← Table of contents
De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"

JONG HOLLAND (continued 2)

Reading edition

Wou-jij, scheepsjongen van 'de Gouden Leeuw', nu al rebellie plegen tegen een meerdere van je?.... Denk eens aan: tegen een lichtmatroos."

"Spot niet, Hans.... Ik kàn dat niet verdragen!"

Hans troonde hem mee naar een afgezonderd hoekje, waar zij op een hoop oude zeilen plaats namen, en toen zij daar gezeten waren, sprake Hans:

"Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...."

"Wat kan mij dat schelen?"

"Meer dan je denkt.... Even geduld!"

"Geduld?.... Ik heb dat zooveel jaren moeten hebben...."

"Dat er een paar minuutjes nog wel bij kunnen, zou ik zoo denken..."

Het onverstoorbaar goede humeur van Hans miste ten slotte zijn uitwerking niet op den heftigen, onstuimigen knaap.

"Ga dan maar je gang," zei hij met zulk een diepe zucht, dat Hans erom in den lach schoot.

"Je lijkt wel een blaasbalg.... Neen, bedaar!.... Ik zal je geduld niet langer op de proef stellen.... Ik had dan een vogeltje...."

"Dat weet ik al!"

"Maar wat je niet weet, is, dat ik dolveel van het beestje hield. Ik was nog een schoolaapje, en als ik naar huis kwam stuiven, zag het beest me al van verre aankomen en fladderde van blijdschap tegen de tralies van zijn kooi."

Er was iets innigs gekomen over de beweeglijke gelaatstrekken van Hans, maar die van Witte behielden haar ijzige onverschilligheid.

Wat ter wereld kon hèm een vogeltje schelen?

Toch zweeg hij nu, en wachtte met een geduld, dat hem niet dikwijls eigen was, het vervolg van het verhaal af.

"'k Had het gevangen in den winter, toen het nergens eten kon vinden. Door den honger was het in mijn macht gekomen, en daarom zorgde ik er altijd goed voor, dat het te eten kreeg. Pietje wist dat, en keek naar mijn handen om.... Dat stomme dier!"

"Moet dat gezeur nog langer duren?"

"O ja, Witte, je lacht me uit, omdat ik, zeemansjongen, die al heel wat gezworven heb, hoe jong ik nog ben, van een simpel vogeltje heb gehouden? Wacht maar, je zult eens zien, hoe je van den scheepshond gaat houden, en misschien probeer-je wel een aap mee te brengen naar het vaderland. Wij, zeelui, hechten ons altijd erg aan die goejege, stomme dieren, die je zoo kunnen aankijken, net, of ze hulp van je vragen. En die aard zat zeker toen al in me, al had ik nog geen ander scheepje dan dat ik van m'n houten klomp gemaakt had. Dàt weet ik wel, dat ik voor geen geld van de wereld m'n kameraadje had willen missen. Telkens was ik bij zijn kooi, om met hem te praten, en zoo waar als ik leef, het beest verstond me. Zijn baasje mocht alles bij hem doen, zelfs met den vinger over z'n kopje strijken."

"Is het haast uit?"

Nu kwam er als een lichte wolk over het anders zoo opgeruimde gelaat van Hans.

"Gauw genoeg, Witte! Daar heeft dat kleine ondier zelf voor gezorgd."

"Hoe?"

"'k Zal het je vertellen. 't Was al een heel stuk in de lente. Op een vroegen morgen — 'k lag nog in m'n kooi, die bij ons thuis onder de pannen was opgeslagen — hoorde ik m'n vogeltje op een geweldige wijze aangaan. Dàt is een kat! dacht ik, en wip! was ik uit 't bed en stak m'n hoofd door het dakvenster, waarnaast ik het kooitje 's nachts altijd ophing. Toen zag ik, dat ik het heelemaal mis had. M'n kameraadje lette niet eens op mij, maar wipte telkens tegen de tralies, om maar zoo dicht mogelijk bij de vogels te zijn, die druk rondvlogen met strootjes en allerlei ander gedoe voor het bouwen van hun nest."

"En natuurlijk wou je vogel daarbij wezen!"

"Dat wou-ie. En nu kan ik je niet zeggen, Witte, hoe ondankbaar ik dat van hem vond."

"Ben-je wel goed bij je zinnen? Een vogel blijft toch een vogel, en is liever in de wijde wereld dan achter de tralies van een kooi."

"Je hebt volkomen gelijk, Witte. 't Ging met m'n vogeltje.... net als 't met jou gegaan is."

Getroffen zag Witte hem aan. Van nu af was hij een en al gehoor.

Hans zag dat, en al het joviale kwam weer op zijn gelaat terug.

"Nu weet ik, maat, dat je me niet zult uitlachen als ik je verder vertel, wat er gebeurd is. Ik, kleine, domme jongen, kon maar niet gelooven, dat mijn makkertje de wijde wereld, waarin hij haast verhongerd was, liever zou hebben dan zijn baasje. Ik riep hem bij al de naampjes, die een kind aan z'n vogeltje geeft, opende het deurtje om hem met m'n vinger over z'n kopje te strijken.... Wip, daar ontsnapte hij door die opening en vloog weg. Ik werd rood van kwaadheid, en slingerde hem een stuk dakpan, dat in de goot lag, achterna. Tranen met tuiten heb ik erom gehuild. Niemand kon mij over dat verlies troosten. Men wilde mij een ander vogeltje geven. Ik dreigde het den nek om te draaien. Dat is nu al heel wat jaren geleden en nooit dacht ik me over het verlies van m'n speelkameraadje, dat ik van den hongerdood gered had en altijd verpleegde met al de innigheid van een onnoozel kind, heen te kunnen zetten...."

"Is dat toch gebeurd?"

"Door jou."

"Door mij!"

"Ja, Witte.... op het oogenblik zelf, toen je me vertelde, hoe je moeder je den rug toekeerde, toen jij uit je kooitje vloog."

"Daar wil-je mee zeggen, Hans?"

"Dat mijn vogeltje niet anders kòn, Witte."

IX.

Met ijsgang uit het Goereesche Zeegat.

Tegen het midden der maand Januari van het volgende jaar 1616 was het weder geheel omgeslagen.

Geen nevel meer en geen regen en geen donkere dagen. Al wederom werd de waarheid bevestigd van het oude rijmpje: "Als de dagen lengen, gaan de nachten strengen."

Maar niet alleen des nachts vroor het, dat het kraakte en knapte. Ook op den dag bakte het een aardig koekje.

De landman was met dat alles wel tevreden. "Nu vriest het ongedierte dood," meende hij.

Over het algemeen was men niet op een kwakkelwinter gesteld. "Wakke winters, vette kerkhoven," leeraarde een ander spreekwoord.

De jongens en meisjes gingen op den zolder de schaatsen eens aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Moeder zei wel, dat er eerst "balken onder het ijs" moesten komen, en probeerde haar rakkers een beetje in toom te houden door ook al een spreuk aan te halen, namelijk die van "ijs kost menschenvleisch". Doch vader wist wel uit zijn jonge jaren, dat jong goedje moeilijk aan een touwtje vastgelegd kon worden, al sprak hij nu met moeder mee. De verkoopers van "heete melk met knapkoek", gingen eens na, welk oud tafeltje nog goed genoeg zou zijn, om op het ijs dienst te doen. De smeden brachten alles in gereedheid tot het schaatsenslijpen. De rollen schaatsenband werden door de broeders van het St. Nicolaasgilde opgeduikeld en aan de luifel gehangen. Alleen de varensman, in zooverre hij de wijde wereld in moest, mocht naar al dat gedoe niet meer omkijken.

En geen wonder! De echte vrieswind waait uit het Oosten en dan is het voor een zeilschip tijd om het wijde water op te zoeken. Hoe gezellig dit anders mocht zijn, bij vorst in het water kon het soms nog een heel getob worden, dat gewoonlijk eindigde met het uitwerpen van het anker, om op een betere gelegenheid te wachten.

Die betere gelegenheid moest men meestal zelf zoo spoedig doenlijk bij den kop zien te vatten. Want in den riviermond kon men niet blijven. Telkens bracht de ebbe van boven een al talrijker wordende massa ijsbrokken aan, weldra van ijsschotsen, op elkaar schuivend en hoe langer hoe geweldiger wordend.

Ook konden, op schier onbegrijpelijke wijze, plotseling kolossale stukken ijs van den bodem oprijzen en ineens van alle kanten de rivier bedekken.

Wel duwde de vloed die massa terug of bracht ze althans in beweging, ze in elk geval opstuwend tegen de oevers, waar ze hoe langer hoe meer op elkaar gestapeld werden. Doch na eenige uren kwam de ebbe weer door, en als eenmaal een gedeelte der rivier vast ging zitten, was er geen denken meer aan, om de vaargeul open te houden.

De schepen, die op stroom lagen, zochten liever de veilige haven op, maar "de Gouden Leeuw" moest eruit, het kostte wat het wilde, moest de vrije zee bereiken, voor en aleer de ijsgang in het Goereesche Gat dit onmogelijk maakte.

Niet alleen, omdat hij voor het eerst de wijde wereld in zou zeilen, heeft de ons bekende scheepsjongen van "de Gouden Leeuw" den 21sten dag van die Januarimaand onthouden en opgeteekend in zijn dagboek, maar niet het minst, omdat het bij die gelegenheid zoo verbazend zwaar toeging. Een ander schip, waarover Heyndrik Buys gezagvoerder was, kon tot een voorbeeld strekken, hoe gevaarlijk het was, met zulk een sterken ijsgang de proef te nemen, om naar buiten te komen. Het "verzeilde", aldus heeft Witte dat aangeteekend.

Dat kon echter kapitein Geen Huyghen Schapenham den moed niet doen verliezen. Het ging erop of eronder, en dat wel naar de getuigenis van denzelfden scheepsjongen "met groot perikel". Ontzaglijk leden de manschappen, die bij die felle koude vele uren lang in het want moesten doorbrengen of op het gladde dek, dan wel in de roeibootjes, als er ankers of allerlei lijnen moesten uitgebracht worden, zonder eenige beschutting overgeleverd aan den tot op het gebeente doordringenden, ijskouden Oostenwind. Krom stonden de vingers van de koude. Tóch moesten knoopen gelegd worden of losgemaakt, tóch het ijzer van anker of spil aangeraakt worden, al voelde dat aan, of de huid aan het metaal bleef vastkleven.

image: 20_perikel.jpg
image: 20_perikel.jpg

[Illustratie: Het ging erop of eronder "met groot perikel".]

Stel u ook niet die matrozen dik gekleed voor! Dat kon niet bij die vlugge bewegingen, dat opvliegen in het want, dat neerstorten in de booten. Ook ging het aan boord meestal op de bloote voeten.

Het is dan ook niet te verwonderen, dat, gelijk al diezelfde scheepsjongen getuigde: "in 't uitzeilen van 't Goedereesche Gat door de vehemente vorst, veel van 't volk haar voeten of teenen afgevroren" waren.

Wonderlijk! Die bezige menschen merkten in die benarde uren daar weinig van. Eerst een maand later, toen zij in de warmere streken der wereld waren aangekomen, begon zich dat te openbaren, en moest men de zieken aan land brengen, waar er tenten voor hen opgericht werden en men hen zoo goed en zoo kwaad dat in dien tijd ging, verpleegde. Maar enkelen van die rappe maats zagen nooit meer het vaderland terug. Zij liggen begraven in Isle de Majo, een der Kaapverdische eilanden....

Het was wel een hard begin geweest voor Witte, die zóó van de kleermakerstafel in het ruwe, onbarmhartige leven van den varensman der 17e eeuw overgeplaatst kwam. Het had ook niet erger gekund, en vrouw Stoffelsen beschouwde het daarom als een straf en het was wèl jammer voor haar, dat zij tijdens die benauwde uren in het Goereesche Zeegat niet aan boord tegenwoordig kon zijn, om haar meening in deze aan den gewezen snijdersleerling zoo nu en dan kenbaar te maken.

Nu moet het gezegd worden, dat zij haar tijd niet verloren had laten gaan. Nauw had Witte zich in dienst begeven van de Oost-Indische Compagnie ter Kamer te Rotterdam — want daarvoor voer "de Gouden Leeuw" uit — of het was haar een lust geweest allerlei sombere profetieën over zijn stuggen kop uit te storten.

Toch was haar dat dienstnemen van den voormaligen leerjongen niet onvoordeelig geweest.

Om een ongunstig getuigschrift of wel een heel gezanik met het Kleermakers- of Sint-Franciscusgilde te voorkomen en te vermijden, had moeder de With, die anders daarvoor wel de minst geëigende persoon was, alles in der minne weten te schikken, en was heel zijn zeemansuitrusting, wat ten minste de kleederen betrof, aan meester Jochum opgedragen, een voordeeltje, waar hij niet zuur om keek. Waarbij kwam, dat hij niet het kleinste muntstukje had uit te betalen aan zijn helper, die, niemand anders dan Witte was.

En voor ditmaal een uitnemende hulp!

Witte had op de kleermakerstafel nooit zulk een ijver betoond als nu. Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, en prikte zoodanig naar hartelust, dat vrouw Stoffelsen, die zich zijn luieren en tegenspartelen van nog niet zoo heel lang geleden maar al te goed herinnerde, daar een reden in vond om zich boos te maken en oude koeien uit de sloot te halen.

Die oude koeien zette zij vlak voor Witte neer, en dan begon ze, hoe venijniger hoe liever.

Ze kòn dat eenvoudig niet laten. En om eerlijk de waarheid te zeggen, werd zij nu daarin gestijfd door Witte zelf, op wiens gelaat bij de beschouwingen van zijn gewezen meesteres, telkens een fijn, tergend lachje te voorschijn kwam, een Judaslachje, gelijk moeder Stoffelsen zich uitdrukte.

"Ja," had ze bij zulk een gelegenheid gezegd, "lach me maar uit, lansje! Je bènt er nog niet. Je hebt twaalf ambachten en dertien ongelukken..."

"Ho, ho, vrouw Stoffelsen... ik ben pas zoowat op het helftje!"

"Dáárom zei ik het ook," grijnsde nu ook zij, waardoor haar nogal geschonden gebit bloot kwam, wat haar er nu juist niet mooier op maakte, "dáárom zei ik het ook. Want je nieuwe ambacht zal je natuurlijk ook niet blijven bevallen, zoowaar ik vrouw Stoffelsen heet."

"Best mogelijk!" sarde Witte.

"Maar daar zit-je vast aan!" triomfeerde zij, "want op zee kun-je niet wegloopen."

"Best, hoor!"

"Neen, monster! Daar zit-je in een notedop op een water, waar nergens een plekje land te zien is."

"We doen toch wel eens een haven aan, vrouw Stoffelsen!"

"Ei, wat.... Zou-je willen deserteeren, jou, galgenaas?"

"Waarom niet? Net zoo goed als van de kleermakerstafel!"

Nu verried het gelaat van de vrouw, hoe vol ze was geworden van inwendige pret.

"Probeer dat eens!"

"Als ik er kans toe zie!" plaagde Witte.

"Je durft niet!... Want als ze je te pakken krijgen...."

"Dàt zit nog, moeder!"

"Zitten?.... Dat zullen ze jou laten doen, vrind, en wat harder dan op de kleermakerstafel, dàt beloof ik je."

"Te deksel, dat zal dan wèl hard zijn, hoor.... Maar ook van die tafel ben ik afgekomen, dus...."

"O ja, uit de gevangenis zul-je ook wel geleid worden, maar naar een plaats, waar je niet meer hoeft te zitten."

"Moet ik dan staan?"

"Ja, voor mijn part voegen ze er tot verzwaring van je straf nog bij, dat ze je een paar uur te pronk stellen met een bord voor je lijf."

"En dan, vrouw Stoffelsen?"

"Dan hangen ze je op!"

Nu barstte Witte in een luiden lach uit.

"Wat zul-je daar een spijt van hebben, vrouw Stoffelsen!"

Het gelaat van de eerbare vrouw trok schijnheilig samen.

"Dat zal ik zeker," betuigde zij.

"Ja, maar ik bedoel niet van dat ophangen."

"Waarvan dan?"

"Dat je er niet bij zal kunnen zijn!"

Vrouw Stoffelsen zwol op. Graag had ze haar slof uitgetrokken, om er dien onbeschaamden rekel mee om de ooren te geven, maar nu hij niet meer de leerjongen van haar goeden man was, ging dat niet langer.

Die goede man kwam nu tusschen beiden.

Tot nu toe had hij het die twee maar met elkaar laten uitvechten. Zoolang zijn vrouw op voet van oorlog met een ander was, had hij vrede, en hij wàs een man des vredes.

Nu kwam hij wel niet met een vaderlijke redeneering of een wijze spreuk voor den dag. Om eerlijk de waarheid te zeggen, vond hij zooiets ten opzichte van zijn wederhelft als het werpen van paarlen voor de zwijnen. Maar hij vond de zoo noodige afleiding door de meening te kennen te te geven, dat er "volk" in de taveerne was.

Dat werkte altijd uitstekend op zijn wederhelft. Want mocht het blijken, dat hij zich zoowaar vergist had, dan kon dat "volk" er toch wel geweest zijn, maar zich weer verwijderd hebben, hetgeen vrouw Stoffelsen tot de zekere proef zou leiden om de voordeur te openen en de straat langs te zien.

Bijna altijd werd dan wel een buurvrouw ontdekt, met wie eenige meer of minder vriendschappelijke woorden over de vele gebreken der menschheid te wisselen viel.

Na al het voorgaande, kan men zich wel voorstellen, dat het afscheid van dit echtpaar voor onzen Witte wel om te overkomen was geweest, en, hoe weinig lachebek hij van nature ook mocht zijn, toch had het weinig gescheeld, of hij had door zijn gegrinnik al de goede zedelessen, welke hem vrouw Stoffelsen op zijn verdere levensreis medegaf, in even zooveel voorspellingen, als dat hij voor galg en rad opgroeide, doen omslaan. Het was de baas met zijn knipbeenen, die, door zijn jarenlange ervaring hoe men met zijn wijfje moest omgaan, ook ditmaal uitkomst gaf.

Het afscheid van zijn moeder was koel en strak geweest.

Alles wat er voor hem te doen viel, had zij gedaan.

image: 21_volk.jpg
image: 21_volk.jpg

[Illustratie: Dat er "volk" in de taveerne was.]

Aan zijn uitrusting ontbrak niets. Ja toch iets: de hartelijkheid, het medeleven van de laatste uren, die haar zoon in het ouderlijke huis doorbracht.

Toen het zoo ontzettend koud werd, en zij haar jongen in den breeden riviermond wist, zonder eenige beschutting voor den huilenden Noord-Ooster, trok haar gelaat wel pijnlijk samen, maar geen woord kwam daarover tot een ander, hetwelk een kijkje had kunnen geven in haar hart.

Een moeder vergeet haar kind nooit; maar wat deze leed en deze bad, bleef een geheim tusschen haar en den Hemelschen Vader, den eenigen, aan wien zij haar zoon opdroeg.

Wat Witte betrof, ook hij liet zich niet uit over dat afscheid, en mocht het toch wel eenigen indruk op hem gemaakt hebben, dan was de herinnering daaraan niet van dien aard, dat zij hem voor langen tijd tot neerslachtigheid zou gestemd hebben. Want telkens kwam als een luchtstroom van geluk het gevoel over hem, dat hij eindelijk zijn levensdoel bereikt had.

Dàt jubelde maar door hem heen. Elk stuk van zijn uitrusting was bij het gereedkomen een tastbaar bewijs, dat het dan toch heusch waar was en geen droom, die heerlijke verzekerdheid van naar zee te mogen gaan.

Wat konden hem kou en ongemak deren!

Een warm gevoel van geluk overstroomde hem, deed zijn hart kloppen en zijn polsen jagen. Keken de matrozen een beetje zuinig naar dien strakken winterhemel, hij vond dien even stralend als zijn toekomst. En toen hij op een vroegen morgen afscheid nam van Marie — het vroor dat het kraakte en de lucht leek wel vervuld van prikkelende ijsnaaldjes — zag hij in het ochtendlicht den Brielschen toren, met die groene plekjes van de korstmossen erover gefluweeld, als omhangen met een rose kleed: het lichtrood van zijn toekomst!

Het lag nu ook op zijn wangen, zijn heldere kijkers straalden van opgewektheid.

"Als ik terugkom, Marie.... over jaren...."

"Véél jaren, Witte?"

Hij knikte.

"Voor jou zullen ze gauw genoeg voorbij zijn," klaagde zij, "maar voor mij...."

Hij zag weer op tot den Brielschen toren, den geweldigen Heerscher aan den Mond der Maas.

Toen stak hij zijn hand uit.

"Zul-je dikwijls aan me denken, Marie?"

Zij knikte.

"Ik zal je niet vergeten, Witte."

Nu zagen zijn felle oogen haar aan, zooals slechts hij iemand, hetzij dan vriend of vijand, kon aanzien.

"Daar zullen er wel meer aan me blijven denken... aan den jongen van wien toch niemendal terecht zal komen.... Neen, stil, Marie, ik weet van jou wel beter! Maar het zal ze tegenvallen. Want wat ik eenmaal wil, geef ik niet op, Marie!"

Hij zweeg even.

Toen voegde hij erbij:

"Als het God belieft, Marie!"

Zij boog het hoofd. Iets vochtigs kwam in haar oogen.

Dàt kon hij niet aanzien. Nog een handdruk en hij ging ervan door.

Dit afscheid en dat van zijn moeder was hem zeker niet licht gevallen. Met voordicht vermijden wij het gebruik van het woordje "zwaar". Dáárvoor was hij door heel zijn innerlijk heen eigenlijk veel te gelukkig. En in dat geluk werd hij bevestigd bij zijn overige afscheidsbezoeken.

Zoo was ds. Leo van Nieuwenhoorn haast net zoo blij als zijn doopkind.

Hij had altijd wat in den jongen gezien, het bejammerd, dat zulk een karakter in een niet geliefd ambacht werd opgesloten en was er nu zeker van, dat er uit den knaap voor den dag zou komen, wat hij er altijd in gezocht had. Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede op zijn verdere levensreis en met meer aandacht dan men van zulk een stuggen knaap verwacht zou hebben, luisterde deze daarnaar, ze opnemende in zijn hart.

Van het oogenblik af, dat Witte op zijn schip gekomen was, leek het wel, alsof er een geheele verandering met hem had plaats gehad. Geen ijveriger, vlugger, welwillender en oppassender jongen dan hij. Welk werk, hoe lastig, vervelend of onaangenaam, hem ook opgedragen mocht worden, voor hem kwam er het gezellige en aantrekkelijke van zijn huidige opgeruimdheid over.

Het was er verre vandaan, dat hij de luchtigheid van Hans zou getoond hebben. Hij was en bleef rustiger en koeler. Maar het leek wel, alsof er iets triomfantelijks over heel zijn doen en laten gekomen was, of juister gezegd: een volkomen zekerheid, dat hij al zijn best zou doen, wàt hem ook bevolen werd en dat zijn werk goed zou zijn.

Van de vreeselijke koude in het Goereesche Zeegat heeft hij geen kwade gevolgen ondervonden.

Nu is het waar, dat hij een stevige jongen was, die zich nooit ontzien had; maar de overgang van het thuis zittend leven tot het zich bewegen in de open lucht bij een temperatuur van verscheiden graden onder het nulpunt, moest hem toch wel aanpakken.

image: 22_lessen.jpg
image: 22_lessen.jpg

[Illustratie: Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede.]

Gelukkig voor hem behoefde hij nog niet veel diensten te verrichten in die tallooze touwen en touwtjes, welke een zeeschip uit die dagen van het dek tot het topje van den grooten mast als een web van spinnedraden omgaven. Als dienaar van den scheepskapitein was hij meer aangewezen op een verblijf in de kajuit of op het dek. Wat niet wegnam, dat hij niet bij het fornuis een dutje kon gaan doen, en dat een schip, bestemd voor een reis naar Oost-Indië, meer op het doorstaan van een tropische hitte dan voor de ongemakken van een Poolreis was ingericht. Ten minste ten opzichte van de brandstoffen en gelegenheden tot verwarming. Want wat de dompigheid en de ongeriefelijkheid der menschelijke verblijfplaatsen betrof, gaven die twee in het tijdperk onzer ontdekkingstochten elkaar niet veel toe.

Welk een getob, ja, welk een ellende die ijsgang in het Goereesche Zeegat ook aan de equipage van "de Gouden Leeuw" gegeven mocht hebben, het bleek ook bij deze gelegenheid, dat het Engelsche spreekwoord "Waar er een wil is, is ook een weg", door de Hollandsche Jantjes met glorie in toepassing gebracht kon worden. Hoe meer men de zee naderde, hoe meer zich het ijs bros en voos ging toonen, en eindelijk, daar lag de groote plas voor het oog van den nieuwen scheepsjongen, de Noordzee, in haar kilheid van dezen strengen winter lichtgroen afstekend tegen den wolkeloozen vrieshemel. En prachtig was het om te zien, hoe door dat lichtgroen boven de zandplaten telkens glinsterend witte, in de zon fonkelende, breede witte ruggen opribden.

Onze scheepsjongen kòn het niet nalaten even zijn werk in den steek te laten, en niemand nam het hem op dat pas kwalijk. Van allen, die er op dit oogenblik gelegenheid toe hadden, gingen de blikken dáárheen.

Even nog omgezien naar de duinen en de daarachter oprijzende torens van het vaderland.

Toen weer vooruit.

Want dáár lag de toekomst.

En het was meer in de toekomst dan in het verleden, dat de Jantjes uit ons Heldentijdperk geleefd hebben....

X.

Onder de linie.

Door de onvermijdelijke zeeziekte-periode was Witte vrij spoedig heengerold.

Was hij een groote meneer geweest met een half dozijn bedienden om hem bij te staan, hardop te beklagen en stilletjes uit te lachen, ja, dan zou die krankheid niet alleen een kop en een lang lichaam, maar ook een heel langen staart gehad hebben.

Met een scheepsjongen werd echter een klein beetje anders omgesprongen! Dien stuurde men met een bakje vet het want in, en dan moest hij maar zien, hoe hij het daar hoog in de lucht met de veel-vermaarde zee-bezoeking op een accoordje kon gooien. Zachte meesters maken stinkende wonden, zeiden onze voorouders, en de zeevader van een kajuitsjongen kon moeilijk onder het zoetsappig menschensoortje gerekend worden. Zelf was zoo'n opvoeder het zeemansleven eer ingeschopt dan ingeleid, en omdat hij er flink en gezond en robuust bij geworden was, paste hij met de noodige aanspraken, die, hoewel niet veel van loftuitingen weghebbend, in elk geval de verdienste bezaten van zeer kort en zeer pakkend te zijn, diezelfde opvoedingsmethode op alweer een nieuw geslacht toe. Witte heeft er geen woord van opgeschreven, hoe dat met hem en de zeeziekte gesteld is geweest. Zeker echter is het, dat hij tien dagen na de uitvaart, dus op den 31 Januari 1616, al heelemaal met zijn hersenen bij de zeezaken kon zijn en niet meer als een kabeljauw uit zijn oogen zag.

Men bevond zich toen pas aan het einde — of van den Oceaan af gerekend aan het begin — van het Kanaal, waaruit we kunnen opmaken, dat men bar-veel met tegenwind had moeten worstelen, want als men dat eindje op de kaart nagaat, moet men eerlijk bekennen, dat "de Gouden Leeuw" niet veel was opgeschoten in die tien dagen tijds.

Op die plaats dan trof men vier Hollandsche schepen aan, die ook naar Oostinje op weg waren en voor dezelfde Compagnie voeren. Het waren "de Eendracht" en "de Trouwe" van Amsterdam, "de Banthem" van Enkhuizen en "de Westvriesland" van Hoorn.

Het was geen toeval dat die schepen elkaar "bejegenden". Kapitein Schapenham was er natuurlijk van onderricht.

In deze tijden toch was het beter om er met z'n vijfjes goedgewapende oorlogsschepen op uit te zeilen, dan op z'n eigen houtje den tocht naar Oostinje te ondernemen.

Wel hadden wij met Spanje een wapenstilstand voor den tijd van twaalf jaren gesloten, maar dat strekte zich niet uit tot de Indiën.

Bovendien was juist door het Bestand de zeerooverij bijzonder toegenomen, gelijk we straks nader zullen hooren. En verder.... onze buren van over de zee, de Engelschen, volgden ons als onze schaduw naar de Indiën, in welk geweldig eilandenrijk beide Europeesche buurtjes er niet al te zeer tegen op zagen elkaar af en toe in de haren te vliegen of de inlandsche vorsten tegen elkaar en niet minder tegen de andere blanken op te stoken. Ja, die bleekgezichten hebben heel wat wonderlijke noten op hun zang gehad!

Welke noot onze joviale vriend Hans op zijn zang had, weten we al: dolgraag zou hij op "de Westvriesland" overgeplaatst zijn, en daarom was het een hard gelag voor hem, toen hij het schip van zijn geboortestad Hoorn vlak voor zijn kluisgaten kreeg.

"Daar had ik nu als matroos den banjer op kunnen spelen," gromde — in zooverre dat den immer opgeruimden knaap kon afgaan — hij tegen Witte, aan wien hij, uit het want, de verschillende zeekasteelen aanduidde.

"Kom, Hans wie weet, wat er nog gebeuren kan!"

"Wel, heb ik van m'n leven! Sedert jij net als een slang je huid — nou ja, je kleermakershuid dan! — hebt afgestroopt, zie-jij nergens meer bezwaren in."

"Die zullen wel weer komen," glimlachte Witte. "Alles op z'n tijd, maat! Maar voorloopig ben ik veel te blij, dat ik uit al dat gezanik ben. O, wat een geluk, zeeman te zijn!"

"Jij?.... Wat een verbeelding!.... Zeeman van een blauwen Maandag, hoor! Je komt pas kijken.... weet op z'n best, hoe je een dweil in je knuisten moet houden, en al wist-je dat, dan doe-je het nog verkeerd, sukkel! De eene bootsman trapt je links, en de andere rechts, en dat wou nu al gaan praten van zeeman?"

image: 23_zeekastelen.jpg
image: 23_zeekastelen.jpg

[Illustratie: De verschillende zeekasteelen aanduidde.]

"Ben-je haast klaar?" vroeg Witte.

"Klaar?.... Ik begin pas!"

"Wacht dan even, want ik wou het even over dat trappen hebben. Laat ik me dat doen, Hans?"

Hans keek hem aan, zooals hij daar, blootshoofds, zijn rood-baaien trui los om den naakten hals, de mouwen hoog opgestroopt, in het want hing. Neen, die branie met zijn vurige oogen en zijn norsch gezicht, zag er niet naar uit, om zich door den eersten den besten in een hoekje te laten duwen.

"Nou?" vroeg Witte, die best snapte, wat die onderzoekende blik van zijn maat voor een beteekenis had en nu wel graag eens een goedkeurend en aanmoedigend woordje hoorde, waarmee hij trouwens nooit verwend was geworden in zijn leven aan wal.

Maar Hans snapte dat ook, en begon hem daarom ongenadig te plagen.

Daar kon Witte nog niet te best tegen, en terugplagen ging hem heelemaal nog niet goed af. Gelukkig, dat de drukte, veroorzaakt door het bij elkaar komen der schepen, of juister van de bevelhebbers, die nu heel wat met elkaar te bespreken kregen, genoeg bezigheid aan het scheepsvolk en daardoor voldoende afleiding zoowel aan Hans als aan Witte gaf, om hun gedachten een andere richting heen te voeren.

Toch nam Hans zich stellig voor om bij gelegenheid eens een balletje op te gooien, bijvoorbeeld wanneer hij eens op het achterdek geroepen werd, waar de plaats der officieren was, om op "de Westvriesland" overgeplaatst te worden. Licht viel daar door ongesteldheid of sterfgeval een matroos uit, en dan was het niet kwaad, als men zijn naam alvast in de gedachten had.

Nu, dat was niet dom geredeneerd van onzen Hans.

Alleen vergat hij, dat zulk een open plaats zich door dezelfde omstandigheden ook aan boord van "de Gouden Leeuw" kon voordoen. En, ach en wee voor onzen vriend, hij was al heelemaal vergeten, hoeveel de equipage daarvan bij die koude in het Goereesche Zeegat geleden had.

We hebben al verteld, hoe de gevolgen daarvan zich pas in de warmere streken begonnen te openbaren. En als ik daar het woordje "pas" gebruikte, wil dat nu niet zeggen, dat men ook al zulk een geruimen tijd over de reis moest doen als in het begin. Neen, men bevond zich reeds den 21sten Februari bij de Kaapverdische eilanden, en, gelijk wij reeds weten, werd een daarvan, namelijk het eiland Maio of wel Isle de Majo, uitgekozen tot herstellingsoord voor de zieken van "de Gouden Leeuw".

Men bleef daar tot den 3den Maart, waarna de overlevenden ingescheept werden, maar het spreekt vanzelf, dat die vooreerst nog geen zwaren dienst konden doen. En nu men er ook op dat eiland had moeten begraven, ligt het voor de hand, dat er aan boord van dit schip eer krachten noodig waren, dan dat er, gelijk Hans zoo vurig gehoopt had, gemist konden worden.

Gevolgelijk was het kapitein Schapenham, die aan zijn vriend, den gezagvoerder van "de Westvriesland", het verzoek richtte om hem eenige zijner onderhebbenden in bruikleen te geven. Daarvan telde de equipage 360 koppen, waaronder 60 jongens van Hoorn. Maar van die laatsten stond de gezagvoerder er niet een af.

"Op hen kan ik in alle omstandigheden rekenen," verklaarde hij eerlijk en openhartig aan kapitein Schapenham.

Die knipoogde eens.

"De rest is dus maar zoo.... zoo?.... En dáárvan krijg ik zeker nog het uitschot?" De gezagvoerder van "de Westvriesland" werd om deze opmerking niet boos, want hij zag wel, dat kapitein Schapenham hem een beetje plaagde.

"Wat zal ik je zeggen, Schapenham? Die rest —zooals je maar eventjes niet minder dan driehonderd man gelieft te noemen — bestaat uit voortreffelijke zeelui, en daaronder veel van den Zaankant vandaan maar ze zijn eigenlijk van alles door elkaar."

"Ja, ja.... 't Is bij mij ook zoo! Door het Bestand zijn een massa oorlogsmatrozen ontslagen en die zoeken hun heil in de koopvaardij, in de Indiënvaart...."

"En in de zeerooverij!" viel zijn collega hem met een veelzeggend glimlachje in de rede.

"Juist wat ik zeggen wou," bekende kapitein Schapenham.

De gezagvoerder van "de Westvriesland" knikte.

"'t Zijn tegenwoordig rare streken, die onze zeelui op hun kompas gekregen hebben, Schapenham! Je bent ouder dan ik, en wie ouder is en niet met gesloten oogen geleefd heeft, is vanzelf ook wijzer. Maar of je in dit opzicht zulk een wonderlijken tijd beleefd hebt, kan ik haast niet gelooven."

"Och, vriend," gaf hierop onze kapitein ten antwoord, "ik geloof wel, dat het niet zoo heel erg is, als sommige schippers er sprookjes van vertellen. Je weet, die veel gereisd heeft en vooral die van verre komt, kan je veel verhaaltjes op de mouw spelden. Maar waar is het, dat de jongens onder mekaar er niet over uitgepraat komen, hoeveel er bij de vrije vaart te winnen valt."

"Te verliezen toch ook.... al was het maar hun leven. En als ik 'maar' zeg, is dat enkel bij wijze van spreken. Want 't is toch het kostelijkste, wat zoo'n jongen in zijn matrozenbaaitje heeft steken."

"Daar denkt zoo'n jonge losbol al evenmin aan als aan zijn onsterfelijke ziel!" voegde kapitein Schapenham er ernstig bij. "Er moet maar een slecht element aan boord zijn, een zwalker, die eigenlijk niets meer heeft te verliezen. Die begint de jongens, als ze des nachts op wacht zijn, of met mooi weer wat kunnen luieren, aan hun hoofd te praten van al de schatten, die met de vrije vaart te verdienen zijn. Hoe Simon de Danser, en wie heb-je tegenwoordig al niet meer, op eenzaam gelegen eilanden of bij de Ongeloovigen aan de Noordkust van Afrika, prachtige buitenverblijven hebben en verder al wat een jong zeemanshart bekoren kan. De jongens worden zoo gek op zulk een vrij, bandeloos zeerooversleven, dat ze in staat zouden zijn hun officieren te vermoorden en over boord te smijten, zich meester te maken van het schip en zoowaar ook al op zeeroof te gaan."

"Daarom," voegde de gezagvoerder van "de Westvriesland" hierbij, "ben ik zoo in mijn schik ten minste een vaste kern van vertrouwbare personen bij mij aan boord te hebben. Ik ken die Hoornsche jongens zoo goed als allemaal, en kan tot in den dood op hen rekenen."

"Dat kan ik op mijn equipage ook. En bovendien ik houd een oog in 't zeil. Daarom zal ik op het stelletje, dat je me op den hals schuift, extra goed, letten."

De kapitein van "de Westvriesland" lachte.

"Wie weet, of ik ze nog niet als brave borsten van je terugkrijg."

"Laat dat maar aan mij over, hoor! Ik zet er nog al den duim op, moet-je weten."

Nu, dat deed zijn collega werkelijk niet minder. Er heerschte in die dagen een strenge tucht aan boord van de oorlogsschepen, en wel een tucht, die aan ons onmenschelijk lijkt. Er werd geslagen, gegeeseld, van de ra geworpen, gekielhaald en wat al niet meer.

Geen wonder, dat als het te erg werd, er wel eens zoo'n geteisterde equipage in opstand kwam, de officieren gevangen nam, op een eenzaam eiland aan wal zette, indien men er al niet dadelijk een eind aan gemaakt had, of ze in een roeibootje de wijde, onbegrensde zee op stuurde.

Na zoo'n oproer was de equipage vogelvrij, kon tenminste nooit meer in een vaderlandsche haven komen, zonder met den strop kennis te maken. Welnu, dan sneed men alle banden met de beschaafde maatschappij door en was er een zeerooversschip meer op den oceaan.

Het is dan ook de onvergankelijke eer van een Maerten Harpertszoon Tromp geweest, om aan het ruwe volkje van de zee — want ruw wàs het! — een meer menschwaardig bestaan te verschaffen. In vergelding daarvoor gaf het hem den eerenaam van "bestevaêr", en bleef hem trouw, ook onder de moeilijkste omstandigheden.

Doch wat de toekomst nog zou brengen, kon aan de beide gezagvoerders, wier onderhoud we bijwoonden, nog niet bekend zijn. Zij moesten roeien met de riemen, die zij hadden, dat wil zeggen: op een langdurige reis en door gevaarlijke streken en bezwaarlijke omstandigheden heen, den wind bij hun ondergeschikten, die lang niet van de gemakkelijksten waren, eronder houden.

En voor onze reizigers kwam er weldra een moeilijke tijd. Men naderde de linie, en daar kon het wel eens een getob van tegenwind, of, wat nog erger was, van windstilte geven.

Tot nu toe was de vaart, behalve in het Kanaal, vrij voorspoedig gegaan. Nu echter liep alles tegen, en niet minder dan drie-en-een-halve maand was men genoodzaakt om en bij de linie te blijven, wijl bijna voortdurend de wind uit den Zuidelijken hoek woei.

De eenige afwisseling in dit wanhopig eentonige leven was de ontmoeting met twee Portugeesche schepen. Men maakte er zich meester van en bevond, dat zij in hoofdzaak met wijn bevracht waren. Die vaten en alle verdere koopmanschappen bracht men over aan eigen boord en liet de Portugeezen vrij, al dan niet hun reis naar Brazilië te vervolgen.

Ook had, bij het passeeren der linie, het gewone inwijdingsfeest plaats voor de nieuwelingen. Neptunis kwam voor den dag met zijn vrouw en zijn "zeuntje"; de luidjes, die ingewijd werden, kregen hun stortbad, nadat zij ingezeept en met het blikken mes geschoren waren. Daarna behoorden zij tot de echte zeerobben, tot de bazen, die er voortaan zijn mochten. "Hij is de linie gepasseerd," zegt men nog van iemand, wien men geen knollen voor citroenen kan verkoopen.

Ook Witte, welk een lastig heer hij mocht zijn, was voor Neptunis heel kleintjes en nederigjes geweest, maar toen zijn doop achter den rug was, gevoelde hij zich als een echt zeeman, die wat te vertellen had aan de landkrabben, wanneer hij die na jaar en dag wederom ontmoeten zou.

Uitgenomen deze twee voorvallen, was het aan boord van de Oostinjevaarders een leven, dat men zoowaar niet aan zijn ergsten vijand gegund zou hebben.

Stel u voor: altijd een zwoele, vochtige warmte, waaraan men nacht noch dag ontkomen kon. En in die benauwde hitte.... altijd maar eten van gezouten vleesch of spek, van boonen en erwten en gort, terwijl al wat men dronk, zoowel het water dat naar het vat smaakte, als het scheepsbier, alle frischheid miste.

"Wat begint ons spek er geel uit te zien!" zei Witte op een van die drukkende, benauwde dagen tot Hans.

Deze glimlachte eens.

"Dukaten-goud!" schertste hij.

Witte, van eigen natuur prikkelbaar, was dit onder die voortdurende hitte en dat vervelende leven van maar afwachten en allerlei werkjes opzoeken om toch maar wat te doen te hebben, nog een haartje erger geworden.

"Jij steekt overal den gek mee!" gromde hij.

"Ik?.... Wel, als een mensch dàt onder de linie niet doet, zou hij tureluursch worden."

"Dat word ik van de kakkerlakken," ging Witte al maar voort te grommen.

"Vergeet toch alsjeblieft die lieve insecten in je beschuit niet," plaagde Hans.

image: 24_goud.jpg
image: 24_goud.jpg

[Illustratie: "Dukaten-goud!" schertste hij.]

Witte zette een vies gezicht en maakte een gebaar van afschuw.

Hans keek hem aan.

"Ben-jij een jongen, die de linie gepasseerd is?"

"Wat zou dat?"

"Wat dat zou? Wel die ziet nergens tegen op, of staat nergens voor."

"Maar die wormen en torretjes in je beschuit...."

"'t Mocht wat!.... Waar ter wereld zul-je dat kunstje kunnen vertoonen van aan je scheepskaak te fluiten?"

"Aan je scheepskaak te fluiten!...."

"Wel ja!.... In de mijne waren zooveel beesten met en zonder pooten, dat als ik m'n stuk op dek lei en ik floot, het vanzelf naar mij toe kwam wandelen."

"Loop!" zei Witte, een beetje boos, omdat Hans hem er zoo had doorgehaald.

"Loopen?.... We blijven stilletjes zitten.... Of liggen, al naar je 't neemt. Maar al ga-je staan of hangen, vergeet toch alsjeblieft één ding niet, en dat is, dat je hier niet voor je plezier ben."

"Voor mijn verdriet ben ik toch niet gaan varen zou ik denken?"

Hans maakte een gebaar, als wilde hij zeggen: "Hoor toch zoo'n kind eens!"

"Ga-je nou al piepen?" sprak hij. "Wacht maar een paar dagen en je zult nog heel wat anders beleven."

"Moeten er dan nog erger dingen gebeuren?"

Hans knikte.

"Wees maar blij, dat je niet gezouten bent."

"Gezouten?.... Ben-je heelemaal?"

"Nu ja, zoo noemen we de matrozen, die eigenlijk de beste zijn, omdat zij het langst gevaren hebben en zooveel achter den rug hebben. Dat soortje heeft van z'n levensdagen zooveel gezouten goedje door het keelgat verwerkt, dat ze er heelemaal van doortrokken zijn. 't Is door heel d'r lichaam gaan zitten."

"Maak dat een ander wijs!"

"'k Maak je niets wijs. 't Is de waarheid. En gauw genoeg zul-je de ellende daarvan zelf aanschouwen."

"Welke ellende?"

"De scheurbuik, maat!"

Witte voelde zich bij die op somberen toon geuite woorden een steek door het hart gaan. Hij had al meer van die wanhopig ellendige ziekte gehoord, welke veroorzaakt wordt door het gebrek aan versche spijzen, vooral van groente.

Arme zeeman, die er door bezocht wordt. Zijn tandvleesch zet zoo sterk op, dat het als een sponsachtig gezwel tusschen de lippen door uit den mond komt puilen. Armen en beenen worden loodkleurig en dik. Duwt men er met den vinger op, dan blijven de putten erin staan. Een gevoel van ontzaglijke moedeloosheid komt over den patiënt. Het leven is hem niets meer waard, de dood schijnt hem een uitkomst uit zijn lijden. En, gelijk Hans het opmerkte, het zijn juist de meest ervaren, de meest "gezouten" matrozen, die al de ellende van deze verschrikkelijke bezoeking moeten doorstaan.

Wel werd er ook Hans even door bezocht, maar het beduidde bij hem niet veel, en hij bleef met den schrik vrij. Witte, die als het ware nog geheel "versch" was, bleef ongedeerd.

Wel, wel, wat was dat verschrikkelijk, zoo te midden van den Oceaan, onder een heete, vochtige lucht en een zee, die ook een geduchte warmte van zich gaf, zonder eenige afwisseling, zonder op te kunnen schieten, al maar dat gekreun van de zieken te moeten aanhooren, of wat nog erger was, hun niet zelden stom lijden aan te zien.

Eindelijk toch kwam er uitkomst.

Na veel getob bereikte men het eiland Annabon, en het eerst, waar men daar navraag naar deed, was naar versche groenten en vruchten.

Het gebruik daarvan werkte op de zieken als een toovermiddel.

Nu, 't werd tijd ook, dat er uitkomst kwam. Van de bemanning waren er 47 gestorven en niet minder dan 150 ziek.

O, dat terugkeerend leven in die doffe oogen, toen men hun oranje-appelen kon plukken en hun die als triomf voorhield!

Om een denkbeeld te geven, hoe lang dat getob geduurd had, zij het voldoende mede te deelen, dat men den 3en Maart van Isle de Majo was vertrokken en eerst den 18en Juni het anker voor Annabon uitgeworpen had.

XI.

Er moet iets op de "Westvriesland" gebeurd zijn.

Het lijkt zoo mooi, om, gelijk het versje zingt, heel de wereld rond te zwieren in het topje van den mast; maar als men dien dichter, van wien ik overigens geen kwaad zal spreken, omdat ik veel van zijn mooie liedjes houd, eens aan boord van "de Gouden Leeuw" had kunnen stoppen om al die tobberij rond de linie mee te maken, geloof ik, dat hij, ten minste in dit opzicht, wel tot andere gedachten gekomen zou zijn.

Daar was met die scheurbuik, met dat eeuwige menu van pekelvleesch, erwten en boonen, en niet het minst door die nooit aflatende zwoele warmte, een stemming onder de bemanningen der vijf schepen gekomen, die weinig op levenslust geleek.

Ook de gezagvoerders kon den neerdrukkenden invloed niet ontgaan. Evenals de matrozen waren zij humeurig en prikkelbaar geworden.

De matrozen uitten dit, door weinig van elkander te kunnen velen. Maar als dat tot ruzie oversloeg, dan waren hun bazen daar als de kippen bij, en moest de man met het stokje voor den dag komen, die een voor den grooten mast gebonden zeerob ongenadig op zijn ribbenkast kon geven.

Wie echter stond er boven de vijf gezagvoerders, om die tot reden te brengen, indien dit noodig mocht blijken?

Al lijkt het, dat het kapitein Schapenham was, die als de voornaamste werd aangezien, toch hadden drie van de vijf geen zin, om zich aan zijn oppergezag te onderwerpen. En zoo geschiedde het, dat nog op de reede van Annabon, waar men, gelijk men zich herinneren zal, den 18en Juni was aangekomen en een poos lang verbleef om de zieken wat te doen opknappen, er een scheuring kwam in de kleine vloot. De kapitein van de "Westvriesland" bleef kapitein Schapenham getrouw, maar de drie overige gezagvoerders besloten te zamen de reis op eigen gelegenheid te vervolgen.

Of daartoe medegewerkt had de ontmoeting van twee schepen, die van den kant van de kust van Guinea kwamen, even Annabon aandeden en toen op reis gingen naar het vaderland, vermag ik niet te zeggen.

Voor Witte anders was die eerste ontmoeting met zeekasteelen, die de vaderlandsche vlag langs de wijde wateren lieten zwieren, een heele gebeurtenis.

Zonder dat hij zeggen kon waarom, had het hem getroffen, toen hij, nadat de uitkijk al gerapporteerd had, dat het vaderlandsche schepen waren, ze, mooi over de zee, had zien komen aanzeilen. 't Leek hem een stukje van Holland, erg gezellig, al was het nu zoowaar heelemaal hierheen verdwaald. En het meest trof hem toch het denkbeeld, dat die afgedwaalde partjes weer naar hun oorsprong terugkeerden, of gelijk men dat nu eenmaal uitdrukte, dat de schepen op de terugreis waren naar Patria.

image: 25_heimwee.jpg
image: 25_heimwee.jpg

[Illustratie: Heimwee, maat?]

Hij schrok, toen Hans, die hem bij het uitkijken naar die naderende zeekasteelen had gadegeslagen, hem op den schouder sloeg.

"Heimwee, maat?"

Witte verzette zich, met al de zuurheid van zijn gelaat, tegen dàt denkbeeld.

"Je lijkt wel gek!" beet hij Hans toe.

"Mogelijk," gaf Hans kalm ten antwoord, "want ik heb op het oogenblik geen spiegeltje bij me, om m'n gezicht te bekijken. Maar dit zal je toch van me moeten aanhooren, dat na zoo'n reisje, als wij er een achter den rug hebben, er meer Jantjes zijn geweest, die graag op een naar Patria terugkeerend schip hadden over willen stappen."

"Om Jan Salie te worden?"

Hans keek hem een oogenblik strak aan.

Toen stak hij zijn breeden knuist uit.

"Kordaat gesproken, Witte.... Ik was al bang, dat...."

"Nu, waarvoor?"

"Dat.... nu ja, dat een kleermakersjongen voor goed na zoo'n vreeselijke reis van zijn waan genezen zou zijn."

"'t Wàs geen waan!.... Ik zou op die kleermakerstafel kapot zijn gegaan.... en dàt zou me gespeten hebben!"

"Nu.... dàt kun-je op deze schuit ook.... Zooals je aan onze arme maats gemerkt hebt, die we in het groote zeemansgraf lieten afglijden."

Witte haalde de schouders op.

"Dominee Leo heeft...."

"Hoho!.... Kom-je weer met dien op de proppen?"

"Ja, Hans.... En wat hij mij daarover geleerd heeft, geloof-je toch ook?"

"Dan moet ik toch eerst nog weten wat!"

"Stil, Hans, niet spotten!.... Want jij weet toch ook.... en dat is het wat ds. Leo me altijd heeft voorgehouden, dat het uurtje van onzen dood vastgesteld is, en niemand daar iets aan veranderen kan."

"O, meen-je dàt?.... Wel dat is natuurlijk."

Dat "natuurlijk" kwam er bij Hans van ganscher harte uit. 't Was ook het geheim, waarom onze 17de-eeuwsche varenslui nooit ofte nimmer vrees kenden, en, zooals zoo dikwijls in onze rijke geschiedenis neergeschreven zou moeten worden, in een simpel roeibootje op een vijandelijk zeekasteel af durfden gaan.

"Niemand kan zijn dood ontloopen," zeiden zij, "en als dat oogenblik gekomen is, moet men sterven; maar zoo niet, dan kan geen regen van kogels, geen orkaan of stortzee je deren."

Daarom gingen zij, zonder een spier op het gelaat te vertrekken, de grootste gevaren tegemoet.

Het was dan ook op het anders niet te vriendelijke gelaat van Witte te zien, dat die uitroep van Hans hem genoegen deed. Die wilde er nog wat bijvoegen, maar werd op dit oogenblik geroepen om met eenige andere matrozen een boot uit te zetten.

Indien hij had kunnen vermoeden, dat het geruimen tijd zou duren, voor en aleer hij met Witte weer een praatje zou kunnen maken, dan zou hij hem zeker de hand ten afscheid gereikt hebben.

Het geval toch lag ertoe, dat er aan boord van de "Westvriesland" meer patiënten aan de scheurbuik overleden waren dan op "de Gouden Leeuw". Zoo kwam het, dat nog denzelfden dag, na een bijeenkomst van de gezagvoerders dier twee bodems, er eenige manschappen van laatstgenoemd schip naar de "Westvriesland" werden overgeplaatst, waaronder, tot zijn groote vreugde, ook Hans behoorde, die aldus op een onverwacht oogenblik zijn lievelingswensch in vervulling zag overgaan.

't Ging alles zoo gauw, dat hij maar even tijd had om zijn bultzak en verdere spulletjes te halen, om die naar zijn nieuwe verblijfplaats over te brengen. Even nog keek hij rond naar Witte, om dien het blijde nieuws mede te deelen, maar deze was in de kajuit van kapitein Schapenham aan het werk, en in dit heiligdom kwam zeer zeker een lichtmatroos niet ongeroepen.

Witte hoorde eerst dien avond, dat zijn kameraad voorloopig niet meer een praatje met hem zou kunnen maken, hem plagen, maar ook van goeden raad dienen. Eerst speet hem dit erg, maar een zeeman moet zoo dikwijls en zoo herhaaldelijk afscheid nemen, dat hij wel leert, zich dat niet bijzonder aan te trekken, anders lag hij al heel gauw op zijn dooden rug.

Bovendien begon Witte er iets manlijks in te vinden, nu eigenlijk in waarheid geheel op eigen beenen te staan.

Hans was een bovenst beste jongen, vond hij, maar het begon hem toch al meer en meer te hinderen, dat hij door hem altijd nog op een soort beschermende wijze behandeld werd.

Een echt zeemansjong uit dien tijd, steunde, naast God, het liefst op zich zelven. En in Witte zat de echte zeemansnatuur.

In elk geval, en hiermede troostte zich ten slotte onze vriend — indien al ooit van hèm gezegd is kunnen worden, dat hij troost noodig had! — zij bleven toch in zeker opzicht bij elkaar in de buurt.

Precies na twee maanden, dus op den 9den September 1616, kwam zij in het zicht, en wierpen beide schepen het anker uit in de Tafelbaai.

In die twee maanden mocht Witte al meer en meer ervaring als zeerob hebben opgedaan, voor Hans waren zij van zulk een groot belang geweest, dat het hem later leek, alsof hij in dien tijd vele jaren ouder was geworden.

Toen zijn vriend hem terugzag, vroeg deze zich onwillekeurig af, of dat nu heusch dezelfde Hans was.

Dat terugzien had plaats op de reede, waarheen van beide schepen bootjes kwamen aangeroeid tot het innemen van versch water.

Al dadelijk deed zich een groot verschil voor tusschen de schepelingen van "de Gouden Leeuw" en die van de "Westvriesland".

De eersten zongen het hoogste lied uit van blijdschap, dat ze weer eens, zij het voor korten tijd, den voet aan den vasten wal zouden zetten. Onder de laatsten echter heerschte een stilzwijgen, dat iets benauwends kreeg, juist door de uitgelatenheid van de branies van "de Gouden Leeuw".

"Zouden ze een dooie aan boord hebben?" vroeg Witte aan den matroos, die met hem op 't zelfde bankje zat te roeien.

"Ben-je....?" riep die onverschillig uit en met eenige minachting voegde hij eraan toe:

"Ik kan wel zien, dat jij pas komt kijken!"

"Pas kom kijken?.... Ben ik niet de linie gepasseerd?"

"Dàt ben-je. En.... zeg me nu eens, hoeveel tranen heb-je gestort over de maats, die je nu al in 't groote matrozengraf hebt zien glijden?"

Ondanks zichzelf moest Witte om deze nuchtere vraag glimlachen.

De matroos zag dat, en gaf hem schertsenderwijs met den elleboog een stoot in de ribben.

"Nu ja," zoo verdedigde zich Witte, "bij den eerste, dien wij over boord zetten, vond ik het akeliger dan later."

"Dan ben-je al harder dan ik dacht," merkte de matroos op. "Want altijd vind ik dat driemaal rondgaan mèt het in een zeildoek gewikkelde lijk, om er beroerd van te worden. En dat één-twee-drie-in-Godsnaam van den schipper snijdt me nog altijd door de ziel."

"O ja, zóó bedoelde ik het ook niet," verontschuldigde zich Witte. "Dat is net, of je in een kerk bent, en daar moet-je eerbied hebben, hè?"

"Dat zeg ik met jou.... Maar, vrindje, nu wou ik jou erin vragen, of je zit te grijnen, zoolang de doode man in 't vooronder op zijn uitvaart ligt te wachten?"

"Wel neen," moest Witte volmondig bekennen.

"O, zoo!" ging de matroos voort. "En nu heb-je ze nog maar enkel zien sterven, terwijl de ziekentrooster met hen bad of de schipper ze nog een goed woordje voorlas. Alweer net als in de kerk! Maar dan zal je eens wat anders gebeuren, als jij op je beurt ook schipbreuk lijdt, wat ook in je leven als zeeman in je boekje zal voorkomen. Als je daar zoo met je kameraden je toevlucht in den mast genomen hebt, en je met handen, blauw en gezwollen van de kou, je moet vastklemmen aan het want of aan een touw, dat op het laatst door je knuisten snijdt, en dat je tóch vasthoudt, omdat je anders neerduikt in die schuimende, kokende massa beneden je. Jongetje nog toe, dan zie-je af en toe een maat, die het niet meer kan uithouden, vlak voor je oogen en zonder dat je ze helpen kunt naar den kelder gaan.... Laat het je gezegd wezen door een, die meer keertjes dan jij de linie is gepasseerd, dat, wie zeeman is, veel ondervonden heeft, en voor geen klein geruchtje vervaard kan wezen."

Onder die redevoering, die er bij stukken en brokken bij zijn bevaren maat uitkwam, zat Witte, werktuigelijk doorroeiend, strak voor zich uit te kijken.

Ook de matroos zweeg een wijle.

Toen kwam het er bruusk bij dezen uit:

"Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is, en gaat niet in een hoekje zitten. Eenvoudig omdat er aan de zee nu eenmaal geen hoekjes zijn. Hij helpt zijn scheepsmakkers, omdat je natuurlijk helpen moet, maar is die makker dood, dan zegt-ie: dat is er weer een naar de haaien. Zoo zullen er honderden uit je kluisgaten raken, lansje, en, kom-je in den oorlog, dàn bij duizenden. Net zoo lang, tot je zelf de laan uitgaat. We leven met de levenden, jongen, en praten tusschenbeide nog wel eens over een goeien kameraad.... Waar zou een zeeman blijven, als hij met sjimmen en huilebalken begon?"

image: 26_vergund.jpg
image: 26_vergund.jpg

[Illustratie: Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is.]

Witte knikte. Hard als hij van aard was, zou hij een der hardsten van het toenmalige geslacht worden, dat wèl voor de daad, maar minder voor de overpeinzing was. Wat hij tegen zich zou krijgen, was, dat die aard zich bij hem niet zou omzetten in een luchtigheid, welke den zeeman over al de ellende van zijn moeilijk en gevaarvol leven zou heen zetten, maar in een strengheid, waardoor hij bij die zeelui niet geliefd, integendeel, gehaat zou worden.

Wat de toekomst zou brengen, lag op dat pas voor hem nog verborgen, maar nu ten minste begreep hij wel zoo ten naaste bij, dat het stilzwijgen der bemanning van de "Westvriesland" niet toegeschreven zou kunnen worden aan een mogelijk sterfgeval.

Wat zou het dan kunnen zijn?

Aha! ze zouden het straks wel te weten komen, aan wal, wanneer men hen, bij het inslaan van het kostelijke drinkwater, zou kunnen uithooren.

Doch van dat uithooren kwam voor ditmaal niemendal.

Zeer streng hielden de officieren van de "Westvriesland" hun mannen onder bewaking en afzondering. Even hadden zij gesproken met de officieren van "de Gouden Leeuw", maar ook die werden daar niet veel wijzer door. Ze mochten niets zeggen voor hun commandant. Al gaven zij wel iets te verstaan, waardoor hun ondervragers een zeer bedenkelijk gezicht trokken, en van dit oogenblik af meer dan bij zulk een tochtje aan wal de gewoonte was, op hun mannen gingen letten en ze streng nagingen, of zij wel met die van het andere schip in aanraking zochten te komen.

Ja, zeker, laat dàt maar eens aan een paar kwâjongens belet worden, die elkaar wenschen te spreken! Die guiten rollen onder alle mogelijke opzicht door! Want toen Witte in een van de schepelingen van de "Westvriesland" zijn vriend Hans herkende, of althans meende te herkennen, omdat de boy wel een paar jaar ouder leek geworden, konden de autoriteiten doen en opletten wat ze wilden, maar die twee veelbelovende knapen kregen het gedaan, wat al den anderen mislukte.

"Hans.... wat is er toch bij jullie?"

"Wèg, wèg, Witte.... Als ze 't zien...."

"Maar...."

"Maak me niet ongelukkig!"

"Ik jou?"

"Ja, ja.... Maar ga dan toch weg.... Ze zullen ons in de gaten krijgen!"

"Wat is er dan toch?"

"Kun je zwijgen?"

"Ja."

"Ook als ze je op de folterbank leggen!"

Witte huiverde. Star keek hij zijn vriend aan.

"Wèg, Witte.... Anders kom ik er op."

"Nooit!"

Akelig ernstig keek de anders zoo vroolijke Hans hem aan.

Hij sprak nu niet, bang, dat de lucht den klank van het woord over zou brengen. Alleen spraken zijn lippen het uit.

"Samenzwering," verstond Witte.

"Een samenzwering"

"Ja," fluisterde Hans terug.

"Waartoe?"

"Om zeeroover te worden."

"O, Hans!"

"Stil!.... Men let misschien op ons!"

"Ik ga al weg...."

"Niets verraden, hoor!"

"Mijn hand erop!"

"Neen.... geen hand.... Hoor, ze roepen al..."

En weg was Hans.

Dienzelfden dag was er een druk gesein tusschen de twee schepen. De kapitein van de "Westvriesland" kwam aan boord en daalde met den gezagvoerder van "de Gouden Leeuw" naar diens kajuit.

image: 27_samenzwering.jpg
image: 27_samenzwering.jpg

[Illustratie: "Samenzwering", verstond Witte.]

Hoeveel honderden oogen waren in dien tusschentijd in angstige nieuwsgierigheid op beide gezagvoerders gericht!

Daar.... werden de andere officieren van "de Gouden Leeuw" geroepen. Witte, als kajuitswachter moest hen binnen laten en bedienen. Hij kreeg een schier onwederstaanbaren lust om aan de deur van de kajuit te luisteren, maar met al zijn wilskracht bedwong hij die verleiding. Hij wist, dat er op een vergrijp tegen de krijgstucht in deze hoogst ernstige omstandigheden de dood kon staan.

Na een geruimen tijd van beraadslagen, ging de krijgsraad uiteen, en keerde de gezagvoerder van de "Westvriesland" naar zijn bodem terug.

De matrozen van "de Gouden Leeuw" bleven uitkijken.

Ze gevoelden, dat er meer gebeuren zou.

Wat zij verwachtten, geschiedde. Ze zagen een paar sloepen strijken, en in het helle zonnelicht de loopen van vuurroeren glinsteren....

O, o, wat zou er toch gebeurd zijn?

Met afgemeten riemslagen naderden de sloepen, scherp beloerd door al wat aan "de Gouden Leeuw" oogen had om waar te nemen.

Wat zij nu zagen, ontroerde hen.

Zwaar geboeide mannen, die nu met moeite den valreep werden opgeleid.

Ze telden er niet minder dan acht-en-twintig.

O, wat zagen die er wanhopend en terneergeslagen uit!

Er waren eronder, die men kende, en dat vermeerderde de belangstelling.

Ook Witte had uitgekeken, tersluiks, even als de anderen.

Hij voelde het kloppen van zijn hart.

Was Hans erbij?

Gelukkig, neen! Die behoorde niet tot die ellendigen.

Akelig klonk hem het ketengerammel in de ooren, toen ze vlak voorbij hem gingen.

Zouden ze ooit weer die mooie zee en die stralende zon terugzien?

Witte las bij enkele nog heel jonge kereltjes onder hen die vraag uit den blik, waarmede ze rond zich keken, voor zij door de gewapende wachters naar beneden waren gevoerd.

Doch nu Hans maar niet bij hen was, had hij geen medelijden meer. Wie kwaad gedaan had, moest gestraft worden. Dat stond al jong bij hem vast, en dat heeft hij zijn heele leven vast gehouden.

De gevangenen mochten niet onbewaakt blijven, dus wel moest hun misdrijf heel ernstig zijn. De schildwachten, daartoe aangewezen, waren gewapend, en werden op bepaalde tijden afgelost.

Bovendien hadden zij de opdracht zeer streng in hun bewaking te zijn, en dat zij geen woord met de gevangenen mochten wisselen. Op overtreding van dit gebod stond de onteerende straf van aan de groote ra opgeknoopt te worden.

Nog eens, het moest dus wel een verschrikkelijk geheim zijn, hetwelk voor de equipage van "de Gouden Leeuw" weggeborgen was in de vuile cachotten waarin het bij de toenemende warmte, krioelde van kakkerlakken en allerlei ander ongedierte. Daarvan kon het toentertijde in die houten, slecht geluchte schepen soms letterlijk wemelen.

Wat dat geheim toch zijn kon?

De equipage had wel het vermoeden, dat we daarstraks door Hans hoorden aangeven, maar den vollen omvang, van wat er ginder aan boord van de "Westvriesland" mocht gebeurd zijn, had niet een.

XII.

Het laatste gedeelte van de reis.

Negen dagen, nadat men het anker in de Tafelbaai had uitgeworpen, dus den 18en Juli 1616, maakte men zich wederom op tot voortzetting van de reis, en nu zou het door den blauwen Indischen Oceaan regelrecht naar die rijke eilanden gaan, welke zulk een groote aantrekkingskracht op de Westersche volken van dien tijd uitoefenden.

Dit laatste deel van die maandelange reis zou niet een bevestiging kunnen zijn van het oud-Hollandsche spreekwoord, dat de laatste loodjes het zwaarst wegen. Want men kon nu gebruik maken van den passaat en eveneens van gunstige zeestroomingen. Toch duurde het nog tot den 10en November, eer de beide schepen de Straat van Soenda passeerden.

Gedurende die vaart door dit gedeelte van de wereldzeeën, waar, in de heerlijke maan- en sterrennachten, het den Westerling kan voorkomen, of hij een der verhalen uit de Duizend-en-één-nacht doorleeft, had aan boord van "de Gouden Leeuw" iets plaats, dat weinig in overeenstemming was met de heerlijkheid van saffieren zee en juweelen nachthemel. De bevelhebber en zijn officieren namen er toch den tijd toe om tot in de alleruiterste bijzonderheden van het plan der samenzweerders door te dringen.

Indien de daartoe gestelde machten in onzen tijd zoo iets moesten ondernemen, zouden wij daar liever niet mee te maken hebben, omdat daar rechtszittingen, ondervragingen op allerlei wijzen, boeten en gevangenisstraf bij te pas komen. Hoeveel te erger was de rechtspleging in den ouden tijd! Toch waren de menschen er toen aan gewend. Een jongen als Witte zou niet gesidderd hebben zooals wij, wanneer we in den Haag de Gevangenpoort bezoeken, in welk somber gebouw hij trouwens in later jaren zelf is opgesloten. Toentertijd werd een gerechtelijk onderzoek schier altijd vergezeld door het inroepen van de hulp van een der meest duivelachtige uitvindingen der menschheid, namelijk de pijnbank. En in dit geval zou het geleid worden door scheepskapiteins, die, wat een samenzwering betrof, welke het vermoorden van de autoriteiten en het wegvoeren van het schip bedoelden, geen genade voor recht zouden doen gelden. Integendeel!

Onze scheepsjongen heeft het later zelf getuigd, dat de schuldigen, en niet minder de verdachten, dagelijks in de kajuit werden "geëxamineerd en getortureerd", en als ge bijgeval niet weet, wat de laatste uitdrukking beteekent, moet ge het maar opzoeken in een Woordenboek. Zelfs geviel het, dat hij, die de kajuitswachter van kapitein Schapenham was, meer dan eens getuige van die rechterlijke wreedheden, ja, door het aanbrengen van het een en ander, daarin behulpzaam moest zijn.

Toch kwam hij, die natuurlijk slechts enkele gedeelten van de ondervragingen kon vernemen, niet op de hoogte van wat er geschied was. Doch van dat weinige zelfs liet hij niet veel uit tegen de matrozen, die niet nalieten hem af en toe te polsen. Zijn stuursche aard kwam hem hierbij goed te pas, zoodat de ondervragers altijd een beetje op een afstand van hem moesten blijven. Zij scholden hem wel uit voor strooplikker van den schipper, maar als het op schelden aankwam, zou Witte nog wel uit de jaren, toen de Brielsche Zeeleepers hem zoo turkten of zijn achtereenvolgens bazen hem uitmaakten voor al wat leelijk was, wel enkele bijdragen hebben kunnen leveren voor het scheld-woordenboek der toenmalige zeelieden, hoe ruim dat ook ten opzichte van een scheepsjongen mocht voorzien zijn.

Wat hem evenwel maar niet uit de gedachte wilde, was de zorg, dat zijn eenige vriend op de een of andere wijze met die samenzwering wat mocht uit te staan hebben. Want anders wist hij het niet te verklaren, dat de voormaals zoo opgeruimde boy omgekeerd was als het blad van een boom. Het ernstige, en daarom zoo wonderlijke gezicht van Hans, zooals hij het den laatsten keer aanschouwd had, bleef hem maar bij. Hij ontstelde daarom werkelijk — en dat wilde bij Witte wat zeggen! — toen hij, op een goeien morgen aan dek komend, daar Hans vond, geheel en al in zijn emplooi van licht-matroos, alsof hij nooit van boord was geweest.

"Jij hier!"

Hans trok alweer een heel zorgerlijk gezicht, loerde om zich heen en gaf hem toen een wenk om te doen, alsof hij hem niet opmerkte.

Witte, die niet van gisteren was, volgde die waarschuwing op, maar wist het toch wel zoo rond te schieten, dat hij met zijn werkzaamheden in de nabijheid van zijn vriend kwam. En terwijl beiden zich hielden, alsof zij daar geheel in opgingen, had snel het volgende gesprek plaats.

"Hoe kom-jij hier?"

"Mijn vader heeft het gevraagd aan onzen schipper."

"Ben-je dan gedegradeerd?"

"Nou.... eigenlijk wel, maar uit eigen wil."

"Begrijp ik niet."

"Liever hier lichtmatroos, dan.... ginder een graadje hooger."

"Wel?"

"'t Was daar niet voor me om uit te houden.... Al maar oogen om je heen, die je bespieden."

Wittens doordringende oogen gingen zijn kant op.

"Heb-je dan wat te verbergen, Hans!"

Hans gaf geen antwoord, maar zijn handen beefden.

De bekende rimpel trok zich boven den neus van Witte samen.

"Ik heb wel eens gehoord, dat een moordenaar altijd naar de plek van zijn misdrijf terug moet keeren."

Hans lachte gedwongen.

"Dan moest ik dáár gebleven zijn," — en hij wenkte met zijn hoofd naar het andere schip — "want dáár is het gebeurd."

"Dat 's jou slag, Hans!.... Behalve dat de misdadigers hier zijn, en.... ze wel eens een naam konden noemen, die...."

image: 28_zwijg.jpg
image: 28_zwijg.jpg

[Illustratie: "Om 's hemels wille, zwijg!"]

Alle voorzichtigheid uit het oog verliezende, greep Hans zijn arm.

"Om 's hemels wille, zwijg!"

"Pas op.... je zou jezelf verraden! En.... ik mag je verrader niet zijn."

"Jij?"

"Ja.... een rebel moet gestraft worden."

"O, maar ik heb geen kwaad gedaan!"

"Wat scheelt je dan?"

Eenige oogenblikken zweeg Hans, schijnbaar geheel ingenomen door zijn werk. Toen zei hij heel zacht voor zich heen, want er waren een paar matrozen in de nabijheid gekomen:

"Zoo gauw als ik de hondenwacht heb, zal ik je dat wel doen weten.... Kun-je dan zorgen er ook te zijn?"

"Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan!"

"Toe, alsjeblieft!"

"Goed.... ik zal mijn best doen. Lukt het den eersten keer niet, dan later."

"O, Witte, ik zal zoo blij zijn m'n hart eens te kunnen uitstorten."

Witte zweeg en keek voor zich heen.

"Witte," fluisterde Hans angstig, "waar denk-je aan?"

"Of ik het mag doen."

Hans slikte een paar maal van zenuwachtigheid.

"Witte, Witte.... ben-je vergeten, hoe eigenlijk ik de persoon was, die je van de kleermakerstafel verloste?"

Weer kwam de ons bekende rimpel te voorschijn.

"Als je schuldig bent...."

"Zoo waar als ik leef, Witte, dàt ben ik niet."

Witte's felle oogen gingen even over het gelaat van zijn vriend.

"Goed!" gaf hij toen kort en bondig ten antwoord, "ik zal mijn best doen er te zijn."

En zoo geschiedde het, dat op een van die stille, heerlijke tropennachten, de beide maats op de hondenwacht, die van middernacht tot 's morgens vier uur duurde, gelegenheid kregen zich van hun slaperige maats af te zonderen en op een verborgen plaatsje eens een openhartig woordje met elkander te kunnen wisselen.

Witte viel maar met de deur in het huis.

"Uit alles begrijp ik, dat ze ook jou aangezocht hebben mee te doen, Hans."

"Wel niet rechtstreeks, maar zoo heel in de verte hebben ze mij gepolst."

"Dan had-je dadelijk af moeten bijten."

"Zonder erg hèb ik dat ook gedaan."

"Zonder erg? Ik begrijp je niet, Hans."

"Och, kijk eens Witte.... Nu ik de zaak van achteren kan bezien, begrijp ik alles, maar toen ze me kwamen vertellen van het gezellige leven op de vrije vaart, hoe rijk die en die er op geworden was, en heel wat van die dingen meer, hoe had ik toen kunnen begrijpen, dat zij-zelf van plan waren meester te worden van het schip en zeeroovertje te gaan spelen?"

"Ja, dat 's waar, moet ik zelf erkennen. Toch begrijp ik niet, dat ze niet verder bij je gegaan zijn."

"Dat begrijp ik nu best.... Ik zei, dat ik niets van die zeeroovers moest hebben en den eersten den besten, die bij ons aan boord durfde klauteren, de hersens in zou slaan."

"Goed geantwoord!.... En toen?"

"Toen zeiden ze met een lachje — dat ik later pas begrepen heb! — dat ze me groot gelijk gaven en precies eender zouden handelen."

"En is dat alles?.... Dan heb-je je eigen toch niks te verwijten?"

Hans zuchtte.

"Er kwam meer bij, Witte!"

"Vertel dan op.... en verberg mij niets."

Even aarzelde Hans; toen kwam het er snel bij hem uit:

"Toen de samenzwering uitkwam, was ik er heelemaal van op de hoogte!"

Witte liet van verbazing een zacht gefluit hooren.

"Sapperloot!" riep hij uit, "dat is andere praat!.... Maar hoe was dat voor den drommel mogelijk?"

"Luister, Witte. In die dagen werd ik bezocht met koorts of wat het dan ook geweest mag zijn. Onder al de warmte van het weer, was ik koud en rillerig. De bootsman zei, dat ik maar eens met m'n tong aan den teerkwast moest likken en dan een poosje me in een deken rollen, dan zou ik er de kwaal wel uitzweeten."

Witte knikte. Hij kende dat middel ook.

"En toen?" vroeg hij.

"Wel, ik lei me ergens op een veilig plekje neer, waar ik er zeker van kon zijn niet gestoord te worden, bakerde me goed in, nog een waardeloos zeil over m'n body...."

"Om te smoren!" merkte Witte op.

"Neen, toch niet. Ik bleef al maar beverig. En dan m'n mond vol van dien teersmaak!.... Je kunt begrijpen, dat ik me eigenlijk zieker gevoelde dan ooit."

Witte bevestigde de meening door een hoofdknikken.

"Na een poos," aldus ging Hans voort, "begon ik toch een warm gevoel te krijgen en toen kwam Klaas Vaak. Ik heb geslapen als een os. Hoelang weet ik niet, maar toen ik wakker werd, was het nacht. Ik zag door een scheurtje van m'n zeil de sterren flonkeren en heerlijk rekte ik m'n leden uit, in 't gevoel van beter te zijn. Een slaap als ik anders nog had.... nee maar, dat kan ik je niet vertellen. Juist gingen m'n oogen dichtvallen, toen ik door een katachtig geschuifel over het dek wakker schrikte. Dadelijk begreep ik, dat het de bloote voeten van een of meer matrozen moesten zijn. Ze kwamen haast vlak bij me, en al maar meer schuifelden aan. 'Zijn we er alle dertien?' hoorde ik een stem fluisteren en even zacht werd geantwoord, dat die en die opgehouden was geworden. En toen, Witte, vernam ik alles. O, ik durfde op zijn best ademhalen!"

"Dat begrijp ik.... Bij ontdekking zou-je mee hebben moeten doen, of ze hadden je puur bij ongeluk over boord laten glijden."

"Juist.... en daarom hield ik me zoo stil als een muisje."

"En wat vernam-je?"

"Ik kwam er op die manier achter, dat de belhamels met hun dertienen waren en de samenzweering nu, allen en alles bij elkaar, acht en twintig personen omvatte. Ze hadden zich op leven en dood verbonden door in een cirkel hun namen te zetten; die niet schrijven konden, hun kruisjes."

image: 29_alles.jpg
image: 29_alles.jpg

[Illustratie: En toen Witte, vernam ik alles.]

"Spraken ze er ook over, wat ze van plan waren?"

"Ja zeker!.... Als ze genoeg lui op d'r hand konden krijgen, zouden ze een dag vaststellen om het stoute stuk uit te voeren. Onverwachts zouden zij den schipper en de officieren overvallen en vermoorden, ook den koopman, die voor zijn maatschappij bij ons aan boord is...."

"Verder, verder, Hans!"

"En, na baas over het schip geworden te zijn, den steven naar de Middellandsche Zee wenden, om daar zeeroovertje te spelen."

Witte hief de handen op van ontsteltenis.

"Wie was de hoofdman?"

Hans noemde hem en nog een paar anderen, die na hem het meest in de melk zouden te brokken krijgen.

"Je begrijpt, Witte, dat ik den hemel dankte, toen die vreeselijke nachtmerrie voorbij was. Eerst dacht ik heusch, dat ik dat alles gedroomd had, toen ik, na weer in slaap gevallen te zijn, den volgenden morgen ontwaakte. Maar nu ik meer op ging letten, zag ik aan een heeleboel dingen, dat ik goed gehoord had, en, helaas, de bezitter was van een ontzettend geheim."

"Dat je dadelijk aan je schipper had moeten openbaren."

Hans zag hem met zijn open kijkers aan.

"O, Witte, dat is juist zoo'n gemartel voor me geweest. Het eene oogenblik zei ik tot mezelven, dat ik naar den schipper moest gaan, want dat ik anders zijn dood op mijn geweten zou krijgen, maar het volgende oogenblik kon ik het toch niet over me verkrijgen om den verrader te spelen."

"Dat laatste ben ik niet met je eens, maar dat eerste wel. Want het leven van den schipper berustte om zoo te zeggen in jou handen."

Hans knikte.

"Maar óók het leven van de saamgezworenen, Witte!.... En daar waren een paar jongens bij, met wien ik al menig reisje gemaakt had. En dan nog iets! Als ik het uitgebracht had, zou ik tot mijn dood toe onder het zeevolk als een verklikker na worden gewezen en door niemand meer vertrouwd."

Witte keek voor zich. Hij begon nu ook iets van den gemoedsstrijd van zijn vriend te begrijpen.

"O, Witte," ging deze voort, "wat heb ik daar dagen mee rondgeloopen! Nu eens was ik op weg naar het achterdek, maar, of het werk zoo sprak, dan kwam ik telkens een van de samenzweerders tegen en was het me, of ik de beulsknecht was, die voor zijn meester een strop ging halen, om die om den hals van m'n maats te wringen.... Dat heeft weken en weken geduurd. Ik ben er wel tien jaren van m'n leven ouder door geworden. Want ook in 't volkslogies moest ik aldoor maar doen, of ik van niets afwist."

De jonge matroos veegde zich met den rug van zijn hand het angstzweet van zijn gezicht, waarin de twee wijd geopende oogen in het licht van den tropennacht spookachtig uitkwamen.

Hoe ook getroffen door wat zijn vriend zeide, bleef Witte zijn kalmte behouden. Geen wonder! Heel zijn leven door heeft hij nooit geaarzeld in de keuze, welken weg hij zou inslaan. Aan den eenen kant lag zijn plicht, en aan den anderen kant de verzaking daarvan. Middenwegen kende hij niet.

image: 30_ouder.jpg
image: 30_ouder.jpg

[Illustratie: Ik ben er tien jaren ouder door geworden.]

Hij bewaarde nu het stilzwijgen, en om het schip hoorde men den zang der zee, die nooit sliep.

Met een zware zucht vatte Hans zijn verhaal weer op.

"Ik zou niet weten, hoe dat met me afgeloopen zou zijn, als er eindelijk niet een uitkomst was gekomen."

"En die uitkomst?"

"Er was een matroos, dien we eigenlijk geen van allen graag lijden mochten. Ook de officieren waren niet op hem gesteld. Telkens had hij straf. Eens werd hem, met een langen ketting, een blok hout aan zijn been vastgebonden, zoodat hij, als hij op 't dek was of in 't want moest, altijd een gerinkkink met zich voerde, dat we er eigenlijk allen om moesten lachen, tot den kleinsten kajuitsjongen toe. Nu, dán moest-je hem hooren aangaan!"

"Ik begrijp het al," viel Witte hem in de rede, "de samengezworenen dachten, dat die matroos graag bij gelegenheid wraak zou willen, nemen op den schipper."

"Juist.... Ze wisten hem apart te krijgen en maakten hem stukje voor beetje met het plan bekend. Hij gaf er zijn hand op, dat hij niets zou verraden, en zei nog nadrukkelijk, dat ze van hem geen zwarigheid te wachten zouden hebben.... en ging toen regelrecht naar den schipper om alles te verraden. Hij heeft er van den schipper twee honderd stukken van achten voor gekregen."

"En aangepakt?"

Hans knikte van ja.

"Dat 's gemeen!"

Hans was dit volkomen met hem eens, maar liet toch uitkomen, hoe dat verraad voor hem een ware verluchting was geweest.

"Nu was het uit met altijd dat gezeur in m'n kop. De kogel was door de kerk."

"En waarom kon-je dan toch niet tot rust komen?"

Weer zuchtte Hans en vertelde, hoe hij na een poos alweer zich ongerust was begonnen te maken, dat een van de samenzweerders ook zijn naam mocht noemen.

"En ze wisten niet, dat jij alles gehoord had!" merkte Witte op.

"Dat is zoo; maar onder de folteringen noemt men allicht een naam, om maar van de pijn af te komen. En ik had er goede kameraads onder."

"O zoo! En jij was bang, dat als ze jou ook eens lieten komen, je dadelijk door de mand zou vallen?"

Hans knikte bevestigend.

Toen stak hij, als hulpzoekende, zijn beide handen naar zijn vriend uit.

"Witte, geef me toch raad! Ik durf zelfs niet rustig slapen, bang, dat het geheim over mijn lippen zal komen. 't Is voor mij geen leven meer om uit te houden.... Zeg me toch, wat ik moet doen!"

"Geen dag langer zóó'n leven leiden."

"Hoe bedoel-je dat?"

"Als ik jou was, ging ik al bij het krieken van den dag bij onzen schipper en zei hem alles.... Den verrader speel-je niet meer, want heel de samenzweering is toch al op de flesch; maar misschien kun-je nog enkele goede inlichtingen geven, en, vergeet het niet, daardoor wel veroorzaken, dat het met de folteringen uit is. Die zijn heusch niet voor de poes, hoor!"

Hans rilde.

"Misschien.... misschien willen ze meer uit me persen, dan ik zeggen kan!"

"Best mogelijk! Maar zoo'n leven als jij nu leidt, is ééne foltering."

Nu greep Hans met beide handen Witte's arm.

image: 31_priem.jpg
image: 31_priem.jpg

[Illustratie: Hans kreeg nog een héél leelijke priem op z'n neus.]

"Zeg-jij het, jij!.... Je hebt een wit voetje bij den schipper, dat weten we allemaal. Misschien zal het dan zoo erg niet voor me worden, als de schipper me eens alleen bij hem laat roepen. O, Witte, wat zou ik blij zijn, als ik weer eens gerust slapen kon!"

Witte dacht eenige oogenblikken na.

"'t Is goed," gaf hij toen eenvoudig ten antwoord.

En zoo geschiedde het, dat Witte dien morgen heel wat aan zijn beschermer mede te deelen had.

Ja, het gelaat van kapitein Schapenham ging toen ernstig staan en Witte moest wel hard vechten voor zijn vriend, maar gelukkig kwam alles in orde. 't Ging wel op 't kantje af en Hans kreeg nog een héél leelijke priem op z'n neus, maar daar bleef het dan ook bij. Ze wisten, dat het volstrekt geen kwaaie jongen was, en in de verste verte niet aan muiterij dacht. Enfin, het een bij het ander genomen, niet te vergeten het goede woordje, dat zijn vader bij den gezagvoerder van de "Westvriesland" voor zijn zoon sprak, liep het nogal met een sisser voor Hans af.

Toen begon hij eerst zachtjes en zoetjesaan hoe langer hoe harder te neuriën en te fluiten, en omdat hij nog in zijn jonge jaren verkeerde, ging spoediger dan Witte wel had kunnen denken dat oude-mannenachtige van Hans z'n gezicht en van heel z'n doen en laten en was hij spoedig weer de oude. En als Witte over hetgeen gebeurd was nog wel een apartje met z'n vriend wou hebben, had die daar in 't geheel geen ooren meer naar.

Met de samenzweerders liep het zoo goed niet af. Nadat ze genoeg, of eigenlijk meer dan genoeg uitgevraagd en afgemarteld waren, werden de dertien belhamels ter dood veroordeeld en de overigen tot een levenslange verbanning op de Oost-Indische schepen, waardoor hun lot niet veel van galeislaven verschilde. Nadat men den 10en November de Straat Soenda gepasseerd was, ging men den 13en aan wal om het vonnis aan de veroordeelden te voltrekken. Die executie was even ongenadig als heel die tijd was.

Niet lang vertoefde "de Gouden Leeuw" op de kust van Bantam, maar kreeg reeds den 27en November order om naar de kust van Coromandel in Voor-Indië te zeilen, en jaren achter elkander heeft het in die Indische wateren gevaren.

We zullen het op die tochten niet vergezellen. Ook niet melden, wat er in dien tijd met onzen scheepsjongen gebeurd is, om de eenvoudige reden, dat hij door zijn vlijt, zijn kundigheden en kloek gedrag al spoedig tot licht- en daarna tot volmatroos opklom. Hij steeg zoodanig in de gunst van zijn meerderen — werkelijk niet door oogendienerij, want daar heeft men zijn heele leven door niet bij Witte mee moeten aankomen! — dat toen twee jaren later, toevallig ook in de maand November, de machtigste man in de Indiën, namelijk de Gouverneur-Generaal, aan kapitein Schapenham vroeg, hem een vertrouwd en alleszins bekwaam persoon te zenden, onze kapitein niemand beter wist aan te bevelen dan Witte de With.

Van dat oogenblik af werd hij, met den rang van korporaal, lijfknecht bij den Toewan-Bezaar, den Grooten Heer, die met meer dan koninklijke macht in deze streken heerschte.

Die Gouverneur-Generaal was... Jan Pieterszoon Coen, de stichter van Batavia, maar die laatste eere-titel moest de ijzeren Coen toen nog verwerven. Onder heel wat avonturen heeft die stichting plaats gehad en Witte heeft daar trouw bij geholpen, gelijk in de geschiedenis van Insulinde vermeld staat.

XIII.

't Was in de Mei....

Het was in de maand Mei 1620 en wel den 23sten, dat een Oostinje-vaarder een knap stuk volbracht, doordat het zonder hulp van een loodsman het Goereesche Zeegat binnenzeilde.

De loodslieden uit Hellevoetsluis waren er wel niet te best over te spreken. Zij waren er nu eenmaal voor, om de vaartuigen veilig uit de zee te brengen.

"'t Is een gelukkie," gromden zij, "dat hij 't er zoo goed heeft afgebracht; maar verdienen deed hij 't eigenlijk niet. Want op die manier neemt hij iemand het brood uit den mond. Wat in 't geheel niet is, zooals het hoort, wanneer je kersversch uit rijk-Oostinje komt."

Doch de meeste lieden, die er van den wal af getuigen van waren geweest, vonden het kranig gedaan, en hun aangezichten blonken blijde die der equipage tegemoet, in de volle zekerheid, dat binnen korten tijd de geeltjes en witjes uit den vollen buidel der matroosjes door Hellevoet zouden rollen.

Ja maar — alsof zij op twee uur afstands er al de lucht van te pakken hadden gekregen — ook uit der stede van den Brielle waren heel wat lieden op marsch gegaan, om aandeel in den buit te krijgen. Onze goede bekende, vrouw Stoffelsen, had het al heel gauw vernomen, en dies haar man de deur uitgedreven.

"Dat zeevolk zal haast geen vodden meer aan d'r lijf hebben, en dus valt er voor jou wat te verdienen."

Mr. Jochum had iets gemompeld van een wagen te nemen, maar zijn vrouw had zeer terecht beweerd, dat als hij liep, dit het eerst verdiend was.

"En eer ze aan de bel getrokken en een wagen klaar hebben, is er haast net zooveel tijd naar de maan, als jij noodig hebt, om er op je apostelpaarden te komen. In dien tijd is licht een ander je voor."

Op zijn knipbeenen was mr. Jochum dus naar de forteresse gegaan, en over gebrek aan gezelschap onderweg had hij niet te klagen. En toen hij er gekomen was en hoorde en zag, hoe de Oostinjevaarder den naam van "de Gouden Leeuw" droeg, kwam het dadelijk bij hem op, dat daar nog eens een leerjongen van hem mee uitgevaren was. Nu, diens tegenwoordigheid zou thans voor zijn ouden baas geen schade zijn!

In al die jaren had hij niet veel van hem vernomen. Er moesten wel brieven bij zijn moeder gekomen zijn, maar die was toch zoo dicht als een pot en sprak liefst niet over dezen zoon. Enfin, als hij gestorven was, zou mr. Jochum daar wel van gehoord hebben. Wat niet wegnam, dat hij tòch wel dood kon zijn. Want als men in die dagen een familie-lid in de Oost had, kon die ginder al begraven en vergeten zijn, eer men er hier kennis van kreeg.

Hij moest er nu toch haring of kuit van hebben, de brave kleermaker. Hetgeen hij doen kon, zonder zijn eigenlijk doel uit het oog te verliezen. En zoo klampte hij daarover een leuken maat aan, die er erg verfonfaaid in de kleeren uitzag en met wien hij natuurlijk eerst gezorgd had zaken te doen.

Bij de vraag, of er ook een zekere Witte de With aan boord was, liet de aangesprokene zijn prettige, bruine kijkers ineens onderzoekend over mr. Jochum en zijn knipbeenen gaan. Even kwam er een groote jool in die kijkers, maar dadelijk weer stond dat guitige gezicht zoo strak, als maar eenigszins mogelijk was.

"Laat me 's denken... Ja, nou je 't zegt... Ik heb een stuk kerel gekend, die zoo heette... En die heeft in Oostinje wàt een rare schaats geslagen!"

"Kom!..."

"Secuur, hoor!... Maar 't is er hem naar vergaan... Of ze 'm aan de ra opgeknoopt of een kop kleiner gemaakt hebben, ben ik gladweg vergeten, maar..."

Hij kon niet verder gaan van den lach, want mr. Jochum was er bleek van geworden.

"Hoe kun-je om zoo iets ijselijke nog staan lachen!"

"Loop man! In de Oost word-je zoo hard als een spijker. Dacht-je soms, dat we daar de kindertjes van de blauwtjes bakerden of in slaap wiegden?"

"Nee, dat nu wel niet... Maar dat die jongen zoo ongelukkig aan z'n eindje is gekomen, die nog bij mij op de kleermakerstafel gezeten heeft..."

image: 32_ijselijks.jpg
image: 32_ijselijks.jpg

[Illustratie: "Hoe kun-je om zoo iets ijselijks nog staan lachen!"]

"Nou, meester, dan mag-je wel van geluk spreken! Want dan heb-je een adder vlak bij je gehad, een tijger, een verscheurend beest... Eén ding druk ik je op het hart: dat je van dat alles geen stom woord over je lippen laat komen, omdat er politie en justitie mee gemoeid zijn."

"Ik wou, dat ik 't niet wist!" weeklaagde mr. Jochum.

Weer lachte de zeeman. Hij sloeg den meester op den schouder, dat die zijn geheele geraamte voelde sidderen.

"Over een paar dagen, als ik voor mijn lorren bij je moet zijn, zal ik onzen stuur meebrengen, die er alles van weet, omdat hij bij den moord en het doodvonnis tegenwoordig is geweest... Kijk, die daar!..."

Hij wees hem naar een grooten, stevigen baas, die van het schip naar den wal keek, een gebruinden kop met knevel en puntbaardje.

Het was Witte, maar mr. Jochum herkende zijn vroegeren leerling in dien gezouten zeebonk niet.

In diepe gedachten ging mr. Jochum, die anders goede zaken gemaakt had, naar den Briel terug.

"Wat zal m'n vrouw dààrvan staan kijken!" herhaalde hij telkens hoofdschuddend.

Eerst had hij 't voor haar verborgen willen houden, maar hij rekende er terecht op, dat, hoe graag zijn vrouw de tekortkomingen van anderen in de buurt rondblaakte, zij toch den noodigen angst voor alles had, wat in verband stond met "'s heeren gevanckenis." Zij konden er nu samen over praten. Voor ieder apart zou dit geheim te groot zijn geweest.

Wat Witte betrof, die schudde onwillig het hoofd, toen Hans hem de grap vertelde.

"Waar was dat nu voor noodig?"

"Noodig?... Waarvoor is alles noodig!... Zeker niet om een zuur gezicht te zetten, als je in Patria terug ben!"

"Als je over een paar dagen in Hoorn komt, wat zal dan je eerste gedachte zijn, Hans?"

"Te duiker, ja, Witte! Zoo diep heb ik alweer niet doorgedacht."

"Dàt zal je ongeluk worden," voorspelde Witte.

En zijn gezicht versomberde zoodanig, dat Hans erom begon te lachen.

"Kom, Witte!... Als je moeder je zóó terugziet..."

"Zàl ik ze weerzien?"

Even verbouwereerd keek Hans hem aan, maar tegen zulk een somber voorgevoel kwam heel zijn opgeruimde natuur op.

"'t Zal best schikken, hoor! Vanavond of morgen zit-jij bij moeders pappot, en ik over een paar dagen."

"We hopen er het beste van, Hans."

"En naar je ouwen meester ga-je toch ook?"

"Zeker. Ik heb wat voor die luidjes meegebracht."

"En maken we daar dan een grap van?"

"Nou.... dat zullen we zien."

En in de herinnering, hoe hij in zijn jongensjaren vrouw Stoffelsen geturkt had, kwam er een schijn van een glimlach over het stugge gelaat van Witte. Waaruit Hans, die hem zoo goed kende, opmaakte, dat het plannetje wel zou doorgaan. De volvoering daarvan zou echter afhangen.... van dat ééne!

Ach, dat ééne omvatte voor Witte zoo véél èn.... zoo velen!

Zou thuis alles in orde zijn?

En, of hij er zich al dan niet tegen verzette, zijn gedachten gingen óók uit naar een andere hofstede....

Vergeten? Hoe zou dat in die dagen, hoe zou dat voor hèm ooit mogelijk zijn geweest? Waren het niet de dagen van bloeitijd, van uitzetting voor de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden, welker vlag door Barendts en Heemskerck boven het barre Nova-Zembla, en door Jan Pieterszoon Coen in de weelderige tropen-wereld van een wordend Nederlandsch wereldrijk gehandhaafd was? En was niet een van de verdedigers van het fort bij Jacatra, een der medestichters van het Kasteel van Batavia, diezelfde een-en-twintigjarige jonkman?

En nu voelde hij, die de wijdheid van de wereld ervaren had, zich heel klein en nietig, zooals wij allen, wanneer we tegenover het verleden onzer kinderjaren staan. De vogels sjierpten en tierelierden tegen elkaar van drukte, om hun wijfjes het dagelijksch onderhoud te bezorgen. Want in de maand Mei legt ieder vogeltje z'n ei, behalve de koekoek en de spriet, die leggen in de Meimaand niet. De zwaluwen, evenals hij van heel verre gekomen, scheerden hoog in de lucht. Zij hàdden al teruggevonden het nestje, over welks rand zij voor het eerst de wereld hadden ingekeken.

En toch, hoe ook zijn gedachten van dat nestje vervuld waren.... den naasten weg erheen volgde hij niet!

O ja, zoo paaide hij zich — en dat kunnen wij menschen toch zoo handig! — het was, om eerst van nicht Maertje te hooren, of het alles wel was aan boord, daar in Lagerwoude.

En, hoe hij er zich tegen verzetten mocht, hij kòn niet anders. Hoe langer hoe sterker trok zijn hart naar die andere hofstede, waar een meisje leefde, die eens voor hem een oase geschapen had in de droeve jaren zijner dorre jeugd.

Hoe zou Marie er uitzien, nu, in die blonde heerlijkheid van Mei, zijzelf met haar glanzend blonde haren, en die oogen, welker glans voor hem niet overstraald was door de vlammende zon van Indië.

Of.... of.... Ja, ook jonge menschen kunnen sterven. Vier jaren is zulk een lange tijd!

Of.... als zij eens verloofd, misschien wel reeds gehuwd was!

O ja, ze had beloofd aan hem te blijven denken. Maar hij, de zeeman, wist wel de beteekenis van het spreekwoord "Uit het oog, uit het hart!"

Nu was het, alsof over dien schoonen Meidag een waas kwam, gelijk dat geschieden kan, plotseling, door heibrand.

't Was, of er lood aan zijn voeten hing, of hij, die de muren van Jacatra bestormd had, geen moed meer bezat verder te gaan.

Nog een pad langs, een dijk over, een paadje, dat zich tusschen de bloeiende Meidoorns slingerde....

Daar opeens, bij een wending, ziet hij, nog in de verte, een menschelijke gestalte. Van een meisje, omglansd door het zonnelicht, waartegen zij de oogen beschut door de uitgestrekte hand erboven te houden. Alsof zij uitkijkt, den kant van Hellevoet op.

Weg wijkt de heibrand. Alles wordt vol leven en glans. Zijn hooge gestalte schijnt zich nog uit te rekken. Zal hij.... zal hij doen, alsof hij een vreemde is, eens onderzoeken, of zij hem na al die jaren nog herkent?

Maar reeds is hem de hoed in de hand gevlogen en hij wuift, wuift zoo wijd en breed als hij kan, en hij jubelt: "Marie, Marie!" en stormt vooruit, alsof er weer een kasteel te veroveren is, en daar heeft hij al haar twee handen in de zijne, en hij ziet haar aan, zoo blijde en gelukkig, dat zij dadelijk zijn oogen herkent, de oogen in dat bruingebrande gelaat van den stoeren, uiterlijk haar wildvreemden zeeman.

"Witte!"

"Marie, Marie!"

"Domme jongen.... is me dat doen schrikken!"

"Ik?.... En naar wien keek-je dan uit?"

"Naar.... naar een geit, die weggeloopen is...."

"Zeggen, zèggen.... de waarheid!"

"Heusch, dàt is de waarheid!"

"Jij, Meniste, durf-je dat volhouden?"

Toen lachte zij met heel haar wezen, en blozend verborg zij haar hoofd tegen hem aan.

XIV.

Tot ziens!

't Was eigenlijk maar gelukkig, dat hij eerst de steê van nicht Maertje had opgezocht, die hem in dezelfde keuken ontving, waar Witte in de treurige jaren van zijn jeugd toch de hartelijkheid van medemenschen had mogen ondervinden. Het mansvolk was met dit mooie weer op het veld, en zoo zaten zij daar weer als vanouds met hun drietjes. En toen de eerste begroetingen waren afgeloopen en men weer een weinig aan de wel wat veranderde gezichten gewoon raakte, deelde Marie's moeder hem mede, dat er iets akeligs op de steê in Lagerwoude geschied was.

Zijn jongste broer was gestorven, Abram, even achttien jaar oud. 't Was altijd een zwak vat geweest, eigenlijk zooals al de kinderen van zijn moeder, behalve hij. Toch trof het hem diep, vooral toen hij hoorde, hoe de jonge teringlijder nog dikwijls over hem gesproken had. Het was den 20sten Maart van dit jaar gebeurd, en Witte, stipt en secuur gelijk hij in alles was, rekende uit, dat hij zich toen juist op het eiland Sint-Helena bevonden had, een mijlpaal op de terugreis naar huis. Zijn zuster was ook niet heel gezond en Andries zag er zelfs slecht uit.

En moeder?

Nicht Maertje maakte een gebaar, alsof zij zeggen wilde:

"Altijd dezelfde!"

Donker keek Witte voor zich.

"Nu zie ik nog meer tegen die ontmoeting op.... En toch heb ik met haar te doen, nicht. Wat zal zij inwendig bedroefd zijn om broer."

Met groot medelijden keek Marie hem van terzijde aan.

Haar moeder zag dat.

Zij legde haar hand op den gebruinden knuist van den jongen zeeman.

"Witte.... Marie zal met je meegaan."

Beide jongemenschen zagen haar, en toen elkander aan.

"Ik, moeder?" vroeg Marie ietwat verlegen.

"Ja!" gaf Witte, in plaats van de aangesprokene, ten antwoord.

Met een heftige beweging stond hij op.

"Kom mee, Marie!..."

Doch toen zij bij de hofstede in Lagerwoude gekomen waren, kwam over hem, die niet gewoon was voor iets terug te deinzen, een groote aarzeling.

"Marie.... ik ben bang, dat ik haar zal doen schrikken. Ze is oud en men kan nooit weten..."

"Wat wil-je dan, Witte?"

"Dat jij vooruit gaat en haar erop voorbereidt."

Waren dat nu de felle oogen van den stuurschen knaap van weleer, die haar thans zoo smeekend aanzagen?

"Goed," antwoordde zij.

En terwijl Witte zich in het glanzende gras terzijde van het voetpad neerzette, ving zij den zwaren gang aan naar de bazinne van Lagerwoude.

Hij zag haar na, en zijn hart bad, dat haar gang gezegend mocht zijn.

Toen.... o, eindeloos scheen de tijd voorbij te gaan. Zijn blik werd als vanzelf getrokken tot den geweldigen reus in dit Far West der Nederlanden, den Brielschen toren. Al de donkere herinneringen uit zijn kinderjaren doken voor hem op. En verbeeldde hij 't zich?.... Trilden daar door de voorjaarsweelde niet de zware klanken van de Catharina, de groote klok, die negentien jaren later triomf zou luiden over de zege bij Duins, waarin hij, terwijl bestevaêr Tromp aan Spanje den heerschersstaf ter zee ontwrong, met zijn felle oogen de Engelsche zeemacht in bedwang zou houden? Thans luidde zij, gelijk hij verstond, ter uitvaart van een doode, en hij dacht aan zijn vroeg gestorven broer. Maar toen ook gevoelde hij, de doopeling van Ds. Leo, tot Wien die sombere klanken opstegen, en een groote rust en stil vertrouwen kwamen over hem.

Daar zag hij Marie op 't pad verschijnen; zij wenkte hem. Reeds was hij opgesprongen, en niet zonder eenige verbazing ervoer het jonge meisje, hoe rustig die kloeke mannengestalte op haar toetrad.

"Je moeder wacht je, Witte."

Hij gaf geen antwoord. Met heel zijn innerlijk was hij al in die groote, zelfs nu nog halfduistere keuken, waarin zij troonde, de bazinne van Lagerwoude.

Twee paar oogen van dezelfde felheid ontmoetten elkaar, maar in beide school dezelfde uitdrukking van verlangen.

Zij zat op haar oude plaatsje; Katrien, een weinig angstig en als om dadelijk tusschen beiden te treden, naast haar. Achter hem trad Marie binnen. Geen verdere getuigen waren er van deze ontmoeting na jaren-lange scheiding.

"Moeder!"

Ze antwoordde niet, maar keek hem aldoor aan.

Hij greep haar hand, sloeg zijn krachtigen arm heel teertjes om haar heen, en boog zich over haar; maar zèlf verlangde hij het eerst gekust te worden.

Ze weerde hem af. Niet heftig, maar hoewel zacht, toch zeer beslist.

Het bloed vloeide hem naar het hart. Zelfs onder zijn bronskleur zag men, hoe bleek hij werd.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings