IV. DE MOEDER.
Reading edition
Twee paarden, door nô Eusébio bij den toom gehouden, wachtten aan de deur der hacienda.
»Zal ik uwe genade vergezellen?” vroeg de mayoral.
»Neen!” antwoordde de hacendero koel.
Hij zette zich in den zadel en plaatste zijn zoon dwars voor zich.
»Breng dat tweede paard weg,” zeide hij, »dat heb ik niet noodig.”
En zijn paard de sporen gevende rende hij in vollen draf weg.
De mayoral trad weder in huis, treurig het hoofd schuddende.
Zoodra de hacienda achter eene kromte van den weg uit het gezicht verdwenen was, stond don Ramon stil, haalde een zijden doek uit zijn zak, bond dien voor de oogen van zijn zoon zonder hem een woord toe te voegen, en ging weder voort.
Deze rid in de woestijn duurde lang; zij had iets verschrikkelijks, dat het hart deed bloeden.
Die zwarte ruiter, zwijgend over het zand heendravend, op zijn zadel een gebonden knaap medevoerende, wiens zenuwachtige trillingen alléén bewezen dat hij nog leefde, maakte een treurige en vreemde vertooning, die den dapperste zou hebben doen sidderen.
Vele uren gingen voorbij zonder dat er een woord tusschen vader en zoon gewisseld werd; de zon begon onder te gaan, er verschenen reeds eenige sterren aan het sombere blauw des hemels, het paard liep nog altijd.
De woestijn werd van oogenblik tot oogenblik treuriger en somberder; elk spoor van plantengroei was verdwenen, hier en daar alleen vertoonden zich in het zand enkele hoopen van door den tijd verbleekte beenderen; de roofvogels vlogen langzaam boven het hoofd van den ruiter, en in de geheimzinnige diepte der chaparals (steeneikwouden) deden de wilde dieren, bij het naderen van den avond, hun dof gebrul hooren.
In deze gewesten is bijna geen schemering; zoodra de zon ondergaat is het nacht.
Don Ramon draafde altoos voort.
De zoon had geen enkele bede tot hem gericht, had geen enkele klacht doen hooren.
Eindelijk, tegen acht uur des avonds hield de ruiter zijn paard in. Deze koortsachtige rid had tien uren geduurd. Het paard reutelde en waggelde met iederen stap.
Don Ramon sloeg een blik om zich heen; een glimlach van vergenoegen plooide zijne lippen. Aan alle kanten vertoonde de woestijn hare onmetelijke zandvlakten; eensklaps ontplooiden de eerste grenzen van een maagdelijk woud aan den horizont, hare grillige vormen, op eene onheilspellende wijze afstekend bij het overige landschap.
Don Ramon stapte af, zette zijn zoon op den grond, ontdeed zijn paard van het gebit, opdat het vermoeide dier eenig voedsel zou kunnen gebruiken, dat hij hem gaf; vervolgens, toen hij met de grootste koelbloedigheid zich van al deze zorgen gekweten had, naderde hij zijn zoon, en deed hem den blinddoek af.
De knaap bleef onbewegelijk staan, en richtte een diepen, kouden blik op zijn vader.
»Mijnheer,” zeide don Ramon tot hem, »gij zijt hier meer dan twintig mijlen van mijne hacienda verwijderd, waarin gij, op straffe des doods, geen voet meer zult mogen zetten; van dit oogenblik afaan zijt gij alleen, zonder vader, zonder moeder, zonder familie: omdat gij een wild dier zijt, veroordeel ik u, om met de wilde dieren te leven; mijn besluit is onherroepelijk, uwe gebeden zouden ze niet kunnen veranderen, bespaar die dus.”
»Ik bid niet tot u,” antwoordde het kind op doffen toon; »men bidt niet tot zijn beul.”
Don Ramon sidderde; hij deed eenige passen heen en weêr met koortsachtige aandoening; maar zich bijna onmiddellijk herstellende, ging hij voort:
»Zie hier, in dezen zak, levensmiddelen voor twee dagen; ik laat u deze buks met getrokken loop, die in mijne hand nooit haar doel gemist heeft; ik geef u ook deze pistolen, deze machete (kleine sabel), dit mes, deze bijl; in deze buffelhorens zijn kruit en kogels; gij zult in den knapzak een vuurslag vinden en al wat gij noodig hebt om vuur te maken; ik heb er een bijbel van uwe moeder bijgevoegd. Gij zijt dood voor de maatschappij, waarin gij niet moogt terugkeeren; de woestijn ligt voor u; zij behoort u toe; wat mij betreft, ik heb geen zoon meer, vaarwel! De Heer zij u genadig, tusschen ons is voortaan alles uit: gij blijft alleen en zonder familie; het is nu uwe zaak een tweede bestaan te beginnen en in uwe behoeften te voorzien. De Voorzienigheid verlaat nooit hen, die hun vertrouwen op Haar vestigen; zij alleen zal voortaan over u waken.”
Na deze woorden te hebben uitgesproken, deed don Ramon met een onbewogen gelaat, zijn paard het gebit weder aan, gaf zijn zoon de vrijheid, zette zich in den zadel, en vloog weg als een pijl uit den boog.
Rafaël richtte zich op de knieën op, boog het hoofd voorover, luisterde angstig naar den snellen hoefslag van het paard, en volgde met de oogen, zoo lang hij kon, de noodlottige schaduw, die zwart afstak bij de heldere stralen der maan; daarna, toen de ruiter eindelijk in de duisternis verdwenen was, bracht de knaap de hand aan zijne borst, een onbeschrijfelijke uitdrukking van smart verwrong zijne trekken, en hij riep:
»Moeder!.… Moeder!.…”
Hij viel bezwijmd op het zand neder.
Na een geruimen tijd te zijn voortgereden, verminderde don Ramon ongemerkt den draf, zijns ondanks het oor leenende aan de verwarde geluiden der woestijn, angstig luisterende, zonder zich nauwkeurig rekenschap te geven van de redenen, die hem aldus deden handelen, maar misschien wel in afwachting van het geroep zijns zoons, om tot hem weder te keeren. Tweemaal zelfs trok zijne hand werktuigelijk aan den teugel, als of hij gehoorzaamde aan de geheime stem, die hem gebood terug te gaan; maar de hoogmoed van zijn geslacht was sterker, en hij reed door.
De zon ging op, toen don Ramon de hacienda bereikte.
Twee menschen stonden aan de poort zijne terugkomst af te wachten.
De eene was doña Jesusita, de andere de mayoral. Op het zien zijner vrouw, bleek en ontroerd als zij was, terwijl zij als het beeld der verlatenheid voor hem stond, voelde de hacendero zijn hart beklemmen, hij wilde voorbij gaan.
Doña Jesusita deed twee passen en den teugel grijpende, zeide zij op hartroerenden toon:
»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” De hacendero antwoordde niet; de smart zijner vrouw ziende, vroeg hij zich zelven in stilte af, of hij werkelijk het recht had, om te handelen, gelijk hij gedaan had.
Doña Jesusita wachtte te vergeefs op antwoord. Don Ramon zag zijne vrouw aan; hij werd bang, toen hij de onuitwischbare sporen van verdriet op dat eens zoo kalm en rustig gelaat bespeurde. De edele vrouw was bleek als een doode; hare gelaatstrekken hadden een onverbiddelijke gestrengheid aangenomen, hare van koorts brandende oogen waren rood en zonder tranen, twee blauwe, diepe kringen maakten ze hol en wild; eene breede vlek teekende op hare wangen het spoor, dat de tranen, wier bron verdroogd was, hadden achtergelaten; zij kon niet meer schreien, hare stem was rauw en onregelmatig, haar beklemde borst hijgde onder elke ademhaling.
Na eenige seconden op antwoord gewacht te hebben, herhaalde zij:
»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?”
De hacendero wendde verlegen het hoofd af.
»O, gij hebt hem gedood!” riep zij uit met een hartverscheurenden gil.
»Neen.…” antwoordde hij, verschrikt door zooveel smart, voor het eerst in zijn leven het gezag erkennende van eene moeder, die rekenschap vraagt van haar kind.
»Wat hebt gij met hem gedaan?” herhaalde zij met meer aandrang.
»Later,” zeide hij, »als gij bedaard zijt, zult gij alles weten.”
»Ik ben bedaard,” antwoordde zij. »Waarom een medelijden geveinsd, dat gij niet bezit? Mijn zoon is dood, en gij hebt hem vermoord.”
Don Ramon steeg af.
»Jesusita,” zeide hij tot zijne vrouw, haar bij de hand nemende en teeder aanziende, »bij al wat er heilig is in de wereld zweer ik u, dat uw zoon leeft: ik heb geen haar van zijn hoofd gekrenkt.”
De arme moeder bleef eenige oogenblikken nadenken.
»Ik geloof u,” zeide zij toen; »wat is er van hem geworden?”
»Welnu,” hernam hij aarzelend, »daar gij alles weten wilt, verneem dan dat ik uw zoon in de woestijn heb achtergelaten.…. maar in het bezit van alles, wat zijne veiligheid verzekeren en aan zijne behoeften voldoen kan.”
Doña Jesusita sidderde: een zenuwachtige rilling ging haar door de leden.
»Gij zijt grootmoedig geweest,” zeide zij met bittere ironie; »gij zijt grootmoedig geweest jegens een kind van zestien jaar, don Ramon, het stuitte u tegen de borst om uwe handen in zijn bloed te wasschen; gij hebt deze taak liever willen overlaten aan de wilde dieren en aan de woeste Indianen, die alleen deze eenzame vlakten bewonen.”
»Hij was schuldig!” antwoordde de hacendero, op doffen, maar vasten toon.
»Een kind is nooit schuldig in het oog van haar, die het in haar schoot gedragen en met hare melk gevoed heeft,” zeide zij; »het is wel, don Ramon: gij hebt uw zoon veroordeeld, ik zal hem redden!”
»Wat wilt gij doen?” riep de hacendero, verschrikt over de wilskracht, die hij in het oog zijner vrouw schitteren zag.
»Wat gaat u dat aan, don Ramon? Ik zal mijn plicht vervullen, gelijk gij gemeend hebt den uwen te vervullen! God zal tusschen ons oordeelen! Beef voor den dag, waarop hij u rekenschap zal vragen van het bloed van uw kind!.….”
Don Ramon boog het hoofd onder dit anathema; met een bleek gelaat en een knagend geweten trad hij langzaam de hacienda binnen. Doña Jesusita volgde hem een oogenblik met de oogen.
»O, mijn God!” riep zij, »geef dat ik niet te laat kom!”
Toen vertrok zij, gevolgd door nô Eusébio. Twee paarden wachtten hen achter een klein boschje. Zij zetten zich in den zadel.
»Waarheen, señora?” vroeg de mayoral.
»Naar mijn zoon,” antwoordde zij.
De hoop scheen haar geheel veranderd te hebben. Een levendig inkarnaat kleurde haar de wangen; hare zwarte oogen flonkerden.
Vier prachtige speurhonden, in dat land rastreros geheeten en afgericht om sporen te zoeken, werden door nô Eusébio losgemaakt; hij liet hun een kleed van Rafaël ruiken; de honden vlogen luid blaffende weg; nô Eusébio en doña Jesusita volgden hen, onder het wisselen van eenige hoopvolle blikken.
De honden hadden geen moeite om het spoor te volgen; het liep recht, zonder te kronkelen; ook stonden zij geen oogenblik stil.
Toen doña Jesusita op de plaats, waar Rafaël door zijn vader verlaten was, aankwam, vond zij er niemand!.…. de knaap was verdwenen!
De sporen van zijn verblijf waren duidelijk zichtbaar. Een vuur dat bijna uitgebrand was, bewees dat Rafaël nauwelijks een uur geleden deze plek verlaten had.
»Wat te doen?” vroeg nô Eusébio angstig.
»Voorwaarts!” antwoordde doña Jesusita vastberaden, haar paard de sporen gevende, dat hinnikend van woede zijn loop vervolgde.
Nô Eusébio volgde haar.
Des avonds van dien zelfden dag heerschten op de hacienda del Milagro de grootste schrik en ontsteltenis. Doña Jesusita en nô Eusébio waren niet teruggekomen.
Don Ramon liet zijne manschappen opzitten. De peones en vaqueros, van toortsen voorzien, zochten overal rond naar hunne meesteres en naar den mayoral. De geheele nacht verliep, zonder eenige voldoende uitkomst te geven. Bij het aanbreken van den dag werd het paard van doña Jesusita half verscheurd in de woestijn terug gevonden. Het tuig ontbrak er aan. Het terrein rondom het doode paard scheen aan een woedend gevecht tot tooneel gediend te hebben. Don Ramon gaf wanhopig bevel om terug te keeren.
»Mijn God!” riep hij bij het binnentreden der hacienda uit, »begint mijne straf reeds nu?”
Dagen en weken, maanden en jaren verliepen zonder dat de geheimzinnige sluier, die deze treurige gebeurtenissen bedekte, ook maar even werd opgelicht: men kwam niets te weten van het lot van Rafaël, noch van dat zijner moeder of van nô Eusébio.
EINDE VAN DE INLEIDING.