VOORREDE DES DICHTERS. (continued 2)
Reading edition
Van jonger broeder slaaf, uws vaders schande zijn, En blozen voor u-zelv', voor's hemels zonneschijn? Wy, eerstelingen in des aardrijks eenzame oorden; Wy, zwervers over de aard, bevolkers harer boorden, Door wie haar dorren schoot, met oudren zweet gedrenkt, Het voedsel wierd ontperst, dat zy den stervling schenkt: Wy zuiverden 't gewest van Leeuw- en tijgerklaauwen; Wy veiligden dat erf, waarop zy ons benaauwen; En, felle bastaartteelt uit Kaïns eigen zaad, Verwoesten ze onzen grond, en moorden wie weêrstaat. Dit lijdt uw recht, uw moed, dit kan uw hart niet lijden: Vergaan wy, zoo 't moet zijn; maar sneuvlen we in het strijden! Nog weegt ons aantal aan hun sterkte dubbeld op, Wat toeft men, tot hun list der bergen engten stopp', En zy, van hooger grond, uit ontoegangbre wallen, Ons, ingesloten wild (dan redloos)overvallen? Ja, Kaïns overschot, heel 't menschlijk kroost, heeft uit, Ten zij één stoute daad hun woesten moedwil stuit. 'k Vergaderde u daar toe, en durf die van u wachten. Beleid en dapperheid zijn meer dan reuzenkrachten. Die leeuwen temmen kan en tijgers sluit in band, Is vrijheer van zijn arm, en duldt geen Dwingeland."
Hy sprak, en wierp zijn' staf verachtlijk in den hoogen. "Gy Geesten (ging hy voort), die in de wolkenbogen De nevels samenperst, en op den wind gebiedt! Gaat, staat uw afkomst by; Argostan vreest u niet."—
Nu zweeg hy. 't Voorhoofd rookte, en 't schuim der breede lippen Stoof ziedende om den mond! Men hoort geen' adem glippen: 't Stond alles, als ontzet. Een zacht en flaauw gebrom Verhief zich, groeide, en liep den kring des legers om. Nu steeg een holle kreet ten wolken: "Ja te wapen, Maar 't Geestendom ontzag!"—Met palmblad om de slapen, Trad een der Grijzaarts voor, der zonnedienst gewijd:
"Vermeetle (riep hy uit) die tegen Geesten strijdt! Wat wilt ge? 't wis verderf op onzen schedel storten?
De Goden van de lucht in 't aardbestier verkorten? Herroep die gruweltaal, en ken, gy Legervoogd, De palen van uw recht, en wat het mijn gedoogt!"—
De gramme Vorst, van spijt aan 't blaken, gaf een teeken Tot zwijgen.—"Heldenschaar (dus ving hy aan te spreken)! Hoe! daar wy 't Reuzenvolk manmoedig tegentreên, Zal 't muitende verraad ons kankren door de leên! Men durft uw Legerhoofd hier aan uw heirspits honen! Gij lijdt dit?—Krijgers, neen! gy zult my trouw betoonen. Ik terg den Zongod niet, maar wie mijn vijand staav', Dien zeg ik oorlog aan. Beproef het, Outerslaaf!"
Zoo sprak hy, en de knots vloog ijlings uit zijn vingeren Den Priester op de borst. De Legerrijen slingeren En woelen door elkaâr. Één woeste schreeuw van "moord" En "heiligschennis" wordt door heel het heir gehoord. De Grijzaart smoort in 't bloed, zijn' gorgel uitgevloten. Een deel der Offraars raapt, wanhopig toegeschoten, De palmkroon van zijn hoofd, met bloed en slijk bemorst, En toont haar aan het volk, en wijst het op den Vorst.
Nu vliegt het al in roer. De woeste pijlen gieren En snorren door de lucht; de legerkolven zwieren. Men eischt des priesters wraak, des heiligschenners bloed, Omsingelt, en bevecht zijn Krijgsvoogd dol te moed! Hy strijdt, verweert zich 't lijf; en honderd slagen breken Op 't wapen dat hy grijpt.—Reeds honderd zijn bezweken, En, door zijn dappre vuist op 't aardrijk uitgestrekt, Ten wal geworden die hem 't halve lichaam dekt: Nog twintig om hem heen, van de eersten in 't bespringen, Zijn thands die leeuwen niet, die hem naar 't leven dingen, Maar aangevallenen, wiet arm zich 't lijf verweert In slagen op zijn knots al splintrend afgekeerd, En deinzen; als een schicht ten peesboge afgedreven, Hem treft, en onverhoeds een eind maakt aan zijn leven. Hy zinkt gevoelloos, en zijn voorhoofd toont, verbleekt, De Heldenfierheid nog, in 't bruischend hart gekweekt.
Thands schijnt een sombre schrik het vorstlijk lijk te omzweven.
't Zwijgt al. Men hoort geluid noch 't minst geritsel geven. Het leger blijft versteend en starende op den grond, Of rolt een aaklig oog door al de benden rond.
Één flaauwe stem alleen in 't midden van de troepen Waagt, uit een enge borst den Offraars heil te roepen: "Heil, priestren!"—Alles brult en knarstandt op dit woord, En 't wordt, zelfs in den mond, op 't oogenblik gesmoord. Tien knotsen heffen zich, één schedel spat in gruizelen, En 't gonzen van dien slag doet alle hoofden suizelen.
Die slag scheen tot de leus van grooter moord bestemd. Reeds ziet men lijk by lijk dat in een bloedstroom zwemt. De Krijgsliên vallen hier de kermende Outerpapen, En daar, elkandren aan. Het opgevatte wapen Den Reuzen toegedacht, slaat eigen spitsbroêrs neêr, In wraak, in wederwraak, in weer, in tegenweer. De woede en razerny stijgt immer onder 't woeden; Geen doodslag dien de dood niet tienwerf moet vergoeden! Geen onderscheid, geen keur van vijand of van vrind; Met wien, voor wien men strijdt! 't is offer wat men vindt. Geen rij of legerspits, geen teeken, geen banieren! Men valt verwoed door een als aangehitste stieren, En moordt en wordt gemoord, vertrappeld, en vertreên, En nergens veiligheid dan in den moord-alleen.
Zoo weidt dat wapentuig dat sabel, speer, en degen Vervangt. De vloek van 't staal is thands in 't hout gelegen. De pijl rust werkingloos. Het wapen heeft geen doel; 't Treft wat naastby is, en 't treft blindlings, by gevoel. De naaste is vijand, is gevaarlijkst, moet voorkomen: De laatste-alleen bestaat; al 't oovrig bloed moet stroomen: Men vecht voor zelfbehoud, geen Vorst- noch outerhoon.
Dus woedt, dus raast men in bedwelming. Stapels doôn Staan, als in 't barre duin de heuvels, opgeheven. 't Gestalde en lillend bloed, waarin de voeten kleven, Verbreidt zich als een meir by zwellend springgetij', En kent noch peil noch boord, maar streeft zich steeds voorby.
Doch, even als de vlam, door d'adem van de winden In 't dichte woud gejaagd, niet ophoudt van verslinden, En, strevende in het rond, de stammen nederslaat; Maar echter hier en ginds een boomtronk overlaat, Die by de walmende asch de ontblaârde kruin en takken Of, stout verheffen blijft, of moedloos neêr laat zakken; Zoo stond het in het dal van Nival met het heir. Daar was geen legermacht, daar was geen bende meer. Driehonderd strijders slechts, door lijken afgezonderd. Braveerden 't sterflot nog, uit dertigmaal driehonderd En hieven, afgemat, op heuvelen van doôn Een uitgeputten arm en knikkend hoofd ten toon.
DERDE ZANG.
Een' dichten zwerm gelijk, van vliegend roofgediert' Dat, als de pestsmet woedt, om 't rijzend kerkhof zwiert En rondgiert onder 't zwerk, en, waar zy lijken rieken, Al schaatrend nederstort en klappert met de wieken; Hief half de Hel zich op by 't klaatrend moordgerucht, En juichte 't bloedbad toe, al hangende in de lucht. Tavoach middlerwijl, die de eerstgezaaide sprenkels Der twist steeds aanblies, en op plat gekneusde schenkels En bekkeneelen trad, als zoo veel krijgstrofeên, Verliet het slagveld, daar een hooger Macht verscheen. Gods Engel toonde zich: Zijn hand droeg purpren koornen Van Hemelsche granaat, de spijs van de eerstgeboornen Der schepping, vredevrucht, en tegengift der twist, Dat wrokken uitroeit en verwoede veeten slist. Thands opent hy de vuist. De gloênde korrels dalen Als regen, en den wind verbiedt hij aâm te halen, Op dat ze in 't vallen niet verstrooien door het ruim. Dus, wen Orions knots het bruischend pekelschuim In golven opklutst, die, van ongeduld aan 't koken, Het hobblend zeekasteel beklautren en bestoken, Dat, van den vloed geperst, naar roer noch teugel hoort; Als dan de Zeeman van zijn aangegrepen boord De rug der baren, tot zijn ondergang vereenigd, Met gulle stroomen van een lichter vloeistof lenigt, En Pallas olie of het bolsterkaf van 't graan By kuipen uitgiet, die heur gramschap nederslaan, De golving breken en met effen pad bevloeren, Om de afgebeukte kiel ten haven in te voeren; Zoo lag op 't oogenblik by 't zich verdelgend heir Verbittring, grimmigheid, en hartstochtbarning neêr. Men reikt zich, zelf verbaasd om de uitgebrande woede, De handen, rookend klam van uitgegoten bloede, Omhelst zich, en vernieuwt in 't aanzien van 't heelal, Dien eed, die niets voortaan op 't aardrijk schenden zal. De tranen vloeien van ontroering, en de harten Hereenden.—De Afgrond zag met onuitspreekbre smarten Den vreê herrezen; maar, 't vooruitgezicht getroost, Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.
Het Edensch Geestendom, nog zwevende in de wolken, Zag thands de burgerschap der onderaardsche kolken Zich naadren in de lucht, en deinsde naar omhoog Met d'afkeer in 't gemoed, en de afschriksblik in 't oog. De Duivlen volgen hen, met wieken uitgeslagen (Als reigers van omlaag de sperwers voor zich jagen), En roepen: "Menschenkroost, meê balling thands, als wy! Wat schuwt ge ons, Englen van geen minder stam dan gy? Legt, legt die fierheid af, die burgers voegt van Eden, Maar geen verlaagd geslacht, als wy in 't stof getreden! Die hooggewelfde borst, die blik ontzet ons niet; De Hoofdstof waar ge in zweeft, behoort tot ons gebied. Geen geur van heiligheid, die waassemde uit uw vlechten, Verwijdert d'afgrond meer, indien ze u wou bevechten. Maar neen, we ontmoeten u als lot en lotgenoot, Wie één belang verbindt in hun gemeenen nood. Reeds zaagt ge ons nog dit uur ter uwer hulp volvaardig. Kent, kent ons als getrouw, en, uw vertrouwen waardig! Wy eischen 't.—Op den top van 't gindsche berggevaart' Vergaadren we, om het lot te reeglen van heel de aard; Vereenigt u met ons. Wy gaan om raad te plegen: 't Geldt wat gy dierbaarst houdt!"—Zy trokken voort, en zwegen.
Afgrijslijk klonk die taal 't gebannen Geestendom In de ooren en door 't hart.—'t Bleef van ontzetting stom, En voelde in d'eersten schok den adem zich ontbreken, Die 't ophield in de lucht. Het had geen kracht tot spreken, En zonk alreeds van uit de hoogte daar 't in dreef, Als drupplen die de wind tot kooglen ijs versteef, En thands, onvatbaar om hun vocht meer uit te zetten, Ter neder storten en den groenen halm verpletten. Een zucht herstelt hen, en een uitroep: "Groote God! Verhoed Gy, dat uw volk met d'afgrond samenrott'! Gebannen zijn wy, en uw doemspraak onderworpen; Maar, de aarde moge ons bloed, indien het zijn moet, slorpen; Wy sterven de uwen steeds."—'t Was Fuäl, die dus sprak, Hy, minder schuldig in zijn schuldvergrijp dan zwak, En, waar' de zwakheid-zelv' geen misdaad in Uwe oogen, ô Gy, die kracht verleent, wellicht het mededogen Des Hartenkenners waard.—Doch! Uw rechtvaardigheid Behoort het oordeel, nooit door valschen schijn misleid.—
Hy sprak.—Pinéhal bromt' "My lust geen samenzweeren Met d' afgrond: Maar 't is plicht, indien we ons kroost verweeren. Men hoor 't ontwerp der Hel, verstoore of wijke 't uit, Of—zie het zwijgend aan! Ziedaar mijn raadsbesluit!"
Nu heft zich Sadon op. "Wat lafheid, hier te beven! (Dus zegt hy). Toeft men nog die helpers na te zweven, Wier bondgenootschap ons verzekert in ons recht? Wat zorg ik, aan wiens zij' of wien mijn arm bevecht?— Wy, doemelingen, wy, den doemling afkeer dragen! Zijn hulp versmaden; wy, als viel ons iets te wagen! Gods hand onttrekt zich ons, verstoot ons, werpt ons neêr. Welaan, men steun' zich-zelv', niet anders rest hier meer. Ja, roemrijk is 't en groot, met Duivlen-zelv' te deelen, Wanneer ge of slaaf moet zijn, of met hun, kunt bevelen. Men volg' my, heeft men moed. Ik meng my in hun Raad: Ik ken noch afgrond meer, noch plicht noch euveldaad. 't Is Afgrond, waar de spijt een Hel in 't hart doet branden. Hier woont ze, in dees mijn borst. Ik draag ze in de ingewanden. 't Is Hemel, waar ik heul, vertroosting, lichtnis vind, Verdelgen mag, vertreên, en niets my meer verbindt:
Waar ik den sterveling, zijn wellust, zijn genoegen, Zijn' aardboôm, nieuwen vloek by d'ouden toe mag voegen, Den mijnen van mijn hoofd ontlasten door de wraak, En 't sterflijk broederkroost affoltren tot vermaak. Dit wil, dit zal ik, dit! en in deze aardsche dalen Gods straffend banbevel met woekerwinst betalen. Nog eens: ik vlieg."—Hy sprak, en knarstandde, en verdween.
Nu stormde 't in den drom vervaarlijk onder een. Een aantal week te rug van 't Almachtlastrend brullen Des monsters. Andren weêr, als uitgelaten dullen Aan 't schaatren, juichen op die gruweltaal, (gereed Hem na te volgen), met een ijsselijken kreet. De felle Meschomod roept eindlijk: "Geen beraden! Verga hy, die den arm des bystands durft versmaden! En gy die twyfelt, leert, by 't sterflijk aardsch geslacht Ook heel de Hel weêrstaan, wanneer gy haar veracht! Wy strijden voor ons kroost, met Kaïn en Sethieten; Maar wie, wie onzer, deed die bloedrivieren vlieten, Waarvan de laauwe walm nog opgaat door het dal? Wie bracht die dappren met één ademtocht ten val? Wat vrage ik? Toon men my één proef van ons vermogen; Van schrikbaarheid voor hun die ons beoorelogen! Het oorlogswapen dreigt onze afkomst onverhoeds, En wy, van gramschap warm en van de zucht des bloeds, Wy zoeken stormen; wy, wy gaadren donderstoffen Met onbedreven vuist, om krachtloos neêr te ploffen; En, had Tavoach niet ter redding toegesneld, Geen vijand lag dit uur, maar half ons kroost, geveld. Neen, weerloos Krijgrental, begeeft, vergeet uw telgen! Geeft hen aan 't mierennest des aardrijks uit te delgen! Of—treedt met d'afgrond in dat bondschap dat ze u biedt. Voor 't minst, verwekt haar macht ook tegen de Uwen niet."
Hy zwijgt. Een menigte schoolt samen, op die woorden, En zweeft, op zijn gelei' naar 't hoogomtopte Noorden. Het oovrig deel, verbaasd, zweert, met een duren eed, Dat ze in geen Helschen band met Gods verworpnen treedt. Zy volgen echter, op den voorgang van hun broederen; Maar de angst, de knagende angst doorknabbelt hun gemoederen.
Tot driewerf keeren zy, by 't naadren van 't gebergt'! Tot driewerf, als door 't hart tot stoutheid aangetergd, Hernemen zy hun vaart, en dalen onverschrokken Op 't vlak der hoogste kruin, bedekt met wintervlokken, Waar hen die Raad verwacht, die Helsche gruwelraad, Die, zwanger van geweld, van moord in arbeid gaat.
Gy, Fuäl, gy-alleen bleeft eenzaam, mijmrend achter. Gy zaagt naar Edens Hof en d' onverbidbren wachter Die 't vlammende rapier aan d' ingang opheft, om, Terwijl uw glansloos oog in zuivre tranen zwom. Gy vielt op 't aardrijk, op uw voorhoofd neêr en weende. Neen, 't was uw boezem niet die door de straf versteende: U was zy*[typo?] heiliging. Volhard, ô Adams zoon, Uw beden zijn uit God; zy klimmen voor Zijn throon! Ga, lijdende! in berouw is balsem;—mooglijk, heeling; En—de eeuwigheid verklaart der schepslen lotbedeeling.
In 't middelpunt der aard, in onverstoorbre nacht Van tastbre dampen, die, uit gisting voortgebracht, Met stinkend luchtmoeras haar holle buik doordringen, De borst benaauwen; en den gorgel samenwringen, En vlammen scheppen, maar verschroeiend, zonder schijn, Doch blaakrend voor 't gevoel met onverdraagbre pijn, Daar 't oog by eigen licht, in 't duister uitgeschoten, De jamm'ren scheemrend raamt, hier stroomende uitgegoten. Daar, in dat ijslijk hol, heeft 's aardrijks dwingeland, Hier neêrgebliksemd, zijn afgrijsbren throon geplant. Hier is zijn Hofgezin, zijn tuig en wapensmisse. Hier wordt de pijl gesmeed voor 't dolende Gewisse, Hier, de angel van de lust, die in de boezems haakt, Die meêsleept, en verscheurt, en oprijt, wat zy raakt, En wonden achterlaat, die door geen hand te heelen, De ziel verpesten, en de dood in de aadren telen. Hier wringt men koorden voor de geessels van 't gemoed; En 't scherpend vlijmsnoer, dat, vertaaid in menschenbloed, En in de onzichtbre vuist der Wroeging opgeheven, De beenders brijzelt, en om 't lichaam vast blijft kleven. Hier eindlijk schept men gift en zwadder voor den beet Der slangen, en verscherpt de doornen van het leed Voor 't zuchtend menschdom, van zijn God en plicht vervallen.
De dienaars van zijn macht, bij honderd duizendtallen, Omzwerven rusteloos zijn waggelenden stoel, Die zonder steunpunt hangt in 't midden van den poel. Hy zendt ze als bliksems uit. Zy rijzen uit de kolken, En kruipen over de aard, of zwieren door de wolken; Besluipen listig, of doorbreken met geweld De zwakke boezems. Hun wanschapen klaauw omknelt Een pesttoorts, rookende van Helsche folterdampen, Die in de lucht ontvlamt, en gruwlen spat en rampen; Of, draagt het lokaas bloot dat aantergt tot de schuld, Maar de ijsselijke roê met zacht gebloemt' omhuld.
De Vorst der duisternis had op des aardrijks boorden Een veldwacht uitgezet. Dit was die Raad van 't Noorden. Zy, tot verdelging, tot verwoesting toegerust, Had Kaïn in den stroom van Godvergeten lust, Van gruwlen, broederslacht, en afgodsdienst gedompeld; Zij, Kaïn door den arm der Reuzen overrompeld, En dreef nu d' Arbaliet naar 's warelds rijk te staan, Maar, om hem op zijn beurt in 't bloed te doen vergaan.
Men zat; of eer, men was op't sneeuwdons neêrgelegen, Het lijf verheven; 't hoofd was op den arm gezegen, Met d'elboog rustende op de halfgevouwen kniên. Tavoach was aan 't hoofd. Geschapen tot gebiên: Doorvonkelde zijn oog de dubble rij van Geesten, Hier ordenloos geschaard, de minsten naast de meesten, En hield hen door 't ontzag beteugeld.—Kringsgewijs Stond, schuddende en bedeesd, het kroost van 't Paradijs Op afstand, als, of 't waar, door 't hart te rug gestoten; Gelijk een boschkat, aan de schildpad vastgesloten, Uit ingeschapen schrik zijn keten rekt en spant, En siddrend om haar kruipt aan 't uiterst van zijnband; Of 't staal der zeenaald, van des zeilsteens kracht doortogen, Door tegenstrijdigheid van 't eigenst trekvermogen Wordt afgestoten, wen een andre pool haar naakt;— En 't hart verraadt door 't oog hoe verr' het zich verzaakt. Slechts enklen naadren, of verheffen schaamtlooze oogen: Zy, wier verhard gemoed zijn aart heeft uitgetogen, De wrekende Almacht niet als Rechter vreest van 't kwaad, Maar met een Duivlenhart en als een vijand haat.
"Gy (riep de Raadsvoogd) die, getrouw en onbezweken, Het Rijk des duisters sticht, en roemrijk uit doet breken! Gy kent den toestand van dees wareld. 'k Melde u niet, Het geen gy, met een meer dan arendsoog, doorziet. Hier strijden om 't Heelal twee sterfelijke machten; Dees moedig op getal, die op heur meerder krachten. Wien eischt het hoog belang des afgronds …. (By dit woord Weêrhield hy zich, en 't bleef ten halve nog gesmoord). "Wien, vraag ik, voegt het ons te staven, te onderschragen, Te sterken? wien den staf des aardrijks op te dragen? Zal Kaïn …? Maar gy kent de wuftheid van dit volk: 'k Doorlees uw hart alreeds, en vraag geen andren tolk. Of maakt dat stout geslacht, dat uit onsterfelijken Geteeld, in Heldenkracht zich onzer waard doet blijken, Rechtmatige aanspraak op een bystand die beslist? En, waapnen we ons voor hun met krijgsgeweld of list? 'k Heb reeds hun vijand in zijn optocht voorgekomen: Gy allen zaagt zijn bloed door eigen handen stroomen; Maar sterker poging wordt gevorderd.—Biedt u aan, Gy, Hoofden, die verlangt den Reuzen voor te staan!"
Hy zweeg. Arioch rees: "Ik ben gereed te strijden Voor de eer van Lucifer, aan die, aan beide zijden. Ik ken geen vijand, dan als vijand van 't heelal: Gebied, en wijs my aan: wien ik verworgen zal."
Dus sprak hy. IJlings stond Alastor op, en trilde Van bruischend ongeduld, terwijl hy "Doodslag" gilde, En klaauwen toonde, met geronnen bloed omkorst, En 't bliksemteeken des Aartsengels op zijn borst, In d'ijsselijken strijd des hemels weggedragen, Toen Lucifer, vol schriks gedonderd uit zijn wagen, De onthelmde kruin verborg, en leenkroon, en gebied, En morgenstar, verzaakte, en God de zege liet.
Nu klonk het alles "Moord", en weder "Moord", in 't ronde; Dan "List", dan weder "Moord".—Met uitgezworen wonde, Steeds gapende, in den hals, en 't voorhoofd half geplet, Sprak Zardach: 't Is de list die Leeuwen voert in 't net;
Haar stemme ik. Kaïns kroost weet kunst met moed te paren; Het triomfeert gewis op woestaarts en barbaren Ten zij men 't keer! 't Geweld mislukte ons eens. Wie weet…! Zoo hier een Sterker arm zijn rechten gelden deed!— Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen. Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen; Mislei; bedrieg; vervoer! Ik openbaar niets meer, Maar leg wat ik vermag voor 's konings voeten neêr."
Tavoach grijnslacht. "'k Weet uw grootsche dienstbewijzen (Herneemt hy). 's Afgronds Rijk herdenkt ze met afgrijzen En wellust. Satan-zelf, uw koning ging dus voor, En gy wrocht wondren uit op zijn doorluchtig spoor. Wien dankt hy, dan zijn list, geheel zijn rijksvermogen? Wien 't opstaan van de Dood? hy, schepper van den logen! En wy, wat danken we u, wat zijn we u niet verplicht, Misleider, na uw Vorst de schranderste onder 't licht! 't Belang der Hel alleen verbindt me, uw grootsche daden Te smoren. Ja, de kracht des Afgronds is—verraden. Ga, dien by Kaïns zaad uw koning door 't bedrog! Ook de arm die machtigst is, behoeft de valschheid nog. En gy, Arioch! gy, Alastor! Gy verdelgers! Gy, die in 't moorden leeft, gy, bloed en tranenzwelgers! Wier drift geen prikkel eischt, geen voedsel voor uw gloed; Gaat! 'k laat u over aan u-zelven; moordt en woedt! Gy, aartsvijandigen van leven en bezieling, Spreidt, spreidt verwoesting uit, vergruizing, en vernieling! Voert, voert het Reuzendom dien bystand zichtbaar aan; En doet de ontvolkerde aard in vlam en rook vergaan! Dat Lucifer voortaan op 't licht moog zegepralen, Zijn stoel op 't aardrijk stichte, en God' in 't oog durv' stralen! Gaat, vliegt, Getrouwen, ik beziele u met den geest Des konings, die ook nog geen dreigende Almacht vreest!"
Hy sprak. Als 't dof gebrom van verre donderslagen, Op vleugels van den storm de dalen rondgedragen, En met den hollen galm van kluft en rotsspelonk Al romm'lend voortgerold in dreunend berggeronk, Verhief zich 't woest gejuich der Duivlen naar den hoogen; Klonk door, tot voor den throon van 't Eeuwig Alvermogen, En bonsde op 't wolkgordijn dat voor den zetel strekt, En 't vlekloos Wezen voor der Englen oog bedekt; Ja 't stoort één oogenblik de Choren onder 't zingen. Tavoach wendt het woord tot Edens bannelingen: "Gy hoort het (roept hy uit,) wy treên in uw belang. Vereent u thands met ons tot Kaïns ondergang! Uw afkomst zegepraalt; haar vijand gaat bezwijken. Uw Eden zij voortaan een Ararat van lijken! Wie wraak in 't leed bemint, onze Afgrond lacht hem aan: Zy is 't die wreken durft, al zou zy zelv' vergaan."—
De Helsche gruwelraad herrees en was ontbonden; Misleiding en verraad door 't menschdom uitgezonden, In nevelen omwolkt van ondoorzichtbre mist, Tot luchtkales gevormd voor 't gruwzaam kroost der List. Zy planen over 't dal der vette stroomolijven, Als duiven die in 't zwerk op vlakke vlerken drijven, Geen slagpen roeren, maar onmerkbaar in heur vaart, Zich hangende op de lucht ter neder zien op de aard. Hier strijken ze eindlijk neêr. Maar Sadrach neemt de leden Van Grootvaâr Hanoch aan, om legerwaart te treden. De zilvren lok hangt langs zijn slapen, hol en blaauw: De baard bedekt de borst met achtbaar nevelgraauw: Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover: Het rimpelvol gelaat buigt op zijn boezem over: Zijn oogen weemlen, als van d' ouderdom verdoofd; En 't lichaam gaat gebukt van de overwicht van 't hoofd; Een blanke lamm'renvacht hangt van zijn heup te zwieren; Een staf is in zijn hand om 't wagg'lend lijf te stieren; En, met den zachten tred eens grijzaarts, na aan 't graf, Daalt hy in 't holst der nacht voor Segols rustkoets af.
't Was fiere Segol, stoutste uit Kaïns Legergrooten! Argostan was met hem uit éénen schoot gesproten, Aan de eigen borst gezoogd, maar dappren Zimdrachs zoon; Hy, telg van Omra, die in Beth-ur had geboôn. De dood zijns broeders bracht zijn jeugdig bloed aan 't koken. Geen slaap had sints dat uur zijn heldenoog geloken. Zijn brein, aan 't woelen, smeedt ontwerpen, keer aan keer, Van staatsverheffing, wraak, en schittrende oorlogseer; En, afgefolterd door het mijmren, slaat aan 't walen, Gelijk een wervelwind in 't vluchtig zand der dalen, Of draaikolk, die in 't meir de schepen zwelgt aan 't strand, En dan weêr opgeeft uit het brakende ingewand. In dees gesteltenis treedt hem het Nachtspook nader: "Ken Hanoch (zegt hy), Zoon! der Kaïniten vader. 'k Verliet het dompig graf om u, om ons geslacht. Hun nood drong tot my door in de onverstoorbre nacht.— Argostan viel—en gy, gy zult zijn plaats vervullen!— Maar 's Warelds diadeem moet haast uw kruin omhullen.— Rijs!—roep het Leger saam—het noodlot legt ze u toe! Vaarwel—en vrees geen dood, daar ik u 't lijf behoê."
De ontroerde Segol rijst. Het schijnsel is vervlogen. Hy geeft een woesten schreeuw, en wrijft de scheemrende oogen, Als Zilfa op 't geluid de veldtent binnen treedt; Zy, door den boei der min aan Segols hart gesmeed! "Mijn weêrhelft (roept zy,) wat ontrust u? Welke droomen Beroeren u? Wat geest, wat spooksel doet u schromen? 'k Werd meê van Geesten op mijn nachtsponde aangerand, En sidderde voor u."—Zy vat zijn koude hand, Van 't kille zweet nog klam, en hangt hem aan de leden; Maar vruchtloos: hy is koel voor al haar tederheden. In 't eind, hy rukt zich uit hare armen. "Wees getroost (Dus zegt hy,) 't is geen schrik, waarvan my 't voorhoofd bloost! Aanschouw my! 't is de moed, 't is de eerzucht!—Mijn Geliefde, Ga heen, verban de vrees, die u den boezem griefde! Haast…. (of mijn hart bedriegt me, en 't voorspook dat ik zag,) Breng ik u 's aardrijks kroon; en—mooglijk, nog dees dag."
Hy roept. Men vliegt door een. Hy doet het heir vergaderen. Nu rijst de morgenwind en ritselt door de bladeren, En 's hemels graauw verbleekt, verheldert, en ontgloeit Tot goud en purper, dat heel de uchtendkim omvloeit.— Men schaart zich.—Heel het volk had Geesten hooren wandelen; Gezuis van booggeschut, geruisch van wapenhandelen, En 't gonzen van den steen des slingers door de lucht Vernomen; nu, doormengd van akelig gezucht, Dan, van een woest gehuil als onderaardsche winden; 't Aandoenlijk noodgekerm van afgejaagde hinden; Of 't brullen der hyene, in aanval op haar prooi. Een ooilam wierp, die nacht, in de aangelegen kooi Een ruigen leeuwenwelp, die door de kudde woedde. Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde! Een bloedwel had gevloeid uit beuk en eikenkloof. Dit alles was gezien; voor 't minst, het vond geloof.
De somberheid in 't oog, van heimlijke angst bekropen, Stond daar 't verminderd heir, in vier verscheiden hoopen Slagordenwijs gevormd: helaas! geen leger meer, Maar overblijfsel van 't nog gistren schrikbaar heir. Men schokt op 't aanzien van de ruimgeworden vlakte Die eerst hun kring benaauwde, en siddert van zijn zwakte. Men breidt zich uit, verdunt zijn rijen, en verbreedt De Heirspits, en verbergt zich d' aanblik van zijn leed.
Nu biedt zich Segol aan. Hy draagt op bei zijn handen Argostans veldheerknots, gepunt met evertanden, En legt haar aan de spits des legers staatlijk neêr. "Dit eenmaal zoo geducht, thands uitgediend geweer (Dus zegt hy), voegt de hand die aan uw hoofd zal strijden. Hy voere 't, die uw hals van 't dwangjuk mag bevrijden! Aan my behoort het niet. Ik, neêrgebukt van rouw, Blijf aan mijn broeder, aan mijn broederplicht, getrouw. 'k Verwijt u niets, ô neen: gy hebt zijn dood gewroken: Ik zie geen handen hier van 't bloed diens broeders rooken. Doch duldt, dat ik me onttrekke aan zulk een legermacht, Waar 't oproer op één sprong zijn eigen Krijgshoofd slacht…. (Een murmelend geluid ontstaat op deze woorden) En 't hoofdloos heir versmelt in onderling vermoorden (Dus gaat hy moedig en onafgebroken voort).— Waar zijn die benden thands, van 's warelds versten boord Verzameld door zijn zorg? waar zijn die Reusbekrijgers, Die—op 't vijandlijk bloed uit wraak verhitte tijgers?
Hun lijken liggen ginds op 't bloedveld uitgestrekt, Door d'adem van den wind met luttel zands bedekt, En 't blank gebeente zal na honderden van eeuwen By onbekend geslacht nog wraak en gruwel schreeuwen, Wen spade of ploegstaart hier door 't vetgemeste dal Op hoofdscheelsplinters, ribbe, en heupbeen stuiten zal. Gaat, gaat, mijn broeders,—gaat met sleepende banieren, Uw uitvaart, geen triomf op uw bestrijders, vieren! Ik voer geen wapen meer; maar 't hart der woesteny Zal me eenzaam sterven zien, gelijk de Woudos, vrij."
Hy keert zich weenende om. Het Leger, diep verslagen, Schudt als een korenoogst, waardoor de stormen jagen; Breekt ordning en gelid, omvangt hem in een ring, En roept: "Blijf dappre Held! gebied aan onzen kring! Aanvaard dit wapen, dat Argostans handen zwaaiden, Wanneer zy 't oorlogsveld met lijken overzaaiden! 't Behoort u. Kaïns heil hangt aan uw dappren arm: Wy allen, wy vergaan, ten zij hy ons bescherm'. Gebied!"—Hy andwoordt: "Hoe! ik u ter dood geleiden! Den arend van 't gebergt' uw spieren af doen weiden En drenken met uw bloed? Gelooft gy 't, dappre schaar? Dat bloed is my te dier, dit viel mijn hart te zwaar! Hoe! 't menschdom, wijd verstrooid en door geen band verbonden Dan, naauwlijks aangegaan of, ijlings weêr geschonden, Verdeelt, en levert zich, by hoopen, zonder kracht Een' vijand in de hand die trotscht op overmacht! Wat zou uw veldheer hier, wat zoude uw moedbetooning? Neen, schenkt aan 't wareldrond één heerscher, schept een koning! Hy schikk' van 's aardrijks macht, vereen' haar in zijn kroon! En ik, ik strij met u, en buig my voor zijn throon."—
"Wees gy die Koning, gy! Wien zou de scepter passen Dan u, roemruchte held, ten oorlog opgewassen! U groeten we als Monarch des aardrijks. Heersch! gebied Heel de aarde ontfange uw wet, zoo verr' haar 't meir omvliet! Wy stellen 't wareldrijk, ons leven, in uw handen.
Omstrenglen wy uw kruin met die gewijde banden Waar 't Goddelijk ontzag van afstraalt! Neem hen aan! U zweeren we onze trouw, en—vloek die u weêrstaan!" Zoo roept men.—Segol zwijgt.—Nu knielt men aan zijn voeten: "Heil, Koning! Laat uw volk zijn meester thands begroeten!"— Men rijst, en heft hem op de schouders in 't geruisch Der stemmen, juichend met een stormend stroomgebruisch, Dat sluizen openbreekt en dammen doet bezwijken. Daar staat hy, forsch van leest, gelijk een God te prijken, En schijnt geboren tot die grootheid. Hoog van borst, En rijzig van gestalt', verkondigt hy den Vorst, En slaat het oog om laag, als van een hooger orde.— Hy bindt den lijfriem om, die Hanochs heupen gordde, By 't Nakroost heilig, en door niemand sints geraakt. Waarin de chrysoliet met gouden vlammen blaakt, En strikt een heilig snoer, ontvlochten van de altaren, Voor blaauwe diadeem om de ongebonden hairen; Terwijl de lucht op nieuw van 't golvend juichen dreunt.— Nu stijgt hy, door den arm eens legerhoofds gesteund, (Als ware 't van een throon of hoogen staatsiewagen,) Den schouder staatlijk af, met d' arm om de axt geslagen, Die Hanoch had gevoerd. "Gy, wapen (roept hy uit), 't Geen thands een mindre vuist, maar Hanoch waard, omsluit! By u, en by die zon, die meineed weet te straffen, Zweere ik mijn' broeder wraak, en 't aardrijk rust te schaffen. Het bloed des Arbaliets zal boeten voor ons bloed; De wareld, veilig zijn van Reuzenovermoed. Ik zal des warelds juk op hun gebeent' verbreken; Of—faal ik in 't bestaan, haar op my-zelven wreken! Maar gy, mijn broeders! thands mijn kinders, mijn gezin! Gy, eenig voorwerp van mijn zorg en vadermin, Voor wie het my een plicht, een wellust is, te leven! Gy eischt het! 'k Ben door u ten wareldthroon verheven! Welaan! Gehoorzaamt thands den Koning dien ge u gaaft. Zijn wil is de uwe thands, gy hebt dien reeds gestaafd."
Hy spreekt en geeft bevel!—Gezwinde boden zweven Naar 's Aardrijks uitersten, als door den wind gedreven,
En dagen wijd en zijd, op 's Konings ongenâ, Wat arm kan roeren, met houweel of akkerspa', Naar d' oever van den Frath om Hemaths heir te schragen. De zwervers van het West, die lynx en vossen jagen, De koordpees spannen, en in 't afgaan van den boog Den pijl bestieren met het halfgenepen oog; De herders, die den wolf op d' esschen staf verwachten; De bouwlièn, die door 't staal haars moeders schoot verkrachten; En zy, wie, naast aan 't Zuid, van 't golvend meir besproeid, De zeewind blakert en het lichaam samenschroeit; Met die den Hiddekel, waar hy in dorre heiden Zijn stroomen rugwaart perst, door 't aaklig vlak geleiden; Die allen dagvaart thands zijn dwingend Rijksbevel.— Nu stelt hy wachten, die van Rigons pekelwel Tot aan des Gezers bron, en na aan Hanochs wallen, Het heir bewaken voor vijandlijk overvallen, En, wierd men onverhoeds uit Arbal aangerand, Gebiedt, hier wijken, daar, verwoeden tegenstand.
Maar teedre Zilfa zag, in mijmering verzonken, Met angstig voorgevoel den ochtend doorgeblonken, En peinsde op 't geen zy-zelv' 't geen Segol, in de nacht Gezien had, zoo vol schriks en siddrings doorgebracht. Nu schijnt haar woede en moord als voor 't gezicht te spelen! Dan ziet ze, als in een droom, zich-zelv' voor 't outer kelen! Dan weêr den donder, die haar Egâ 't hoofd verplet! "Ach!" roept ze, en werpt zich neêr voor 't dierbaar huwlijksbed, Dat Segol in haar schoot zag smelten, eer de woede Des vijands tot den wal van 't lieflijk Bethur spoedde, Maar weduwlijk bewaakt sints de algemeene nood Den krijgsheld in den band der oorlogszorgen sloot. Hier knielt ze, en strekt zich uit, in weemoed, om haar zuchten Een loop te geven, die geen tuigen heeft te duchten, En zwemt in tranen, als een sluimring haar bevangt. Haar docht, zy stond in 't woud, van dicht geboomt' omprangd, Van monsters aangegrimd: daar was noch weg noch open. Haar kleed, haar sluier, was met Segols bloed bedropen, 't Geboomte schudde van zijn wortel, wijd in 't rond.
Een golvende oceaan rees borr'lende uit den grond, Hief lijken in de lucht, die onder de aarde sliepen, En spoelde in d' afgrond weg, wie dobb'rend bystand riepen: En, daar ze in 't doodsgevaar in Segols armen vlood, Verzwolg haar, aan zijn hart, de zichtbre muil der dood.
Nu hoort ze 't blij gejuich, ontwaakt in duizend vreezen, En vliegt, nog half onthuld, en siddrend opgerezen, Haar Egâ te gemoet'! die intreedt met den trots Eens meer dan aardschen, meer dan sterfelijken Gods, De diadeem om 't hoofd.—"Ach (roept ze), 't is dan waarheid! Dees morgen ging dan op uit zulk een nacht van naarheid! Dank! heilrijk licht! heb dank! En gy, ô nijdig Lot! Barst uit! ik tart u thands met heel het Reuzenrot!"—
Zoo spreekt ze, en kust zijn hand. Hy strookt haar natte wangen En voorhoofd, nog van schrik zoo wel als vreugd bevangen, Omarmt haar, en geleidt ze in 't binnenst van zijn tent.
"Mijn Zilfa (zegt hy), 't is aan 't Godendom bekend— Maar ach, wat Godendom! ik ben uw God, geliefde, Gy mijne. Ja, gy weet wat ooit mijn boezem griefde, Sints 't eerst bewustzijn ons in 's levens morgenstond Door wederzijdsch gevoel voor de eeuwigheid verbond. Geen schuchtre maagdenblos ontgloorde uw frissche konen, En reeds waart ge in mijn oog de minlijkste aller schoonen: Geen jonglingsbloed bruischte in mijn boezem, als uw hart Reeds met het mijne deelde in wenschen, vreugde en smart. En ach! herroepe ik u de tederste aller weelde, Toen liefde en lust en jeugd door beider aders speelde, Gy me alles wierdt, ik u! ô Zoete dweepery Van 't harte, ô droombeeld! Maar die tijden zijn voorby: Eens mochten wy voor ons en onze liefde leven. Thands wordt me een andre plicht door 't noodlot voorgeschreven. Het lot der aard hangt aan mijn wenken. 'k Leef voor haar, En ken geen laffe min by 't dringend krijgsgevaar. Ik moet me, ô Zilfa, thands aan uwen arm ontscheuren. Hier baat geen wederstand, geen hartverslappend treuren: De nood beveelt. Maar meer! Uw eigen veiligheid Verbiedt dat ge in dit oord het doodlijk uur verbeidt, Dat 's vijands overmoed, den landpaal ingebroken, Heel Hemath andermaal van 't golvend bloed doe rooken. 'k Zet vruchtloos wachten uit, breng volk by volk te veld, Terwijl hy als een vloed van 't hoog gebergte snelt, Het overschot verdelgt van wat hem weer moest bieden, En zelfs de wegen sluit om aan zijn knots te ontvlieden. Voor my, geen wijken duldt mijn glorie, noch mijn plicht. Mijn kroon verlies ik niet dan met het levenslicht. De dapperheid alleen bevestigt ze op mijn schedel: 't Zij verr' dat ik haar ooit door schijn van vlucht ontedel'! Doch gy, mijn dierbre, zoek uw schuilplaats in een oord, Wiens rust geen wapenkreet, geen krijgsallarm verstoort. Aan de overzij' des Fraths, daar 't bochtig strand de heide Bepaalt, waar 't kroost van Seth zijn lammers jaagt ter weide, Rijst in abeelenschaâuw een overoud gesticht, Door Kenach, Enos zoon, ter woning opgericht: Dit zij uw vrijburg! Ga, beveel gy in die streken In Koning Segols naam."—Hy had voleind te spreken; De schoone staat verstijfd, de frissche rozengloed Besterft haar om den mond. De welbron van het bloed Staat stil in 't vloeien, met den levensslag der aâren.— Nu staat zy, sprakeloos, den krijgsheld aan te staren.— In 't eind: "Het is dan waar (dus zegt ze), en deze uw kroon Ontrukt me uw hart!"—Zy snikt, bedaauwt de bleeke koon Met tranen, en barst los: "Onzaligste op deze aarde! Dit dan, dit was het, ja, hetgeen mijn ziel bezwaarde! Waarom ik slapeloos, en mijmrende, en verplet, Mijn bleeke lippen drukte in 't eenzaam huwlijksbed! Ja 't was mijn afscheidskus. 'k Verlaat u, dierbre sponde, Den boezem opgescheurd met de allerwreedste wonde: 'k Word uitgeschud, verjaagd. Ik heb geen Egâ meer, 'k Omarmde u voor het laatst zoo onuitspreeklijk teêr!— Vaar voort! voltooi uw werk, doorstoot my 't hart volkomen! Toon, toon my, die mijn plaats alreê heeft ingenomen! Verzend my niet; neen, trap mijn gorgel toe, barbaar! Wees Zilfaas beul niet; wees meêdoogend moordenaar! 'k Zie in uw boezem, ja, geen vuur is 't, dat verkoelde; Nooit voelde uw ziel voor haar, wat zy voor u gevoelde.
Gy minde niet, maar 't was slechts veinzen van een vlam; Uit deernis licht, die deel in mijne zwakheid nam; En mooglijk is mijn hart u dankbaar voor 't misleiden, Dat zulk een bloemrijk kleed op zulk een afgrond spreiden Maar me éénmaal domplen moest in 't schrikbaarste aller weên. Dit immers wete ik dank voor 't geen my waarheid scheen! Dit, die verrukking, dit, die zaligheid van 't minnen! Dien hemel, uitgestort door ziel en hart en zinnen! Die zaligheid van weelde, een' stervling licht te groot! En wee! den vloekbren dag, die my het oog ontsloot! Maar, hebt ge uw boezem ooit tot deernis kunnen dwingen, ô Segol!—om dit vocht, dat ge aan mijn oog ontspringen, Mijn boezem baden ziet,—dat druppelt op uw hand; Ja, om de weelde-zelv' van 't huwlijksledikant, Ook u eens dierbaar, laat me uw ziel geheel doorlezen, Verberg my niets!—Uw wil…! hy zal my heilig wezen. 'k Gun anderen met my deel in de Echtkoets, in uw hart: 'k Zwicht voor uw voorkeur, ja, en overwin mijn smart. Maar zend me, ô dierbre, niet onmenschlijk uit uw oogen! 'k Zal sterven aan uw zij' en met u oorelogen. 'k Zal, weerloos, onbevreesd, met dees ontblote borst Uw boezem dekken, en, van eigen bloed bemorst, De pijlen, u bestemd, in 't brandend harte vangen. Of wilt gij 't, 'k zal de knots in deze vuisten prangen, En liefde zal my kracht verleenen. Segol, ach! Maar, eer ik u verlaat, zie hier mijn jongsten dag!"—
Zoo spreekt ze, en klemmert zich met saamgestrengelde armen D' ontroerden Segol om de kniën, stokt in 't kermen, En, nederzijgend, bukt het voorhoofd op den grond. Hy grijpt haar in den arm en kust haar rozenmond: "Geliefde (zegt hy), neen! geen andre minnevonken Ontglommen in dit hart. Aan u is 't weggeschonken, En 't blijft u heilig. Neen, gy wierdt mijne echtgenoot, Mijn weêrhelft: mijn geluk, en eenig, tot de dood. Maar 't hoogst belang…! Ontzie het ijslijkst lot te tergen! Laat Segol van uw hart dit blijk van liefde vergen!
Geen klacht, geene achterdocht, en u en my te laag, Wanneer ik voor uw heil, voor 't aardrijk, alles waag! Mijn oogmerk is, den Reus op eigen grond te trotsen, Hem af te wenden, hem te ontrusten in zijn rotsen, Geen macht is hier by een, om, tast hy-zelf ons aan, Zijn dubbel overwicht krachtdadig af te slaan. 'k Voorkom hem. Mijn getal, te zwak ons erf te dekken, Is machtig, wel geleid, zijn heuvels om te trekken, En aan te vallen, waar geen vijand wordt verwacht. 'k Verdeele, op deze wijs, en wederhou zijn macht. Maar, 't stout ontwerp gelukk', het kan mijn' arm mislukken! Een enkle Reuzentroep doet Hemaths landstreek bukken! En, wie beschermt u dan, wanneer ik, verr' van hier, Op Arbal schrik versprei', hier Beth-ur wage aan 't vier? Genoeg! het moet zoo zijn. Mijn wil is u gebleken: Ik eisch gehoorzaamheid, en kan als Koning spreken."—
Hy zwijgt, en vaagt haar wang van 't overstelpend vocht.
Zy kropt haar zuchten op en hijgt naar ademtocht: "Welaan (dit hikt zy uit, door 't snikken afgesneden)! Verzeker my dat hart…! Maar neen, ik verg geen eeden. Zweer echter by die kroon die thands uw schedel drukt, En u den teedren arm der teêrste Gâ ontrukt, En by die heilige axt, die aan uw heup mag blinken: Zweer, eer de derde zon in 't Westen neêr zal zinken, Te storten aan dit hart, waarvan gy de adem zijt: En hoede—'t lot—de Goôn—uw arm—u in den strijd!"
Hy zweert haar. "Ja, ô ja, ik zal verwinnaar keeren, (Dees arm verstrekt my borg), en d' Arbaliet verneêren. Ik zie u weder eer de vierde morgen daagt, En kroone u Koningin, als hy mijn ketens draagt!"
Dus sprak hy,—Jonadab, de vlugste zijner knapen, Ontfing zijn last en roept het oorlogsvolk te wapen. Maar Iram, van zijn jeugd aan Segols huis verknocht, Bereidt zich tot gelei' van Zilfa by heur tocht. De nacht rolt middlerwijl haar sluier over de aarde, Sluit d' afgeronnen dag, die zoo veel wondren baarde,
En levert aan den slaap wat bloed of adem heeft. Het schrikgedierte-alleen dat in het duister zweeft Gaat om, en snort door 't woud met piepen, krassen, knappen, En schijnt het naadrend licht met angst te moet' te stappen, Of rouw te spellen aan het menschdom. Maar het lot Vervolgt zijn loop en kent geen meester dan in God.—
VIERDE ZANG.
Geen morgenzon had nog het hoofd weêr opgebeurd: De nevel van de nacht was naauwlijks nog gescheurd: Reeds zweeg het nachtgespuis: nog zwegen de orgelkelen Der bosschen. Nacht en dag scheen door elkaâr te spelen; Niet, als de roos der wang, met donzig lelieblank, Of 't git der oogen, met des levens flonkersprank Versmolten, maar als 't groen der gladgeschubde slangen In 't zilver zich verliest, met weemlend beurtvervangen: Als Segol, brandend van ontembren oorlogsgloed, Des uchtends traagheid door zijn voorspoên blozen doet. Hy schaart zijn benden; deelt haar wapens. Boog en pijlen, Geschouderd, en gepaard met knots en akkerbijlen, In riemen vastgehecht, en aan de heup gegord, Bewaapnen elk soldaat in ieder krijgskohort: Een zesmaal twintigtal, de bloem der Hanochieten, Vervult de stoute vuist met zware pijnboomsprieten, In Arbal-zelf gehakt, ontbloot van tak en schors, Onwrikbaar in hun arm, en als die armen, forsch. Dees zijn des Legers kracht, op wie zijn hoogst vertrouwen Zich vest. Zy treffen 't oog by 't staatlijk wapenschouwen, Als stieren, breed van hoofd, met kromme hoornenpracht En breedgewelfde borst, de roem van hun geslacht, In 't midden van een drift van rundren, in de weiden Zich door hun fiere schoft en houding onderscheiden, De wolf verwachten op een voorhoofd van metaal, En trots biên aan de knots als aan de vlijm van 't staal; Zoo pralen ze in de rij. De standaart van hun koning Maakt in hun middelpunt een schrikbre prachtvertooning, Door 't afgehouwen hoofd eens luipaarts, op een spits, En strekt heel 't leger op hun wapentocht ten gids. Hy splitst zijn oorlogshoop in drie verscheiden drommen, In rijen opgestuwd tot buigende kolommen. Een aandeel, met den bijl in d' elboog, streeft vooruit, Waaraan zich 's legers kracht op kleinen afstand sluit, Met Segol-zelv' aan 't hoofd, verzeld van legergrooten. Van achtren wordt de stoet door schuttren opgesloten, Wier pijlen ramm'len in hun kokers, of den moord Reeds aâmen, drillende op het half gespannen koord.
Dus trekt men Noordwaart aan langs Gihons kronkelstroomen; Doorwaadt ze, en naakt het woud van olm- en beukenboomen, Dat boven d' oorsprong van de kruipende Esch zijn kruin Verdicht, en 't veld bekleedt met schaduwachtig bruin En lommer, waar geen straal van zonlicht door kan breken. Hier gaârt men kondschap uit de bygelegen streken, En wint berichten, dat de vijand wijd uit één, In kleene hoopen zwerft, door boschjens afgesneên, Op aanval onbedacht, en min, op zelfverweeren: Hier, sluimrend uitgestrekt; daar, wolf en winterbeeren Vervolgend door 't gebergt'; of, zwelgensmoê van 't bloed Der lamm'ren, versch geslacht aan 't wed van Gezers vloed.
De Vorst beveelt een deel den Gezer om te trekken, En langs den heuvelgrond zich Noordwaart uit te strekken, Terwijl de legerkracht den Pizon oversteekt, En, van den lager grond, in Arbals landpaal breekt, Den Reuzen opdaagt, als een donder, uit het Zuiden Gebliksemslingerd eet de wolken samenkruiden: Daar de achterhoede haar aan d' uitgang van het woud De rug moet dekken en den hertocht veilig houdt.
Nu toont zich de Arbaliet, die, achtloos by zijn feesten, Het bloed en merg verslond van slacht- en offerbeesten, Uit Hemath weggevoerd. De wapenschreeuw gaat op; De schichten vliegen: daar, van elken heuveltop; Hier, midden uit den drom der naderende troepen, Die Hanoch, Segol, Wraak, en Bloed, en Doodslag roepen.
De reuzen ploffen straks door 't vliegende geweer By menigte, in de vlucht, of eer zy opstaan, neêr; Doormengen met hun bloed het bloed der runderdieren, En sterven, met den tand in 't vet der lamm'renspieren; Vertreên elkander in verwarring, schrik en vrees, Onwetend van wat kant dit baldrend onweêr rees. De slachting hoopt de vlucht. Reeds storten lijk by lijken, En stervende, op elkaâr, die in hun bloed bezwijken; Hier, door een felle schicht genageld aan den grond; Daar, maehtloos uitgestroomd in 't vloeien van hun wond; Met knie of heup verlamd, en kruipende op de handen, Of worstlend met de dood, gehaakt in de ingewanden; En brakende in den gulp die keel en gorgel stikt, De long en 't purpren bloed, tot éénen klomp verdikt. Een deel ontvlood alreeds, maar vliegt, in nieuwe pijlen De dood weêr in 't gemoet, terwijl zy haar ontijlen. Nu breidt het heir zich uit: en vaart op 't doodlijk veld Afgrijslijk rond, terwijl de bloedstroom telkens zwelt. Men trappelt met den voet, men kneust, en splijt, en plettert, Wat nog de leden krimpt of met de tanden knettert. En knots en polaxt zwaait meêdoogenloos, en treft, Wat uit dien poel van moord nog hoofd of arm verheft. Reeds vleit zich 't grimmig hart met lichtbehaalde zege. Het overvallen rot verstrooit zich allerwege, En wijkt te bergwaart heen, in 't brullen van "verraad", Terwijl 't verwinnend heir wat stand houdt, nederslaat.
Zoo deed Beäldar: hy, in d' opgang van zijn leven, De schoonste jongling uit den Reuzenstam; gesteven Door vijftien knapen, op zijn oorlogsroof vergast, En, met hem, wapenloos door 't pijlgegons verrast. Dees vat een boomtronk; die, wat de afgeknaagde schenkels Hem leevren tot geweer. Het bloed omspat hun enkels, En alles dreunt in 't rond van 't snorren van den boog, En nog geen vijand, die zich aanbiedt aan hun oog! In dolheid vliegen zy d' onzichtbren aanval tegen. Vijf hunner waren reeds doorboord en neêrgezegen, Eer 't opwaart rukkend heir van Segols oorlogsvolk Zich toonde, en uitbrak uit een stof- en nevelwolk. 't Verschijnt. Zy vliegen toe met de ijsselijkste slagen, Om, elk, met zich in 't graf een vijand meê te dragen, En alles davert. Een van Segols krijgshoop sneeft; En heel zijn legerspits bewondert hen en beeft. Hun wapen echter zwicht. Omringd van alle zijden, Zijn 't leeuwen, die met tand en bloote klaauwen strijden, En, in een breeden kring van jagers dicht omzet, Met vijftig knotsen in een oogenblik verplet.
Slechts enklen vallen nog, in 't vlieden rondgedreven, Den Kaïniet in d' arm; verdedigen hun leven, Of zoeken, stervend, wraak: Maar welk een wederstand, Van strijdren, reeds vooraf door doodschrik overmand!
't Gerucht stijgt middlerwijl, en weêrkaatst door de bergen, Dat Kaïn d' Arbaliet op eigen grond koomt tergen, In 't bloed zijn stappen zet, en moord, en schrik verspreidt; En 't Reuzenhart zwelt op met dubble grimmigheid. Een aantal jaagren vliegt, verzameld in de bosschen, En laat den ever daar, en hertebok, en losschen, Vereenigt zich, en trekt geregeld op en stout, Maar stort door 't booggeschut in d' uitgang van zijn woud. Een sterker krijgshoop schiet van d' Oostkant uit spelonken En holen op, gevoed met raauwe menschenschonken, En niet dan menschlijk in gedaante: tijgerfel, Verscheurende of verscheurd, en helscher dan de hel. Dees stuiven woedend aan, van stuivend stof omgeven. De Koning zag een wolk ten hemel opgeheven: Hy ziet haar naadren, en een uitgebreide rij Zich opdoen, brullende van schrikbre razerny. Hy schaart zijn bende op nieuw, beveelt haar toe te treden, En voert zijn speerhoop aan, verdubbeld in geleden, Die met gevelde spriet in welgesloten drom Den schok ontfangen moet van 't grimmig reuzendom. Vijf rijen voor elkaâr, van aangelegde speeren Verdedigen hun spits om d' aanval af te keeren, Waarachter 't boogvolk met den uitgerekten pees Den pijl reeds toelegt, voor hun vijand vrij van vrees. De Reus veracht dien hoop, zoo dicht in één gedrongen, En waant haar even snel verpletterd als besprongen; Vliegt toe. Een pijlzwerm snort; stijgt uit dien krijgsdrom op; Valt als een hagel neêr; bestelpt hun hals en kop; En treft in ribbe en borst: en twintig hunner bijten In 't zand, en spuwen 't bloed met d' adem onder 't krijten Van "wraak"; en 't woord van wraak wordt duizendwerf herhaald, Terwijl op 't oogenblik een tweede hagel daalt. Nog vijftien tuimlen by hun broeders. Nieuwe woede Bezielt die tijgers thands. Zy storten dol te moede Op 't leger, met een vaart, door niets te wederstaan, De knotsen in de lucht, gereed om toe te slaan. Zy vallen schaatrende in. De fiere Hemathieten Ontfangen ze op de punt van hun gevelde sprieten, Dat borst en borstbeen knorst, en knarst, en barst, en kraakt, En de opgereten buik zijn ingewanden braakt, Terwijl de slagen flaauw op 't taaie pijnhout breken. Zy zijgen spartlend neêr, en grijnz'len en verbleeken. Men werpt zich andermaal op de ondoordringbre spits, In nieuwen aanval en met dubbel volkgemis; Herhaalt het zevenwerf met steeds verdubbeld pogen, Terwijl de lijken vast tot stapels doôn verhoogen, 't Gedarmt' zich kronklend aan de legerspeeren hecht, Of, over de aard gesleurd, zich om de voeten vlecht Des strijders, die, verward, en in hun plooi benepen, Zich, struiklend, in den dood zijns makkers meê voelt sleepen. 't Gekerm verdooft het oor, en 't woedende misbaar Loeit dwarlend door 't gegil. Men worstelt door elkaâr, Vertrappelt, wat er viel, en glibbert in de plassen Van 't uitgestroomde bloed, die steeds onmerkbaar wassen. Men breidt zich uit en valt den krijgstroep in de zij'.— Vergeefs! dezelfde punt verdedigt ieder rij; En, als een egel, die, met uitgestoken pennen, Den dashond bassen hoort en op zich af ziet rennen, Zich als een hairbol in zijn stakklen samentrekt, En 't lijf den tanden biedt, van alle kant gedekt, Hoedt Segols schrandre vond zijn bende voor 't bespringen. 't Is heirspits, wat men ziet, onvatbaar voor 't doordringen. Het rot der Reuzen grimt in 't rond, gelijk een leeuw Die, brullende uit den buik met hongers scherpen schreeuw, Den schaapsstal omvliegt en geen open weet te vinden. Zijn brandend oog en muil aâmt moorden en verslinden; Hy zweept zijn lenden met den geessel van zijn staart, En bonst op deur en muur, en tuimelt over de aard, En mat zich woedende af, met opgesparde tanden En nagelkrommen klaauw, op de onbeweegbre wanden. Zoo brult en briescht men om de speerbende; ijlt uit één; Vliegt nogmaals toe; en deinst in wanorde; en stuift heen By hoopen, smal gedund; en proeft op nieuw in 't wijken De schichten, die op nieuw een menigt' doen bezwijken. Vierhonderd laten zy op 't slagveld in hun vlucht; En Kaïns zegekreet klinkt daavrend door de lucht.
De Vorst beveelt het heir zijn vleugels uit te breiden, En treedt aan 't voorhoofd op. "Gy ziet dees woeste heiden (Dus zegt hy) met het bloed des vijands overstroomd, En d' onbedwingbren leeuw van Arbal ingetoomd. Men steek' den feestklaroen, dien schrandre Jubal smeedde, Ten teeken van triomf, en schenk' het Noorden vrede! Den krijgsplicht is voldaan. Geen vijand was bestand; Thands voeren we onzen roem in 't juichend vaderland. Versterkt uw harten thands." Hy wenkt zijn Legergrooten. "Gaat, (zegt hy), 't is genoeg, de veldtocht zij besloten! Een vlugge bode streef naar Gezers bron en roep' 't Bevel van aftocht aan den uitgezonden troep!"
Hy zwijgt, de bode vliegt.—'t Vermoeide heir hukt neder, En spijst met luttel broods. Een flesch van runderleder Verfrischt, uit Gihons stroom, hun uitgedroogde borst; En 't heir herneemt zijn weg op 't teeken van den Vorst.
Intusschen was een drom van Reuzen uit het Noorden Den bergreep afgevloeid tot aan de Gezerboorden, En had de schutters door zijn menigte afgesneên. Daar streed men. De overmacht der forsche reuzenleên Bestelpte 't siddrend rot, reeds uitgeput van pijlen, En tot zijn knots bepaald en aangegorde bijlen. Het streed, maar, zonder hoofd, in luttel tijds verplet. Slechts enklen, door de vlucht in 't kreupelbosch gered, Ontduiken daar de dood. De krijgsbô ziet hen vlieden, Herkent gestalte en dosch van Segols oorlogslieden, En keert, den schrik in 't hart, naar 't reeds verdwenen heir. Een stofwolk ziet hy nog, maar nergens leger meer. Hy dwaalt, en mist het spoor door 't rijzen van de heuvelen; Ontmoet een vijand, strijdt wanhopig, doet hem sneuvelen; Maar zinkt op 't bloedig lijk en blaast den adem uit.
Het heir, te middlerwijl, was, nergens nog gestuit, Thands op den lager grond den Pizon weêr genaderd, Die honderd banken vormt, met dieper kil dooraderd. De Koning voert het heir van d' oever af in 't nat, By smalle hoopen, en geleidt het over 't wad, Hier plasschend tot de kniên, en elders (naar het glooien Van d' ongelijken grond) tot de opgeschorte plooien Des mantels, in den riem om 't middellijf geklemd; Terwijl een kleene hoop door 't dieper water zwemt, Met de armen om zich roeit, en door de golving spartelt, Of, op zijn vlugheid stout, al duiklend speelt en dartelt, Het vocht met handen schept, en argloos zich vermeidt. De Koning treedt hen voor met fiere staatlijkheid, Wanneer hy, nu gereed op d' overboord te steigeren, Een Reuzenhoop verneemt, die toe- en doorgang weigeren. De schrik verspreidt zich in zijn krijgren op 't gezicht. Hy-zelf, hy grijpt een boog, en drijft den eersten schicht Een' vijand door de borst, die neêrstort voor zijne oogen. Nu vliegen, op zijn stem, tweehonderd legerbogen In éénen adem los, terwijl men opwaart klimt, Zich rugsteunt, opstuwt, en den woestaarts tegengrimt, Die saamgeraapten steen en zware beukentakken Op 't wadend leger uit hun hoogte nedersmakken, En, waar men d' oever zoekt, met knotsen, rood van bloed, De hoofden brijz'len en doen wentlen in den vloed. Vergeefs een kleen getal door borst en hart getroffen, Een menigte ijlt weêr toe voor hun die nederploffen, En groeit op elken stap. Het wagg'lend heir staat stil, En wacht de onfeilbre dood in 't midden van den kil.
De koning staat versuft.—Hij voelt zich 't voorhoofd bleeken. De schaamte ontvlamt zijn borst en doet zijn oog ontsteken. "Op! helden (roept hy), die van's vijands bloed nog druipt! 't Gevaar ligt in de vrees, wanneer zy 't hart bekruipt. Uw Koning streeft u voor; hebt moed hem na te streven, En, sterv' wie strijden kan, en vatbaar is voor beven!"
Hy spreekt. Hy rukt den spriet een' krijgsman uit de hand, En stoot den sterksten reus, van ondren op, in 't zand:
Een tweeden, dwars door 't hart, een derden in 't verheffen Der knots, door d' oxel heen, eer nog zijn arm kan treffen. Zy vallen; en de Vorst, door nieuwe drift ontgloord, Wint, in één oogenblik, de steilte van den boord.
Hy staat. Zijn gloeiend oog ontzet den moed der reuzen; Zy deinzen. Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen, Vliegt uit eens vijands hand, en slingert langs zijn borst, En, 't Leger geeft een gil en siddert voor zijn Vorst. Hy duizelt, zinkt te rug, het bloed schuimt door zijn lippen By golven, en zijn hand laat knots en wapen glippen. Men ondervangt hem daar hy neêrzijgt, dringt verwoed Het Reuzendom op 't hart, en steigert uit den vloed; Omringt den Koning, die, met de oogen halfgebroken, "Voort, Hanochs nakroost!" roept, "uws Konings bloed gewroken! Voor u is 't dat het vloeit." Hy eischt een watertoog, Heropent, met een lach, het ingezonken oog, En spoelt den mond van 't bloed, dat borrelde uit de longen: "Neen (zegt hy), zege en kracht zijn Segol niet ontwrongen. Hy leeft nog, tot de straf van 't gruwbre Reuzendom! En gy, mijn dierbaar volk, gy hebt uw Vorst weêrom."—
Hy spreekt, en doet hen flux de pijnboomspietsen vellen, En in driedubble rij den vijand tegen snellen. Zy horten hem op 't lijf, en breken door zijn drom, En werpen met één bots geheel zijn heirspits om. Nu vliedt hy, met den schrik, den doodschrik, op de hielen.— De boogpijl vliegt hem na, met moorden en ontzielen, En Segol leidt zijn hoop aan 't lommerspreidend woud, Dat de achterhoede by den ingang veilig houdt.
Zoo dacht hy. Maar vergeefs de krijgstromp hier doen hooren! Geen andwoord!—Hy genaakt: wat koomt zijn oog te voren! Geen legerbende meer?—Een aantal lijken dekt Den grond, waar heen hy ziet, zoo verr' het oog zich strekt: Hier, strijdende gedood, met borst en voorhoofdschedel Gespleten; daar den rug, als vluchtende en onedel, Gekneusd: hier, hoopsgewijs, en 't wapen in de hand;
Daar wijd en zijd verstrooid, als weerloos aangerand. Het bloed, op de aard gestald, maar rood, als versch vergoten.— Het leger zucht, en rilt, en kent zijn tochtgenooten, En, enkle reuzen, meê in wederstand geveld.
Nu voelt zich 's Konings hart van killen schrik bekneld. De hairen rijzen hem te berge van de ontroering; Hy stampt, en slaat de hand in schrikbre driftvervoering Op d' open boezem; rukt de sluierkroon van 't hoofd En geeft een heeschen schreeuw, die lucht en wolken klooft. Men vliegt al siddrend toe: Hy ziet zijn bende beven, Bedwingt zich; tracht zijn borst den adem weêr te geven; En breekt in klachten uit, maar op den sombren toon, Die aan een Koning voegt, het evenbeeld der Goôn. "Goôn (zegt hy)! Kan het zijn? Terwijl we in 's vijands streken 't Gebergte van zijn bloed, zijn stroomend bloed, doen leken, Weidt hier zijn woedende arm door onze broeders rond, En verft, van zijnen kant, den volgezwolgen grond! Wat doen wy?—Keeren we om de moorders na te sporen?— Maar welk een lot misschien werd Hemaths dal beschoren! Licht heeft zijn moedwil daar….! Verhoed het, gunstig lot! En, sterk mijn arm ter wraak, vermoogt gy 't, Oorlogsgod! Mijn vrienden, spoeden wy ter redding onzer panden! Licht, dat dit oogenblik heel Hemaths daken branden! Licht, dat de ontmenschte Reus en maagd en kinders moordt, En in ons dierbaarst bloed … (Mijn tong verstijft op 't woord.) Zijn wreede klaauwen wascht!—En wy, in ijdle woede, Wy laten huis en have en telgen zonder hoede? Koomt! vliegen we, of de spoed dat jammer nog voorkwam!"
Zoo spreekt hy, leunt zich aan een halfontblaârden stam, En zegt: "Gy offers van uw plicht! Ik zal u wreken: Ja, schoon mijn woedende arm den afgrond op zou breken, Haar, wapens vordren, meer verdelgend dan het zwaard Des Engels, dat om hoog ond Edens poort bewaart!
Rijs, vader Hanoch: rijs ter grafsteê uit! Omwemel Uw afkomst met uw schim! Omnevel' zy den hemel! Neem uw bescherming weêr, maar, schaf my 't zoet dier wraak, Dat de allerlaatste Reus van mij den doodslag smaak!"
Hy zwijgt; treedt peinzend voort. Het leger volgt zijn schreden in sombre mijmering en nare angstvalligheden. 't Draagt thands den schedel, 't draagt de borst niet meer zoo hoog; Geen vonkling meer dier vreugd, die tintelde in hun oog: Hun schrede klinkt niet meer, als wilden ze onder 't stappen Het aardrijk door 't gewicht van 't fiere lijf vertrappen, Daar de opgeheven blik zich uitbreidde in het rond, En tuige voor zijn roem in ieder voorwerp vond. Neen, sleepende van tred, met neêrgeslagen blikken, Schijnt de adem in de borst van heimlijke angst te stikken. En moedloos hangt het hoofd, als wilde 't aan den dag Ontduiken. 't Hart beklemt een halfversmoorend ach Voor 't vrolijke gejuich, waar 't straks van overvloeide, En 't schijnt een ander heir dan eerst uit Hemath spoeide, Den dood in Arbal spreidde en uit des Pizons vloed Verwinnaar wederkeert. De spijt doorwoelt het bloed, Doch bruischt en kookt in 't hart, en doet de kaken bleeken Van radelooze drift by onmacht zich te wreken. De nacht daalt middlerwijl, en valt, als plotsling neêr; En 't dichtbewassen woud heeft zelfs geen schemer meer. Hoe fel ook 't harte dringt, hoe heet de boezems blaken, De duisternis verplicht den legertocht te staken. De Koning geeft bevel. Men kiest een rijzend vlak, En sticht een avondvuur van kruid en heestertak, En houwt een beuk om verr' tot voedsel voor de vlammen. Nu velt men wijd in 't rond een aantal oude stammen Met breedgetakten top, en werpt ze met hun kruin Naar buitenwaart, en vlecht hun armen als een tuin Te samen, om het heir voor overval te dekken, Of (licht) de ontstoken gloed een vijand aan deê trekken Of woedend roofgediert' dat omdwaalt by de nacht. Een deel der krijgren houdt aan alle hoeken wacht: Het oovrig strekt zich uit. De Koning, warsch van slapen, Zit op een boomtronk neêr, en houdt zijn bloedig wapen In d' arm. Zijn schouder drukt met zijlings hangend hoofd Een jeugdig appelhout, dat nog geen vrucht belooft. Dus mijmrend, roept hy een der dappre Legergrooten ('t Was Régol, met hem uit Mechujaël gesproten): "Mijn Régol (zegt hy)! deel, in dit zoo aaklig uur Mijn nachtwaak, by den glans van 't koestringaâmend vuur. De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren; Geen Vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren. Ons lost van onze wacht geen nacht, geen duister af; Voor ons geen andre slaap dan in den schoot van 't graf! Zit neder.—Grijzaart, aan wiens witbesneeuwde hairen De winters zichtbaar zijn, u over 't hoofd gevaren, 't Zwijgt alles om ons heen. Alleen de zorg in 't hart Waakt met ons in 't gevoel des angels van de smart. Meld, meld my (want gy dronkt de wijsheid onzer vaderen Met gretige ooren in, en zwelgt haar in uw aderen), Wat lot, wat gruwbre macht, die lust in tranen schept, Dees schrikbare aard regeert, zoo gy 't vernomen hebt. Waar, waarom treedt de Reus, uit bastaartzaad geboren, De wareld op den nek? Wat Godheid in haar toren Bracht ons, ons menschen, voort, en doemde ons weêr tot stof? Wat dicht men van de lust van d' ongezienen hof, Dien vader Hanoch nooit, dien Kaïn nooit aanschouwde, Maar dien (gelijk men wil) de hand van Adam bouwde? Wat zwoegen we op deze aard, en moorden, en vergaan Door eigen handen, wy? en bidden Goden aan Die niet verhooren? Spreek."—De Grijzaart schudt zijn lokken Die glinstren by het vier, als verschgesneeuwde vlokken, Terwijl zijn voorhoofd bloost. "Mijn Koning (roept hy uit), Neen, waan niet dat ik die verborgenheid ontsluit'! Ik zag Mechujaël, mijn Grootvaâr, in zijn grijsheid; Maar lijden: maar geduld, niets anders, was zijn Wijsheid. Hy drong niet verder in 't ontzachlijk Albewind; Maar boog het needrig hoofd, in lot en hemel blind. Dit echter leerden my der vaadren Dichtverhalen: Één Wezen, 'tgeen geene aard, geen hemel kan bepalen, Wrocht alles, en regeert het geen Hy oorsprong gaf. Dit aardrijk werd vervloekt, der menschlijkheid tot straf. Onze Oudren vielen af, van uit een hooger orden. Dat Eden, Adams Hof, is hun ontzegd geworden.
God trok zijn invloed van het aardrijk, en een stoet Van mindre Goden heerscht op 't lichaam en 't gemoed. Zy storten, naar 't hun lust, verdelging uit en woede, En nemen hier de deugd, daar boosheid, in hun hoede. Wy offren hun.—Maar in mijn kindschheid nog bestond De stam van Kenos, die, met de Almacht in verbond, Haar eenig rookte, aanbad en offerde op de altaren. Wat zoude ik u hun leer van 's menschen val verklaren? Van Hemelgeesten? van gedoemden? van den staat Der zielen, als heur walm het stervend lijf verlaat?— Ik volg het voorbeeld na, en 't voorschrift van mijne Ouderen, En nimmer nam ik 't juk dier dweepers op mijne schouderen, Dat boete, onthouding, eischt, en afstand aller vreugd. Ik zag hun aanhang ook verdwijnen sints mijn jeugd. Één huisgezin alleen bestaat nog, naar 't vermelden Van 't loopende gerucht, niet verr' van Arbals velden, En schuilt in nevelen by 't steeds omwolkt gebergt'.— Zie daar het gene ik weet van 't geen uw weetlust vergt! Doch, wilt gy, 'k zinge u een van Enos offerzangen, Uit de oudheid, eeuwen door, van hand tot hand ontfangen?"
De Vorst bestemt het; en de Grijzaart ving dus aan: "Gy, ongeschapen bron van leven en bestaan! Gy, onbegrijpbre, die uw ontoegangbre glansen Omnevelt met de zon: wiens lof de morgentransen Verbreiden met het licht! Gy, Almacht, Gy gebiedt En 't is er; roept, en 't wierd, entsprongen uit het niet. Gy breidt uw handpalm uit; 't is weldaad en bezieling! Gy sluit ze, en al wat is, stort ijlings in vernieling! De Duivlen siddren, en het Englendom ontzet, Waar heen Ge uw opslag wendt, die bliksemend verplet. De Cherubijn bedekt het aanzicht voor den luister Des zetels dien Gy drukt, omvloeid met vlammend duister. De starren wandlen op uw wenken. Dag en nacht Eerbiedigen uw wet. Maar 't zondige geslacht Der aarde onteert uw naam door schuldige euveldaden. Genadige! Zie neêr: zie ons in tranen baden! Ons! afgevallen—ons! van U verwijderd kroost, Maar in uw heilbelofte, in al uw wil, getroost.
Aanbiddend buigen wy, en kussen alle slagen Der hand, wier roede ons treft; want Gy geeft ze ons te dragen. Ja, tref ons, Vader! tref, doorgrief 't verdorven hart! Doorlouter 't uit genade, en reinig 't door de smart! Maar neem, Algoede, ô neem onze onderworpen beden, Neem deze onze offers aan! ach, enkle nietigheden, Maar die Gy heiligt door den boezem waar Ge in straalt! Wy, wormen uit het slijk, beneden 't slijk gedaald, Wij weten 't: eens zal de aard met de aardsche lust verdwijnen, De heemlen opgaan als gescheurde tentgordijnen, En Uwe ontzachtbre wraak zal dondren door 't Heelal, Wen Uw geheiligd Recht de vierschaar spannen zal. Dan sterft de boosheid, de verworpene in uw toorne! Dan werpt Ge in eeuwig vuur den distel met de doorne, En sticht het Godlijk Rijk, vol waarheid, deugd en plicht! ô Heilige! beveel; en daag dat heuchlijk licht!"—
De Koning blijft een wijl als van een droom bevangen. "Neen, Régol (roept hy)! neen, dit zijn geene Aardsche zangen! Die Godheid, die gy meldt, gaf ze in. Die Godheid leeft! Die is het dat ik eer; die, voel ik, dat me omzweeft! Ik wil die vromen zien, uit Enos voortgesproten: Ontbied hen. 'k Heb voorlang die valsche Goôn verstoten Die gruwlen dulden, ja bevelen. 'k Bid geen Maan, Geen Starren. 'k roep geen Zon tot mijn bescherming aan: Mijn arm was my genoeg. Maar in deze oogenblikken Gevoel ik me aangetast door onverwinbre schrikken. Neen, de arm eens stervlings is te nietig: en ons lot Drijft zeker op den wenk van één beschermend God, Die wreken, straffen zal, en weldaân voor, te jammeren Des levens spreiden wil. Hem koomt het bloed der lammeren, Hem 't smokend rundervet op 't heilig outer toe! Hy zij des aardrijks God, wanneer ik 't bukken doe!"—
In yver rijst hy op. "Ja (zegt hy), ijdle spoken, Vergaan zy, die voortaan op uw altaren rooken!"—
"Mijn Vorst (zegt Régol)! 'k Heb Argostans val gezien.
Gy met my. Welk een macht deze aarde moog gebiên, Geen stervling is in staat met hooger kracht te strijden. De Goden in de lucht verdelgen en bevrijden. Vier eeuwen voert mijn arm de legerknots met roem Vergun my, dat ik u de waarheid niet verbloem'! 'k Zag duizendmaal de kracht bezwijken: duizendmalen Den moed bedrogen, en de zwakheid zegepralen! Ja, 's menschen arm is stof. Hy trotsch' de Geesten niet, Wier ongeziene hand de kans des strijds gebiedt!"
Dus sprak hy, week ter zijde, en Segol bleef verzonken In mijmring.—'t Vuur verging in gloeiende asch en vonken. Zijn hoofd boog neder op zijn boezem, en de rust Besloop zijn leden met een zachte sluimerlust. Nu stond hem 't achtbaar beeld van Hanoch weêr voor oogen, Maar, 't lichaam niet verzwakt noch op den staf gebogen. En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af, Alsof de omwolkte maan haar zilvren schijnsel gaf; En de uitgebreide palm der opgeheven armen Scheen zeegnende uitgestrekt met vaderlijk erbarmen. De Vorst knielt neder, vol van eerbied en ontzag; Maar 't ratelt om hem heen van bliksemslag op slag; Zijns vaders oog ontroert. Hy ziet zijn handen vallen, Zijn aanzicht afgekeerd; en, nieuwe donders knallen, Wanneer een nachtzwerm van gevogelt' door de lucht Zich opheft en die glans omnevelt met zijn vlucht. Thands hoort hy 't scherp gesis van schuifelende slangen, Die slingrende om zijn lijf, zich aan zijn leden hangen, Zijn horst benaauwen, en met ijsselijken beet Hem 't hart verknagen dat steeds aangroeit onder 't leed.— Hy siddert, hy ontwaakt, met doodzweet overdropen.— Maar de akelige nacht is midd'lerwijl verloopen. Hy ziet den schemer van den morgen; wekt het heir; Breekt op; en daalt, door 't woud, naar Hemaths laagte neêr.
Men spoedt.—De dagvorst steekt het voorhoofd uit de kimmen. Men zag den Gihon thands van zilversprenkels glimmen; Het Leger' won den stroom; doorwaadde 't; en terstond Vertoont zich 't groen tapeet van Hemaths vruchtbren grond.
Nu ging de blijmaar op van 't zegevierend Leger In Hemath weêrgekeerd. Geen stem, geen adem zweeg er: 't Juicht alles. Alles streeft den Koning in 't gemoet, En strooit hem rozen, strooit narcissen voor zijn voet. "Wees welkom (roept men), Vorst, in 's Hemels gunst gegeven! Verwinnaar! Heldenhoofd, voor wien de Reuzen beven! Verheug uw volken met uw aanblik weêr, en straal Ons gunstig toe. Keer weêr, in Godenzegepraal!" Men biedt hem versche room, geschept in zilvren nappen; Verkwikkend boomgaardooft met balsemige sappen; Met geurige citroen, in schalen uitgeperst, En wat het brandend hart des dorstenden ververscht.
Hy neemt een gullen dronk; aanvaardt die dankbre gaven Met minn'lijkheden, die der volken hart verslaven; En spreekt: "Mijn volk, ô ja, ik keer, ik zegevier: Maar ach, die zege staat het hart uws Konings dier. Ook wy, wy stortten bloed. Een deel van onze Helden Bedekken met hun lijk de vijandlijke velden. Wat vreugde geeft den arm die 't oorlogswapen zwaait, Een tas van dooden, in verwoedheid afgemaaid, Voor broedren bloed gekocht! Dat bloed zij felgewroken, Dit hart blijft onvoldaan, blijft van verwoedheid koken, En vliedt den dag te moet (waar toeft; waar blijft hy, ach!) Die d' allerlaatsten Reus mijn woede leevren mag. Gaat echter, viert dees dag met jubel, met gezangen! 'k Bestemme 't. Laat de doôn uw dank, hun recht, ontfangen! De huppelende tred der maagden streele 't hart! Voor my, mijn boezem voelt niet anders dan zijn smart. Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten! Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten; Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt: Hem eere onze outerdienst! De Luchtgoôn achte ik niet!"
Men gaat. Het leger wordt ontbonden; 't Veldheerteeken Voor Segols tent geplant.—Hy, voelt zijne oogen leken, Herdenkt het nachtgezicht, nog warend voor zijn geest, En walgt van 't vreugdgejuich en dartlend zegefeest, In 't diepste van zijn tent, van alles afgesloten,
Ontbiedt hy voor zijn sponde een trits van Hemaths Grooten: "Gy, die in 't olmenbosch het bloedig schouwspel zaagt Der slachting, die ons hart met dieper smart beklaagt Dan 't immer vreugde smaakt om zege of welkomzangen! Gy weet het, welk een schok mijn boezem moest ontfangen. Gy zaagt mijn siddren toen voor dit ons Vaderland, En de onrust woelt my nog door 't kloppende ingewand. Ik zie dit Hemath weêr; niets anders vliegt my tegen, Dan blijdschaps welkomkreet, ten hemel opgestegen; Maar Beth-ur trekt my 't hart. Daar ga, daar vliege ik heen. Mijn afzijn blijv' bedekt! Gy zult mijn plaats bekleên!"—
Hy zweeg.—Men hoort op eens de tentgordijn verschoven, En Iram toont zich daar, met stof en asch bestoven. Zijn hol gezicht verraadt verschrikking, en 't gelaat Staat bleek. 't Geronnen bloed kleeft rondsom op 't gewaad; Zijn kniën schokken aan elkandren van het beven; En naauwlijks weet zijn borst een heesch geluid te geven. Hy valt op 't aanzicht: "Vorst (dus zegt hy), spoed ter hulp'!— Het vuur der Reuzen weidt door hut en herderstulp.— Een drieste menigte vervult de Zuiderstreken. Wy streden,—bogen voor hun overmacht,—en weken.— De zeekust staat in bloed;—en Bethurs burcht vloog leêg.— En—Zilfa…."
"Hemel, ach! (riep Segol, daar hy zweeg) Voleind!"
"Zy is gered," hernam hy; en met eenen Vertrekt hy 't hoofd, zijgt neêr, en de adem is verdwenen.— De Koning ziet het, ziet den doodstuip om den mond; En werpt zich by het lijk wanhopig op den grond. "Getrouwe!" stamelt hy; meer kon zijn hart niet uiten, En 't scheen hem in de keel den gorgel toe te sluiten.— In 't eind, hy rijst—"Die weene en vier den weedom bot, Wien eedler plicht niet roept, niet opheft boven 't lot! (Dus roept hy, met dien gloed, die vonkling op de kaken, Waarvan in holle nacht doorgloeide kolen blaken En tintlen.) "'k Trek vooruit, en volg' my wien de borst "Voor Eer, voor Vaderland, voor Vrijheid gloeit en Vorst!" Zijn Grooten volgen hem, en met hun, vijftig strijderen.
Reeds zien zy uit hun oog de legerplaats verwijderen. Reeds werd van 't brandend Zuid, in d' Oceaan gekoeld, Het zoele luchtjen als met golfjens aangespoeld, En 't ruisschen van den Frath, die met gezwinde stroomen Zijn weg naar zee verkort, van naderby vernomen; Wanneer een menigte van uit het deinzend West Zich opdoet, als een wolk, uit nevels saamgeprest, Die wandelt voor den wind.—"Mijn Heirmacht (roept de Koning)! Indien het vijand zij, ik vorder plichtbetooning. Wy sterven, strijdenden en wrekers onzer dood. Maar wacht van dezen kant geen reuzenmacht, zoo groot! Wat zoude een ijdle vrees uw moedig hart vertsagen? 't is hulp, die op mijn last het leger op koomt dagen. Men toev' hen !"—'t Was zoo. 't Was de nieuwgeworven macht Van 't Westen, die, gedoscht in 't wapen van de jacht, Hun arm kwam aanbiên, met den roof der woestenyen Omhangen, om den Vorst der wareld toe te wijen. Dit brachten boden uit hun midden; en de moed Verhief zich met de vreugde in Segols heldenstoet. Hy-zelf, hy treedt ter zij, beladen met zijn kommer, En zoekt een groene olijf, die vruchten biedt en lommer; En 't luttel manschap van zijn heirkracht houdt hier stand, En hukt, naar 't Noord gekeerd, in 't reeds ontgloeiend zand.
Niet werkloos bleef de Hel. Zy had van uit het Noorden Het Reuzenrot gevoerd naar Hemaths zuiderboorden, Door 't Oosten omgeleid. Hier stichtte zy den stoel Des oorlogs thands in 't bloed; en sloeg den Jammerpoel Hier open. 't Bleek haar reeds, hoe woeste kracht der spieren Moest onderdoen voor kunst en schrander krijgsbestieren; En 't Reuzendom, hoe stout, hoe schrikbaar ook in 't eerst, Wierd (zoo 't dus voortging) haast van 't menschenkroost beheerscht. Zy wanhoopte aan 't geweld, ten zij, met eigen handen, De krijgsmacht des Verderfs de menschheid aan koom' randen; En mooglijk had zy reeds dit uiterste bestaan, Had niet eene andre drift die drift te niet gedaan. Zy voelt d' onzichtbren boei zich om de lenden prangen Der keten, die haar bindt, van de Almacht af doet hangen, En, als ze ontzachlijkst holt, te rug houdt en bedwingt Zoo dra zy te onbedacht haar perken overspringt. Zy vreest, zoo ze onvermomd zich vlijt tot menschenslachten. Een weêrstand, die haar fnuikt, van 's Hemels hooger machten: En Zardach streeft op nieuw, met nieuwe last, naar de aard.
De Zuiderluchtkreits hangt met waterdamp bezwaard, Die, opgeheveld door den gloed der zonnestralen, Zich zaamlen in een wolk, en weêr in nevels dalen, Wanneer de bron van licht en warmte naar het West Zich aflaat, en haar vlam in 't sissend water lescht. Uit dezen vult de wind zijn opgezette kaken Wanneer hy 't land verfrischt van 't heete middagblaken: Uit dezen spreidt zijn aâm verkwikking langs de kust, En strookt dien 't voorhoofd laauw, die in zijn labbring rust.— Hier toog de Helgeest heen, in 't neevlig zwerk gedrongen, En stort daar 't vuur der pest in d 'adem van zijn longen, Van d' afgrond zwanger, en vermengt het met den gloed Des middags.—'t Windtjen waait, en 't spreidt de dood in 't bloed.
Een deel des Legers was, met de afgematte leden, Nog door geen rust verkwikt, in zachten slaap gegleden: Een deel lag werkeloos, en dronk met blijden zin Het weemlend koeltjen als een zoeten nektar in. Straks voelt men 't fijn vergift zich om het hart vergaderen, En 't stort, voor vluchtig bloed, een vloeibaar lood door de aderen: Gewricht en spier verstijft; en de adem prangt de borst; Ja, 't hoofd wordt van de hals met wederwil getorscht. De leden zoeken steun en weigren zich 't bewegen. De geest-zelf ligt, verkracht, als machtloos neêrgezegen: En vindt, op 't onverhoedst in 't werktuig aangetast, Het leven pijngevoel, en heel het lichaam, last.
VIJFDE ZANG.
De krijgshoop nadert vast. Twee Grooten treên hun tegen En leiden ze op. De steilte eens heuvels opgestegen, Wacht Segol hen met die ontzachtbre houding af, Die achtbre lijfsgestalt' by 't hart eens Konings gaf. Men buigt zich, legt den schat van 't Westen aan zijn voeten, Roept: "Leven, zege, en heil den Koning dien wy groeten! Den grooten Aartsmonarch, die voor zijn volken strijdt! Aan hem behoort onze arm! ons bloed is hem gewijd!"
De Koning wenkt hun toe.—"Treedt nader, wakkre troepen, Gehoorzaam waar u de eer, de plicht, de glorie roepen! Ja, dierbaar is me uw hulde, en dierbaar dees uw moed, Waarmeê ge in 't hoogst des noods 't Heelal ter hulpe spoedt. Van u wacht de aard haar steun: haar redding uit de banden, Haar vrijheid hangt aan u. De macht der morgenlanden Bezwijkt, ten zij uw arm haar schrage, en op haar boôm 't Geweld der Bloeddorst stuite eer ze alles overstroom'. Welaan, beproeft met my, wat moed en eer vermogen? Wat, armen, die geen juk, geen laffen boei, gedoogen? Die pijl, die 't eenzaam West van monsters zuivren mocht, Vindt hier nog eedler doel in woedender gedrocht. Ploff', ploffe 't voor u neêr!"—Meer had hy nog gesproken, Maar 't bruisehend ongeduld, in 't wellend hart aan 't koken, Beneemt hem d' adem, en de bliksem van 't gezicht Voleindt de rede met een schittring van zijn licht.
Thands wordt de tocht vervolgd.—De pijlbus omgehangen Den peesboog in de vuist, en tripplend van verlangen, Trekt half een duizendtal van Jagers op aan 't hoofd, En Hemaths bende volgt, maar thands van kracht beroofd. Ach! 't werkend gift der lucht heeft hart en levensstroomen Door d' ademtocht verpest, de zenuw ingenomen; Ontspannen, steunt de spier het wagglend lijf niet meer, En stelt den wil te loor door 't lammen van zijn veêr. Het licht bezwaart het oog; het straks nog lieflijk bruizen Van 't West, het gonzend oor, waarin de golven zuizen. Het hoofd hangt moedloos op de schouder, en de borst Klapt angstig onder 't wicht van 't wapen dat men torscht. De boezem schudt en hijgt, en buik en oogen zwellen. Een vuurgloed schijnt het hoofd in laaie vlam te stellen Die tong en mond verdroogt, de dorre keel verschroeit; En—de aarde ontzinkt den voet of houdt hem vastgeboeid. De speer ontvalt de hand; het lichaam, zijn gewrichten; En spraakloos stort men neêr met bleekende aangezichten, Blijf roerloos, of verkrimpt in pijnen, nooit gevoeld; En 't is of dood en hel door iedere ader woelt.
Wat zal de Veldheer thands? Hy, die onzichtbre machten Zijn stout ontwerp weêrstaan, zijn poging ziet verkrachten! De schaamte, woede, en spijt vermeestert zijn gemoed. Knarstandend roept hy uit: "Neem, noodlot, neem mijn bloed! Maar neen, eerst wreken we ons! Ook midden in de flitsen Is nog, waar toorne en wraak zijn krachten samenhitsen, De tijger, schoon alleen, schoon doodelijk gewond, Zijn' vijand schrikbaar in zijn laatste levensstond. 'k Ben tijger, meer dan hy, in 't midden dezer tijgeren, Verwoesters van 't Heelal. Wat hoeve ik macht van krijgeren? Dees arm is my genoeg, dees heirbijl in mijn vuist, En 't vuur dat door mijn borst in stroomen zwavels bruischt! Mijn vrienden, 't waar vergeefsch, hier aan uw zij' te sterven; U wreken is mijn plicht, en dan, het licht te derven. Ja u, mijn gade, en kroon, en 't overstelpt Heelal Dat nooit in kluisters stort, dan met zijns konings' val! Vaart wel—en hoede een God—is alles saamgespannen Tot staving van 't geweld der vloekbaarste aartstyrannen, Daar leeft er één (mijn hart gevoelt het, dat hy leeft) Die in mijn boezem spreekt, mijn hart den adem geeft— Ja, hoede een hooger God, die Goden kan doen beven, En u en 't zuchtend volk! ik ga voor allen sneven!"
Zoo spreekt hy, werpt een oog door 't flikkren van een traan Vertederd, op zijn bende, en blijft nu roerloos staan. Slechts enklen, door de kwaal min hevig aangegrepen, Staan, om hun Vorst geschaard, van stille smart benepen, En zweeren, zijn gelei' te volgen in den dood.
"Neen (zegt hy), 'k laat mijn volk niet over aan hun nood. Hun krankte eischt lafenis en bystand. Hen verlaten Waar Arbalieten waard, niet, Segols onderzaten! Neen, scheppe uw blik hun troost by 't aaklig stervensbed. En luike uw hand hun oog naar de ouderlijke wet! Of, zoo mijn zuchtend hart een zoeter hoop mag voedsteren…. Maar neen, voldoet Natuur, met lijdenden te koesteren! Dees plicht moet heilig zijn, ook boven 't Vaderland: Dit moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand. My roept en huwlijksband en koningsplicht te gader, Vaartwel!"—
Men volgt hem na,—"Uwer volken vader, (Dus roept men) blijf ons by; wy snellen voor u heen, Of duld dat onze moed zich met uw vuist vereen'! Wy kruipen, zoo 't moet zijn, als weerelooze wormen, Om met ons stervend rif uw borst een wal te vormen, En smooren, voor uw oog, met wellust, in dat bloed Dat u geheiligd is, zijn' Koning vlieten moet! Blijf, Koning, blijf!"—Die stem stijgt vruchtloos naar den hoogen. Te laat! reeds is hy 't oog en 't hol gegalm ontvlogen! De helft der weinigen, tot wapendienst in staat, Beeft echter dat hun arm den dappren vorst verraadt, En ijlt hem na op 't spoor. Het hart der min vermetenen Voelt zich door 't streng bevel aan 't krankenleger ketenen, En, siddrend voor het lot dat hun' Monarch verbeidt, Smelt als in tranen weg van angst en tederheid.
De Voortocht, middlerwijl, den Vorst vooruit getogen, Trok Zuidwaart; doch, welhaast door 't heuvlig zand bedrogen, Verdoolt ze en raakt verward in 't dichte Palmenbosch, Waar zich de Reus onthoudt, op Beth-urs plondring trotsch. Hier vindt zy zich, op eens, met overmacht van krachten Bestookt, eer ze iets vermoedt of vijand kan verwachten. 't Gezicht dier monsters, hoog van lichaam, woest van blik, Verwekt den jaagrentroep een nooit beproefden schrik. Hun schorre wapenkreet doorklinkt by 't overvallen Het woud, en treft hun 't hart als 't hevigst donderknallen. Zy siddren. Dus bezwijkt de wolfhond, stout van moed, Wanneer de rosse leeuw op 't daavrend jachtgetoet Hem opdaagt uit zijn hol met de opgesparde kaken. Ja, starend zien zy ze aan, als twijflend of zy waken, En grijpen naauwlijks naar hun wapens; eer geslacht Dan op verweering van hun eigen lijf bedacht. Men deinst; men woelt door een; men loopt de dood in de armen, En vruchtloos kromt de boog, nu machtloos tot beschermen. De mengling van 't gevecht maakt ijlings 't fel geschut Hoe vreeslijk in hun vuist, ten wederstand onnut. Zij vlieden. Velen, door de reuzenknots verslagen, Bedekken de aarde met hun lichaam. Meer op jagen Dan oorlog afgericht, beeft hier de zelfde hand Die op 't gediert' des velds geen boogpees vruchtloos spant, En weinig pijlen zelfs, die niet heur doelwit misten; Ja, 't schijnbre van den strijd is hooploos bloedverkwisten. Maar ook de vlucht kost bloed door 't onbekende woud, Daar de angst geen weg herkent, en pad noch voetspoor houdt. Een derde bleef, ontzield, of in der vossen holen De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen; Het oovrig wint de vlakte, en, van den schrik bekneld, Vliegt ademloos in 't rond door 't onbegrensde veld.
Thands nadert Segol: ziet zijn voorhoede, en aan 't vluchten. Wat, Hemel, moet hy meer in zoo veel rampen duchten! Hy roept. Zijn forsche galm klinkt in de lucht weêrom, En maakt in 's vluchtlings hart de stem der doodangst stom. Men staat.—Hy nadert, spaart, in weêrwil van zijn smarten, De schaamte van 't verwijt aan hun getrotfen harten, Ontveinst zijn ongeduld, en smoort zijn felle spijt. "Spitsbroedren (zegt hij), hoe! gij trokt alleen ten strijd? Gij waandet uwen Vorst te dienen met uw wonden? Neen, met een ander doel waart gy vooruit gezonden. Men strijdt niet, waar hy-zelf de heirspits niet gebiedt:
Waar bloed vergeten moet, ontziet hy 't zijne niet! Getrouwen, 't was te veel; uw hart heeft u bedrogen. Leert onder zijn gelei' de kunst van 't orelogen. Die moed, die u bezielt, waarvan gy 't blijk doet zien, Zal, met hem, wondren doen, als hy u zal gebiên. Hier is hy: voegt u t' saam: herstelt u; schept vertrouwen! Maar wacht u, 't oorlogsperk voor louter jacht te houen. Gehoorzaamheid aan 't Hoofd is wat onwinbaar maakt; Maar breidellooze drift heeft ijlings uitgeblaakt."
Hy zwijgt, verdeelt hun bende, en voert zijn tochtgenooten (Ter wederzijde, van den schuttrendrom omsloten) Naar 't woud, waar uit hun vlucht hem 's vijands macht bewees. Nu druischen Reus aan Reus, bemoedigd door hun vrees Met dubble stoutheid, uit dien schuilhoek, meer tot moorden Dan vechten.—Segol spreekt, en de uitgespannen koorden Der bogen zenden thands, op 't teeken dat hy gaf, Met vaster hand dan eerst, de pijlen op hen af De monsters vallen, en verdunnen steeds in 't naderen, Gelyk by Najaarsstorm de drooggeworden bladeren Van ijp- of olmenhaag. Hun stoute ziel bezwijkt, En de overwinnaar, op zijn beurt verwonnen, wijkt.
De zege schijnt beslist.—Dit kan uw borst niet lijden, Argebar! Reuzentelg, die opgegroeid in 't strijden, Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd. Gy zwaait een olmentak in de opgestoken vuist, En stuit den Arbaliet, gereed den rug te bieden: "Lafhartigen, houdt stand! Hoe, gy voor Kaïn vlieden? Gy, door Natuur gevormd tot meesters van 't heelal! Ja, vliedt, maar door mijn bloed, als u mijn arm ontvall', Niet eer!—Wat ducht ge?—Een zwerm van hardgespitste rieten! Jaagt die den schrik in 't hart van moedige Arbalieten? Ontzinden! Is 't de pijl, of is 't de zwakke hand Die ze afzendt, die uw kracht ter nederploft in 't zand? Die, waar ge uw knotsen velt in onbedwingbare armen, Hun tengre leden voor uw aanval kan beschermen? Neen, de afstand is 't alleen, waarvoor gy duchten moet; Die stelt uw arm te loor, die kost u wonde en bloed. Dit is hun wapen, dit.—Te naadren, is verpletten.
Snelt, broeders! ons verderf is aarzlen en verletten! Slechts weinig stappen, en die pijlzwerm heeft gedaan. De zwakkre strijdt van verr'; de heldenkracht grijpt aan. Komt, volgt my."—'t Schuim der woede omspat zijn breede kaken En ruiggekroesden baard: zijn nijpende oogen blaken: Hy stampt, ziet driewerf om, en vliegt zijn bende voor; Zy volgt hem, en men streeft den afstand buldrend door.
De Koning, aan het hoofd der zijnen, ziet dit ijlen. Zy naken, en de wolk der afgeschoten pijlen Is reeds min moordend: Maar wat zal hy in dees nood, Met Jaagren zonder moed, van wapenweer ontbloot? 't Is hier dat leger niet, dat op gevelde sprieten Den reus verwachten kon, de bloem der Kaïnieten! Te kleen in aantal tot verdubbling van hun rij, Belemmert zelfs de speer in 't strijden van naby. Reeds ziet hy, in zijn geest, hun bende doorgebroken, Omcingeld, en verstrooid, en Arbals bloed gewroken. Hy peinst een oogenblik. Nu vat hy nieuwen moed, Hy breidt zijn slagorde uit, en deelt zijn schuttrenstoet In hoopen, ordent hun, om 's vijands loop te teugelen, Van af- tot afstand plaats, aan 's legers beide vleugelen, Met tusschenwijdten in een dubble reeks geschaard, Die 't middelpunt des heirs voor d' overval bewaart. Dus sluit zijn kleene macht door 't kunstige verbreeden Een ruimen veldgrond in, die, met een kreek doorsneden, Den vijand ophoudt en steeds blootstelt aan de schicht, Thands uit een halven kring op zijnen drom gericht. Die—vliegt doldriftig toe; maar, onder 't wondengaderen, Om 't spillen van zijn bloed steeds meer verhit in 't naderen, Raakt aan den boord der beek in kreupelhout verward, En gilt van woede en spijt en ongeduld en smart. Men overspringt, doorkruipt, doorwaadt, de hinderpalen, Of baant zich weg door 't nat, met boomen uit te halen En loof en tak en stam te ploffen in 't moeras, En kloutert langs die brug, of smoort zich in den plasch. Een aantal wendt ter zijde, en dreigt met woedend rennen Het laatste schuttrenrot in eens op 't lijf te schennen. Maar de eersten vinden zich van allen kant verrast, En tuimlen langs den grond, by hoopen saamgetast. Argebar nog streeft door, en, wie er om hem sneven, Hy wekt den moed in 't hart van al wie overbleven, En, met een vijftigtal waaraan hy 't voorbeeld gaf, Rukt op het middenvak van Segols heirfront af. De Koning geeft bevel. Zijn speerbende, aan het schudden, Dringt samen, biedt hun spits, gelijk de rundrenkudden Den veewolf stuiten op der hoornen punt. De spriet Doorboort Argebar-zelv', en heel zijn drommel vliedt, En ploft, den rug doorpriemd van pijlen, neêr in 't vluchten.
Maar meerder had het heir aan 't uiterst punt te duchten, Waar derdhalf-honderd reeds in 't bloed der jaagren baadt, Wier smaldeel, eens bereikt, geen oogenblik weêrstaat. Vergeefs had Segols last den plicht hun voorgeschreven, Te wijken, en den Reus hun slagorde op te geven, Om in de ruimten van der vleuglen tweede rij Zich weêr te vormen en te sluiten zij' aan zij'. Zy stonden: vloden straks; maar, woest uit een geschoten, Verspreiden zy hunne angst door al hun strijdgenooten. Geheel die vleugel schokt, en trekt zich thands in een, En 't wordt een zwakke hoop, wat eerst een leger scheen. Hier voerde Choch de knots aan 't hoofd der reuzen. Dapper, Als ginds Argebar was, en in den arm niet slapper, Stijft hy zijn menigte door 't voorbeeld, en vergruist Wat nek of schedel biedt aan de opgeheven vuist. De slagen regenen om 't dichtst op een, en spelen Door 't om zich spattend brein en open bekkeneelen, En brijzlen arm en boog in 't rekken van de pees, By 't menglen van 't gejoel van razerny en vrees.
De Koning ziet de vlucht, de wanorde, en 't verwarren, En knarstandt van de spijt. Als duizend ijzren harren Of grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt, Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt. Hy kent der Reuzen kracht en de onmacht van zijn strijderen, En hoe zijn zege hangt aan d' afstand en 't verwijderen. "Wie uwer (roept hy uit), gy, spanners van den boog, Is zeker van zijn hand en onbedrieglijk oog? Hy spreke, en trede voor!"—Slechts vijftig mannen treden De slagorde uit.—"Genoeg! (dus zegt hy) 'k ben te vreden; Gy, volgt my! 't overschot des legers sta hier pal!"— Flux spoedt hy aan hun hoofd door 't uitgebreide dal En valt de reuzen met een pijlzwerm in de lenden.
Geen schicht díe 't doelwit mist. Zy vallen, worst'len, wenden, Vertrapplen zich, terwijl een tweede bui reeds treft, En, van den zelfden kant, de derde zich verheft. Een derde hunner ligt verslagen. Driewerf dertig Verzaamlen zich, terwijl de meesten meer flaauwhertig Een vrijburg zoeken in hun bosschen. Maar die hoop Snelt op den Koning toe, onstuitbaar in zijn loop. De schutters sidderen. De Koning ziet hen naderen; Het vuur des ongedulds woelt bruischend door zijne aderen; En mooglijk dat hy thands, in overmaat van moed, Zijn bloed gemengeld had aan 't laauwe reuzenbloed, Zoo niet een sterker macht van uit de hooger kringen Zijn schedel had bewaakt. De taaie koorden springen Nog eenmaal los, en wat zich bloot gaf, ligt geveld, Terwijl de ontzachbre troep als voor het oog versmelt. Nog naakt zy, en de knots in de opgeheven armen Wankt over Segols hoofd en wie dat hoofd beschermen. Hy-zelf ontzet niet, maar de heirbijl in zijn hand Houwt d'arm die hem bedreigt met eenen slag in 't zand, En klooft de breede borst aan drie paar forsche reuzen, Wier hand de boom ontvalt waarmeê zy hersens kneuzen. Choch nadert, alles beeft. Een pijl doorboort zijn strot. Hy rukt hem woedende uit; wanneer een tweede schot Door de eigen hand bestierd, hem plotsling neêr doet zijgen In 't lillend hart geraakt. Men hoort zijn adem hijgen En 't borr'len van zijn bloed dat uit zijn wonden welt. Doch 's Konings keurtroep wordt van rondom fel bekneld; De boog wordt werkeloos, en oog noch handgreep baten. Geen jagers eischt dees nood; geoefende soldaten. Dan, Segol strijdt, en zy, door 't voorbeeld aangespoord, Bezwijken niet, maar staan, in 't midden van den moord. Thands wordt de pijl een dolk, in 's schutters vuist gesloten, Waarmeê zy elk die naakt in buik en boezem stoten. Men valt, maar wreekt zich-zelv' terwijl men nederstort, En 't ijzren reuzendom schiet by hun kunst te kort. De vlugheid (op de jacht geoefend) van hun leden Wijkt hier de slagen uit, duikt elders naar beneden, Ontspringt den vijand, of verbijstert hem 't gezicht, Of lamt hem arm of knie in 't ledend beengewricht. Men dringt zich driftig voor den Koning, die in 't strijden Nu her- dan derwaart vliegt, de dood aan alle zijden Verdeelt, en overal dat wapen schittren laat, Dat nergens keerbaar is, maar bliksemslagen slaat.
Nu was 't geen strijden meer van krijgren, geen slagorde, Maar leeuw- en wolvenmoord in de overvallen horde Van herders, wie de nood, van allen kant omringd, Tot weêrstand in de dood, tot moed en wanhoop dwingt. Met nagels, tand, en vuist, weêrstaat men klaauw en kaken Van 't grimmig roofgediert' en de uitgerukte staken Der schaapskooi strekken voor de jachtspriet of voor 't zwaard; En worstlend stort de leeuw by die hem worgt ter aard. De Reuzen, in getal verminderd, eerst bespringers, Zijn thands besprongenen: De knots ontvalt hun vingers, En treft te langzaam om den stoet die hen bestookt Te keeren, daar hun 't bloed uit al de poren rookt! Zy werpen 't wapen weg, en grijpen met de handen De jagers by de keel, of zetten heete tanden In 's vijands spieren, dien hun woeste kop rammeit En neêrploft, dan vertrapt in dolle grimmigheid, Of woedend opscheurt met gekromde nagelspitsen, Meer scherp en meer gepunt dan Segols jaagrenflitsen, Waarvan hun eigen borst de doodkwetsuur ontfangt, Terwijl 't gedrochtlijk lijf zijn overwonn'ling prangt En d' adem uitperst of den gorgel breekt.—De Koning- Alleen, ontzachlijk, staat in schrikbre machtvertooning Met d' opgeheven bijl in 't midden van een wal Gesneuvelden, gelijk een hooge ceder, pal. Iets Godlijks schijnt dit uur als uit zijn oog te stralen! Zijn fiere boezem wordt verwijd in 't ademhalen: "Op, Helden (zegt hy)! op! voltooit uw zegepraal!"
Die stem doorklonk het veld, en ('t scheen) een bliksemstraal Vloog teffens door de lucht. Zy treft den Reus in de ooren Hy geeft den weêrstand op en acht zich-zelv' verloren, En, nietig overschot, bedekt met wond en buil, Ontvliedt hy 't schriktooneel in angstig noodgehuil.