overige rechthoekig op de vorige vallen. Dat noemt de Turk, die zoo’n executie wel aardig vindt, schaakbord slaan. (Satrandsch tachtassy wurmak).
Murad Habulam knipoogde welbehaaglijk tegen de bank, als zag hij een vriendelijken vriend. Daarna keek hij ons veelbeteekenend aan en riep een der achter ons staande knechten, zeggende:
—Bejaz, gij zijt de sterkste. Kom hier! Gij moogt uw kracht toonen bij de bastonnade.
De knecht, een lange sterke kerel, ging naar de bank, nam de rottan-stokken, door de dienstbode meegebracht, en liet ze welgevallig zwiepen.
Murad Habulam nam een trotsche overmoedige houding aan, kuchte en begon, zich tot mij wendende:
—Uw naam is Kara Ben Nemsi?
—Zoo noemt men mij hier,—antwoordde ik.
—Gij zijt de Heer en Gebieder van dezen Hadschi Halef Omar, die naast u staat?
—Niet zijn gebieder, maar zijn vriend.
—Dat komt op hetzelfde neer. Bekent gij, dat hij mij geslagen heeft?
—Ja.
—En ook Humun, mijn dienaar?
—Ja.
—Daar gij het bekent, behoef ik hem niet te ondervragen. Weet gij, hoeveel slagen hij Humun gegeven heeft?
—Ik heb ze niet geteld.
—Het waren er minstens twintig,—riep Humun.
—Goed. Ik heb er wel is waar maar een gekregen, maar——
—Jammer genoeg!—viel Halef hem in de rede.—Ik wou, dat gij er dubbel zooveel als Humun gekregen hadt!
—Zwijg!—beval Habulam met donderende stem.—Gij moogt slechts spreken als u iets gevraagd wordt. Wees Allah dankbaar, dat hij u verhinderd heeft mij nog een tweeden slag te geven. Ik ben hier Heer en Gebieder, en iedere slag, die men mij geeft, telt voor dertig. Dat maakt, met de twintig van Humun, vijftig die gij op uw voetzolen zult ontvangen. Kom naderbij en trek uw schoenen uit!
Bejaz, de knecht, nam de touwen, waarmee Halef op de bank zou gebonden worden. Ik zag naar mijn makkers. Het was een lust om te zien, hoe kalm en vastberaden zij mij aanzagen.
—Kom, vlug!—gebood Habulam. En daar Halef zich niet verroerde beval hij Bejaz:
—Vooruit en haal hem!
De knecht trad op Halef toe. Deze trok een van zijn pistolen uit zijn gordel, en legde aan, terwijl hij met zijn duim de beide hanen overhaalde. Verschrikt sprong Bejaz op zij en riep in grooten angst:
—O, Allah! Heer, de man schiet! Haal hem zelf!
—Lafaard!—antwoordde Habulam. Ge zijt een reus van een kerel en gij zijt bang voor zoo’n dwerg?
—Neen, niet voor hem, maar voor zijn pistolen.
—Hij mag niet schieten. Op, mannen! Grijpt hem! Brengt hem hier!
De dienstknechten keken elkaar bedenkelijk aan. Zij waren bang voor den Hadschi. Een echter bewees dat hij durfde. Dat was Suef, de kleermaker. Hij haalde een pistool uit zijn zak, terwijl wij vroeger zoo’n wapen niet bij hem hadden opgemerkt, en hij trad toe, tot Bejaz zeggende:
—Doe uw plicht! Als hij zijn pistool opheft, schiet ik hem neer!
Gisteren nog was die persoon het meest vredelievende en ongevaarlijkste kleermakertje en nu teekende zijn gezicht een uitdrukking van zoo intensen haat en vastberadenheid, dat andere menschen als wij er niet zonder reden bang voor zouden geworden zijn.
—Gij, kleermaker, gij wilt schieten?—zei Halef lachende.
—Zwijg! ik ben geen kleermaker. Wat hebt gij, vreemdelingen, hier bij ons te maken? Gij wilt ons verhinderen, te handelen, zooals wij dat willen, en gij zijt dom genoeg om mij voor een kleermaker aan te zien! Als gij wist, wie en wat ik ben, gij zoudt sidderen van angst. Maar gij allen, gij zult mij leeren kennen, en met u zal ik beginnen. Als gij niet terstond naar de bank gaat en daar uw schoenen uittrekt, dan zal ik u leeren gehoorzaam te zijn!
Dat was inderdaad ernstig gemeend. Halef keek hem schuins aan, nam zijn pistool in de linkerhand, waaruit ik begreep wat hij zou doen, en vroeg hoogst vriendelijk:
—En, als ik u vragen mag, hoe zoudt gij dat doen?
—Zoo, op deze manier!
Suef strekte den arm, om den Hadschi in de borst te grijpen, maar deze haalde bliksemsnel uit en gaf hem een zóó geweldige oorvijg, dat de man zijn pistool liet vallen en hals over kop tegen den grond sloeg. Voor hij tijd had om op te staan, zat Halef, die terstond zijn pistool bij zich had gestoken, geknield op hem, en bewerkte hem met zijn vuisten, zoo treffend en ongelooflijk vlug, dat de man geen tijd had om aan tegenweer te denken.
Habulam was van zijn plaats opgesprongen en brulde van woede. Humun gesticuleerde als een razende, maar waagde het niet, Suef ter hulp te komen. Het dienstpersoneel schreeuwde moord en brand, maar bleef op eerbiedigen afstand. Het was een helsch kabaal, tot Halef eindelijk opstond.
Suef hinkte naar de plek, waar zijn pistool te land was gekomen, maar de Hadschi was hem te vlug af en schopte het weg, zoodat het tegen mijn stoel vloog en daar bleef liggen. Suef sprong het achterna om het op te rapen en kwam zoodoende binnen mijn bereik. Juist toen hij bukte, vatte ik hem bij zijn nek en haalde hem omhoog. Mijn greep had ten gevolge dat hij z’n armen slap liet hangen en angstig naar lucht hapte. Osko raapte het pistool op en stak het bij zich. Ik gaf den kleermaker een slag, met mijn linkerhand, op zijn hoofd en zette hem op den grond voor mij neer.
—Hier blijft gij zitten, en verroert u niet,—beval ik hem. Zoodra gij de minste mine maakt, om zonder mijn verlof op te staan, knijp ik uw hersenpan, als een eidop te gruizel.
Hij liet zijn hoofd en armen zakken, en bewoog zich niet. Alle aanwezigen schreeuwden en gilden nog om het hardst.
—Neem uw zweep, Halef, en breng den boel tot bedaren!
Nauwelijks had ik het gezegd, of de zweep van den kleine streelde allergevoeligst Habulams rug. De oude schurk was terstond stil, ook Humun zweeg, en de anderen volgden oogenblikkelijk zijn voorbeeld.
—Ga daar zitten!—gebood ik, op strengen toon, onzen rechter en hij gehoorzaamde.
—Weg daar van de deur!—gebood ik den knechten.—Gaat in gindschen hoek en blijft daar staan, tot ik u zeg, dat gij gaan kunt.
Zij haastten zich te gehoorzamen. Wij hadden nu niemand meer achter ons en konden alles en allen overzien.
Blijkbaar wist Habulam niet wat hij zeggen of hoe hij zich houden moest. Fronsend wendde hij zich naar alle kanten, van den een naar den ander. Hij had de vuisten gebald en de lippen stijf op elkaar. Eindelijk opende hij den mond om in toorn tegen mij uit te varen.
—Zwijg, anders krijg je weer met de zweep!—riep ik hem toe. Nu is het mijn beurt. Denkt gij soms, dat wij u hier zijn komen zoeken, om ons de zolen door u te laten stuk slaan? Verbeeldt gij u dat wij personen zijn, die gij oordeelen of beoordeelen moogt? Wij zullen u vonnissen en dat voltrekken. Gij hebt de bastonnade-bank hier laten brengen, en wij zullen er ons van bedienen.
—Wat krijgt gij in uw hoofd. Wilt gij mij hier in mijn eigen huis——
—Stil—viel ik in. Als ik spreek, moet gij zwijgen. Uw huis is een moordenaarshol, en denkt gij dat——
Ook ik werd nu gestoord en gestuit. Osko gaf een schreeuw en vloog op den pseudo-kleermaker af. Maar ofschoon ik Humun meer bizonder in het oog hield, toch was mij de verdachte beweging van Suef niet ontgaan. Hij was inderdaad een hoogst gevaarlijk sujet.
Hij was de eenige die het gewaagd had om naar de wapens te grijpen. Nu kon hij gelooven, dat ik geen acht op hem sloeg. Hij had, met zijn rechterhand in den binnenzak van zijn vest gegrepen en een mes er uit gehaald. Bliksemsnel opspringende, wilde hij mij het blank geslepen lemmet in de borst stooten; maar het gelukte hem niet. Osko had hem nog te rechter tijd bij de gewapende hand gegrepen, en ook ik hem bij zijn strot gepakt.
Halef was ook terstond bij mij en wrong den andermaal overweldigde het mes uit de hand.
—Doorzoek alles wat hij aan heeft en op zijn lijf kan hebben, terwijl ik hem vast heb!—zeide ik.
Hij deed het en haalde een geladen tweeloops pistooltje, allerlei kleinigheden en een welgevulden geldzak voor den dag, dien hij opende, vragende:
—Ziet gij al die goudstukken? En die kerel deed zich voor, als een arme, die de dorpen afreisde en als kleermaker met moeite zijn brood verdienen kon! Dit geld is niet verdiend, maar zeker gestolen of geroofd. Wat zullen wij er mee doen?
—Doe het weer in zijn zak. Het komt ons niet toe; maar de wapens nemen wij hem af, opdat hij er geen onheil mede aanrichte.
Ik zette den kerel weer op den grond. Hij knarste van woede op zijn tanden. Wie en wat was hij eigenlijk? Als wij het hoorden, zouden wij van angst sidderen,—had hij gezegd. Ik moest hem voor ons onschadelijk maken en om dat gedaan te krijgen, behoefde ik geen gelijk met gelijk, geen moord met moord te vergelden. Een gevoelige straf moest hij hebben, een straf die hem tevens buiten staat zou maken, zich vooreerst met ons te bemoeien.
—Halef, Osko, Omar, bindt hem daar op de bank!—was mijn besluit.
De kerel had zich gehouden, alsof hij volkomen machteloos was geworden door mijn hem vastgrijpen bij zijn strot, maar nauwlijks had ik bevolen hem op de bank te binden of hij vloog op, was met twee sprongen bij Habulam, trok hem te gelijk mes en pistolen uit den gordel, wendde zich naar mij om en riep:
—Mij bastonneeren! Dat is het laatste woord, dat gij gesproken hebt!
Hij lei op mij aan, de haan knakte en het schot knalde. Ik had ter nauwer nood tijd, om met alle kracht, die mij ten dienste stond, mij op zij te werpen, zoodat ik met stoel en al om en op den grond viel. Ik was niet getroffen, maar zooals bleek, de kogel was tusschen Janik en Anka, die achter mij stonden, doorgevlogen en in de deur te recht gekomen.
Hoe ik het gedaan heb, met mijn voet in gips-verband, weet ik ook nu nog niet; maar ik had nauwlijks den grond geraakt, of ik vloog overeind en op den moordenaar af, niet met een sprong, neen, met een echten salto mortale duikelde ik over mijn handen weg. Juist waar de kerel stond, kwam ik neer, pakte den schurk met beide handen en viel met mijn aldus gevangene neer.
Murad Habulam en de zijnen stonden van schrik verstomd, onbeweeglijk en zonder geluid. Suef lag onder mij. Mijn knieën hield ik dwars op zijn schouders en zijn hoofd drukte ik achterover. Het afgeschoten pistool, dat gelukkig eenloops was, hield hij nog in de hand en in zijn rechter het mes. Dit zou mij gevaarlijk hebben kunnen worden, maar Halef met zijn onverstoorbare tegenwoordigheid van geest, knielde reeds naast mij en had de hand met het mes gegrepen.
—Osko, hier!—riep hij.—Op de bank met hem, zoodat hij geen vin meer kan verroeren!
In minder dan geen tijd was Suef op de bank gebonden, zooals dat voor de bastonnade noodig was. Janik bracht mijn stoel, en ik zette mij.
—Ziet gij nu wel, dat uw huis werkelijk een moordenaarshol is, zooals u daar straks gezegd is?—zeide Halef tot den oude op hoogen toon. Was onze Effendi niet zoo gewoon aan den strijd, had hij niet zooveel tegenwoordigheid van geest, dan lag hij nu dood voor den grond. Maar dan hadt gij eens wat gezien! Nu is alleen ons geduld ten einde. Nu zult gij ondervinden, wat het zeggen wil, op ons te schieten en ons vergiftigde spijzen voor te zetten!
—Daar weet ik niets van,—beweerde de oude.
—Zwijg! Straks komt de beurt aan u. Wij beginnen nu met dezen ellendeling. Hij heeft ons naar dit moordhol gebracht. Hij heeft geweten, dat men hier ons vermoorden zou. Sihdi, hij heeft naar u gestoken en op u geschoten, bepaal wat er met hem gebeuren zal! Zijt gij niet van oordeel dat hij den dood verdiend heeft?
—Ja, hij heeft den dood verdiend. Maar wij willen hem laten leven. Het zou kunnen zijn dat hij nog een ander mensch werd. Om hem tot die verandering aan te sporen, zal hij de bastonnade krijgen, die u toegedacht was.
—Hoeveel slagen?
—Dertig.
—Dat is te weinig; hij moest er vijftig hebben.
—Dertig is genoeg.
—Dan mogen ze ter dege raak zijn. Wie zal ze hem toedienen?
—Natuurlijk gij. Gij hebt er u op verheugd, Halef!
Ofschoon hij bij sommige gelegenheden dolgraag met zijn zweep te werk ging, toch verwachtte ik dat hij dit werk beneden zich zou achten. Ik had mij in mijn braven knaap niet vergist, want hij zei, zich trotsch afkeerende:
—Dank u, Effendi! Wanneer het er op aankomt respect in te boezemen met mijn zweep, dan ben ik bereid, maar een beulsknecht wil ik niet zijn. De zweep is een teeken van heerschappij; haar hanteer ik, maar geen stok. Een beul voltrekt een vonnis, en dat ben ik niet en wil het niet zijn.
—Goed gezegd! Bepaal dan zelf, wie het doen zal.
—Dat doe ik met genoegen. Het liefst zie ik, dat vrienden en kameraden elkander geven wat ieder hunner toekomt. Humun is de bloedsbroeder van den kleermaker. Hij mag hem de dertig slagen geven als een bewijs van hoogachting en broederliefde.
Die aanwijzing had mijn volle instemming. Ik toonde het door een vriendelijk knikje, wat ten gevolge had, dat Halef zich tot Humun wendde:
—Hebt gij gehoord, wat wij zeiden? Kom dus nader en stort over uw genooten de weldaden uit van de gerechtigheid!
—Dat doe ik niet!—luidde ’s mans weigering.
—Dat kan u geen ernst zijn. Ik raad u, denk aan u zelf. De dertig worden uitgeteld. Als gij ze hem niet geeft, krijgt gij ze zelf. Dat beloof ik u bij den baard van mijn vader. Vooruit dus! Draal niet of ik leer u, hoe te beginnen!
Humun begreep, dat hij er niet aan ontkomen kon. Hij ging naar de bank en nam een van de stokken op. Het was hem echter aan te zien, dat hij van plan was geen scherpe scherprechter te zijn. Daarom waarschuwde Halef hem:
—Maar ik zeg u, telkens als gij, naar mijn oordeel te zacht slaat, krijgt gij er een met mijn zweep. Doe dus uw uiterste best! Osko, vraag de zweep van den Effendi en ga aan de andere zijde van dezen al te zachtzinnigen man staan! Zoodra ik mijn Kurbatsche op hem laat neerdalen, doet gij hetzelfde met de uwe. Dat zal hem opwekken, om onze tevredenheid gaande te houden. Omar mag tellen en commandeeren.
Humun bevond zich in een pijnlijken toestand. Hij zou Suef gaarne gespaard hebben, maar rechts van hem stond Halef, links Osko, met de zweep in de hand! Hij was dus zelf in dreigend gevaar en zag in, dat hij gehoorzamen moest. In allen geval was het niet voor het eerst, dat hij dat werk deed; men zag het terstond aan de manier, waarop hij den stok even op de plek legde, die hij wilde raken.
Suef zei geen woord. Bewegen kon hij zich niet. Maar als de blikken, die hij ons toewierp, lemmetten waren geweest, had hij duizend dooden doen sterven.
Murad Habulam wendde het oog niet af, van wat er gebeurde. Zijn lippen trilden van beving! Telkens scheen hij te zullen spreken, maar telkens bedwong hij zich. Maar toen Humun den eersten haal deed, kon hij zich niet langer inhouden; hij riep:
—Houd op! Ik beveel ’t!
—Zwijg! Geen woord meer!—gebood ik. Ik wil u genadiger behandelen, dan gij het met ons van zins waart; maar zegt gij nog een enkel woord zonder mijn vergunning, dan neem ik u mee naar Uskub en lever u over aan ’t gerecht. Wij kunnen bewijzen, dat gij ons hebt willen vermoorden, en als ge soms denkt dat na onze verwijdering de rechters van dit land u zullen vrij laten, dan maak ik er u opmerkzaam op, dat in Uskub vele Balioslar (Consuls) zijn, die de macht hebben de strengste straffen voor u te vorderen. Wees dus verstandig en zwijg!
Als een, wien alle moed ontzinkt, zonk hij ineen. Hij kende de macht der hem genoemde Balioslar van de Mogendheden en was er bang voor; daarom zeide hij nu ook geen woord meer.
Suef kreeg zijn dertig slagen. Hij beet de tanden op elkaar en gaf geen enkel geluid, behalve dat van zijn knarstanden. Zoodra Humun de eerste bloedige striem zag, scheen hij er niet meer aan te denken, dat hij Suef had willen sparen. Er zijn menschen bij wie, door het zien van bloed, de bloedgierigheid komt. Wilden schijnen er dronken van te worden.
Ik had terstond bij den eersten slag, mijn oogen dicht gedaan. Het is allesbehalve aangenaam, een executie bij te wonen; maar ik verbeeldde mij nu, dat ik het aan Vrouwe Justitia en aan de menschheid verschuldigd was, hier geen genade te oefenen, en het vervolg heeft geleerd, dat Suef deze tuchtiging rijkelijk verdiende.
Hij had geen geluid gegeven; maar nauwelijks was de laatste slag gevallen, of hij riep:
—Raki, raki tabanlar Uzerinde dokyn, tschapuk, tschapuk,—raki, raki op mijn voeten, vlug, vlug!
Nu waagde Habulam het, om te spreken. Hij beval Anka, raki te halen. Zij bracht een flesch vol, Humun nam ze en stak allereerst hem den hals in den mond. Suef slikte een paar teugen, waarna het bijtende vocht in de wonden werd gegoten. Hij liet niets als een sterk gesis door zijn tanden hooren. Die man moest zenuwen van ijzerdraad hebben. Of had hij de hem toegediende straf reeds zóó dikwijls gekregen, dat zijn zenuwen er grootendeels aan gewend waren?
Hij werd van de plank losgemaakt en kroop naar Habulam. Daar ging hij met de beenen kruiselings zitten, liet het hoofd tusschen de knieën rusten en keek ons verachtelijk aan, waarna hij ons den rug toekeerde.
—Effendi, met den dieë hebben wij afgerekend,—zeide Halef. Wie komt nu aan de beurt?
—Humun—antwoordde ik kortaf.
—Hoeveel?
—Twintig.
—Van wien?
—Dat moogt gij bepalen!
—Murad Habulam!
De Hadschi was ook niet van gisteren. Door den eenen schurk te dwingen den andere te executeeren, zaaide hij haat en wraak onder die bende.
Habulam wilde zich onttrekken, zeggende:
—Humun is altoos mijn trouwe dienaar geweest, hoe kan ik hem dan bastonneeren!
—Juist omdat hij u trouw gediend heeft, moet gij hem dit handtastelijk bewijs uwer tevredenheid geven,—zeide Halef.
—Ik laat mij niet dwingen!
—Wanneer gij hem de twintig niet wilt geven,—besliste ik—dan krijgt gijzelf er veertig.
Dat werkte. Humun spartelde tegen toen hij op de bank gebonden werd, maar het hielp hem niets. Zijn heer en meester stond op en vatte aarzelend den stok; maar de twee zweepen sterkten zijn arm, zoodat de knecht zijn volle loon kreeg.
Humun verdroeg zijn tuchtiging niet zoo moedig als Suef. Hij gilde bij iederen slag, maar ik merkte op, dat op iederen gil de anderen bedienden vergenoegd knipoogden en met zekeren dank het aanzagen. Hij was de gunsteling van Habulam en had ongetwijfeld het dienstvolk gebeuld.
Ook hij liet brandewijn in de wonden aanbrengen en kroop toen achter in een hoek, waar hij ineengedoken neerzat.
—En wie nu?—vroeg Halef.
—Murad Habulam!—luidde mijn antwoord.
De genoemde stond nog naast de bank, met den stok in de hand. Verschrikt sprong hij achteruit en gilde:
—Wat? Hoe? Ook ik zal gebastonneerd worden!
—Natuurlijk.
—Maar niemand heeft daar het recht toe!
—Dat hebt gij mis. Ik ben het, die er het recht toe heb. Ik weet alles. Hebt gij uw huis niet gegeven, opdat wij er vermoord zouden worden!
—Dat is een gemeene leugen!
—Is niet uw broeder Manach el Barscha, de afgezette ontvanger van Uskub, gisteren in de vroegte, bij u geweest, om u onze komst en ook die zijner genooten te berichten?
—Dat moet gij gedroomd hebben; ik heb geen broeder!
—Dan heb ik zeker ook gedroomd, wat gij met hem hebt afgesproken; wij zouden in den toren, waar de oude moeder spookt, ingekwartierd worden, en uw knecht Humun zou voor spook spelen?
—Heer, van alles, wat gij vertelt, begrijp ik niets!
—Maar Humun weet dit alles heel goed, zooals ik aan den verwonderden blik zag, dien hij daar juist op mij richtte, omdat ik dit geheim ken. Het plan van het spoken moest opgegeven worden, en toen zijt gij op de gedachte gekomen, den toren te beklimmen en ons te vermoorden.
—Allah, Allah! Gij verzint allerlei dingen.
—Ook, dat de twee Aladschy’s mij zouden dooden? Barud el Amasat wilde Osko vermoorden, omdat er een veete tusschen hen bestaat van wege de ontvoering van Senitza. Uw broeder Manach nam Halef voor zijn rekening, en Humun verklaarde zich bereid, Omar om te brengen. De Miridiet trok zich terug, omdat hij vrede met mij gesloten en mij zijn Czakan gegeven had, die hier in mijn gordel steekt.
—Allah akbar! Hij weet alles! De booze blik heeft het hem gezegd!—kwam Humun over de lippen, verschrikt als hij was.
—Neen, hij weet niets, in ’t geheel niets!—schreeuwde Habulam. Ik ken niet een van al de mannen, wier naam gij zoo even hebt genoemd.
—Zij waren met u boven op den toren, en een paar uren vroeger waart gij allen, negen in aantal, binnen in de holle koornschelf, die nabij den toren staat.
—Er is bij mij geen holle schelf!
—Dan wil ik u die toonen en u zeggen, dat ik zelf tusschen de garven gekropen ben en u gezien en beluisterd heb. Ik heb ieder woord verstaan, ieder woord!
Hij ging achteruit en staarde mij vol schrik aan.
—Heeft de Miridiet, voor hij wegging, niet het mes getrokken tegen den ouden Mubarek?
—Ik—ik—ik weet van niets,—stamelde hij.
—Wel, dan wil ik er dien Suef eens op hooren, misschien weet hij het. En als hij niet antwoordt, dan maakt nog een dertigtal slagen hem de tong misschien wel los.
Op dat woord keerde de genoemde zich naar mij toe, liet zijn tanden zien, als een wild beest, wierp mij een grimmigen blik toe en siste:
—Hond! Wat geef ik om u of om die bastonnade! Hebt gij mij soms één klacht hooren uiten? Meent gij, dat ik bang voor u ben, zoodat ik door slaag gedwongen kan worden, om u de waarheid te zeggen?
—Zeg die dan, als gij werkelijk zoo moedig zijt als gij beweert.
—Ja, dien moed heb ik. Het is juist zooals gij hebt verteld. Wij hebben u willen dooden. Het is niet gelukt; maar bij Allah!—voor gij ver van hier zijt, hebben de kraaien uw lijken te pakken!
—Hij ijlt, hij ijlt!—riep Habulam. De wondkoorts doet hem ijlen!
—Lafaard!—schold schuimbekkend van woede Suef.
—Sihdi, vraag toch Humun ook,—zeide Halef. En als die soms wil zwijgen, dan zal ik dien knaap, met een nieuwe twintig, wel eens van de tongriem snijden.
Hij trad op den knecht toe, en nam hem bij den arm.
—Laat mij met rust, Hadschi van den Satan! Ik beken alles, alles!—gilde Humun.
—Is het, zooals de Effendi zei?
—Ja, ja, precies zoo!
—Ook hij ijlt van de wondkoorts!—riep Habulam.
—Welnu, dan wil ik twee andere getuigen voortbrengen. Janik zeg de waarheid! Is Habulam onschuldig?
—Hij heeft u willen vermoorden,—antwoordde de knecht.
—Schurk,—schreeuwde Habulam. Gij verwacht straf van mij voor uw ongehoorzaamheid en wilt u wreken!
—Anka,—ging ik door,—hebt gij gezien dat uw Heer rottekruid in onzen eierkoek heeft gedaan?
—Ja, antwoordde zij. Ik heb het duidelijk gezien.
—O Allah, wat een leugen! Heer, ik zweer bij den Profeet en bij alle heilige Khalifen, dat ik volkomen onschuldig ben!
—Nu hebt gij nog bovendien een afschuwelijken meineed gezworen die——
Ik werd in de rede gevallen. Dat Habulam den Naam van den Profeet en het aandenken der Khalifen door zulk een valschen eed ontheiligde, dat maakte de aanwezige Mohammedanen woedend. Halef greep naar zijn zweep; een toornige uiting werd rondom gehoord. Humun was op zijn wonde voeten opgestaan, kwam aanstrompelen, spoog zijn Heer in het gelaat en zeide:
—Pfui-Hadje! Zijt vervloekt tot in alle eeuwigheid! Uw lafheid brengt u in de Dschenna! Ik heb een Heer gediend, dien Allah zal doen verzinken in de diepste diepte der verdoemenis. Ik verlaat u. Maar eerst rekenen wij af.
En daar stond ook Suef bij den oude, spoog hem eveneens en zeide:
—Schande over u en over de dagen uwer grijsheid! Uw ziel ga verloren en uw gedachtenis uitgeroeid bij alle geloovigen! Weg van mij, ellendeling! Ik wil niets meer met u te doen hebben!
Beiden wankelden weer naar hun plaatsen. Een moord namen zij zonder eenig bezwaar op hun geweten, maar tegen een lastering van den Profeet en zijn opvolgers kwam al wat in hem was, op.
Habulam stond, alsof de donder hem had getroffen. Hij hield de handen aan zijn voorhoofd. Plotseling hief hij de armen omhoog en riep:
—Allah Allah! Ik heb misdaan! Maar ik vlek mijn misdaad uit. Ik beken, dat gij zoudt vermoord worden, en ik vergif in uw eten deed!
—Allah il Allah, Muhammed rassuhl Allah!—weerklonk het aan alle kanten.
En Halef trad op hem toe, legde hem nadrukkelijk de hand op den schouder en zeide:
—Gelukkig voor u, dat gij dien eed weer terug genomen hebt! Mijn Effendi zou het mij niet toegestaan hebben, maar ik zweer het u bij den baard van den Profeet, dat de zon van uw leven zou ondergegaan zijn, voor ik dit huis had verlaten! Ge bekent dus uw schuld?
—Ja.
—Dan zult gij ook de straf ondergaan, die wij u opleggen. Effendi, hoeveel slagen moet hij hebben?—vroeg Halef.
—Honderd,—antwoordde ik.
—Honderd! kreunde de oude. Dat overleef ik niet!
—Dat is uw zaak! Gij krijgt honderd slagen op uw voetzolen!
Hij viel bijna in zwijm. Ik zag zijn knieën onder hem knikken. Hij was een groot misdadiger, maar een nog grooter lafaard.
—Wees barmhartig!—jammerde hij. Allah zal het u vergelden!
—Neen, Allah zou over mij toornen, indien ik zoo tegen zijn wetten handelde. En wat zouden Suef en Humun zeggen, wanneer ik u de straf schonk, die ik hen deed lijden.
—Op de plank met hem,—riep Suef.
—Geef hem de honderd,—viel Humun in.
—Gij hoort het!—zeide Halef.—Allah wil het, en wij willen het ook. Kom dus hier! Leg de ledematen op de bank, opdat wij u binden.
Hij vatte hem bij den arm, om hem neer te trekken. De bange oude wrong zich als een worm en jammerde als een kind. Ik wenkte Osko en Omar. Zij pakten aan en drukten hem op de bank.
—Houdt op, op, houdt op!—kreet hij. Ik moet er door dood gaan! Als ik bezwijk, dan zal mijn geest verschijnen en u aldoor verontrusten!
—Geef aan uw geest den goeden raad, bij mij niet te komen—plaagde Halef. Wanneer hij bij mij om een hoekje komt kijken, bijt ik hem den neus af.
Hoe hij ook tegenspartelde, hij werd toch gebonden. Zijn naakte knokkige voeten trokken alsof zij nu al de pijn der slagen voelden.
—Wie neemt den stok?—vroeg Halef.
—Gijzelf,—antwoordde ik.
Hij wilde daar tegen opkomen, maar ik wenkte hem, dat hij zwijgen zou, en hij begreep mij.
—Verblijd u, Murad Habulam,—zeide ik,—dat ik het ben, die u de straf oplegt. De honderd zullen zóó zijn, alsof het er duizend waren. Dat zal uw ziel van heel wat zonden ontlasten.
—Barmhartigheid, genade,—smeekte de oude. Ik wil de slagen afkoopen.
—Afkoopen?—lachte Halef. Gij steekt er den gek mee! De gierigheid is uw grootvader en de hebzucht is de moeder uwer voorouders.
—Neen, neen! Ik ben niet gierig; ik betaal alles, alles!
—Dat zal de Effendi niet toestaan; maar ik zou toch wel eens willen weten, hoeveel gij zoudt willen geven om aan die slagen te ontkomen.
—Ik geef u gaarne voor iederen slag een heelen piaster.
—Dus honderd piasters? Zijt ge dol? Van de honderd voetslagen die gij krijgt, hebben wij voor tien duizend piasters voldoening en gij voor tien duizend piasters pijn, met nog eens tien duizend reparatie-kosten van die oude beenen, als ze ooit te repareeren zullen zijn. Dat zijn er dus totaal dertig duizend. En gij biedt er ons honderd! Schaam u!
—Ik geef tweehonderd!
—Zwijg! Ik heb geen tijd om naar die vrekkige woorden te luisteren. Ik moet beginnen.
Hij ging bij de naar boven uitstekende voeten van den oude staan, deed alsof hij met den stok op de te raken plek mikte, en haalde schijnbaar voor den slag uit.
—Allahy fewersin, dôjme, om Godswil, sla niet!—steunde Habulam. Ik geef meer. Ik geef veel, veel meer!
Zeker was de heele geschiedenis, ja de gansche executie geen aesthetische vertooning: ook erken ik dat ik ze niet tot mijn stichting bijwoonde; maar ik verzoek mijn lezers niet van onchristelijkheid of barbaarschheid te spreken. Toegestemd dat de handeling op zich zelve minderwaardig genoemd zou kunnen worden, toch was zij volkomen gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin wij ons bevonden.
Wij bevonden ons niet in een geciviliseerd land; wij hadden met menschen te doen, die geboren en opgevoed waren onder de beklagenswaardige toestanden van Klein-Azië. En vóór alles houde men in het oog, dat deze menschen behoorden tot een wijdvertakte en hoogst gevaarlijke dieven-bende, die voor geen moord terug deinsde. In Constantinopel zelfs, en van daar af tot hier in Kilissely, hadden wij te doen gehad met sujetten, voor wie niets heilig was. Voortdurend waren wij in levensgevaar geweest, en ook nu nog loerde van alle zijden het verderf op onzen weg. Men had ons met veel overleg en huichelarij in dit huis gelokt, om ons, hoe dan ook, te vermoorden. Geen middel had men daartoe ontzien. Er was op mij geschoten, naar mij gestoken. Was het wonder, dat wij, die altijd door op ons qui vive moesten zijn en voor niets veilig waren, in een bittere stemming waren? In deze omgeving hadden wij op geen regeerings-hulp te rekenen; wij waren geheel op ons zelf aangewezen. Welke straf verdienden de aanslagen, tegen ons gedaan?
Was het een gruwel of bloeddorstig, deze goddelooze godvergeten schurken, die zich in onze handen bevonden, te straffen met een bastonnade, die zij naar ’s lands wet hadden verdiend? Zeer zeker niet! Integendeel, ik ben overtuigd, dat wij al te zacht zijn opgetreden.
Dat wij den ouden Habulam, dien giftmenger, eenige benauwde oogenblikken lieten doorleven, wie zal ons dat euvel duiden? Ik had daarmede een goede bedoeling. En wat ik deed, moge in Europa strafbaar zijn, in deze streek stond ik boven de wet en deed wat de omstandigheden eischten.
—Gij wilt meer geven? vroeg Halef.—Hoeveel dan?
—Ik betaal driehonderd—en daar de Hadschi andermaal uithaalde om toe te slaan, voegde hij er ijlings bij—vierhonderd, vijfhonderd piasters! Ik heb niet meer dan vijfhonderd.
—Nu dan, als gij niet meer hebt, dan moet gij er bij nemen, wat onze toorn u wil schenken. Wij zijn werkelijk rijker dan gij. Wij hebben een voorraad stokslagen, groot genoeg om heel Kilissely er van te geven. Om u dat te bewijzen, willen wij allereerst mild zijn jegens u en tellen er u nog vijftig meer toe, zoodat gij er nu honderd vijftig krijgt. Ik vertrouw dat gij onze mildheid dankbaar zult erkennen.
—Neen, neen, ik wil er geen honderd vijftig! Ik wil er zelfs geen honderd!
—Ze zijn u echter beloofd, en daar gij zóó arm zijt dat gij maar vijfhonderd piasters over hebt, is er aan onze belofte niet te veranderen. Omar, kom weer tellen! Ik wil eindelijk beginnen.
Hij haalde uit en gaf den ouden schurk den eersten slag op den rechter voet.
—Allah kerihm!—gilde Habulam. Ik betaal zeshonderd piasters!
—Twee!—kommandeerde Omar.
De slag viel op den linker voet.
—Houd op, houd op! Ik geef achthonderd, negenhonderd, duizend piasters!
Halef wierp mij een vragenden blik toe, en liet, op mijn knikken, den reeds opgeheven stok weer zakken, zeggende:
—Duizend? Heer, wat beveelt gij?
—Dat zal van Habulam afhangen,—antwoordde ik. De vraag is, of hij duizend piasters baar heeft liggen.
—Ik heb ze. Ze liggen daar!—lichtte de oude toe.
—Dan kunnen wij er eens over denken.
—Wat valt daarover te denken? Gij krijgt het geld en kunt er vroolijk van leven.
—Dat hebt gij mis. Gesteld, dat ik zoo genadig ben, u de straf kwijt te schelden voor duizend piasters, dan worden die aan de armen gegeven.
—Doe er mee, wat gij wilt, maar laat mij los!
—Ter wille van de armen, voor wie dat geld bestemd is, zou ik misschien toegeven; mits gij nog op een andere voorwaarde ingaat.
—Nog een voorwaarde? O Allah, Allah! Moet gij nog meer geld hebben?
—Neen. Ik wil slechte dat gij Janik en Anka terstond uit uw dienst ontslaan zult.
—Wat graag! Hoe eer zij oprukken, hoe liever het mij is!
—Maar gij betaalt ze hun loon terstond en zonder eenige korting!
—Ze zullen alles hebben.
—Goed, maar èn aan hem èn aan haar geeft gij een zeer aanbevelend getuigschrift!
—Ook dat.
—Mooi! Zij verlaten uw huis, tegelijk met mij. Uskub ligt te ver van hier om er heen te loopen. Ook kunnen zij niet dragen, wat hun toebehoort. Daarom verlang ik, dat ze er heen rijden in den wagen, die ginds in de schuur staat.
—Wai sana! Daar denk ik niet aan!
—Zoo als gij wilt. Halef, ga voort! Geef den derden slag.
—Halt, halt!—gilde de oude, toen hij zag dat Halef uithaalde. Het is toch onmogelijk, hun den wagen te geven!
—Waarom?
—Zij zouden dien niet teruggeven.
—Janik en Anka zijn eerlijke menschen. Overigens kunt gij hen door de rechtbank tot teruggeven dwingen.
—Maar Uskub is te ver van hier!
—Hebt gij niet gezegd, dat uw vrouw op het oogenblik daar is?
Hij spartelde nog een poos tegen, maar eindelijk stond hij toch toe, dat Janik en Anka met zijn wagen en paard tot Uskub zouden rijden, waar deze aan zijn vrouw zouden afgegeven worden.
—Nu zijn wij het toch eindelijk eens?—vroeg hij met een diepen zucht.
—Nog niet. Gij moet mij een schriftelijke bekentenis geven van wat gij met ons hebt willen doen.
—Wat wilt gij met die bekentenis doen?
—Die stel ik aan Janik ter hand. Zoodra gij vijandig tegen hem optreedt, dient hij die bij de rechtbank in.
—Dat is mij te gevaarlijk!
—Halef, neem den stok!
—Wacht toch wat!—riep de oude. Bedenk toch, dat hij die bekentenis tegen mij gebruiken kan, ook wanneer ik in ’t geheel niets tegen hem doe!
—En gij moogt bedenken, dat uw gevaar er niets grooter door wordt. Al uw dienstpersoneel, zooals het hier staat, heeft uw bekentenis gehoord. Zij allen weten, wat er voorgevallen is, en al spoedig zullen alle bewoners van deze streek weten, dat wij vermoord moesten worden, en dat gij een giftmenger zijt. Alle menschen zullen u verachten en mijden. Juist dit, wat u wacht, heeft mij doen besluiten u te sparen. Gij krijgt uw straf, zonder dat ik wraak neem. De schriftelijke bekentenis, die ik van u eisch, bespoedigt of verzwaart die straf niet. Bezin u dus niet lang, ik heb geen tijd.
Halef bevestigde mijn woorden, door met den stok over de gewonde voeten van den oude te kriewelen, alsof hij op nieuw zou beginnen. Dat werkte.
—Gij zult het papier hebben,—zeide Habulam. Maak mij dan nu los.
Het geschiedde, en hij werd onder toezicht van Halef en Osko naar zijn woning gebracht, waar hij het geld moest halen, als ook het schrijfmateriaal.
Hij strompelde zachtjes aan naar binnen, en zijn twee wachters gingen mee. De achteraf staande knechten en vrouwen fluisterden met elkaar. Een uit hun midden trad vooruit en zeide:
—Effendi, wij willen niet langer bij Habulam blijven; maar hij zal ons niet goedschiks laten gaan, en nu zouden wij u willen verzoeken, hem er toe te dwingen.
—Dat kan ik niet.
—Gij hebt het toch voor Janik en Anka in orde gebracht!
—Hun was ik dank verschuldigd. Zij hebben ons het leven gered. Gij waart de gewillige dienaren van de moordenaars.
—Dat is niet zoo, Effendi!
—Hebt gij dan niet op hun paarden gepast?
—Ja, maar wij hebben den ganschen nacht in den regen gestaan en wij verwachtten een fooi; toen de mannen echter weggingen, waren zij ontzettend boos en beloonden ons met eenige geduchte klappen.
—Wanneer zijn ze weggereden?
—Toen het even begon te schemeren.
—In wat richting?
—Zij volgden den Uskuber straatweg.
—Waar stonden hun paarden?
—Buiten het dorp, bij de Aiwa aghadschylar (kweeboomen).
—Als gij er mij heenbrengt, wil ik trachten uw ontslag te verkrijgen.
—Dan doe ik het graag.—Op dat oogenblik kwam Habulam met zijn twee begeleiders terug, Omar droeg papier, inkt en pennen. Halef kwam met een zak en zeide:
—Hier zijn de duizend piasters, Sihdi. Ik heb ze nauwkeurig geteld.
Ik stak den zak bij mij.
Habulam was naar Janik en Anka gestrompeld. Hij gaf beiden hun geld en zeide op grimmigen toon:
—Maakt dat gij wegkomt en geeft den wagen eerlijk terug. Ik zal dagelijks Allah bidden, rampen en tweedracht over uw huwelijk uit te storten.
Die woorden maakten den toorn van Janik gaande. Hij stak het geld bij zich en antwoordde:
—Gij vervloekt ons, maar zelf zijt gij een booswicht, zooals er geen tweede op aarde is. Ditmaal zijt gij den beul ontkomen, omdat de Effendi een Christen is en genade voor recht heeft laten gelden, maar de dag is nabij, dat uw geheele bende haar welverdiende straf zal ondergaan. Uw dagen zijn geteld, want uw aanvoerder zal vallen door de dapperheid van den Effendi.
—Laat hij hem maar zoeken!—zei Habulam hoonend.
—O, hij zal hem vinden; hij weet al, waar hij zit!
—Ah, weet hij dat werkelijk?
—Denkt gij, dat het ons niet bekend is? Ik zelf zal met hem meegaan naar Karanorman-Khan, om den Effendi bij te staan.
Daar was het woord er uit! Ik had den onvoorzichtige gewenkt; hij zag het niet. Ik wilde hem in zijn vloed van woorden stuiten, maar hij sprak te rad, dan dat het mij kon gelukken. En ik, die het geheim wilde houden, dat de naam mij bekend was!!!
Habulam luisterde aandachtig toe. Zijn gezicht had een zekere spanning.
—Kara—nor—man—Khan!—riep hij,—de beide lettergrepen, nor man afzonderlijk intoneerende. Wat is dit voor een plaats?
—Een plaats bij Weicza, waar uw aanvoerder zich ophoudt.
—Kara—norman—Khan! Ah, die is goed! Wat zegt gij er van, Suef?
Dat zeggende stiet hij een hoonend gelach uit.
De gewaande kleermaker had zich omgekeerd, toen hij den naam hoorde, en Janik scherp aangezien. Op de vraag van Habulam barstte hij in lachen uit, en antwoordde:
—Neen maar! Die is prachtig! Laten zij er heengaan en hem zoeken. Ik zou er wel eens bij willen zijn, om te zien, wat voor gezichten zij trokken, als zij den aanvoerder daar vonden.
Deze houding verraste mij. Ik dacht, zij zouden schrikken, en... zij lachten mij uit. Het was aan hen te zien en te hooren, dat zij niet veinsden. Daaruit wist ik met zekerheid, dat de aanvoerder zich niet te Karanorman Khan bevond.
Maar ik had toch op het papiertje gelezen, dat Barud el Amasat daar ter plaatse besteld was. Of was er een plek, met een gelijksoortigen naam?
Dat vermoeden kon ik thans niet verder uitwerken. Ik had mijn tijd noodig om te schrijven. Dat deed ik op Oostersche manier, namelijk op mijn knie. De anderen hielden zich stil, om mij niet te storen.
Murad Habulam had zich naast Suef gezet, en zij beiden fluisterden met elkaar. Wanneer ik bij wijlen van ter zijde opkeek, merkte ik op, dat zij zich boosaardig vroolijk over ons maakten. En die stille vroolijkheid ging eindelijk in luid gegrinnik over. Die onbeschoftheid ergerde mij.
—Ga naar de schuur, en span het paard voor den wagen, beval ik Janik. Laad uw goed op, wij vertrekken al gauw.
—Zal ik onze paarden voorbrengen?—vroeg nu Halef.
—Nog niet. Maar ga nog eens naar den toren. Ik heb gezien dat daar nog stukken zijn van de vergiftigde ommelet, brokken waarvan de doode musschen hebben gegeten. Zamel die voorzichtig bijeen; misschien hebben wij ze nog noodig.
De kleine scherpzinnige Hadschi begreep mij terstond en zeide duidelijk:
—Ik heb ook nog het peperhuisje met rottekruid, dat wij onzen vriendelijken gastheer Habulam afnamen.
—Dat is probatum. Habulam schijnt zich over ons vroolijk te maken; ik zal er voor zorgen, dat hij wat ernstiger wordt.
Halef, Janik en Anka verwijderden zich. De eerste kwam terug, toen ik met mijn schrijverij gereed was. Hij had een verzameling grootere en kleinere stukken,—voor een scheikundige onderzoeking meer dan voldoende.
—Effendi, wat wilt gij met die dingen doen?—vroeg Habulam, nu niet meer lachende.
—Ik breng ze te Uskub naar den apotheker van de politie, om te laten uitmaken, dat er uit dit vergift-zakje in de ommelet gedaan is.
—Maar het is toch nu volkomen onnoodig om dat te laten uitmaken!
—Volstrekt niet. Ik wil daarmee een eind maken aan uw onbeschaamd gegrinnik.
—Wij hebben niet gelachen!
—Lieg niet! Gij maakt daarmee de zaak slechts erger.
—Wij moesten over dat Karanorman Khan lachen.
—Waarom?
—Omdat wij het in ’t geheel niet kennen.
—Is dat een reden om zoo te grinniken?
—Neen, maar Janik sprak van een hoofdman, van wien wij niet het minste weten, en de plaats Karanorman kan ons nog minder schelen.
—Zoo....? Gij weet dus niets van den Sjoet af?
—Neen—antwoordde hij, ofschoon hem een beweging van schrik ontsnapte, toen ik dien naam noemde.—Ik ken noch hem noch de plaats, waarvan gij hebt gesproken.
—Kent gij dan ook geen plaats, met een soortgelijken naam?
Ik keek hem scherp aan. Hij kuchte en slikte, sloeg de oogen neer en antwoordde:
—Neen, ik ken er zoo geen een.
—Zie, ik merk weer aan u dat gij liegt. Gij kunt u niet zoo goed houden, als noodig is om mij van de wijs te brengen. Wij willen toch eens zien, hoe ver wij het met uw geheugen brengen.
Ik haalde mijn portefeuille te voorschijn. In een der vakken was het briefje, dat Hamud el Amasat aan zijn broeder Barud el Amasat had geschreven en dat in mijn handen was gevallen. Ik nam het er uit en bekeek het op nieuw met alle opmerkzaamheid.
Met de gedachte, dat het woord Karanorman Khan onduidelijk kon geschreven zijn, had ik het nog niet bekeken, en daarom had ik steeds geloofd, het goed gelezen te hebben. Maar nu viel mijn oog nauwelijks op den bewusten naam, of ik wist, waar ik aan toe was.
Het Arabische schrift heeft namelijk geen letters voor de vokalen; deze worden meer door de zoogenaamde Hareket (leesteekens) aangeduid. Dat zijn streepjes of haakjes, die boven of onder de bijbehoorende consonanten worden gesteld. Zoo beteekent b.v. een streepje (—), dat Ustum of Esre genoemd wordt, a of e, wanneer het boven een consonant of medeklinker staat. De zoogenaamde Oeturu, een haakje, zooals dit: ' staande boven een letter, beteekent o of u of te wel ö of ü. Er kan dus, vooral bij onduidelijk schrift, allicht een verwisseling voorkomen. Dat was ook mij bij het lezen van het briefje gebeurd.
Ik had namelijk een klein zwart plekje op het papier voor een Oeturu gehouden en een dwarsstreepje onder de letter niet opgemerkt, omdat het zóó klein was uitgevallen dat het nauwelijks te zien was. Er moest dus geen o, maar een i gelezen worden. De naam luidde alzoo niet Karanorman, maar Karanirwan Khan. Want de schrijver had ook door slordig schrift, de figuur van de W aan die van de M gelijk gemaakt.
Toen ik van het briefje opzag, bemerkte ik tot mijn verwondering, dat Habulam met gretige oogen er naar tuurde.
—Wat hebt gij daar, Heer?—vroeg hij.
—Een briefje, zooals gij ziet.
—Ja, maar wat staat er op dat papier?
—Wel, ik lees er den naam Karanorman Khan op.
—Mag ik even zien?
Kende hij Hamd el Amasat? Was hij bekend met het geheim dat wij naspeurden? Dan zou hij ongetwijfeld het briefje willen vernietigen. Maar neen, dat zou hem niets baten, daar ik den inhoud immers kende!
Het leek mij dus meer geraden toe, hem het briefje te laten zien. Wanneer ik hem dan tevens scherp gadesloeg, kon ik wellicht door de uitdrukking op zijn gezicht, tot eenige gevolgtrekking komen.
—Hier hebt gij het,—zeide ik. Maar pas op, want ik heb het nog noodig.
Hij nam het papier en bekeek het. Ik zag, dat hij verbleekte. Tegelijk hoorde ik een zacht, maar beteekenisvol keelgeschraap van Halef. Er was iets, waarop hij mijn aandacht wilde vestigen. Zonder eenig merkbare beweging keek ik naar zijn kant en hij wenkte mij, dat ik op Suef moest letten. Toen ik nu mijn oog, even snel als onverschillig, naar den aangeduide liet dwalen, zag ik, dat hij zich ter halve hoogte, op één knie oprichtte en het voor hem belangrijke trachtte te zien en te hooren. Zijn oogen waren strak op Habulam gericht, en zijn gelaat was in de grootste spanning om toch geen toon of teeken zich te laten ontgaan.
Toen werd het mij duidelijk, dat die twee van dat briefje meer wisten, dan ik had kunnen vermoeden, en nu speet het mij, dat ik van mijn spoedig weggaan had gesproken. Had ik nog langer hier kunnen blijven, dan was het mij misschien mogelijk geweest, hun betrekking tot den Shoet te weten te komen. Daar was, helaas, nu niets aan te veranderen.
Intusschen was Habulam tot bezinning gekomen. Hij schudde met het hoofd en zeide:
—Wie zou dat kunnen lezen? Ik niet. Dat is geen taal!
—Toch wel!—antwoordde ik.
—Ja, lettergrepen zijn het, maar die vormen geen woorden!
—Zoo als zij volgen, behooren ze ook niet bij elkaar. Leest men ze in een andere volgorde, dan krijgt men een duidelijken zin.
—Kunt gij dat?
—Zeker.
—Doe het dan eens!
—Gij schijnt veel belang te stellen in dit briefje.
—Omdat ik niet geloof, dat iemand het lezen kan en gij het tegendeel beweert. Voeg de lettergrepen juist bijeen en lees mij voor, wat er geschreven is.
Op het papier ziende, maar tevens hem en Suef scherp waarnemende, zeide ik:
—De woorden, uit de verspreide lettergrepen gebouwd, luiden: IN PRIPEH BESTE LA KARANORMAN CHAN ALI SA PANAJIR MENELIKDE. Verstaat gij dat?
—Slechts enkele woorden.
Ik had verstaanbaar gelezen, zooals een plotselijke trekking op zijn gelaat verried. Suef was verschrikt tot zijn loerende houding teruggedoken. Ik wist nu waar ik aan toe was, en zeide:
—Het is een menging van Turksch, Servisch en Rumeensch.
—Maar waartoe die menging? Waarom heeft de schrijver zich niet van een enkele taal bediend?
—Omdat de inhoud van dit briefje niet voor jan-en-alleman bestemd is. De Shoet en zijn bondgenooten hebben onder elkaar een geheimschrift. Zij ontleenen hun woorden aan de drie genoemde talen en zetten de lettergrepen wel naar een vasten regel van elkaar, maar toch schijnbaar zoo door elkaar, dat een oningewijde hun schrift niet kan lezen.
—Scheitan, duivel!—kwam zachtjes over Suefs lippen.
Hij was zich toch niet geheel meester kunnen blijven, verrast als hij werd, door mijn bekendheid met hun geheimschrift. Zijn uitroep zeide mij, dat ik volkomen juist had vermoed.
—Maar gij hebt het kunnen lezen!—wierp Habulam mij tegen terwijl zijn stem van innerlijke ontroering beefde.
—Dat ziet ge.
—Dan zijt ge een eedgenoot van den Shoet?
—Gij vergeet, dat ik een Westerling ben.
—Gij wilt zeggen, dat gij slimmer zijt dan wij?
—Ja.
—Heer, dat is nog al stout gesproken!
—Het is volkomen waar. Voor u is dit geheimschrift voldoende, maar omdat het zoo dom verzonnen is, is het gemakkelijk te ontcijferen.
—Maar wat beteekenen dan die voor mij onbegrijpelijke woorden?
Hij wilde zich alleen overtuigen, of ik ze al dan niet begreep, want hij zelf had ze zeer goed kunnen lezen.
—Ze zeggen: “Zeer spoedig bericht in Karanorman Khan, maar na de jaarmarkt in Menelik.”
—Dus moet het heusch zoo gelezen worden?—vroeg hij met kinderlijke verwondering. Is dit briefje voor u zoo belangrijk, dat gij mij waarschuwen moest het niet weg te laten gaan?
—Ja, want ik zoek den Shoet en hoop hem met behulp van dit briefje te vinden.
—Gij waart dus op de jaarmarkt te Menelik en wilt nu naar Karanorman Khan?
Ik beaamde dit terstond en zóó onbevangen, dat hij mij wel houden moest voor iemand die zich gaarne liet uithooren. Hij viel in den strik en informeerde verder:
—Maar wie heeft toch dit briefje geschreven?
—Een kennis van u, en wel Hamd el Amasat. Hij is de broer van Barud el Amasat, die nog dezen nacht bij u in huis is geweest.
—En toch heb ik nog nooit over hem hooren spreken. Waar hangt hij dan uit?
—Hij was betrokken bij de zaak van den handelaar Galingré in Skutari. Maar nu is hij niet meer bij hem. Hij wilde naar den Shoet, bij wien hij met zijn broeder Barud overleggen wil.
—Hoe weet gij dat?
—Het briefje zegt het mij.
—Effendi, gij hebt een scherp verstand. Wat gij mij van uw boozen blik hebt verteld, moest alleen dienen om mij in de war te brengen. Gij bezit den boozen blik in ’t geheel niet. Uw scherpzinnigheid heeft u alles gezegd. Vermoedelijk zult gij ook nog wel dat Karanorman Khan vinden, dat gij zoekt.
—Ik heb het al gevonden.
—O neen! De plaats door u genoemd is de rechte niet.
—Habulam, gij hebt daar een groote domheid begaan.
—Ik zou niet weten, welke, Effendi!
—Gij hebt u zelf gelogenstraft. Eerst hebt gij beweerd, den Shoet niet te kennen, en nu hebt gij toegegeven, dat gij weet waar hij woont.
—Ah! geen woord heb ik gezegd.
—Toch wel! Gij hebt mij gezegd, dat de Karanorman Khan bij Weicza niet de plaats was, waar hij woonde; bij gevolg moet gij zijn ware woonplaats weten.
—Heer, dat is maar een vermoeden, een ongerechtvaardigde gevolgtrekking van u.
—Ik ben overtuigd, dat ik een zeer juiste gevolgtrekking heb gemaakt.
—Laat het voor het oogenblik zoo zijn, dan kunt gij nog niet beweren, dat gij het ware Karanorman Khan gevonden hebt. Gij weet alleen nog maar dat de plaats door u genoemd, de ware niet is.
Hij zette een gewichtig gezicht, als een meerdere in wetenschap. Hij had een zeer vertrouwelijken toon aangeslagen, en daar ik schijnbaar argeloos antwoordde, had een oningewijde kunnen denken, dat wij de beste vrienden waren en over een onverschillig onderwerp gemoedelijk keuvelden. Hij legde nadenkend den vinger op den neus en zeide:
—Gij zijt, zooals ik nu inzie, zeer toegevend voor ons geweest. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn voor uw reis. Daarom zeg ik u: ik vermoed dat er meer plaatsen zullen zijn met soortgelijken naam, en daarom geef ik u den goeden raad, ga in Uskub naar de Overheid en laat u een Fihristi mekian (kaart van den omtrek) geven, en gij zult terstond zien, hoeveel plaatsen er zijn, die Karanorman heeten en waar zij liggen.
—Ook ik was dat van plan, maar ben tot andere gedachten gekomen, want het Rijk van den Padischah wordt zeer slecht bestuurd. Ik ben overtuigd, dat er in een zoo belangrijke stad als Uskub, of geen terrein-kaart is, of een die niet deugt. Ik rijd in ’t geheel niet naar Karanorman Khan.
—Waar dan heen, Effendi?
—Ik neem het briefje en.... verander de O in een I, en de M in een W en rijd dan naar Karanirwan-Khan.
Ik zei dat langzaam en met bizonderen nadruk. Daar ik hem daarbij scherp aanzag, ontging het mij niet dat hij van kleur verschoot en verschrikt met zijn hand naar zijn hoofd greep.
—Scheitan, duivel,—hoorde ik Suef weer zacht sissen.
Ook deze uiting van woede bewees mij dat ik op het rechte spoor was.
—Is er dan een plaats van dien naam?—vroeg Habulam langzaam en op gedempten toon.
—Nirwan is een Perzisch woord; dus zal men die plaats wel nabij de Perzische grens moeten zoeken. Maar weet gij, wat Lissan aramaki (taal-studie) is?
—Neen, Effendi.
—Dan kan ik ook niet verklaren, waarom ik uit de samenstelling van het woord tot het vermoeden kom, dat de plaats naar den hoofd-eigenaar genoemd is.
—Misschien begrijp ik het nu toch wel!
—Dat betwijfel ik toch. De bedoelde eigenaar is een Nirwani, een man uit de Perzische stad Nirwan. Hij heeft een zwarten baard gehad en werd daarom Kara, de zwarte, genoemd. Hij werd hier dus Karanirwan genoemd. Hij bouwde een herberg, een Khan, en het laat zich dus zeer goed begrijpen, dat het huis, naar den eigenaar Karanirwan Khan genoemd werd en nog heden zoo heet.
—Scheitan,—duivel!—siste het wederom vanwaar Suef zich bevond.
Murad Habulam wischte zich het zweet van het voorhoofd en zuchtte:
—Verwonderlijk, hoe gij uit een enkelen naam terstond een heele historie opbouwt! Toch vrees ik voor u dat gij u vergist.
—En ik zou er een eed op durven doen, dat deze Khan niet in een stad of in een dorp gelegen is.
—Waarom?
—Omdat in dat geval de naam van dat dorp of die stad op het briefje zou genoemd zijn. Het huis ligt op een eenzame plek, en het zou vergeefsch werk zijn, zoo iets op een kaart te gaan zoeken.
—Als het zoo eenzaam ligt, zult gij het nooit vinden. Gij zijt een vreemdeling en hebt misschien ook geen tijd om u hier zoo lang op te houden, als noodig zijn zal om zoo omvangrijke navorschingen te doen.
—Dat hebt gij mis; ik hoop integendeel den Khan zeer gemakkelijk te vinden. Kent gij in den omtrek van Kilissely een Pers?
—Neen.
—Dat geloof ik graag. In het land der Skipetaren zijn Perzen zóó zeldzaam dat, als er ergens een is, iedereen van hem gehoord heeft, te meer omdat de Perzen Schiiten zijn en de religieuse gewoonten van dien man, hem wijd en zijd bekend gemaakt hebben. Ik heb dus, al rijdende, maar naar een Pers te vragen, en een ieder zegt mij waar hij woonde of nog woont.
—Maar hij kan ver, zeer ver uit uw richting wonen, zoo dat de menschen, die gij aantreft toch nooit van hem hebben gehoord.
—Maar hij woont toch zonder twijfel in deze richting.
—Waaruit maakt gij dat op?
—Het briefje zegt het mij.
—Heer, dat begrijp ik niet. Ik heb het toch ook gelezen, woord voor woord, en daar toch niets van gezien.
—O, Murad Habulam, wat een ontzettende domheid hebt gij nu weer begaan.
—Ik?—vroeg hij verschrikt.
—Ja, gij! Hebt gij niet beweerd, dat gij het briefje niet kondt lezen? En nu zegt gij, het woord voor woord gelezen te hebben. Hoe is dat te rijmen?
—Heer,—zeide hij verlegen,—ik heb het gelezen, maar niet begrepen!
—Gij hebt gezegd, niets te hebben gevonden! En het briefje bevat slechts lettergrepen. Hoe kunt gij dan zeggen het woord voor woord gelezen te hebben? Murad Habulam, denk er aan, dat een leugenaar een sterk geheugen moet hebben, als hij zich niet telkens tegenspreken zal. Hoor dus, wat ik u zeggen en vragen wil! Ik heb u reeds gezegd, dat het briefje mij alles verried. Het werd door Hamd el Amasat te Skutari geschreven, en wel aan zijn broeder Barud el Amasat te Edreneh. De eerste schrijft aan den laatste, dat hij naar hem toe moet komen en over Menelik reizen. Hamd el Amasat zal hem tot Karanirwan Khan te gemoet reizen. Zeg mij nu of het te verwachten is, dat die twee groote en onnoodige omwegen zullen maken?
—Neen, dat doen zij niet.
—Zij zullen dus den korten weg, den rechten nemen?
—Zeker, Effendi!
—Deze rechte lijn loopt dus van Edreneh over Menelik naar Skutari, en op die lijn moet, tusschen de uiterste punten Karanirwan Khan liggen. Dat is voor mij zoo zeker, alsof ik het al zag liggen.
Voor de vierde maal hoorde ik Suef zijn ’Sheitan’ zachtjes sissen. De pseudo-kleermaker scheen zich deze vervloeking dus aangewend te hebben. Ik deed echter, alsof ik hem niet gehoord had. Die herhaalde vervloeking bewees mij echter dat ik mij niet vergiste.
—Effendi,—bracht Habulam in,—wat gij zegt, klinkt allemaal heel mooi, en ik mag lijden, dat gij den juisten weg opgaat, maar ik voor mij, geloof het niet. Laten wij liever over wat anders praten! Wilt gij dat vergift en de overblijfselen van dien eierkoek werkelijk mee naar Uskub nemen? Ik heb toch mijn boete betaald met nog bovendien twee slagen, die mij een verschrikkelijke pijn doen; daarbij kunt gij het toch laten blijven.
—Gij hebt uw boete betaald, maar ons later uitgelachen. Nu zult gij, naar ik meen, inzien, hoe onverstandig dat hoonend lachen was. Ik zal dien Khan ook zonder u vinden. Maar dat gij het gewaagd hebt, om ons te lachen, dat moet ik straffen. Ik ben niet de man, die met zich laat spotten. Ik geef te Uskub het vergift met de brokken aan den politie-apotheker.
—Ik wil aan de armen nog honderd piasters geven, Effendi.
—En al boodt gij er mij duizend, ik ging er niet op in.
—Ik bid u, denk eens na, of er werkelijk niets is, dat u zou kunnen bewegen om van uw voornemen af te zien.
—Hm!—bromde ik, alsof ik mij bezon.
Dat gaf hem hoop. Hij zag, dat ik er over nadacht.
—Bezin u eens!—herhaalde hij op dringenden toon.
—Misschien, ja, misschien zouden wij tot een vergelijk kunnen komen. Zeg mij eerst eens, of het hier in deze streek moeilijk is dienstpersoneel te krijgen.
—Personen die in dienst willen komen, zijn er in overvloed,—antwoordde hij haastig.
—Gij hebt er dus geen moeite mee, om knechts en dienstmeisjes te krijgen?
—Volstrekt niet. Ik behoef maar te willen.
—Welnu, wil dan eens!
—Hoe bedoelt gij dat?
—Zie ginds al die menschen! Zij wenschen door u ontslagen te worden.
Dat had hij niet verwacht. Hij keerde zich om en wierp zijn personeel een dreigenden blik toe. Toen vroeg hij:
—Hoe weet gij dat?
—Ze hebben het mij gezegd.
—Allah! Ontslag? Er op slaan, zal ik! Met de zweep zullen ze hebben!
—Dat zult gij niet doen. Zijt ge soms vergeten dat slaan pijn doet? Ik raad u ten beste, ernstig na te denken en een ander leven te beginnen. Waarom wilt gij dien menschen hun ontslag niet geven?
—Omdat ik er geen zin in heb.
—Begrepen. Ook ik heb geen zin om het zakje met vergift en de resten van uw ommelet achter te laten, en neem ze daarom mee naar Uskub. Halef, zijn de paarden klaar?
—Ja, Effendi—antwoordde de gevraagde. Wij kunnen ze terstond voorbrengen. Janik zal ook wel ingespannen hebben.
—Dan willen wij vertrekken. Rol mij tot voor de deur!
—Halt!—riep Habulam.—Wat zijt gij toch een opvliegend mensch, Effendi!
—Maak het kort,—zeide ik driftig. Geef uw volk hun loon en laat ze gaan.
—Ik zou het wel doen, maar ik kan toch niet zonder goede bedienden!
—Neem dan tijdelijk daglooners. Ik heb geen tijd om nog langer te redeneeren. Hier zijn de papieren voor Janik, Anka en mij. Lees ze door, om ze te onderteekenen.
Hij nam de papieren, en zette zich om ze door te lezen. De inhoud beviel hem niet; hij wilde allerlei wijzigingen, maar ik wilde van geen verandering weten, en eindelijk teekende hij. Halef nam de beide getuigschriften en ook de bekentenis, om deze documenten aan Janik te geven.
—En....? Hoe nu met het andere volk?—vroeg ik.
Habulam antwoordde niet terstond. Dat gedraai begon Halef te vervelen, en driftig riep hij.
—Laat ze naar den Scheitan loopen! Gij kunt anderen krijgen, die niets afweten van wat er vroeger gebeurd is. Jaag ze weg! En hoe verder ze van hier gaan hoe beter!
Dat gaf den doorslag. Habulam ging om het geld te halen, en ik bleef, tot hij de menschen afbetaald had. Toen gaf ik hem het vergif en de brokken, en liet de paarden voorbrengen.
Men kan zich voorstellen, hoe weinig hartelijk het afscheid was. tusschen ons en onzen gastheer. Hij verontschuldigde zich, dat hij ons geen uitgeleide kon doen, van wege de pijn aan zijn voeten.
—Gij ondervindt nu,—zeide ik,—dat Allah zelfs de grootste leugen tot waarheid kan maken. Gisteren, toen wij kwamen, hebt gij beweerd, niet te kunnen loopen; dat was een leugen. Heden is die tot waarheid geworden. Ik wil u niet vermanen, deze les ter harte te nemen. Is uw hart versteend, ik kan het niet gevoelig maken. Voor bewezen gastvrijheid heb ik u niet te bedanken. Suef zou mij in een herbergzame woning brengen; hij heeft mij bedrogen en ons, met boos overleg, naar u toegebracht. In een gewone herberg zou ik betaald hebben; maar u bied ik niets aan. Alles bij elkaar genomen, zijn wij voor heden quitte, en ik hoop dat wij geen nieuwe rekening zullen krijgen.
—Maar wij zijn nog niet quitte!—krijschte Suef.—Mijn rekening van heden zult gij mij betalen.
—Met alle genoegen! In alle gevallen, weer met voetzool-slagen!
—Toch niet! Den volgenden keer vliegen de kogels!
—Ook dat is mij goed. Ik ben ten volle overtuigd, dat wij elkaar nog zullen weerzien. Ik heb u leeren kennen en kan mij in u niet meer vergissen.
—O, gij kent mij nog lang niet!—dreigde hij.
—Dat zal later blijken. Ik weet zeer goed, dat gij enkele minuten na mij dit huis ook zult verlaten.
—Kan ik soms gaan?
—Neen, gij zult rijden.
—Man, gij weet alles! Maar indien gij werkelijk zoo slim zijt, als gij u voordoet, zeg mij dan ook eens, waar ik heen rijden zal.
—De anderen achterna.
—Waartoe?
—Om ze te zeggen, dat ik Karanirwan zoek. Groet ze van mij en zeg hun, dat zij een volgenden keer zich niet in water, maar zich zeker, in hun eigen bloed, zullen baden.
Osko hielp mij naar buiten. Daar stonden de paarden, en wij stegen op. Ook de wagen met Janik en Anka was voor de deur.
Het weinige, dat zij hadden, lag achter hen, en hun gezichten straalden van vreugd.
—Wij rijden eerst naar de plaats, waar de paarden verborgen zijn geweest, en komen u dan achterna!—riep ik ze toe.
De knecht, die er ons zou brengen, stond gereed. Wij gingen niet door het dorp, en in vijf minuten had hij ons op de plek gebracht en nam toen afscheid. Hem de hand reikende, vroeg ik, om de hoofdzaak niet te vergeten, hoeveel mannen van daar weggereden waren. Zij waren met hun vijven, maar alleen Manach el Barscha, den broeder van Habulam, kende hij. Ik liet mij de vier anderen beschrijven: Barud el Amasat, de oude Mubarek en de beide Aladschy’s waren het geweest. De gewonde Mubarek had rechtop in den zadel gezeten; de oude moest werkelijk een nijlpaardennatuur bezitten.
Om mijn voet, wilde ik niet afstijgen en droeg aan de anderen op, de vele hoef-indrukken te onderzoeken.
—Waartoe moet dat dienen? vroeg Osko.
—Om de paarden te herkennen. Misschien komen wij in den onaangenamen toestand, niet zeker te weten, wie voor ons uit rijden. In dat geval is het van groot belang indien een der paarden iets eigenaardigs aan den hoef heeft, dat zich in het prent afdrukt. Wij kunnen dan altijd het paard aan dat teeken herkennen.
Het was een grasvlakte, waar wij ons op bevonden. In de schaduw van zeer vele reusachtige platanen stonden tallooze struiken en boompjes van kweeën, waartusschen de grond plat getrapt was. Sporen waren er dus genoeg, maar geen enkel, dat eigenaardig genoeg was om het later uit andere te herkennen. Onverrichter zake gingen wij dus weer op weg.
De regen had den grond zóó week gemaakt, dat het niets geen moeite kostte het spoor te volgen. Het leidde naar den weg, waarlangs men over Guriler en Kavadschinova naar Uskub komt. Ook op dien weg was het spoor duidelijk te zien, omdat er veel slik op lag en alleen ons wild dien bereden had.
Wij haalden den wagen van het gelukkige jonge paar al spoedig in, en toen wij nu niet meer gezien konden worden door de bewoners van Habulams vervallen slot, gaf ik ook de duizend piasters van Habulam zelf aan den verwonderden Janik, als huwelijksgeschenk. De goede jongen stribbelde wel tegen, om ook dit present nog aan te nemen, maar hij moest het eindelijk toch bij zich steken. Hij en zij waren onuitgesproken in hun dank. Wij hadden twee menschen gelukkig gemaakt, en dat woog rijkelijk op tegen de minder aangename uren die wij hadden doorleefd.
De weg lag zoo vol modder, dat wij slechts langzaam konden rijden. Geen stroompje zoo klein of het was buiten zijn oevers getreden. Gelukkig lachte boven ons een heldere hemel.
Halef trachtte mij op zij te komen, en begon:
—Gij wilt onze vijanden inhalen, Sihdi, zal ons dat gelukken?
—Neen, want ik heb besloten het niet te doen. Zoo lang ik meende dat onze vijanden naar Karanorman bij Weicza gingen en dat dus ook onze weg derwaarts leidde, achtte ik het in ons voordeel daar vóór hen aan te komen. Sedert het echter gebleken is dat ik mij heb vergist, weten wij niet waar wij heen moeten, en zullen derhalve hun spoor moeten volgen. Ik geloof echter, dat het mij al gauw zal gelukken te ontdekken, waar Karanirwan Khan ligt.
—In elk geval toch achter Uskub. Meent gij dat ook niet?
—Ja, want anders moest het tusschen hier en die stad liggen, wat ik voor hoogst onwaarschijnlijk houd.
—Is Uskub een groote stad?
—Volgens mijn schatting wonen daar nagenoeg dertig duizend menschen.
—Daar zullen wij het spoor der vervolgden wel kwijt raken.
—Stambul is nog veel grooter, en hebben wij daar niet gevonden wat wij zochten? Ik vermoed echter, dat wij in Uskub niet zullen komen, omdat onze lievelingen die stad wel zullen mijden. Het is voor hen daar te gevaarlijk. Gij moet niet vergeten, Halef, dat Manach el Barscha daar ontvanger is geweest. Hij is daar uit zijn ambt weggejaagd; het laat zich dus veronderstellen dat hij er iets misdadigs uitgevoerd heeft, reden waarom hij zich aldaar liefst niet zal vertoonen. Toch zou het kunnen, dat zij, ter wille van Mubarek, de stad zullen binnengaan om door een betrouwbaar arts diens wond te laten verbinden. Wij moeten op die mogelijkheid verdacht zijn. Het waarschijnlijkste is echter, dat zij in een wijden boog om Uskub heen rijden en aan gindsche zijde weer naar den weg van Kakandelen afslaan. Als mijn vermoeden mij niet bedriegt, dan moeten wij Karanirwan Khan, achter deze laatste plaats, in de eenzame dalen van den Schar Dagh zoeken.
Wij hadden nu de Kriva Rjeka bereikt, die zoo gezwollen was, dat het water de beide oevers overstroomde. Als de zijtakken van de Warda zulke watermassa’s aanvoerden van de bergen, dan moest de hoofdrivier gevaarlijk stroomen. Het was volstrekt niet ongevaarlijk over de oude brug te gaan, die bijna onder stond en welker pilaren bedenkelijk zwiepten onder het geweld der opdringende golven. Het water stond aan beide zijden meer dan vijf- en zeventig centimeters op den weg. De geweldige buien van gisteren schenen over het geheele gebied van de Schar en de Kurbecska losgebarsten te zijn.
Wij bevonden ons nu in het midden van de, wegens haar vruchtbaarheid, beroemde vlakte van Mustafa, en bereikten, na een goed half uur, het dorp Guriler, dat aan een zijtak van de Kriva Rjeka lag.
Ook deze was buiten haar oevers getreden en scheen tamelijk veel onheil aangericht te hebben. De bewoners stonden buiten hun huizen in het water, zij werkten met alle macht, om ze in te dammen.
Om naar Uskub te komen, zouden wij onze richting tot Karadschi Nova moeten houden. De weg liep in een rechte lijn verder.
Hier, waar zooveel menschen over den weg waren gegaan, waren de sporen van die wij vervolgden, uitgewischt. Deze konden eerst weder aan gene zijde van het dorp te voorschijn komen. Maar toen wij het achter den rug hadden, waren er geen sporen meer te bekennen.
Voor zoover ik wist, was er geen tweede weg, die van hier naar elders leidde. Zouden zij, die wij zochten, zich misschien nog ergens in het dorp bevinden? Er was nog een kleine Konak in. Wij hadden een huis gezien, maar waren er voorbij gereden. Er bleef mij niets anders over, dan terug te rijden en navraag te doen.
Het huis stond zoo dicht aan ’t water, dat dit bijna de deur bereikte. Een man was bezig er een dam voor op te werpen. Toen ik hem groette, dankte hij mij nauwelijks en keek mij slechts even zeer weinig vriendelijk, aan.