I. HERMOSILLO.
Reading edition
De reiziger, die voor de eerste maal den voet zet op den bodem van zuidelijk Noord-Amerika, ondervindt zijns ondanks een onbeschrijfelijk gevoel van weemoed.
En inderdaad, de geschiedenis der nieuwe wereld is slechts een betreurenswaardige martelaars-kroniek, waarin dweeperij en begeerigheid hand aan hand gaan.
Gouddorst gaf aanleiding tot het ontdekken der nieuwe wereld, het goud eens gevonden zijnde, was Amerika voor zijne veroveraars niets meer dan eene stapelplaats, waar deze begeerige gelukzoekers, met den dolk in de eene en het crucifix in de andere hand, een rijken oogst kwamen bijeenzamelen van dat zoo gewenscht metaal, om daarna naar hun vaderland weder te keeren, aldaar met hunne rijkdommen te schitteren en door de onbeteugelde weelde, die zij ten toon spreidden, nieuwe landverhuizingen uit te lokken.
Aan deze gedurige afwisseling is het inzonderheid toe te schrijven, dat Amerika zoo weinig groote gedenkteekenen bezit, die anders in iedere volkplanting gewoonlijk de plaats aanwijzen, waar de kolonisten zich het eerst hebben nedergezet, en tevens de richting, in welke zij zich hebben voortbewogen en uitgebreid.
Doorreis heden dat uitgestrekte vasteland, dat gedurende drie eeuwen het onbetwiste eigendom der Spanjaarden is geweest, doorloop dat heden, zeg ik; ter nauwernood zult gij hier en daar op verre afstanden, een puinhoop zonder naam ontwaren, die u hun doortocht in het geheugen roept, terwijl de gedenkteekenen, door de Azteken en Incas vele eeuwen vóór de ontdekking opgericht, nog in al hun majestueuzen eenvoud het hoofd omhoog heffen als onvergankelijke getuigenissen van hunne tegenwoordigheid in die landstreek en van hun streven naar beschaving.
Helaas! wat zijn zij heden geworden, die roemrijke veroveringen, door gansch Europa benijd, waarin het bloed der beulen zich vermengd heeft met het bloed der slachtoffers, ten gerieve van die andere natie, toen zoo trotsch op hare dappere veldheeren, op haar vruchtbaar grondgebied en op haar handel, die geheel de wereld omvatte? De tijd is voortgegaan, en het Zuiden van Amerika boet op dit oogenblik voor de misdaden, die het voorgeslacht heeft bedreven. Verbrokkeld door allerlei partijen, die elkander het bewind van één dag betwisten, onderdrukt door verkwistende oligarchieën, verlaten door de vreemdelingen, die er zich hebben vetgemest, verkwijnt het langzaam onder het wicht zijner trage werkeloosheid, zonder de kracht te bezitten om het looden doodskleed, waaronder het verstikt, op te heffen, in het vooruitzicht van niet te ontwaken, voordat een nieuw geslacht, niet bezoedeld door moord en doodslag en gehoorzaam aan Gods eeuwige wetten, den arbeid en de vrijheid zal aanbrengen die het leven der volkeren zijn.
In één woord, het Spaansch-Amerikaansche ras heeft zich voortgeplant in de domeinen, die het van zijne voorvaderen heeft ontvangen, zonder er ooit de grenzen van uit te breiden; zijn heldenmoed is met Karel den Vijfde ten grave gedaald en het heeft van het moederland niets bewaard dan de gastvrije zeden, de godsdienstige onverdraagzaamheid, de monniken, de guittareros (straatzangers) en de gewapende bedelaars.
Van alle staten, die den grooten Mexicaanschen bond vormen, is de staat Sonora de eenige, die, ten gevolge van zijne worsteling met de onafhankelijke Indiaansche stammen, die het omringen, en van zijne gedurige wrijving met die volkeren, een afzonderlijk karakter behouden heeft.
De zeden der inwoners hebben nog een zekere woeste oorspronkelijkheid, die hen bij den eersten oogopslag van die der meer binnenwaarts gelegen provinciën onderscheidt.
De Rio Gila kan als de noordelijke grens van dezen staat worden aangemerkt; van het oosten naar het westen is hij ingesloten tusschen de Sierra Madre en de golf van Californië.
De Sierra Madre verdeelt zich achter Durango in twee takken, waarvan de voornaamste in de hoofdrichting van het noorden naar het zuiden loopt, terwijl de andere zich naar het westen wendt, achter de staten Durango en Guadalaxara om, en langs de oeverstaten der Stille Zee voortloopt. Deze tak der Cordilleras vormt de zuidelijke grens van Sonora.
De natuur schijnt er behagen in geschept te hebben, om hare weldaden met kwistige hand over dit land uit te storten. Het klimaat is liefelijk, gematigd en gezond; goud, zilver, vruchtbare akkers, heerlijke vruchten, medicinale kruiden zijn er in overvloed; men vindt er de krachtigste balsems, de nuttigste insekten voor verfstoffen, de zeldzaamste marmersoorten, wild en visschen in menigte. Maar ook hebben in de uitgestrekte wildernissen van de Rio Gila en de Sierra Madre de onafhankelijke Indianen, de Comanchen, de Pawnies, de Pimas, de Opatas en de Apachen voor eeuwig den oorlog verklaard aan het blanke ras; door hunne eindelooze aanvallen doen zij den Mexicanen het bezit van al deze rijkdommen, die zij eens aan hunne voorvaderen ontroofden, duur genoeg betalen.
De drie voornaamste steden van Sonora zijn: Guaymas, Hermosillo en Arispe.
Hermosillo, vroeger Pitic, door de expeditie van den graaf de Raouset Boulbon beroemd geworden, is de stapelplaats van den Mexicaanschen handel op de Stille Zuidzee, en telt meer dan 9000 inwoners.
Deze stad, gebouwd op eene bergvlakte, die in noordwestelijke richting zacht hellend tot aan zee afdaalt, wordt gerugsteund en beschermd door een heuvel, el Cerro de la Campaña (Klokberg) geheeten, welks top met ontzaggelijke steenblokken is bezaaid, die, als men er op slaat, een helderen en zuiveren klank doen hooren.
Overigens is deze Cuidad (stad), evenals hare Amerikaansche zusters, morsig en van leem gebouwd, en geeft zij aan de verbaasde oogen van den reiziger een treurige massa puinhoopen van verwaarloosde en verlatene huizen te aanschouwen, die de ziel met weemoed vervullen.
Op den dag, waarop dit verhaal een aanvang neemt, namelijk op den 17den Januari 1817, tusschen drie en vier uur in den namiddag, het gewone uur der siesta (middagrust), bood de stad Hermosillo, anders zoo stil en rustig, een vreemd schouwspel aan.
Een menigte van Leperos, Gambusinos (mijnwerkers, sluikers) en Rateros (gauwdieven) verdrong zich al schreeuwend, dreigend en brullend in de calle del Rosario (Rozelaarstraat). Eenige Spaansche soldaten,—Mexico had toen het juk van het moederland nog niet afgeschud—trachtten tevergeefs de orde te herstellen en de menigte uiteen te drijven, door aan alle kanten met het hout hunner lansen harde slagen uit te deelen aan ieder, die onder hun bereik kwam.
Maar het rumoer, wel verre van te verminderen, nam gestadig toe en vooral de Hiaqui-Indianen, die zich onder de menigte bevonden, schreeuwden en gesticuleerden op een inderdaad schrikwekkende wijze.
De vensters van alle huizen waren gevuld met mannen-en vrouwenhoofden, die, met hunne blikken op de Cerro de la Campaña gericht, aan welks voet dikke rookwolken dwarrelend omhoog stegen, een buitengewone gebeurtenis schenen af te wachten.
Eensklaps hoorde men een vreeselijk geschreeuw, de menigte splitste zich in tweeën als een overrijpe granaat en ieder week met de kenteekenen der grootste vrees ter zijde, toen er een jong mensch, of liever een kind, want hij was ter nauwernood zestien jaar, in een wolk van stof gehuld, op een half wild paard pijlsnel kwam aanrennen.
»Houdt hem tegen!” riepen sommigen.
»Valgamedios!” mompelden de vrouwen, zich kruisende, »het is de duivel zelf.”
Maar allen, wel verre van hem tegen te houden, vloden om het hardst; de vermetele knaap vervolgde zijn snellen draf met een spottenden glimlach om de lippen, een verhit gelaat, bliksemende oogen en links en rechts slagen uitdeelende met zijn chicote (zweep) aan allen, die zich te dicht in zijne nabijheid waagden, of die ongelukkig verhinderd werden zich zoo spoedig, als zij wel gewild hadden, te verwijderen.
»He! he! Caspita!” riep, toen de knaap hem onder het voorbijgaan aanraakte, een vaquero (koeherder) met dom gezicht en forsche ledematen; »naar den duivel met dien schurk, die mij bijna het onderste boven smeet! O, maar wacht,” ging hij voort, na een blik op den jongeling geslagen te hebben, »ik bedrieg mij niet, het is Rafaël, de zoon van mijn meester! Wacht even, picaro (schelm)!”
Terwijl hij nog bezig was deze alleenspraak tusschen de tanden te mompelen, ontrolde de vaquero de lasso, die aan zijn gordel hing, en begon hij den ruiter achterna te hollen.
De menigte, die zijn plan begreep, juichte hem met verrukking toe.
»Bravo! bravo!” riepen allen.
»Mis hem niet, Cornejo!” schreeuwden de vaqueros, hem met handgeklap aanmoedigende. Cornejo naderde al gaandeweg den knaap, voor wien de hinderpalen meer en meer toenamen.
Door het geschreeuw der omstanders gewaarschuwd voor het gevaar, dat hem bedreigde, wendde de ruiter het hoofd om.
Toen zag hij den vaquero.—Een akelige loodkleur overdekte zijn gelaat; hij begreep, dat hij verloren was.
»Laat mij ontkomen, Cornejo,” riep hij met sidderende stem.
»Neen, neen!” brulde de menigte, »lasseer hem! lasseer hem!”
Het volk vond behagen in die menschenjacht, het vreesde van een zoo belangwekkend schouwspel beroofd te zullen worden.
»Geef u over!” antwoordde de reus; »anders, ik waarschuw u, lasseer ik u als een Ciboto!”
»Ik geef mij niet over!” zeide de knaap vastberaden.
De twee sprekers renden altijd voort, de eene te voet, de andere te paard.—De menigte volgde, brullend van genot. Zoo is het gepeupel overal, barbaarsch en onmeêdoogend.
»Laat mij gaan, zeg ik u!” riep de knaap, »of ik zweer u bij de gebenedijde zielen uit het vagevuur, gij komt er slecht af.”
De vaquero grinnikte, en zeide:
»Pas op, Rafaël, voor de laatste maal vraag ik het u, wilt gij u overgeven?”
»Neen! duizendmaal neen!” riep de knaap woedend.
»In Gods naam dan!” zeide de vaquero en slingerde hem de lasso naar het hoofd.
Nu had er iets buitengewoons plaats. Rafaël hield plotseling zijn paard in, zoodat het stokstijf staan bleef, en uit den zadel springende wierp hij zich als een jaguar op den reus, die door den schok ter aarde viel, en, voordat iemand het kon verhinderen, stiet hij hem het mes, dat de Mexicanen altijd bij zich aan den gordel dragen, in de keel.
Een lange bloedstraal spoot in het aangezicht van den knaap; de vaquero maakte nog eenige stuiptrekkingen en bleef toen onbewegelijk liggen.
Hij was dood!
De menigte slaakte een kreet van schrik en afgrijzen. Snel als de bliksem had de knaap zich weêr in den zadel geworpen, en zijn mes zwaaiende, hernieuwde hij met een duivelschen lach zijn wanhopigen rid.
Toen men, nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, den moordenaar op nieuw wilde vervolgen, was hij verdwenen.
Niemand wist welken kant hij was opgegaan. Gelijk meestal in dergelijke omstandigheden, kwam de juez de letras (strafrechter), door een stoet van alguacils (gerechtsdienaars) omgeven, op de plaats, waar de moord geschied was, aan, juist toen het te laat was.
De juez de letras, don Inigo tormentos Albaceyte, was een man van omstreeks 50 jaar, klein en gezet, met een vollemaansgezicht, die een gouden met diamanten omzette snuifdoos bij zich droeg, en onder schijnbare goedhartigheid een onverzadigbare geldgierigheid verborg.
De magistraat verontrustte zich, naar het scheen, volstrekt niet over de vlucht van den moordenaar, hij schudde eenige malen het hoofd, wierp een blik op de menigte rondom zich en zeide onder het nemen van een snuifje:
»Arme Cornejo! het zou toch stellig eenmaal zoo met u zijn afgeloopen; was het van daag niet, dan toch morgen.”
»Ja,” zeide een lepero, »hij is netjes van kant gemaakt.”
»Dat dacht ik al,” hernam de rechter, »de man, die het gedaan heeft, is een man van het vak.”
»Ha! wel zeker,” antwoordde de lepero, de schouders ophalende, »het is een kind.”
»Bah!” riep de rechter met geveinsde verwondering en, den man die tot hem sprak even van onder zijne oogleden aanziende, »een kind!”
»Ten naasten bij,” zeide de lepero, trotsch op de aandacht, die men aan zijne woorden schonk, »’t is Rafaël: de oudste zoon van don Ramon.”
»Nu, nu!” antwoordde de rechter met stille zelfvoldoening; »maar dat is immers niet mogelijk; Rafaël is ter nauwernood zestien jaar, hij zal wel geen twist gezocht hebben met Cornejo, die hem met ééne hand had kunnen verpletteren.”
»’t Is toch zoo, Excellentie; we hebben het allen gezien; Rafaël heeft gedobbeld bij don Aquilar; het schijnt dat de kans hem niet gunstig geweest is; hij heeft al zijn geld verloren; toen is hij woedend geworden en heeft het huis in brand gestoken.”
»Caspita!” riep de rechter.
»Het is gelijk ik de eer heb u te zeggen; Excellentie; kijk, men kan den rook nog zien, alhoewel het huis reeds uitgebrand is.”
»Inderdaad,” hernam de rechter, den vinger van den lepero met het oog volgende, »en toen?”
»Toen,” vervolgde de ander, »heeft hij zich natuurlijk uit de voeten willen maken; Cornejo trachtte hem tegen te houden …”
»Daar had hij gelijk in!”
»Daar had hij geen gelijk in, daar Rafaël hem gedood heeft.”
»Dat is waar,” zeide de rechter, »maar houd u bedaard, mijne vrienden, de gerechtigheid zal hem wreken.”
Dit woord werd door de omstanders met een spottenden glimlach aangehoord.
De magistraat, zonder zich veel over den indruk, dien zijne woorden gemaakt hadden, te bekommeren, beval aan zijn gevolg, dat den overledene reeds doorzocht en geplunderd had; het lijk op te nemen en naar den ingang der naastbijzijnde kerk te brengen; vervolgens trad hij zijn huis binnen, zich vergenoegd de handen wrijvende.
Tien sterk gewapende alguacils wachtten hem te paard aan de deur op; een bediende hield een prachtigen, zwarten hengst, die van ongeduld stampvoette, bij den toom. Don Inigo zette zich in den zadel, plaatste zich aan het hoofd zijner manschappen en de troep verwijderde zich.
»Nu, nu,” zeiden de nieuwsgierigen, die in de buurt op den drempel hunner woningen post hadden gevat, »juez Albaceyte begeeft zich naar don Ramon Garillas, wij zullen morgen wat nieuws hebben.” »Caspita!” antwoordden anderen, »dat lieve zoontje van hem heeft den strop, waaraan hij zal opgehangen worden, niet gestolen; hij heeft hem eerlijk verdiend.”
»Hm!” zeide een lepero met een spijtigen glimlach, »het zou jammer wezen, de schelm belooft wat te zullen worden, op mijn woord! De cuchillada (snede), die hij Cornejo heeft toegebracht, is heerlijk. De arme duivel is op een onberispelijke wijze van kant gemaakt.”
De rechter vervolgde ondertusschen zijn weg en bevond zich weldra in het veld.
Toen, zich in zijn mantel wikkelende, vroeg hij:
»Zijn de wapens geladen?”
»Ja, Excellentie,” antwoordde de hoofdman der alguacils.
»Goed! naar de hacienda (hoeve) van don Ramon Garillas, en in een goeden draf; wij moeten er voor het aanbreken van den nacht zijn.”
De troep zette zich in galop.