← Table of contents
De ondergang der Eerste Wareld

VOORREDE DES DICHTERS. (continued 3)

Reading edition

Men volgt, en zet het woud, waarin zy schuilplaats vinden, In vuur. De vlam stijgt op, by 't bruizen van de winden, En 't vijandlijk geslacht, verdreven door den brand, Keert, als vertwijfeld weêr, en zoekt zijn vaderland.

De strijd gaf zege en moed; de moed, vernieuwde krachten. Men leert den schrikbren stal des Arbaliets verachten, En 't gantsche leger roept van uit de volle borst: "Ten vijand! naar den strijd! geleid ons, Wareldvorst!"

De Koning kent den aart van 't bruischend driftvermogen: Hy vreest den geest des volks, als vlottend zand bewogen, Dat, naar de wind zich wendt, dan her- dan derwaart drijft, En weemlende in zijn ko'*k geen zeekren kring beschrijft. Hy zucht. "Mijn vrienden, neen! (dus spreekt hy) staakt uw schreden; Uw arm voldeed zijn plicht. Men rust' de moede leden, En spaar zich voor het heil der wareld, tot de dag Verkoele, en 't bloed verfrisch', nog kokend van den slag. Ververscht u in dit oord: het biedt u rijpe olijven, Met dadel, druif, en vijg. Tot nieuwe krijgsbedrijven Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet, Die by zijne eerste proef reeds zulk een poging doet!"

Hy zwijgt. Men zet zich neêr in afgeperkte rijen, Van 't zonlicht afgekeerd. Hy plaatst ter wederzijen Een drom van schutteren tot wachters. Slechts een deel Gaârt ooft en lafenis langs 't groenend veldtooneel, En wisselt telkens af, om op zijn beurt te rusten.

Maar welk een sappig ooft kan Segols hart gelusten, Zijn smaaktuig streelen? Ach! gespleten van de dorst, Verhardt gehemelt', tong, by 't gloeien van de borst. Doch 't is geen boomvrucht, 't zijn geen ruime waterteugen Die 't koelen, die den brand zijns boezems dempen meugen. Dat vuur zit dieper. 't Wee om Zilfaas deerlijk lot Doorvlamt zijn aderen en ronkelt door zijn strot. Hem walgt van rust en spijs. Hy stapt met wijde schreden 't Verpoozend leger langs. Zijn straffe vuisten kneden De lucht; zijn adem bruischt; zijn boezem rijst omhoog; En 't schijnt een stroom van vuur die uitbarst uit zijn oog. "ô (Roept hy hijgende uit) Gy, eenig hoogst Vermogen! Gy, zoo Gy beden hoort, ô sla uw heilige oogen Op Segol—op dit stof dat Segols ziel omkleedt! Geef kalmte aan 't lijdend hart, dat wegsmelt in zijn leed!

Ach! 'k wilde 's aardrijks kroon, 'k hergeef haar, God der Goden. U zij ze, en U-alleen, geen' stervling aangeboden! Geen middelbaar gezag op lucht of firmament! Maar toon u, sterke God, word Segols hart bekend!"

Hy zwijgt. Een zachte koelte omstroomt zijn moede leden. Een nevelachtig licht omwemelt hem in 't treden, Als of een wolk van damp zijn stappen onderving. Zijn statig voorhoofd bloost, omschenen met een kring Van stralen, die hun glans om 't rijzig lichaam spreiden, Dat, vonklende als een vuur, zich thands schijnt uit te breiden, En 't purper bleeken doet, dat om zijn schouders drijft, En slingrende in de lucht een golvend welf beschrijft. Zijn voeten raken thands geen grond, maar opgeheven Van de aarde, schijnt hy als een hemelgeest te zweven. Zijn leger siddert, valt op 't aanzicht, en verwacht Stilzwijgend d' uitslag van een aanblik, zoo vol pracht.

Gy, Dichtkunst, reine Geest des Hemels, my by 't leven Tot zalfster aller weên, geleide, en schuts, gegeven; Gy, hangende aan de borst op moederlijken schoot, My zoeter dan de melk die uit heure aders vloot; En, trouwe gezellin door ballingschap en plagen; Mijn wellust tot aan 't eind der my bestemde dagen! Meld, meld my, geef my in, verkondschap door mijn mond, Het wonder dat ik zing, zoo Gy 't verklaren kondt. Maar ja, Gy kunt het, die in hooger kring geboren, Niet naspoort, maar doorziet; geen onbetrouwbare ooren, Maar 't eigen zelfgevoel tot waarborg hebt: Ai spreek, En spiegel in mijn zang (gelijk een heldre beek De drift der wolken in de rimpling van het water Met golven naspeelt) wat ons ijdel klankgeklater Der denkkracht voorstelt: Dek het kleed der heemlen op; En kleure uw zon heur licht in onzen regendrop!

[1810.]

[In de 3e. Uitgave van het Dichtstuk, onder den titel van BILDERDIJKS EPOS, leest men nog de volgende regels, gevonden op een strook papier, met des Dichters hand beschreven en geplaatst in een HS, waarin de zestien laatste regels tusschen teksthaakjes staan:

Nu hief een wervelwind hem hooger dan de wolken. Hy zag de drijvende aard en waterblaauwe kolken Zich wentlen in de verte, en 't scheemrend licht der maan Bescheen hem van omlaag. Een siddring greep hem aan Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde, Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde, En Segol, Segol, riep!…

[Noot van den Uitgever.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings