AANTEEKENINGEN.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Van dit blijspel verscheen in 1602 een uitgave in quarto, welker titel er blijkbaar op berekend was om tot koopen uit te lokken: A Most pleasaunt and excellent conceited Comedie, of Syr John Falstaffe, and the merrie Wives of Windsor. Entermixed with sundrie variable and pleasing humors, of Syr Hugh the Welch Knight, Justice Shallow, and his wise Cousin M. Slender. With the swaggering vaine of Auncient Pistoll and Corporall Nym. By William Shakespeare. As it hath bene diuers times Acted by the right Honorable my Lord Chamberlaines seruants. Both before her Maiestie, and elsewhere. London Printed by T. C. for Arthur Johnson, and are to be sold at his shop in Powles Church-yard, at the signe of the Flower de Leuse and the Crowne. 1602. Deze T. C. is Thomas Creede, die verscheidene der quarto-uitgaven van Shakespeare drukte.—Op deze eerste uitgave volgde in 1619 een tweede, geheel naar deze eerste gedrukt. In 1623 bracht de folio-uitgave een anderen en veel uitgebreider tekst, die in 1630 in een derde quarto-uitgave woordelijk werd afgedrukt.
De groote onvolkomenheid der eerste quarto-uitgaven valt bij het onderzoek terstond in het oog. Wel is de volgorde der tooneelen, op een enkele uitzondering na, dezelfde als in de folio-uitgave maar alles is in de laatste veel fijner en beter uitgewerkt; en het aantal regels van het geheel is er ongeveer dubbel zoo groot. De onvolkomenheid der eerste quarto-uitgave is zoo, dat zij geenszins het eerste, niet behoorlijk afgewerkt, later verbeterd onderwerp van Shakespeare kan zijn; dit is onmogelijk, zelfs als wij onderstellen, dat zijn stukken eerst na herhaalde verbetering tot stand kwamen! Zij is geheel en al een onrechtmatige uitgave, waarvoor het onvolledig en gebrekkig materiaal, op slinksche wijze verkregen, zoo goed en zoo kwaad het ging, aaneengelapt werd; op welk een schaamtelooze wijze de ondernemers daarbij vaak te werk gingen, is reeds vroeger, in dit deel, blz. 98, vermeld.
Enkele bijzonderheden moge de schrijver aan de eene of andere novelle ontleend hebben,—zooals dit trouwens bij onderzoek gebleken is,—wat hij ontleend heeft is zoo luttel, dat het onnoodig mag gerekend worden, hierbij stil te staan.
I. 1. 1. Sir Hugo. In het latere gedeelte der middeleeuwen en ook nog ten tijde van Shakespeare werden geestelijken, ook die van lageren rang, met den titel Sir aangesproken, een vertaling van den Latijnschen titel Dominus, in Nederland welbekend.
I. 1. 2. Een Sterrekamerzaak. De Sterrekamer, camera stellata,—zoo genoemd omdat de zoldering der zittingszaal in Westminster met sterren was versierd,—was het hooge gerechtshof, dat over oproer, hoogverraad en dergelijke vergrijpen had te oordeelen. De wijze van procedure was de volgende: de delinquenten werden voor den Geheimen Raad, the council, gedaagd en ontvingen daar het bevel, zich dagelijks bij dezen raad aan te melden en zich niet zonder verlof te verwijderen; na eenigen tijd werden zij op onderdanige bede van deze verplichting wel ontslagen, maar moesten bij de volgende zitting der Sterrekamer zich op een bepaalden dag bij dit hooge gerechtshof vervoegen. De Geheime Raad was het voorbereidend, de Sterrekamer het rechtsprekend lichaam. Daarom spreekt Zielig, I. 1. 35, ook van den Geheimen Raad. Er was een nauw verband tusschen dezen en de Sterrekamer, want verscheidene leden van den eersten waren leden van de tweede. De Sterrekamer, door Hendrik VII ingesteld, was meermalen een werktuig om vorstenwillekeur over het gewone recht te doen zegevieren en werd daarom in 1641 opgeheven.—Blijkbaar wordt hier de ijdelheid en opgeblazenheid van Zielig bespot, daar hij een jachtvergrijp voor het hoogste gerechtshof brengen wil. Misschien kreeg ook de Sterrekamer zelf een veeg uit de pan, want volgens Collier—in zijn History of English Dramatic poetry, III, 295,—werden er twee edellieden voor haar gedaagd, die in een park van Sir John Stanhope, vice-kamerheer der koningin, gejaagd, d.i. gestroopt, hadden, zoodat het rechtshof zich ter wille van een groot heer met zulk een gering vergrijp had ingelaten. Er is geen reden, om hier de juistheid van Collier’s mededeelingen te betwijfelen.
I. 1. 6. Coram, custalorum, ratolorum, armigero. Zielig (Shallow) heeft zich even te voren reeds esquire genoemd, wat hier met „zijn edelgeboren” vertaald is;—de rang van esquire is één graad lager dan die van ridder,—en nu wedijvert hij met zijn neef om zijn titels voluit op te geven.—Als vrederechter onderteekende Zielig de getuigenverhooren met de woorden: Jurat coram me, Roberto Shallow armigero; „hij zweert in tegenwoordigheid van (coram) mij, Robert Shallow, esquire.” Zielig blijkt ook custos rotulorum, bewaarder der archieven van het graafschap, geweest te zijn; alsdan kon de formule worden: jurat coram me, custode rotulorum, R. S., armigero. Als verkorting kon wel geschreven worden cust-ulorum, wat door Zielig voor één woord wordt gehouden en eenigszins verkeerd uitgesproken. Zijn neef vat coram als een titel op, daarom brengt Zielig zijn waardigheid van „custalorum” in herinnering, en Slapperman meent dien te moeten aanvullen met ratolorum, waarvan hij toch ook wel eens gehoord heeft.—Met zeer weinige trekken zijn aldus Zielig en zijn neef Slapperman (Slender) geteekend.
I. 1. 16. Hun dozijn zilveren pietermannen. The dozen white luces. De luce is de snoek, the pike, in het Latijn Esox lucius. Allerduidelijkst wordt hier gezinspeeld op het wapenschild der familie Lucy, die drie zilveren opgerichte snoeken op een veld van keel voerde. In Ferne’s „Blazon of Gentry”, 1586, staat te lezen: „Signs of the coat should something agree with the name. It is the coat of Geffray Lord Lucy. He did bear gules, three lucies hariant (hauriant) argent.” („Hauriant” is in de wapenkunde de uitdrukking voor het opgericht zijn van visschen, alsof zij uit het water willen springen, wat bij leeuwen enz. saltant of saliant heet.) De familie der Lucy’s bewoonde den riddermatigen zetel Charlecote, aan den Avon, nabij Stratford, de stad, waar Shakespeare geboren werd en ten minste tot zijn twintigste jaar bleef. Hij kende natuurlijk het wapen der Lucy’s, zooals ieder kind destijds de wapens der in zijn buurt wonende edellieden kende. Het dozijn snoeken is geen overdrijving, want het schild werd ook wel in vieren gedeeld en ieder kwartier vertoonde het drietal; zoo heeft ook Dugdale, die de oudheden van Warwickshire beschreef, het in de kerk van Stratford gezien.—Een oogenblik later is Zielig er over ontevreden, dat zijn wapen versche, niet zoute visschen voert; een oud geslacht moest gezouten visschen in zijn wapen hebben. Men gaat hieruit al licht denken, dat er aan de oudheid of den adel van het geslacht Lucy wat haperde. En ziet: in Dugdale’s Antiquities of Warwickshire wordt vermeld, dat de stamboom der Lucy’s tot den tijd van Richard I reikt, maar dat zij den naam eerst onder Hendrik III hebben aangenomen: van Hendrik III tot Elizabeth zijn de driehonderd jaar verloopen, waarvan Zielig spreekt; in Camden’s Britannia,—Camden was een tijdgenoot van Sh., goed bekend met de voornaamste geslachten,—staat in de beschrijving van Warwickshire: „Plenior hinc Avona defertur per Charlecott, nobilis et equestris familiæ Luciorum habitationem, quæ a Charlecottis jam olim ad illos hæreditario quasi transmigravit.” Charlecott en Charlecottis zijn bij Camden door den druk onderscheiden, en in zijn lijst der „Barones et illustriores familiæ” ontbreekt het huis Lucy. Dus een edel en riddermatig huis, doch slechts quasi-erfgenaam der Charlecotes, misschien door huwelijk of vorstengunst in het bezit van hun zetel gekomen. Met het oog hierop, kan men in Sh.’s woorden een bitteren hoon ontdekken: „Zij hebben de luces in hun coat (riddermantel) en beweren, dat het een oude coat is; doch zij hebben zich in Charlecote genesteld als louses in an old coat; hun visschen hebben zij tot een dozijn vermeerderd om vertooning te maken, maar het zijn en blijven versche visschen,—hun adel is nieuwbakken,—zij voeren niet the old coat, niet het echte, oude wapen van Charlecotte.”
Nicholas Rowe, de eerste, die na de vier folio-uitgaven van 1623, 1632, 1664 en 1685, een critische uitgave van Sh.’s dramatische werken in 1709 ondernam, voegde bij deze eenige aanteekeningen omtrent Sh.’s leven. Hij was ze grootendeels verschuldigd aan den tooneelspeler Betterton (geboren in 1635), die in Warwickshire berichten omtrent Sh. ingewonnen had. Hij vermeldt, dat Sh. zich aan stroopen in de bosschen van Sir Thomas Lucy had schuldig gemaakt, daarvoor door dezen streng bestraft werd, zich wreekte door een scherp hekeldicht op dien edelman en eindelijk, om vervolgingen te ontgaan, uit Stratford week en in Londen zijn fortuin ging zoeken.—Richard Davies, Rector te Sapperton in Glocestershire, gestorven 1708, spreekt ook van Sh.’s wilddieverij, waarvoor hij door Lucy streng gestraft werd, zoodat hij zijn vaderstad ontweek en, hoewel hier fortuin door makend, zeer verbitterd bleef op genoemden edelman, dien hij tot zijn vrederechter Clotpole (Dwaashoofd) maakte, en wien hij, met zinspeling op zijn naam, drie luizen tot wapen gaf.
Men ziet, dat door deze mededeelingen, hoe weinig gewicht men er ook aan hechte en hoe laat deze berichten ook verzameld mogen zijn, de boven gegeven verklaring, die op de onderzoekingen van Herman Kurz steunt, niet weinig bevestigd wordt. Men heeft inderdaad alle recht om te vermoeden, dat de eerste letter van Shallow’s (Zieligs) naam is: Sir Thomas Lucy.—Ook in 1. K. Hendrik VI, IV. 7, 61 laat Sh. een Lucy geweldig met titels schermen.
I. 1. 19. Die dozijn silveren pieten. The dozen white louses. Hugo Evans is een Walliser; het Engelsch is hem een vreemde taal, die hij verbazend radbraakt, zoowel door wonderlijken zinsbouw als door taalfouten en harde uitspraak. Zoo zegt hij hier, in plaats van lice, louses. Toch spreekt hij het Engelsch met het grootste zelfvertrouwen, evenals zijn landgenoot Fluellen, over wien men dit deel blz. 52 nazie.
I. 1. 59. Heeft haar grootvader enz. De folio-uitgave kent deze woorden aan Slapperman toe; de gissing van Capell, dat Zielig ze spreken moet, is echter zeer waarschijnlijk; tot dezen, als Slapperman’s voogd, zal zich Evans met zijn mededeeling gewend hebben.
I. 1. 92. Bij Cotswold. Cotswold, in den volksmond Cotsall, is een heuvelachtige grasrijke streek in Glostershire, waar vaak volksvermakelijkheden plaats vonden.
I. 1. 116. De dochter van uw wachter niet gekust. Ongetwijfeld een aanhaling uit een thans onbekend volksliedje of een toespeling er op.
I. 1. 130. Gij Banbury-kaas. Banbury, een stadje in Oxfordshire, was, behalve om zijn puriteinschgezindheid, bekend om zijn bijzonder dunne kaas. In Jack Drum’s Entertainment (1601) vindt men evenzoo: „You are like a Banburycheese,—nothing but paring”; niets dan korst. Wordt hiermede Slapperman’s magerheid aangewezen, evenals door het flentertje of dun schijfje van Nym. Pistool’s Mephostophilus doelt op zijn afschuwelijke leelijkheid, zooals het voorkomen was van den boozen geest in Marlowe’s Faust.
I. 1. 158. Een halve kroon in scheepjesschellingen. In ’t Engelsch mill-sixpences, munten op den muntmolen in 1561 voor het eerst geslagen; de stempel werd later veranderd. Een kroon gelieve men hier twee gulden waard te denken; het Engelsch heeft hier zeven grooten, seven groats, wat samen 28 pence is; hoe het mogelijk is, zeven grooten in zesstuiversstukken (of ƒ 1.— in schellingen) te verliezen, moge Slapperman zelf uitleggen.—„Schuifbordschellingen”, Edward shovel-boards zijn groote zware, onder Edward VI geslagen schellingen, die voor het spelen op het shovel-board of shove-groat gebezigd werden. Op dit schuifbord, den voorlooper als het ware van het biljart, werden zulke munten, maar ook wel steentjes van een pond gewicht en meer, met de hand voortgeschoven en moesten dan bepaalde punten of lijnen bereiken.
I. 1. 164. Vreemd’ling van ’t gebergt. Omdat Evans een Walliser is.—Labras, dat volgt, is Spaansch voor „lippen”; er waren in Sh.’s tijd veel Spaansche woorden in gebruik.—Voor het „grijpschaar” staat in ’t Engelsch nuthook, een lange staak met een haak aan ’t eind, om noten van de boomen te halen; het woord is een spotnaam te rekenen voor politiemannen en slaat tevens nog op Slapperman’s magerheid.—„Scharlaken en Hans” zijn de namen van twee volgelingen van Robin Hood, die nu vereenigd op Bardolf worden toegepast, om hem te gelijk als spitsboef en drinkebroer te kenschetsen.
I. 1. 200. Met uw verlof, lieve juffrouw! Kussen was in oud-Engeland een zeer gewone begroeting.
I. 1. 209. Het raadselboek. In 1600 werd „The booke of merry riddles” uitgegeven, dat grooten aftrek vond en verscheidene malen herdrukt werd. Met het liedekens- en klinkdichtenboek kunnen de liederen en sonnetten van den graaf van Surrey bedoeld zijn, die zeer in aanzien waren en in het jaar 1557, waarin zij het licht zagen, driemaal gedrukt werden, verder in 1559, 1565, 1567, 1574, 1585 en 1587.
I. 1. 211. Met de laatste Allerheiligen, veertien dagen voor Sinte Michiel. Evenals zijn meester een eigen rekenmanier, houdt Simpel er zijn eigen kalender op na, want Allerheiligen valt ruim vier weken na Michaëlis.
I. 1. 282. Bedien mijn neef Zielig. Ook als men te gast was, liet men zich toen door zijn eigen knecht bedienen.
I. 1. 307. Sackerson. Honden met beren te laten vechten was toen een zeer geliefd volksvermaak. Sackerson was een sterke beer in Parisgarden, Southwark, Londen.
I. 2. 13. Pippelingen en kaas. Als echt Walliser hield Evans bijzonder veel van kaas.
I. 3. 15. Schuimen en kalken. Men schaafde, volgens Steevens, zeep op den bodem van een bierkan, om het bier te laten schuimen; met sek werd kalk gemengd, om die te klaren; vergelijk 1 K. Hendrik IV, II. 4. 136.
I. 3. 23. O snood Gongarisch wicht. De regel ziet er uit als een gewijzigde versregel uit een oud drama; Gongarian staat voor Hungarian; door deze Hongaren zijn de Zigeuners of Heidens te verstaan, evenals men bij den Boheemschen Tartaar van den Waard (IV. 5. 21) aan dezen te denken heeft. Bisschop Hall zegt in zijn „Satires”:
„So sharp and meagre that who should them see
Would swear they lately came from Hungary.”
En zoo kan Hongaar ook de bijbeteekenis hebben van „hongerlijder”.—In het volgend zeggen van Nym staan de laatste woorden van Nym: „Zijn aard is” enz. niet in de folio-, maar zijn aan de quarto-uitgave ontleend.
I. 3. 30. Een figo. Een teeken van verachting; zie 2 K. Hendrik IV, V. 3. 124 (Deel I, blz. 632).
I. 3. 36. Gaan stroopen. Er staat eigenlijk „konijnen vangen”.
I. 3. 49. Zij lacht toe. In ’t Engelsch staat letterlijk: she carves. To carve is eigenlijk „voorsnijden”, „trancheeren”, een kunst, die een welopgevoed mensch, man en vrouw, moest verstaan. Als een vrouw aan een man voorsneed, hem bediende, kon dit een teeken van welwillendheid of gunst gerekend worden, en dat Falstaff, die van zijn buik een afgod maakte, het zoo opvatte, kan niet verwonderen. Men kan hier het woord dus opvatten in letterlijken zin, maar ook eenvoudig als voorkomend zijn; evenzoo is het in „Veel gemin, geen gewin”, V. 2. 323.—Een andere verklaring geeft Grant White; hij zegt, dat het is, „bij het drinken met den vinger een geheim teeken van verstandhouding geven” en haalt daarvoor uit Sir Thomas Overbury’s A very woman het zeggen aan: her lightness gets her to swim at top of the table, where her wry little finger bewrays carving.—In het volgend zeggen van Pistool heeft de folio-uitgave, min verkieslijk, tweemaal will; ’t eerste moet well zijn.
I. 3. 59. Hij heeft een legioen engelen. Gouden munten van 10 shilling.
I. 3. 83. Sir Pandarus van Troje. De oude koppelaar; zie Sh’s Troilus en Cressida.
I. 3. 95. Valsche steenen. In ’t Engelsch worden soorten van valsche dobbelsteenen opgenoemd: gourd, fullam, high en low; misschien waren de eerste met een holte, de tweede met lood vervalscht, en gaven de twee andere altijd hooge of altijd lage oogen.
I. 4. 28. Met een konijnenmelker. In ’t Engelsch warrener, eigenlijk niet een konijnfokker, maar een opzichter in een konijnenperk, die wel niet hooger begaafd behoeft te zijn dan een ganzenhoeder. Moed is zeker niet het eerste vereischte voor deze betrekking.
I. 4. 79. Phlegmatiek. Zij wil natuurlijk choleriek zeggen, maar is met die vreemde woorden telkens in de war.
II. 1. 23. Die Vlaamsche dikzak van een dronkaard. In ’t Engelsch alleen: this Flemish drunkard, maar de Engelschman dacht bij den Duitschen dronk vanzelf aan een grooten lichaamsomvang; vergelijk „Othello”, II. 3. 80.
II. 1. 52. Die ridders willen er op inhakken. Engelsch: These knights will hack. De juiste beteekenis is nog raadselachtig; hack beteekent „hakken”, „houwen”.
II. 1. 64. Het lied van „Juffrouw Groenmouw”. Een lichtzinnig liedje uit dien tijd; het is verloren gegaan, maar de melodie is bewaard gebleven. Wereldsche wijsjes, die opgang maakten, werden toen niet zelden voor geestelijke liederen gebruikt.
II. 2. 19. Pickt-hatch. Een beruchte buurt in Londen.
II. 2. 28. Bierhuis-uitdrukkingen. Engelsch: redlattice phrases. De venstertralies van kroegen en publieke huizen waren roodgeverfd.
II. 2. 157. Welkome Beken. De aangenomen naam van Ford is in de folio Broom, in de quarto-uitgave Brook; het laatste is, blijkens deze woordspeling, juist. De eerste naam, Brook, is waarschijnlijk, om de eene of andere reden, in Broom veranderd, zonder dat men op deze plaats acht sloeg.—Dat iemand ter kennismaking aan een gast in een herberg een kan wijn zond, was in Sh.’s tijd niet vreemd en bleef nog lang daarna in zwang.—De uitroep via! is Italiaansch en beteekent: voort! vooruit! zij was in Engeland zeer gebruikelijk.
II. 2. 311. Amaimon enz. De duivelnamen heeft Sh. ontleend aan het boek van Reginald Scot: Inventarie of the Names, Shapes, Powers, Government and Effects of Devils and Sprites etc. 1584.
III. 1. 17. Aan helt’re peekjes enz. In zijn angst mengt Evans in het lied van Marlowe: The Passionate Shepherd to his Love, dat ook in „De Verliefde Pelgrim” (aan het einde van het derde deel te vinden) is opgenomen een vers uit den 137sten Psalm: „Aan Babels waat’ren zaten wij”. Het oorspronkelijke luidt: By shallow rivers, by whose falls Melodious birds sing madrigals. There will I make thee a bed of roses, With a thousand fragant posies.
III. 3. 15. Datchetwei. Een als bleek gebruikte weide tusschen het noorderterras van het kasteel te Windsor en de Theems, met een sloot, die in de rivier uitloopt.
III. 3. 44. Van kraaien. From jays. Jay is de Vlaamsche gaai of meerkol, Corvus glandarius; het woord wordt ook tot aanwijzing van lichte vrouwen gebezigd, zie „Cymbeline” III. 4. 51.
III. 3. 45. „Is nu mijn hemelsch kleinood mijn?” Have I caught thee, my heavenly jewel? Zoo begint het tweede lied uit Sidney’s Astrophel and Stella. Alleen is in de folio-uitgave het woord thee ingevoegd.
III. 3. 79. De apothekersstraat in den kruidentijd. In ’t Engelsch wordt de straat, waarin vele apotheken waren, door den naam, Bucklersbury, aangewezen; de „kruidentijd” is natuurlijk de tijd, waarin de meeste kruiden, simples, verzameld en gedroogd werden.
III. 3. 96. Verschuilen achter het wandtapijt. Zie 1 K. Hendrik IV, II. 4. 549 en „Hamlet”, II. 2. 163 en III. 4. 7.
III. 4. 47. Wat er ook gebeure. Er staat eigenlijk „kome kort- en langstaart”; hij voegt er bij, dat hij zich niet zoo hoog als een landjonker, squire, wil verheffen, misschien uit respect voor Zielig, die een „squire” is.
IV. 1. 4. Echt separaat dol. In ’t Engelsch zegt vrouw Haastig very courageous mad, „courageous” voor outrageous; in ’t Nederlandsch staat natuurlijk separaat dol voor „desperaat dol”.
IV. 1. 41. De artikels worden ontleend van het pronomen. In het Latijn zijn, zooals bekend is, geen lidwoorden. Maar ook de ouden, zelfs Varro reeds, die ten tijde van Caesar leefde, bezigden de aanwijzende voornaamwoorden, om de geslachten der naamwoorden te onderscheiden; zoo zegt Varro („De lingua latina”, X. 2. 161): „In virili genre est lepus, ex neutro nemus; dicitur enim hic lepus et hoc nemus”. Zoo heeft langzamerhand de Grammatica der middeleeuwen van het demonstrativum als het ware een artikel gemaakt, en in de Latijnsch-Engelsche woordenlijsten der 15de eeuw, die nog lang in gebruik bleven, vindt men voor ieder substantivum, naar gelang van zijn geslacht, een hic, een hec of een hoc, of ook verkort i, e, o.
IV. 2. 77. Het dikke wijf van Brentford. Gillian (Juliana) of Jyl was een om haar grappige invallen zeer bekende waardin uit Brentford,—een stadje, ongeveer zeven mijlen westelijk van Londen, naar Windsor toe, gelegen,—en ging bij velen voor een heks door.—Er werden toen doeken gedragen, mufflers, om de kin en den mond te omhullen.
IV. 2. 110. Neem eer voor stille waat’ren u in acht. In het Engelsch staat hier het spreekwoord: „Stille varkens eten alle draf.” Ons spreekwoord is: „Stille waters hebben diepe gronden”.
IV. 3. 1. De Duitschers verlangen. In de folio-uitgave staat hier het enkelvoud, en dit wisselt later af met het meervoud, als om aan te duiden, dat een van de drie hoofdpersoon is.—Hoogstwaarschijnlijk was de in dit stuk optredende waard een aan de toeschouwers bekende persoonlijkheid en is hij werkelijk door Duitsche groote heeren bedrogen, aan wie hij paarden had geleverd zonder er betaling voor te kunnen krijgen. Dit nader aan te toonen, waarvoor bronnen genoeg voorhanden zijn, zou hier te veel ruimte vorderen en de zaak is er niet belangrijk genoeg voor.
IV. 4. 28. Er loopt een sprookje van den jager Hoorne. Halliwell zegt aan het slot zijner inleiding bij een herdruk der oude quarto-uitgave: „In a manuscript of the time of Henri VIII, in the British Museum, I find: „Rycharde Horne, yeoman”, among „the names of the hunters which be examyned and have confessed for hunting in his majesty’s forest”.” Volgens de oude overlevering zou Horne, die opzichter was van het koninklijk park, uit angst voor zijn ontslag, zich opgehangen hebben aan den naar hem genoemden eik. Men heeft zich veel moeite gegeven, om de plaats, die de dichter zich voor dit tooneel voorstelt, aan te wijzen, maar het mag overbodig heeten daarover uit te wijden, en na te gaan, welke der eiken, dien men als „eik van Horne” heeft aangewezen, door Sh. bedoeld zou zijn. Slechts dit: de plaats lag zeker vrij dicht bij het kasteel, want daar vond men vroeger eiken, zaagkuil (een timmerplaats) en een droge gracht, die bij de slotgracht behoorde, bij elkander.—In de oude quarto-uitgave is de naam des jagers, evenals in bovenstaand document, Horne, en niet Herne, zooals in de folio-uitgaaf. De eerste naam zal wel de juiste zijn en is in dit stuk eigenaardiger; zie ook V. 5. 115.
IV. 5. 7. Veldbed. Trucklebed, een laag bed, op rollen, dat onder het groote bed, dat op pooten stond, kon geborgen worden en meest voor een bediende bestemd was.
IV. 5. 19. Ephesiër. Een vroolijke, levenslustige klant, ook wel Corinthiër geheeten, zie 2 K. Hendrik IV, II. 2. 164 en 1 K. Hendrik IV, II. 4. 13.—Over Boheemsche Tartaar, zie boven, blz. 328, bij I. 3. 23.
IV. 5. 66. Kerlino. Evenzoo maakt in ’t oorspronkelijke de waard van het Engelsche varlet, „knecht”, „kerel”, het Italiaansch klinkend varletto.
IV. 5. 104. Primero. Een kaartspel, thans onbekend, ook in K. Hendrik VIII, V. 1. 7. vermeld.
V. 1. 1. Kom kom, enz. Dit eerste tooneel zou eigenlijk beter bij het vorige bedrijf gevoegd zijn.
V. 5. 21. Pataten regenen, eryngiën, sneeuwen. De pas bekend geworden aardappels en de kruisdistels werden geacht een tot mingenot opwekkende kracht te bezitten.
V. 5. 43. Aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd. You orphan heirs of fixed destiny. Waarschijnlijk: kinderen van aardsche ouders, die volgens eeuwig besluit van het noodlot door de elfen geroofd en door deze als kinderen aangenomen waren.—Met oyez, hoort (in het Engelsch oyes, rijmend op toys), begon een heraut steeds tot stilte te vermanen.—Voor deze woorden der Elfenkoningin staat in de folio-uitgaaf Qui., d.i. Quickly (de naam van vrouw Haastig), voor de volgende van Hobgoblin, de naam Pistool, wat niet anders aanduidt,—daar het voor den druk gebezigde handschrift blijkbaar bij de vertooning van het stuk gebezigd was,—dan dat dezelfde spelers, die vrouw Haastig en Pistool hadden voorgesteld, nu als Feeënkoningin en Hobgoblin optraden.—Mogelijk ondertusschen is Qui. een drukfout voor Qu., d.i. Queen, koningin, Elfenkoningin.
V. 5. 53. Tauwtrupje. In ’t Engelsch staat Bede, d.i. Bead, in de quarto-uitgave, om Evans’ Walliser uitspraak, Pead. Bead is een knopje, bolletje b.v. van een rozenkrans, kraal, ook droppel, of wel alles wat zeer klein is.
V. 5. 60. Windsors slot. Malone heeft vermoed, dat de regels, die op de orde van den Kouseband doelen en in de quarto-uitgave van 1602 ontbreken, later bijgevoegd zijn en op het door koning Jacobus I in 1603 te Windsor gehouden feest der orde betrekking hebben. Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk juist. In reg. 67 wordt gesproken van installatie van nieuwe ridders,—each fair instalment,—en in de laatste jaren van Elizabeths regeering was er van installatie van nieuwe ridders zoo geen sprake; daarentegen was in 1603 Sh.’s begunstiger en vriend, graaf Southampton, onder hen, wien deze eer ten deel viel. Kort te voren was hij nog een gevangene wegens hoogverraad en had bijna het lot van zijn vriend Essex gedeeld; na Elizabeths dood werd hij weder in zijn rang en zijn waardigheden hersteld en mocht naar het gebruik der orde zijn insignia: schild, helm en banier, met zijn voor rein verklaard wapen, boven zijn zetel in de kapel der orde ophangen. De toevoeging with loyal blazon, reg. 68, kan zeer wel hierop doelen.
V. 5. 107. Neen, loop niet weg. De speelaanwijzing, die aan deze woorden van Page voorafgaat, ontbreekt in de folio-uitgaaf geheel, en is reeds door een der oudste uitgevers, Theobald, aan de eerste quarto-uitgave met eenige wijzigingen ontleend. Dat de inhoud moet zijn als hier gegeven is, valt niet te betwijfelen.