Note 2 — Hoofdstuk II.
Reading edition
Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. „Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid.”2 En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat is haar belang niet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam van leeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.