In den toren der oude moeder. (continued 2)
Reading edition
—Wat zou dat dan zijn?
—Een Kyrba (slang), liefst een lange. Zoo een is er wel niet?
De kleine Hadschi was een en al opgewondenheid. Hij stelde zijn vragen op zulk een gewichtigen toon, alsof het om het heil der wereld te doen was.
—O, een Kyrba hebben wij, niet maar om op reis het water in mee te nemen, maar een Akar su getirdschi (wateraanbrenger), zooals tot blussching van brand gebruikt wordt. De vraag is maar, hoe lang gij die wenscht.
—Zóó lang, dat wij er boven op den toren mee kunnen komen.
—Zoo lang is onze slang wel. Ja, nog wel iets langer.
—Man, ik moet u in mijn armen drukken! Kom aan mijn hart, gij zijt de vreugde mijns levens, de zon op mijn weg! Er is dus een spuit en ook een slang. Dat is verrukkelijk! Een slang, zoo lang als ik noodig heb! Wie had kunnen denken, dat zoo’n instrument in Kilissely zou te vinden zijn!
—Dat is toch verklaarbaar genoeg. Zonder deze slang zou de spuit ons weinig helpen, daar wij het water op verren afstand zouden moeten halen.
—Uit den vischvijver ginds?
—Neen, dat zou al te ver zijn. Wij hebben juist achter den toren, tegen den muur aan, een groote Su delikai (waterbak), die altijd vol is. Daar plaatsen wij de spuit en brengen de slang tot waar de brand is.
—Een waterbak, een Su deliki; waaruit men de spuit vullen kan! Is hij diep? Is hij groot? Is er nu veel water in?
—Ik weet niet, waarvoor gij water wilt hebben, maar ik geloof dat het u nog al zal meevallen.
—Gelooft gij dat werkelijk? Dat kan niet beter! Uw woorden zijn als de druppelen van den dauw op den verdorrenden akker. Wat gij zegt is meer dan honderd piasters waard, en als ik ooit een Bin kire bin sahibi (een millionnair) geworden ben, geef ik er u duizend. Gij weet dus niet, waartoe ik dat water gebruiken wil?
—Neen.
—Gij vermoedt het ook niet?
—Neen.
—Dan moge Allah uw hersens behoeden, want ze zijn aan een uitgedroogde regenbak gelijk. Let op, mijn Sihdi heeft terstond geraden wat ik voornemens was. Niet waar, Heer?
Daar deze vraag tot mij gericht was, knikte ik toestemmend.
—En wat zegt gij er van, Sihdi?
Zijn oogen fonkelden van intense pret. Hij was verrukt bij de gedachte, dat hij onzen vijanden een kool kon stoven. Daarom was hij ook vrijwel ontnuchterd toen ik hem op ernstigen toon antwoordde:
—Kinderwerk, Tschodschukluk, en anders niet.
—Sihdi, dat moogt gij niet zeggen. Die schurken klimmen op den toren om ons te vermoorden. Gij wilt er voor zorgen, dat zij er niet af kunnen komen, maar den ganschen nacht er op moeten blijven. Mij goed, maar dan wil ik zorgen dat zij het daar boven ook niet al te gezellig hebben. Wij pompen hun bovenvertrek vol water. Hun kamer is wel is waar rondom open, maar de bermmuur is toch zoo hoog dat hij een man tot aan de borst reikt, en laat ik hen ook zoo hoog in het water staan. Of hebt gij medelijden met hen? Vindt gij het jammer, indien deze moordenaars een verkoudheid oploopen en wat Disch aghrysty (kiespijn) krijgen?
—Neen, dat niet. Ik gun ze, dat zij den nacht zoo onaangenaam als maar kan, doorbrengen, maar ik kan uw voornemen toch niet goedkeuren.
—Maar gestraft moeten zij toch worden!
—Dat is zoo. Maar gij loopt den kans, ons en uzelf daardoor in gevaar te brengen.
—Neen, Sihdi. Wij nemen onze maatregelen zoodanig, dat niemand er iets van bemerken kan. Wat zegt gij er van, Osko, Omar?
De beide genoemden waren het met hem eens. Alle drie hielden zóó lang bij mij aan, dat ik tegen wil en dank ja zeide.
Janik ging en kwam, na eenige oogenblikken, terug met de slangen en touw. De anderen klommen nu met hem in den toren, en weldra hoorde ik, ondanks den tegen de luiken kletterenden regen, luide hamerslagen. Janik had den hamer en de kram in zijn zak meegenomen, en toen zij de slang vastgemaakt hadden, spijkerden zij het luik zoo goed dicht, dat het bovenop niet los te krijgen was.
Teruggekomen, zeide Halef, op den toon der hoogste zelftevredenheid:
—Dat hebben wij eens goed opgeknapt, Sihdi. Gij zelf hadt het niet beter kunnen doen.
—Wel, en hoe hebt gij de slang vastgemaakt?
Boven aan den buiten kant van den toren hangt ze naar omlaag, zoodat wij hier beneden er de spuit maar aan hebben te schroeven.
—En als zij de ladder opzetten, zien zij de slang.
—Janik zegt, dat zij zeker de ladder aan den anderen kant opzetten, omdat hen daar geen boomen in den weg staan. De monding van de slang is naar hun vertrek gericht, maar zoo, dat het water aan de binnenzijde, langs den muur afloopt zonder geruisch te maken. Zij zouden in een donkeren hoek moeten zoeken, om de instrooming te vinden. Ook zijn de luiken van de andere vertrekken goed gegrendeld, en ik wilde dat de badgasten nu maar kwamen.
—Dat zal nog lang genoeg duren, want Habulam sprak er van, dat hij ons nog een keurig avondeten zou zenden.
—Wil ik het gaan halen?—vroeg Janik.
—Ja, doe dat. Hoe eer wij eten, des te korter hebben wij te wachten. Maar doe alsof gij werkelijk van den eierkoek gegeten hadt en nog altijd snijdingen voelt. Tracht ook Anka te spreken te krijgen; misschien heeft zij u iets te zeggen.
Hij ging, en wij wachtten in alle stilte, daar wij niets bijzonders meer te bespreken hadden, op zijn terugkomst. Halef zat op zijn matras, zich van tijd tot tijd van plezier in de handen wrijvende en daarbij onbegrijpelijke geluiden makende. Hij verkneukelde zich aldoor in de gedachte aan de badkuur, waarop hij onze vijanden zou onthalen.
Toen Janik terug kwam, was hij niet alleen. Hij bracht ons avondeten, en daar hij alleen het niet dragen kon, hielp Humun hem daarbij. Deze kwam echter niet binnen; hij bleef buiten staan tot Janik hem zijn vracht afgenomen had, en ging toen in allerijl weg.
Het eten was uitstekend. Eerst werd ons een schotel Balyk tschorbaju (vischsoep) voorgezet, zoo als men ze in Weenen of Praag niet beter krijgt. In plaats van lepels kregen wij kopjes, waarmee wij opschepten en aten. Daarna kregen wij een reusachtigen opgevulden kapoen, een Iblig doldoeri, en daarbij een menging van meel, vijgen, en gestooten noten er in. Het derde gerecht bestond uit een Oghlak kebabi (lamsvleesch), dat zeer goed smaakte, ofschoon menigeen het liever niet eet. Daarbij kregen wij een vetten pillaw met rozijnen en geweekte amandelen. Het dessert bestond uit vruchten en zoetigheden, waarvan wij niets gebruikten. Ook bleef er van het vooreten meer den de helft over. Vóór wij er trouwens van hadden gebruikt, wisten wij van Anka, dat wij gerust konden zijn, want dat zij alles zelf had klaargemaakt.
—Maar uw Heer is immers thuis?
—Ja. Hij zit op zijn divan en rookt en kijkt aldoor voor zich. Hij liet mij roepen en vroeg, wat mij scheelde. Ik trok namelijk een allerdroevigst gezicht. Ik antwoordde dat ik een kweepeer gegeten had, die stellig onrijp was geweest, want dat ik een verscheurende pijn in mijn ingewanden had.
—Dat was heel verstandig geantwoord. Nu denkt hij misschien, dat gij niets vermoedt van zijn giftmengerij, en zal het daarom ook niet noodig achten om u iets voor te liegen.
—Nu, voor mij gelogen heeft hij trouwens niet. Zijn ontzettenden haat tegen u heeft hij zonder omwegen en in de bitterste bewoordingen uitgesproken. Hij wilde alles van mij weten, wat gij doet en zegt. Ik vertelde hem, dat gij een pijn aan uw voet hebt, waardoor gij niet kunt loopen. Ook waart gij, zoo zeide ik, te vermoeid om niet spoedig te gaan slapen. Toen gelastte hij mij, terstond na het eten uw slaapplaats in orde te brengen en daarna moest ik ook gaan slapen. Hoe eer gij u ter ruste begaaft, hoe vroeger gij zoudt opstaan, zoo meende hij, en dan moest ik bij de hand zijn om u te bedienen.
—Nog al slim van hem! Waar slaapt gij gewoonlijk?
—Met Humun en de andere bedienden in één vertrek.
—Dat is lastig, want dat belet u om onopgemerkt weg te gaan, en wij hebben u toch noodig.
—O, wat dat betreft, Effendi, kunt gij zonder zorg zijn. Niemand wil van heden af, meer met mij in één vertrek slapen, en Humun heeft op bevel van onzen Heer, mij een slaapplaats op de vliering aangewezen. Maar als gij het verlangt, dan doe ik, alsof ik ga slapen en kom dan op den toren. Die is dan wel gegrendeld, maar dat hindert niet, ik klop en gij doet open.
—Maar niet zoo als gewoonlijk. Klop aan het luik dat achter is, eerst eens, dan twee en daarna driemaal. Zoo weten wij dat gij het zijt en doen open. Zeg aan uw Anka, dat ook zij zoo kloppen moet. Men kan nooit weten wat er, gedurende uw afwezigheid, bij Habulam voorvallen kan. Laat zij opletten en ons, indien noodig, komen waarschuwen.
Janik bracht nu het eten weg en voorzag ons daarna van nog enkele dekens. Toen hij weg was, deden wij het licht uit. Deur en luiken waren wel gesloten en gegrendeld, maar er waren zooveel kieren, dat men van buiten zeer goed zien kon, dat het licht uit was.
Na ruim twee uren kwam Janik terug. Hij klopte zooals wij hadden afgesproken, en wij lieten hem in.
—Ik kom zoo laat,—zei hij fluisterend,—omdat ik op de gedachte kwam, Habulam eens te beluisteren. Hij gaf aan alle bedienden last om te gaan slapen; daarna sloop hij met Humun naar de koornschelf. Ze zijn er alle twee daar juist ingekropen.
—Wij weten dus, waar wij nu aan toe zijn. Men zal meenen, dat wij slapen, en wij kunnen de bestijging van den toren spoedig verwachten.
—Dat moeten wij zien,—zeide Halef en hij ging, door de anderen gevolgd, fluks de trappen op.
Het regende nog altijd, ja, het kletterde zoo hard, dat men het loopen buiten in ’t geheel niet kon hooren.
Ik zat nu alleen in het onderste vertrek en wachtte. Na een poos kwamen de vier mannen terug, en Halef berichtte:
—Sihdi, ze zijn boven. De laatste is nu al halverwege. Zij zijn met hun zevenen.
—Er waren negen personen in de koornschelf bijeen. De Miridiet is weg. Mubarek zal terug gebleven zijn, omdat hij gewond is.
—Dat klopt. Nu zullen wij terstond de ladder wegnemen en de spuit halen.
—Slaat dekens om, anders wordt gij tot op uw hemd toe nat.
Zij deden dat in allerijl en schoven den grendel van de deur weg, om naar buiten te gaan. Ik richtte mij aan den muur op en deed het achterluik open. Buiten was het donker; maar toch merkte ik, ondanks de duisternis en den geweldigen regen, al spoedig de vier mannen, die zeer dicht bij het raam druk bezig waren. Ook hoorde ik het regelmatige geknars van den slinger der spuit, die aan de slang vastgeschroefd was. Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. De waterbak was juist voor mijn raam. Van tijd tot tijd hoorde ik Halef heel zacht commando’s geven. Ondanks den regen was de kleine Halef volkomen in zijn element.

Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).
Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik goed dicht getimmerd!
Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal bij mij terug.
—We zijn klaar, Sihdi!—berichtte hij. Wij hebben met inspanning van alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen wij het licht aansteken?
—Ja; het is beter, licht op te hebben.
Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef’s stem:
—Allam, sallam wer, tschelebilerim. Allah zij met u, mijne Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi laat u vragen, of hij soms zijn Duurbuun (verrekijker) zal zenden, opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?
Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich stil te houden.
—Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?—vroeg Halef verder.—Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar, mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.
Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:
—Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.
—Ja, gaat rustig slapen,—zeide Janik,—want gij moet moede zijn van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar ook dat zou geen gevaar opleveren.
Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons, om te gaan slapen.