II. DE HACIENDA DEL MILAGRO.
Reading edition
De omstreken van Hermosillo zijn ware woestijnen. De weg, die van deze stad naar de hacienda del Milagro (Wonderhoeve) voert, is vooral somber en dor.
Slechts bij lange tusschenpoozen ziet men hier en daar eenige gomboomen, Peruboomen, konzenieljes en cactussen, de eenigste planten, die groeien kunnen op een door de loodrecht nedervallende stralen der zon verschroeiden bodem.
Op geregelde afstanden vertoonen zich, als om den reiziger te bespotten, de lange houten balansen der regenbakken, met een verwrongen en hard geworden lederzak aan het eene en met steenen aan het andere eind; maar de regenbakken zijn uitgedroogd en op den bodem is niets meer dan een zwarte en modderige korst, waarin zich een tallooze menigte van ongedierte beweegt; wolken van fijn en alles doordringend stof, door de minste beweging in de lucht opgejaagd, dringen den vermoeiden reiziger in de keel en onder elke uitgedroogde grashalm roepen de krekels woedend den weldadigen nachtelijken dauw in.
Maar als men na een lange worsteling met allerlei moeielijkheden, zes mijlen in deze verzengde woestijnen heeft afgelegd, vestigt het oog zich met wellust op een prachtige oase, die eensklaps als uit den schoot van het dorre zand schijnt omhoog ie rijzen.
Dat Eden is de Hacienda del Milagro.
Op het tijdstip, waarin ons verhaal ons verplaatst, bestond deze hacienda, een der rijkste en uitgestrektste der provincie, in een gebouw van twee verdiepingen, met muren van tapia en adobes (klei met stroo) en met een rieten dak.
Men bereikte de hacienda door middel van een ontzaggelijk erf, welks ingang, een gewelfd portaal, verzekerd was met zware slagdeuren, aan welker eene zijde zich een sluippoort bevond. Aan de voorzijde telde men vier kamers, welker vensters met vergulde ijzeren spijlen en van binnen met jalousieën versierd waren; de ramen waren van glas, een ongehoorde weelde in dat land en in dien tijd; aan iedere zijde van het erf of patio bevonden zich de gemeenschappelijke woningen voor de peones (arbeiders), de kinderen enz.
Gelijkvloers bestond het hoofdgebouw uit drie deelen. Eerst had men een soort van groote vestibule, met antieke leunstoelen en canapé’s met zittingen van cordova-leder, een konzenielje-houten tafel en eenige tabouretten; aan de muren hingen in vergulde lijsten verscheidene oude portretten, die de leden der familie levensgroot voorstelden; de zolder was met een menigte van reliëfs versierd.
Een paar vleugeldeuren gaven toegang tot de zaal; recht tegenover het patio, was er langs den geheelen muur eene verhevenheid van een voet hoogte aangebracht; deze was met een tapijt bedekt en pronkte met eene rij kunstig gesneden en rijk geborduurde lage tabouretten, voor ieder waarvan een kussen om de voeten op te leggen; er was ook een klein vierkant tafeltje, achttien duim hoog, dat tot werktafeltje diende. Dit gedeelte van de zaal is bestemd voor de dames, die er zich op de wijze der Mooren met gekruiste beenen nederzetten; aan den anderen kant der zaal bevinden zich stoelen, met zittingen evenzoo geborduurd als de tabouretten en kussens; tegenover den ingang der zaal was een andere deur, waardoor men in de voornaamste slaapkamer kwam; hier zag men een alcove, waarin op eene verhevenheid een paradebed was geplaatst, versierd met eene menigte verguldsels en gordijnen van gebloemde zijde. De lakens en sloopen waren van het fijnste linnen en met breede kant omzoomd.
Achter het hoofdgebouw bevond zich een tweede patio, waar de keukens en het corral (hoenderhok) geplaatst waren; daarachter was een groote tuin, geheel ommuurd en meer dan honderd roeden lang, op engelsche wijze aangelegd, rijk aan allerlei vreemde boomen en planten.
De hacienda vierde feest.
Het was de tijd van de matanza del ganado (slacht): de peones (arbeiders) hadden op eenige schreden afstands een omheining gemaakt, binnen welke zij de magere runderen van de vette afzonderden; de vetten werden een voor een weder naar buiten gejaagd, en door een vaquero, die met een snijdend werktuig gewapend aan den ingang stond, met één slag afgemaakt. Zoo deze bij ongeluk missloeg, hetgeen somwijlen gebeurde, was er een andere vaquero, die te paard het arme dier in galop vervolgde, de lasso om zijne horens sloeg en het vasthield, totdat de eerste het had gedood.
Achteloos tegen de gaanderij der hacienda aangeleund, stond een man van omstreeks veertig jaar, in de rijke kleeding van een landedelman, de schouders bedekt met een veelkleurige zarape (wollen shawl) en het hoofd beveiligd voor de laatste stralen der ondergaande zon door een hoed van fijn Panama-stroo, die, onder het rooken van een maïs-cigaar, het opzicht scheen te houden over dit tooneel.
Het was een lang man, van verheven gestalte, welgevormd, met scherpe maar schoone gelaatstrekken, die eerlijkheid en moed, maar vooral een ijzeren wil verraadden. Zijne groote, zwarte oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, hadden een onvergelijkelijk zachte uitdrukking; maar, als wrevel zijn bruine gelaatskleur met een rooden gloed overtoog, nam zijn blik eene onverzettelijkheid en eene kracht aan, die niemand kon weerstaan en die den dapperste deden aarzelen en beven.
Hij had bovendien dat aristocratisch uiterlijk, waaraan men bij den eersten oogopslag den afstammeling van een zuiver en edel castiliaansch geslacht herkent.
En inderdaad, deze man was don Ramon Garillas de Sevedar, de eigenaar van de hacienda del Milagro, die wij zoo pas beschreven hebben.
Don Ramon Garillas stamde af van een spaansch geslacht, welks stamvader een der voornaamste luitenants van Cortes was geweest en dat zich in Mexico gevestigd had, na de wonderbare verovering van dat land door dien fortuinzoeker.
In het bezit van een vorstelijk vermogen, maar wegens zijn huwelijk met eene vrouw van gemengd Aztekisch ras door de spaansche aristocratie verstooten, had hij zich geheel en al aan het bebouwen van zijn land en aan de verbetering zijner uitgestrekte goederen overgegeven.
Na zeventien jaar gehuwd te zijn geweest, was hij thans het hoofd van een talrijk huisgezin, bestaande uit zes jongens en drie meisjes, in het geheel negen kinderen, waarvan Rafaël, dien wij straks ontmoet hebben, toen hij den vaquero zoo knaphandig afmaakte, de oudste was.
Het huwelijk van don Ramon en doña Jesusita was een huwelijk geweest uit speculatie, alleen met het oog op het geld gesloten, maar dat beiden toch betrekkelijk gelukkig maakte; wij zeggen betrekkelijk, want daar het meisje het klooster verlaten had om te trouwen, had er nimmer liefde tusschen hen bestaan, maar was deze vervangen geworden door eene teedere en oprechte genegenheid.
Doña Jesusita bracht haar tijd door met te midden van hare indiaansche vrouwen voor hare kinderen te zorgen; haar echtgenoot van zijn kant was den geheelen dag bezig met zijne vaqueros, peones en jagers en zag zijne vrouw slechts enkele oogenblikken gedurende den maaltijd, terwijl hij soms maanden achtereen uitbleef om een jachtpartij aan de oevers van de Rio Gila bij te wonen. Wij moeten er echter bijvoegen, dat, afwezig of niet, don Ramon steeds met de grootste nauwkeurigheid zorg droeg, dat er niets ontbrak aan het welzijn van zijne vrouw en dat aan hare minste grillen werd voldaan, terwijl hij noch geld, noch moeite spaarde om haar alles te bezorgen, wat zij scheen te verlangen.
Doña Jesusita was betooverend schoon en van een engelachtig humeur; zij scheen, zoo niet met blijdschap, dan toch zonder al te veel verdriet de levenswijze aangenomen te hebben, waarin haar man haar genoodzaakt had zich te schikken; maar uit de diepte van haar groot, zwart, kwijnend oog, uit de bleekheid van hare trekken en vooral uit de wolk van droefheid, die voortdurend haar schoon voorhoofd met een matte bleekheid overtrok, was het niet moeilijk op te maken, dat er in dat verleidelijk marmerbeeld eene gloeiende ziel was opgesloten en dat dat hart, dat zich zelf niet kende, al zijne gedachten gericht had op hare kinderen, waaraan zij hing met al de kracht der moederlijke liefde.
Wat don Ramon betreft, altijd even goed en voorkomend voor zijne vrouw, die hij zich nooit de moeite had gegeven om te besturen, veel min te regeeren, hij had het recht om haar voor het gelukkigste schepsel van de wereld te houden; en zij was het inderdaad, sedert zij moeder werd.
De zon was voor eenige oogenblikken ondergegaan; de lucht verloor langzamerhand haar purpertint en werd hoe langer hoe donkerder; onder het gewelf des hemels begonnen reeds eenige sterren te schitteren en de avondwind verhief zich met eene kracht, die tegen den nacht een van die vreeselijke onweders voorspelde, welke in deze gewesten zoo dikwijls losbarsten.
De mayoral (hofmeester), na met zorg het overblijvende ganado (vee) binnen de omheining te hebben doen opsluiten, verzamelde de vaqueros en peones en allen richtten zich naar de hacienda, waar de avondmaalsklok hen waarschuwde, dat het uur der rust eindelijk was aangebroken.
Toen de mayoral het laatst binnentrad en een buiging maakte voor zijn meester, vroeg deze hem:
»Nu, nô Eusébio, hoeveel koppen hebben wij dit jaar?”
»Vierhonderd vijftig mi amo (mijn meester),” antwoordde de mayoral, een groot, ernstig, mager man, met grijzende haren en een gezicht zoo geel en uitgedroogd als een stuk oud perkament, terwijl hij zijn paard inhield en zijn hoed afnam, »dat is te zeggen: vijf en zeventig meer dan verleden jaar; onze buren de jaguars en de Apachen hebben ons van ’t jaar niet veel schade berokkend.”
»Dank zij uwer waakzaamheid, nô Eusébio,” hernam don Ramon; »ik zal haar niet onbeloond laten.”
»Mijn beste belooning is het goede woord, dat Uw Genade mij ten beste geeft,” antwoordde de mayoral, wiens ruw gelaat eensklaps ophelderde; »is het niet mijn plicht voor al het uwe met dezelfde zorgvuldigheid te waken, alsof het het mijne ware?”
»Ik dank u,” zeide de edelman bewogen en de hand zijns dienaars drukkende, »ik weet, dat gij u geheel aan mij hebt toegewijd.”
»In leven en in sterven, meester; mijne moeder heeft u gezoogd, ik behoor u en de uwen toe.”
»Kom, kom! nô Eusébio,” zeide de hacendero opgeruimd, »het souper is gereed, de señora is zeker reeds aan tafel, laten wij haar niet langer laten wachten.”
Daarop traden beiden binnen het patio en nô Eusébio, zooals don Ramon hem genoemd had, maakte zich gereed om de deuren te sluiten.
Ondertusschen trad don Ramon de eetzaal der hacienda binnen, waar al de vaqueros en peones reeds bijeen waren.
Deze eetzaal bevatte een ontzaglijk groote tafel, die geheel het middenvak besloeg; daaromheen waren banken geplaatst met lederen zittingen en twee gebeeldhouwde leunstoelen voor don Ramon en de señora. Achter de leunstoelen hing aan den muur een ivoren Christusbeeld van vier voet hoogte, midden tusschen twee schilderijen, waarvan de eene Jezus in Gethsemané en de andere de prediking op den berg voorstelde. Hier en daar grijnsden u van de gewitte muren jaguars-, buffels-, of hertenkoppen tegen, die de hacendero (eigenaar der hacienda) op de jacht gedood had.
De tafel was rijkelijk voorzien met lahua (een dikke soep van gekookt maïsmeel met vleesch), puchero of olla podrida en pépian; op gelijke afstanden stonden flesschen met mezkal en karaffen met water.
Op een gegeven teeken van den hacendero nam het maal een aanvang.
Weldra barstte het onweder los. De regen viel bij stroomen neder, elk oogenblik deden felle bliksemstralen de lichten in de zaal verbleeken en zware donderslagen den grond dreunen.
Tegen het einde van het maal klom de orkaan tot zulk eene hevigheid, dat het gedruisch der elementen het spreken onmogelijk maakte.
De donder ratelde met eene ontzettende kracht; een rukwind drong met geweld de zaal binnen, verbrijzelde een venster en doofde al de lichten uit; allen die tegenwoordig waren kruisten zich al bevend.
Tegelijk weergalmde de bel van de poort der hacienda en eene stem, die niets menschelijks had, riep tweemaal achtereen:
»Help!… help!.….”
»Jezus Christus!” riep don Ramon uit, terwijl hij met één sprong de zaal uit was, »er wordt iemand op de vlakte vermoord.”
Er werden op hetzelfde oogenblik twee geweerschoten gehoord, een akelige gil doorsneed de lucht en daarna verviel alles in een sombere stilte.
Eensklaps verlichtte eene heldere bliksemstraal de duisternis, de donder ratelde met veel geweld en don Ramon vertoonde zich wederom op den drempel der zaal, met een man, die in onmacht gevallen was, in zijne armen.
De vreemdeling werd op een bank gelegd, men verdrong zich om hem heen. Het gezicht van dien man had niets buitengewoons, evenmin als zijne kleeding, en toch, toen hij hem bemerkte, kon Rafaël, de oudste zoon van don Ramon, een gebaar van schrik niet weêrhouden en zijn gelaat werd bleek als dat van een doode.
»O!” mompelde hij zacht, »de juez de letras!…”
Inderdaad, het was de waardige rechter, dien wij met een zoo sierlijk gevolg Hermosillo zagen verlaten. Zijne lange, natte haren vielen op zijn borst, zijne kleederen waren in wanorde geraakt, op menige plaats gescheurd en met bloed bevlekt. Zijne rechterhand hield de kolf van een afgeschoten pistool stijf omklemd.
Don Ramon had den juez de letras ook herkend en onwillekeurig een blik op zijn zoon geworpen, dien deze niet kon doorstaan.
De rechter, dank zij der zorgen hem door doña Jesusita en hare vrouwen bewezen, kwam spoedig weder bij, slaakte een diepen zucht, opende een paar woeste oogen, die hij over de omstanders liet gaan zonder nog iets te zien, en herkreeg langzamerhand zijn bewustzijn.
Eensklaps deed een levendig rood zijn even te voren zoo bleek voorhoofd kleuren; zijne oogen schitterden, terwijl hij op Rafaël een blik wierp, die dezen aan den grond vastnagelde en aan een onverwinnelijke vrees ten prooi liet.
Daarna hief hij zich met moeite op, trad naar den jongeling die hem zag aankomen, zonder hem te durven ontwijken, legde hem ruw de hand op den schouder, en vervolgens zich tot de verschrikte peones wendende, die van dit alles niets begrepen, zeide hij op plechtigen toon:
»Ik, don Inigo tormentos d’ Albaceyte, juez de letras der stad Hermosillo, arresteer in naam des Konings dezen man, overtuigd van moord!.…”
»Genade!” riep Rafaël, zich op de knieën werpende en wanhopig de handen vouwende.
»Wee mij!”—gilde de arme moeder in zwijm vallende.