VIJFDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
EERSTE TOONEEL.
Een vertrek in de herberg de Kouseband.
Falstaff en vrouw Haastig komen op.
Falstaff.
Kom, kom, geen praatjes meer; ga maar; ik houd woord. Dit is de derde keer; ik hoop, dat oneven getallen geluk brengen. Ga nu, ga! Het zeggen is, dat een oneven getal een heilig getal is, voor de geboorte, voor de wisselvalligheden van ’t leven, en voor den dood.—Ga nu heen.
Vrouw Haastig.
Een ketting zal ik u bezorgen en ik zal mijn uiterste best doen om u een paar horens te verschaffen.
Falstaff.
Ga heen, zeg ik; de tijd vervliegt; kin op en dribbel weg.
(Vrouw Haastig af.)
(Ford komt op.)
Gij daar, heer Beek? Mijnheer Beek, de zaak komt nu van nacht, of nimmer in orde. Kom tegen middernacht in het park, bij den eik van Hoorne, en gij zult wonderen zien. 13
Ford.
Zijt gij dan gisteren niet bij haar geweest, Sir, zooals gij mij gezegd hebt, dat de afspraak was?
Falstaff.
Ik ben naar haar toe gegaan, heer Beek, zooals gij mij hier ziet, als een arm oud man, maar van haar teruggekomen, heer Beek, als een arme oude vrouw. Diezelfde schurk van een Ford, haar man, heeft den sluwsten jaloerschen duivel in zijn lijf, heer Beek, die ooit een dolkop regeerde. Ik wil het u vertellen: ik heb erbarmelijk slaag van hem gekregen, in de gedaante van een vrouw; want in mansgedaante, heer Beek, vrees ik zelfs Goliath niet met zijn weversboom, omdat ik ook weet, dat het leven een weversspoel is. Ik heb haast, ga een eind weg met mij mee; ik wil u alles vertellen, mijnheer Beek. Sinds ik aan ganzen de veeren uittrok, spijbelde en drijftollen ranselde, wist ik niet meer wat slaag krijgen is, dan nu pas. Ga mede; ik zal u vreemde dingen vertellen van dien schurk van een Ford, op wien ik mij van nacht wil wreken, en ik zal zijn vrouw in uw handen leveren.—Ga mede; ongehoorde dingen zijn er op handen, mijnheer Beek; ga mede.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Het park van Windsor.
Page, Zielig en Slapperman komen op.
Page.
Komt, komt, wij willen ons in de slotgracht verbergen, tot wij de lichten van onze elfen zien. Denk nu maar, zoon Slapperman, aan mijn dochter.
Slapperman.
Ja zeker, wij hebben samen gesproken, en wij hebben een wachtwoord om elkander te herkennen. Ik kom tot haar, die in het wit is, en roep: „Pst!” en dan roept zij „Sst!” en daaraan kennen wij elkander.
Zielig.
Ook goed; maar wat behoeft uw „Pst!” of haar „Sst!”? Het witte kleed zal haar duidelijk genoeg kenbaar maken.—Het is tien geslagen.
Page.
De nacht is donker, als gemaakt voor lichten en spoken. De hemel begunstige onze grap! Niemand heeft kwaad in den zin dan de duivel, en dien zullen wij kennen aan zijn horens. Laat ons gaan; volgt mij!
(Alle drie af.)
DERDE TOONEEL.
Een straat in Windsor.
Juffrouw Page, juffrouw Ford en dokter Cajus komen op.
Juffrouw Page.
Heer dokter, mijn dochter is in het groen; als gij uw tijd gunstig ziet, neem haar dan bij de hand, voort met haar naar de kapel, en terstond de zaak beklonken! Ga maar vooruit, het park in. Wij tweeën moeten er samen naar toe gaan.
Cajus.
Ik weet, wat ik ’eb te doen. Adieu.
Juffrouw Page.
Het ga u wel, heer. (Cajus af.)—Mijn man zal zich niet half zoo verheugen in de tuchtiging van Falstaff, als hij zal razen over het huwelijk van den dokter met mijn dochter. Maar dat doet er niet toe; beter een weinig gekijf dan een groot harteleed.
Juffrouw Ford.
Waar is Anna nu, met haar elfenschaar en den Walliser duivel Hugo?
Juffrouw Page.
Zij zitten allen in een kuil vlak bij den eik van Hoorne, met gedekte lichten, die zij op het oogenblik van onze samenkomst met Falstaff allen op eens door de nacht zullen laten stralen.
Juffrouw Ford.
Dit kan niet anders dan hem schrik aanjagen.
Juffrouw Page.
En als hij ook al niet schrikt, dan wordt hij toch er door bespot; en jaagt het hem schrik aan, dan wordt hij op alle manieren bespottelijk.
Juffrouw Ford.
Zoo wordt hij wel terdeeg door ons geplaagd!
Juffrouw Page.
Op zulk een klant, die vrouwen zoo belaagt,
Zij iedere aanslag, elk bedrog gewaagd!
Juffrouw Ford.
Het uur nadert; naar den eik! naar den eik!
(Beiden af.)
VIERDE TOONEEL.
Het park van Windsor.
Sir Hugo Evans komt op met de Elfen.
Evans.
Trip, trap, elfen! komt, en onthoudt uw rollen goed. Stoutmoedig, pit ik u; folg mij in ten kuil; en als ik de wachtwoorden cheef, doet zooals ik u pefeel. Komt, Komt! trippe trap!
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het park.
Falstaff komt op, vermomd, met een hertsgewei op het hoofd.

DE VROOLIJKE VROUWTJES VAN WINDSOR.
Vijfde Bedrijf, Vijfde Tooneel.
Falstaff.
De klok van Windsor heeft twaalf geslagen; het oogenblik nadert. Nu, gij goden met verhit bloed, staat mij allen bij!—Herinner u, Jupiter, gij werdt voor uw Europa een stier; de liefde zette u uw horens op.—O machtige liefde! die in sommige opzichten van een dier een mensch maakt, in sommige andere een mensch tot beest!—Zoo werdt gij ook een zwaan, o Jupiter, uit liefde tot Leda;—o, almachtige liefde, wat kwam een god daar een gans in gedaante nabij! Eerst een misstap, begaan in de gedaante van een viervoetig beest; o Jupiter, een beestachtige misstap! En dan een tweede misstap in de gelijkenis van een vogel; o denk eens, Jupiter, welk een lichtvaardige misstap!—Als goden het warm onder hun baadje hebben, wat moet dan de arme menschheid doen? Wat mij betreft, ik ben hier nu een Windsorhert, en het zwaarste, denk ik, in het gansche bosch. Zend mij een koelen bronsttijd, Jupiter, of wie kan het mij euvel duiden, als ik mijn vet verwater?—Wie komt daar? mijn hinde?
(Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.)
Juffrouw Ford.
Sir John zijt gij daar, mijn diertje, mijn hertebok?
Falstaff.
Mijn hinde met de zwarte pluim?—Laat nu de hemel pataten regenen, laat het donderen op de zangwijze van „Juffer Groenmouw”, laat het nu geurige suikertjes hagelen en eryngiën sneeuwen; laat er een storm van liefdeprikkels losbreken, hier heb ik mijn toevluchtsoord.
(Hij omhelst haar.)
Juffrouw Ford.
Mistress Page is met mij medegekomen, mijn hartedief!
Falstaff.
Deelt mij als een gestroopt hert, elk een ham; mijn lenden wil ik voor mijzelf houden, de schouders aan den jachtopziener geven; en mijn horens vermaak ik aan uw mannen. Ben ik niet een echte Nimrod? spreek ik niet als Hoorne de jager?—Ha, nu is eindelijk Cupido een kind met een geweten; hij verleent schadeloosstelling! Zoo waar ik een eerlijk spook ben, weest welkom! 33
(Gedruisch achter het tooneel.)
Juffrouw Page.
O God, welk een gedruisch!
Juffrouw Ford.
De hemel vergeve onze zonden!
Juffrouw Page.
Wat zou dat wezen?
Juffrouw Ford en juffrouw Page.
Weg! weg!
(Zij loopen weg.)
Falstaff.
Ik geloof, dat de duivel mij niet verdoemd wil zien en bang is, dat mijn vet de hel in brand zou steken; anders zou hij mij nooit zoo dwarsboomen.
(Sir Hugo Evans komt op, als Satyr vermomd, Vrouw Haastig, als Elfenkoningin, Anna Page en anderen, als Elfen uitgedost met waskaarsen op het hoofd, daarbij een heraut, Hobgoblin.)
Elfenkoningin.
Gij, Elfen, zwart, groen, grauw of wit getooid,
Nachtschimmen, die bij ’t maanlicht rinkelrooit,
En aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd,
Volbrengt uw elfenplichten, hoofd voor hoofd!—
Heraut Hobgoblin, roep uw „Oyez” uit!
Hobgoblin.
Stil, Elfen, zwijgt! luchtgeesten, geen geluid!
Gij, Krekel, hup naar Windsors haarden ras;
Is ’t vuur verzuimd, de haardplaat vol van asch,
Zoo knijp de meid er bont en blauw, en dien
Zoo uw vorstin, die niets onreins wil zien.
Falstaff.
’t Zijn elfen; niemand mag hun doen bespiên;
’k Val neêr, sluit de oogen, om den dood te ontvliên.
(Hij werpt zich neder, met het gelaat op den grond.)
Satyr.
Tauwtrupje, cha, en treft ge een meisje aan,
Tat triemaal knielt en pidt voor ’t slapen chaan,
Bedwing haar phantasie, die onrust mint,
Haar slaap zij soet, als van een sorgloos kind;
Maar wie sich sondig neerlegt en niet pidt,
Knijp die in arm, peen, porst, in ieder lid!
Elfenkoningin.
Op, elfen, op! van hier!
Dat thans uw schare Windsors slot doorzwier’!
Strooit goed geluk in elke heil’ge zaal,
Dat die tot de’ oordeelsdag in luister praal’;
’t Slot zij door duur en koningspracht vermaard,
Het huis den heer, de heer de huizing waard!
Schuurt de ordezetels glad, verhoogt hun pracht
Door balsemsap en fijner bloemen kracht;
Elk nieuwe ridderstoel, blazoen, helmet,
Blijve eeuwig door uw zegen vrij van smet!
Sluit, weidenelfen, nacht op nacht uw kring;
Vormt, evenals de kouseband, een ring;
Die blijve op ’t gras steeds welig, jeugdig, frisch,
Meer dan in ’t gansche veld het groen ooit is;
Dat „Honi soit qui mal y pense” er prijk’
Met bloemen, purper, wit en blauw, gelijk
Saffier en parels fonk’len aan den band,
Die rijk des eed’len ridders knie omspant;
Want schrift met bloemen is der elfen trant.
Van hier! doch tot één uur na middernacht
Zij onze dans om Hoorne’s eik volbracht;
Dat nooit die oude dans vergeten zij! 80
Satyr.
Juist! hand in hand, flug! schikt u tot een rij!
Chlimwormen, twintig, spreiten bij ten tans,
Pefeel ik, als lantarens sachten chlans!
Maar stil, maar stil, ik ruik een aarteling!
Falstaff.
De hemel beware mij voor dien Walliser elf, dat hij mij niet in een stukje kaas verander’!
Hobgoblin.
Gij worm, bij uw geboort’ reeds aterling!
Elfenkoningin.
De vuurproef op zijn vingertoppen, vlug!
Want is hij rein, dan wijkt de vlam terug,
En schroomt hem leed te doen; doch toont hij smart,
Dan tuigt zijn vleesch van een verdorven hart.
Hobgoblin.
De vuurproef, kom!
Satyr.
De vuurproef, kom! Siet, of tit plok wil pranten!
(De Elfen branden Falstaff met de lichten.)
Falstaff.
O! O! O!
Elfenkoningin.
Verdorven, boos, in merg en ingewanden!
Komt, elfen, met een spotlied om hem heen,
En knijpt hem op de dansmaat een voor een.
Allen
(zingend en dansend).
Weg met snoode fantasie!
Dat aan wellust recht geschiê!
Wellust is een vuur in ’t bloed,
Eerst ontglimd in ’t wulpsch gemoed,
Dan in ’t harte staâg gevoed;
Hoog en hooger stijgt de gloed,
Door gedachten aangeblazen,
Tot de vlammen loeien, razen.
Knijpt hem, elfen, naar de rij,
Knijpt hem voor zijn schelmerij;
Knijpt hem en brandt hem en wentelt hem om.
Tot kaarsen- en sterren- en maanlicht verglom.
(Gedurende dit lied knijpen de Elfen Falstaff. Dokter Cajus, Slapperman en Fenton komen aansluiten van verschillende kanten; de eerste schaakt een groene, de tweede een witte Elf, en Fenton Anna Page.—Jachtgedruisch achter het tooneel; al de Elfen loopen weg. Falstaff werpt zijn hertsgewei van zich en rijst op. Page, Ford, juffrouw Page en juffrouw Ford komen op; Sir Hugo Evans voegt zich bij hen. Zij houden Falstaff vast.)
Page.
Neen, loop niet weg; wij hebben u betrapt;
Was nu de jager Hoorne uw laatste troost?
Juffrouw Page.
Ik bid u, zet de grap niet verder voort.—
Sir John, wat zegt ge wel van Windsors vrouwtjes?—
Man, zie eens, staat dit fraaie hoofdsieraad
Niet beter in het woud dan in de stad?
Ford.
Wel, Sir, wie is nu de hoorndrager?—Mijnheer Beek, Falstaff is een schelm, een hoorndragende schelm; daar zijn zijn horens, mijnheer Beek; en mijnheer Beek, hij heeft niets van Ford genoten dan zijn waschmand, zijn knuppel en twintig pond in goud, die aan den heer Beek moeten terugbetaald worden; zijn paarden zijn er voor in beslag genomen, mijnheer Beek. 119
Juffrouw Ford.
Sir John, wij hebben het recht ongelukkig getroffen; wij konden maar geen samenkomst hebben. Ik zal u nooit meer tot hartelief nemen; maar mijn hert, dat blijft gij altijd.
Falstaff.
Ik begin te gelooven, dat men een ezel van mij gemaakt heeft.
Ford.
Ja, en een os ook; van beide zijn de bewijzen voorhanden.
Falstaff.
En waren dat geen elfen? Het is mij drie- of viermaal in de gedachte gekomen, dat het geen elfen waren; maar het bewustzijn van schuld, de plotselinge overrompeling van mijn geestvermogens deden mij, spijt en trots alle redelijk menschenverstand, de grofheid van deze fopperij voor vollen ernst opnemen, zoodat ik geloofde, dat het elfen waren. Nu blijkt het, hoe het verstand tot een vastenavondzot kan worden, als het op booze wegen wandelt.
Evans.
Sir John Falstaff, tien Chot, en laat af van uw pecheertens, en de elfen sullen u niet nijpen.
Ford.
Goed gezegd, elf Hugo.
Evans.
En sie gij af van uw jaloerschheden, pit ik u.
Ford.
Ik zal nooit mijn vrouw meer wantrouwen, totdat gij in staat zijt, haar in goed Engelsch het hof te maken.
Falstaff.
Heb ik dan mijn hersenen in de zon gelegd en gedroogd, dat zij te kort schieten om zulk een grove beetnemerij te voorkomen? En mag nu ook nog een Walliser geit naar willekeur met mij omspringen? Moet ik een zotskap dragen van Walliser baai? ’t Wordt tijd, dat ik stik aan een stuk geroosterde kaas.
Evans.
Kaas is niet cheschikt om poter te cheven; uw pens is een en al poter.
Falstaff.
Kaas en poter! moet ik het beleven, het mikpunt te zijn van iemand, die Engelsch tot piesjes hakt? Dit is genoeg om alle wulpschheid en nachtlooperij in het geheele koninkrijk in verval te brengen.
Juffrouw Page.
Wel, Sir John, meent gij waarlijk, dat, al hadden wij ook alle deugd met het hoofd vooruit uit ons hart geworpen, en gewetenloos onze zielen gansch en al aan de hel verkocht, de duivel ooit u tot den wellust onzer oogen gemaakt zou hebben?
Ford.
Wat, zulk een brijpodding! zulk een wolbaal!
Juffrouw Page.
Zulk een opgezwollen schepsel!
Page.
Oud, koud, verwelkt en met een ontzettenden buik!
Ford.
En zoo godslasterlijk als Satan!
Page.
En zoo arm als Job!
Ford.
En zoo boos als Jobs vrouw! 165
Evans.
En ferslaafd aan ontuchten en aan herberchen, en de sek en den wijn en de mede, en aan drinken en aan floeken, en chluren en kakelen en krakeelen!
Falstaff.
Ga voort, ik ben uw zondenbok, gij hebt het mij afgewonnen. Ik ben diep verslagen; ik ben niet in staat aan het Walliser flanel een antwoord te geven. De domheid zelve ziet een kabellengte diep op mij neer. Doet met mij wat ge wilt.
Ford.
Ja, ja, Sir, wij zullen u naar Windsor brengen, bij zekeren heer Beek, wien gij geld afgetroggeld hebt, wien gij beloofd hadt voor koppelaar te zullen spelen. Bij alles wat gij geleden hebt, zal het u, denk ik, bovendien een bitter verdriet zijn, dat geld te moeten terugbetalen.
Page.
Blijf toch welgemoed, ridder; gij zult van avond een goede biersoep bij mij eten, en daar zal ik u vragen mijn vrouw uit te lachen, die nu om u lacht. Vertel haar eens, dat de heer Slapperman haar dochter getrouwd heeft.
Juffrouw Page
(ter zijde). De geleerden betwijfelen dit. Als Anna Page mijn dochter is, dan is zij op dit oogenblik de vrouw van dokter Cajus.
(Slapperman komt op.)
Slapperman.
Hé, holá, ho! vader Page.
Page.
Zoon, wat is er? wat is er, zoon? is alles in orde?
Slapperman.
In orde?—De eerste lui in Glostershire zullen het weten, ja, of ik laat mij hangen, ziedaar!
Page.
Wat dan, zoon?
Slapperman.
Ik kom daar naar Eton om met Anna Page te trouwen, en zie, daar is zij een groote lobbes van een jongen. Als het niet in de kerk geweest was, dan had ik hem door elkander geschud, ja, of hij mij. Als ik niet dacht, dat het Anna Page was, mag ik nooit een lid meer verroeren;—en het is een postmeestersjongen.
Page.
Bij mijn ziel, dan hebt gij de verkeerde genomen.
Slapperman.
Wat behoeft gij mij dat te zeggen? Dat dunkt mij ook, daar ik een jongen voor een meisje nam. Als ik met hem getrouwd was geworden, had ik met al zijn vrouweplunje, hem toch niet willen hebben.
Page.
Wel, dit is niets dan uw eigen domheid. Heb ik u niet gezegd, hoe gij mijn dochter aan haar kleeding zoudt herkennen?
Slapperman.
Ik ging tot die in het wit en zeide „Pst!” en zij zeide „Sst!” zooals Anna en ik hadden afgesproken; en toch was het Anna niet, maar een postmeestersjongen.
Juffrouw Page.
Beste George, wees niet boos; ik wist van uw plan en kleedde mijn dochter in het groen; en, om de waarheid te zeggen, zij is nu met den dokter in de kapel, en getrouwd ook.
(Dokter Cajus komt op.)
Cajus.
Waar is juffrouw Page? Pardieu, ik zij bedroog; ik ’eb ketrouwd un garçon, een jong; un paysan, pardieu, een jong; het is niet Anna Page; pardieu, ik zij bedroog. 220
Juffrouw Page.
Wat! gij naamt toch die in ’t groen?
Cajus.
Ja, bij Kod, en die is een gnaap; bij Kod, ik zal in opstand breng heel Windsor.
(Cajus af.)
Ford.
Dat is vreemd. Wie heeft de echte Anna gekregen?
Page.
Ik word ongerust; daar komt master Fenton.
(Fenton en Anna Page komen op.)
Wat, master Fenton!
Anna.
Vergeving, lieve vader! beste moeder!
Page.
Ei, ei, juffertje, waarom zijt gij niet met master Slapperman meegegaan?
Juffrouw Page.
Waarom gingt gij niet met den dokter mede, meisje?
Fenton.
Gij brengt haar van haar stuk; verneemt nu alles.
Gij wildet haar een smaad’lijke’ echt doen sluiten,
Waar liefde nimmer wederliefde vond.
Nu staat het zoo: wij beiden, lang verbonden,
Zijn ’t nu zoo hecht, dat niets ons scheiden kan.
’t Vergrijp, dat zij gepleegd heeft, is geheiligd,
En haar misleiding heete geen bedrog,
Geen ongehoorzaamheid of plichtverzaking,
Want hierdoor meed, ontging ze een duizendtal
Godslasterlijk verwenschte heillooze uren,
Die een gedwongen echt haar brengen zou.
Ford.
Staat niet onthutst; hier valt niets aan te doen.
De hemel zelf regeert bij liefde en trouw;
Koop’ geld u land, het lot verkoopt een vrouw.
Falstaff.
Ik ben blij, dat, terwijl gij op mij gemikt hebt, uw pijl toch nog is afgeweken.
Page.
Wat nu?—’t Zij.—Fenton, zegene u de hemel!
Wat niet te ontgaan is, nu, dat moet men dragen.
Falstaff.
Hij schiet allicht een bok, die ’s nachts gaat jagen.
Juffrouw Page.
Nu, ’k wil niet langer pruilen. Master Fenton,
De hemel schenke u veel, veel blijde dagen.—
Kom, beste man, nu allen saam naar huis;
En lachen wij bij ’t haardvuur om de grappen,
Sir John en allen.
Ford.
Sir John en allen. Goed; wij gaan.—Sir John,
Toch houdt gij nog aan master Beek uw woord,
Want die, ja, slaapt van nacht bij juffrouw Ford.
(Allen af.)