← Table of contents
De Slavernij

Hoofdstuk II.

Reading edition

In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?

Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.

Een geestelijke in de „Cincinnati New school Presbytery,” predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbel gebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die „Presbytery” in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De „New School General Assembly” vernietigde nogtans deze beslissing der „Presbytery,” en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de „Presbytery” hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de „Old School Church.”

De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.

Omstreeks den tijd dat Smylie’s vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.

Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.

Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag van praktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.

De Presbyteriaansche kerk der „Old School,” tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een’ man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de „Presbytery” voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.

De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der „Old School Assembly,” beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: „het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder.”

Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.

De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.

Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam’s zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenis der handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:

De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.

In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:

Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.

Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.

Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.

In 1801:

Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.

Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.

De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.

Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:

Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd, is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zij alle regt, wensch of voornemen tot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat, ten eenemale ontkennen of afwijzen.

Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaak der slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:

Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***

De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.

In 1838 besloot de Conferentie,

dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.

Men zal zich herinneren dat „Zions Watchman” door Le Roy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.

In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.

Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:

Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.

Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7den April 1847:

Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigd zijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk, zijt gij een abolitionist? zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.

Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,

J. P. Durbin. J. Kennaday. Ignatius T. Cooper. William H. Gilder. Joseph Castle.

Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.

In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:

1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegen MENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16; en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel. Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt. Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en ze HOUDEN, KOOPEN of VERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.

Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werd eenstemmig aangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:

Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijs zullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaaf altoos is blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.

Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders, eenparig goedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:

Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, en algemeen ingezien en erkend wordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door de VOLKOMENE AFSCHAFFING der slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.

Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een groot abolitie-genootschap gevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.

De „Assembly” zegt verder dat de slaven voor tegenwoordig nog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de „Assembly”) treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat „een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeente DE SLAVERNIJ VERAFSCHUWT en HARE VERNIETIGING wenscht.” Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan „met betrekking tot het openbare welzijn onvermijdelijk gevorderd wordt;” en om zich „door geene andere inzigten te laten beheerschen dan „eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing de nadeelen en ongelegenheden die zij mogt medebrengen, geen invloed mogen uitoefenen.” Zij waarschuwt tegen eene „noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid” als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.

Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen, eenstemmig werd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats van scholen te verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!

Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeen gevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:

Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.

Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien. Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats. Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth. Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben. Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn. In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft men de kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.

De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woord zelden, door er nooit voor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de „Assembly,” en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.

In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:

Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijke ZONDE is. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.

In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.

Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.

Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeer afschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.

De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van den Emancipator schreef: „Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen.”

De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:

Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:

Is uit dien hoofde besloten:

1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.

2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.

De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:

Is besloten:

1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.

2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.

3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.

De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderden afzonderlijk, en besloten:

Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.

Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:

Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart dat geene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uit krachte van hun gezag het geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen, is, derhalve, besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.

Het beloop van den slavenhandel,—tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,—kan uit de volgende items worden afgeleid. In een artikel van den Virginia Times uit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. De Natchez Courier (Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!

De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:

In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten, spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen die letterlijk in ketenen was. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere. Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?

Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.

Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.

Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de „New School” genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de „New School General Assembly.” In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende „presbyteries.” In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.

Het gedrag der „Old School Assembly,” na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:

Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op het erkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.

2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderen zich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.

Voor dit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daar tegen slechts dertien.

Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.

In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.

In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij „TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET,” en „VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;” en toch niettemin „dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.”

Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.

In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der „New School.” Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende „Presbyteries.” Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.

Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.

Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: „Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verre te gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de „Old School” overgaan.”

Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: „Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?”

Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.

Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der „instelling” allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den „Presbyteries” de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: „De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen.” De Eerwaarde George Beecher stelde voor om het woord: zedelijk vóór het woord: kwaad in te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.

In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.

De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.

Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:

Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.

Niettemin ging het volgende besluit door:

Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen de kunst te onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:

1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.

2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.

3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningen der slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.

4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken, dat gemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.

5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welke wij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.

6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.

Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.

Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de „New School” met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en hare vernietiging wenscht. In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.

Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk te noemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis ware geuit geworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: „De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen.”

Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zonde per se was, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al die vreeselijke foltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: „Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening der Kerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel—wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan.”

Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een’ ander’ op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een’ derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al de fashion des lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.

En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij iets uitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet iets gedaan te worden wat die uitwerking kan hebben?

Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerkt dat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De „New School Presbytery” van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die „Presbytery” zeide, dat zij nooit op hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De „Presbytery” van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de „New School Presbytery” van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der „New School” niet beslist had, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.

De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.

De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!

De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der „Old School” tot gemeenschappelijke viering van ’s Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der „New School” hield deze gevoelens voor geene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!

In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wij in aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.

In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: „Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden.” Een ander voorstel was van een ouderling uit Pennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij, prima facie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.

Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: „Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin het uit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en „presbyteries” wordt overgelaten.” De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft—inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijke en Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der „Old School” voornemens was te doen.

In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: „Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben.” De gansche maatschappij ging toen éénen weg op—al de rijkdom, al de magt, al de fashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.

De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeide niets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij had alles gedaan, wat zij verlangden.

Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der „Presbyteries” in slaven-houdende Staten van drie tot twintig geklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.

Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis—het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendoms overeen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en de vrije Presbyteriaansche Kerk vormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd—het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.

Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,—genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.

Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.

De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegeven wist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan, als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen—ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.

Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagt wil niet toegeven,—wij moeten het. Het Zuiden zegt: „Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat.” De Vereeniging der zondagsscholen heeft Mr. Gallaudet’s geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? „Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wij kunnen meer goed doen door de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden.” Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het even hoe zij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?

Hier zijn wij, in deze crisis,—hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,—wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!

De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaat over het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maar alleen uit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!

Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goede bedoeling niet genoeg is.

In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;—dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde—door onze schuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft—naar den afgrond!

Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,—de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme, als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijke getuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der „New School” heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?—had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?

Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?—Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig mensch al sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.

Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:

Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”

Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.

Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.

Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de „Home Missionary Society,” die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de „New School” der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, „zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen.”

Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.

Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: „Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden.”

Dit is een edel standpunt.

Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en „Covenanters” niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat „GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;” en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de „Illinois Anti-slavery Society” onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der „Old School” hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: „Zoo ik een misdadiger ben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn.” Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.

Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.

Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van de fashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen—eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze, zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is het harnas der regtvaardigheid.

Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,—alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.

Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der „Old School” houdt, zonder tucht of protest, met deze „Presbyteries” gemeenschap. De Vergadering der „New School” betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de „Old School,” terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.

Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der „New School,” en ook vele der „Old School,” besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:

Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eene ongeschikte wijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoe waar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welke dupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar, zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan den New-York Observer de voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.

Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheid van het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot de zachte behandeling der slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die het ligchaam betreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid der slaven in dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, één enkel man in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!

Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaak voor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt—dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies—dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?

Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?

Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: „Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beter deel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde.”

Maar welligt zal men zeggen: „De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?” Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haar op de regte wijze had aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar niet verkeerd hebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen—mannen, vrouwen en kinderen—ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna’s in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: „Meester, bestraf uwe discipelen.” Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: „Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden.”

Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van „brand!” bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen hen in de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.

„Mijn hemel!” zegt een deftig lid der Vergadering, „welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!”

„Zij verraden een zeer slechten geest,” merkt een ander op; „wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen.”

Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.

„O! er is brand!—een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,—mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!”

„Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,” zegt er een.

„Ik heb opgemerkt,” zegt een ander, „dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;—ik wil niet gaan zien.”

Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.

„Wel, er is brand, dat lijdt geen twijfel,” zegt er een.

„Er moet iets gedaan worden,” zegt een ander.

„Ja,” zegt een derde; „zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen.”

„Op mijn woord,” zegt een vierde, „er zijn vrouwen onder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan.”

En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.

„Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown,” zeggen deze mannen, „om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons.”

En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.

„Om ’s Heeren wille, DOET IETS!” is de kreet. „Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen! Iets om te stuiten!”

„Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen,” zegt iemand van die toeschouwers.

Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.

„Het zijn onhandelbare enthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen,” zegt een ander.

Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geene aardsche handen hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dien VIJAND u aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, dat BRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.

Kerk van Christus, er was eens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu—staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.

Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als „de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar,” en zeggen: „Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!”—dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.

O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten! Uw God de verdediger der slavernij!—uw God de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.

Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.

Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?” Is dit eene loondienst?—Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet anders durven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij het onbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!—in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!—ontwaakt!—staat op!—zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig! regtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings