← Table of contents
De onderaardsche reis van Klaas Klim

LODEWIJK VAN HOLBERG, (continued 6)

Reading edition

Eindelijk, vermits ik niet voor altoos in eens anders huis wilde verblijven, en ik ten laatsten op de straat moest komen; verzon mijn Huiswaard dat ik een Student van Throntheim, zijn nabestaande, en onlangs in die Provincie gekomen was; en beval mij eerlang, zoo met woorden als met brieven, zoo hartelijk aan den Bisschop van Bergen, dat die zeer eerwaardige man mij eindelijk toezei het eerste openvallende Rectorschap in de Schoolen aldaar. Dat amptje stondt mij zeer wel aan, vermits het eenige overeenkomst scheen te hebben met den staat waar uit ik was uitgebonst; want een Rectorschap is als eene afbeelding en tafereel van eene Koninglijke Heerschappij. De plakken der Schoolmeesters worden dikwils met de scepters vermengt, en hunne stoelen niet zelden Throonen of Rijks-zetels genoemt. Net van passe stierf eerlang de Koster van de Kruiskerk, wiens opvolger ik door den Bisschop verklaart wierd. Het scheen wel eene belachlijke bevordering voor eenen die nog zoo onlangs Monarch van zoo veele Rijken was geweest; dog vermits niets de menschen meer belachelijk maakt dan armoede, en het loutere dwaasheid is van dorst te versmagten, als men, al ware 't maar enkel water, wordt aangeboden, wees ik dat bedieningtje, mij zoo gulhartig opgedragen, geenszins van de hand, en ik worde 'er ook voor als nog, stil en gerust, oud en grijs in. Niet lang na die gedaanteverwisseling wierdt mij een eerlijk huwelijk opgedaan met de Dogter van eenen zekeren Bergschen Koopman, welke Magdalena wierdt geheeten. 't Meisje stondt mij niet kwalijk aan; dog vermits het waarschijnlijk was dat de Keizerin van Quama nog in levenden lijve was, dugtte ik, dat ik, Magdalena trouwende, mij met de misdaad van Veelwijverij mogte bezoedelen. Dog mijn Heer Abelinus wiens schoot ik al wat op mijn hart lag, pleeg uit te boezemen, nam mij die bekommerdheid weg; wederleggende de ongegrondheid mijner twijfeling met zoo veele bewijsredenen, dat ik niet langer zwarigheid vond, om van dat Meisje mijne Bedgenote te maken,

Met deeze Magdalena,

Begaf ik, wel te vreên, mij in den egten staat. Zij was mijn ander ik, mijn troost, mijn toeverlaat. Wij waren zes jaar lang de allerbest gepaarde, En hadden, vergenoegt, een' hemel hier op aarde.

Ik wagtte mij egter wel van haar mijne Onderaardsche ongevallen te kennen te geven; dog vermits ik dat toppunt van eere, waar uit ik was uitgebonst, niet geheel en al uit mijn geheugen kon uitwisschen, zijn 'er zoo nu en dan nog wel eenige teekentjes en daaden voor den dag gekomen, die op mijnen tegenwoordigen staat niet al te zeer passen. Uit deezen egt zijn gesproten drie Zoonen, Christiern, Jan en Caspar, zoo dat ik in 't geheel vier Zoontjes hebbe, zoo anderszins de Prins van Quama nog in leven is.

Tot dus verre loopt het Handschrift van,

KLAAS KLIM.

Nu volgt het Bijvoegsel van ABELINUS.

Klaas Klim heeft geleeft tot het jaar 1695 toe; en geduurende dien tijd alle en een iegelijk door opregtheid en zuivere zeden aan zig verpligt. De Pastoor van de Kruis-kerk is nu en dan wel eens op hem verstoort geweest om zijne al te groote deftigheid, welke hij meende voort te spruiten uit hoogmoed en veragtinge. Dog ik, die den man en wat hem bejegent was in den grond kende, verwonderde mij eerder over zijne zedigheid, nederigheid en lijdzaamheid, waar mede hij, zijnde geweest een Monarch van zoo veele Rijken, zulk een slegt bedieningtje waarnam. Egter wierdt hij bij andere, welken 's mans verbaazende staatsverwisseling onbekent was, geheel en al van verwaandheid verdagt gehouden. Hij was gewoon, op gezette tijden des jaars, zoo lang zijne kragten het toelieten, op den berg te klimmen, en aldaar die spelonke, waar uit hij weder te voorschijn was gekomen, met lust te aanschouwen. Zijne vrienden hebben opgemerkt, dat hij, met een betraant aangezigt, en met gezwollen oogen, gewoon was van daar te komen, en zig eenen geheel en dag in zijne studeerkamer alleen op te sluiten; brengende aldaar dien dag over zonder eenig mensch te zien. Ook betuigde zijne Gemaalin dat hij, 's nagts droomende van Legers en Vlooten sprak: ja zijne verrukkingen van gedagten gingen zoo verre, dat hij zelfs eenmaal den Landvoogd over de Provincie van Bergen beval tot hem te komen. Zijne Huisvrouw dan denkende dat deeze gemoedsontsteltenissen hem overkwamen uit eene al te groote oeffeninge in de Studiën, was zeer bekommert over zijne gezondheid, welke zij oordeelde zeer zwak te wezen. Zijne Boekerij bestondt meerendeels uit Staatkundige Schrijvers; en vermits men geloofde dat een opschik van zulke Boeken weinig met eens Kosters staat overeenkwam, liep hij ook ter dezer zake in 't oog. Van deeze Reize, die met des Auteurs eigen hand geschreven is, is niet meer dan één eenig afschrift te vinden, het welk ik in mijne bewaring hebbe.—ln mijn voornemen, om dit werk door verscheide drukken gemeen te maken, ben ik door veele en gewigtige beleefds verhinderd geworden.

EINDE.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings