LODEWIJK VAN HOLBERG, (continued 2)
Reading edition
De inwoonders deezes Vorstendoms zijn niet onderscheiden in Edelen en Gemeene. Voortijds hadt dat onderscheid van rang plaats; dog toen de Vorsten bespeurden dat daar door het zaad van tweedracht verspreid wierdt, namen zij voorzigtiglijk weg alle voorregt uit geboorte spruitende; zoo, dat de boomen thans geschat worden enkel en alleen naar mate dat zij deugd bezitten, en naar hunne bedieningen en bezigheden, waar van ik elders uitvoeriger zal spreeken. 't Eenige, dat de geboorte voorheeft, bestaat in de veelheid van takken; want naar mate dat de vrugt die geboren wordt, die min of meer heeft, wordt dezelve ook min of meer adelijk gerekent, aangezien de overvloed van takken den boomen bekwaamheid verschaft tot alle handwerken. Van den inborst en zeeden des volks heb ik boven, zoo hier en daar, al vrij wat gemeld, waarom ik, den Lezer wijzende naar 't geen boven gezegt is, dit Hoofdstuk zal besluiten, en overgaan tot de verhandeling van andere zaaken.
ZESDE HOOFDSTUK.
Van den Godsdienst des volks van Potu.
Het samenstelzel des Godsdiensts van die van Potu, kan onder menige Hoofddeelen worden begrepen, en behelst eene korte Geloofs-belijdenisse, die een weinig breeder uitgestrekt is, dan onze Apostolische Geloofs-belijdenisse. 't Is hier verboden, op straffe van bannissement naar het Firmament, over de Heilige Boeken eenige aanmerkingen te maaken. En overzulks zoo iemant zig verstout te disputeeren over het Wezen en de Eigenschappen van God, over de hoedanigheden der Geesten en Zielen, wordt hij verwezen tot de aderlatinge, en in het publyke Stads-dolhuis gezet. Want zij houden het voor dwaasheid dingen te willen schrijven en bepaalen, waarop ons verstand niet minder schemert, dan de oogen van eenen nagtuil op het licht der Zonne. Alle stemmen zij over een in het dienen en eeren van een Opperwezen, door wiens Almagt alle dingen geschapen zijn, en door wiens Voorzienigheid dezelve worden onderhouden. Uitgenomen deeze dienst wordt niemant, om verschillende gevoelens, belangende de maniere en wijze des diensts, eenige moeilijkheid aangedaan: alleenlijk worden de gene die in 't openbaar den Godsdienst, bij de wetten vastgesteld, tegenspreeken, als verstoorders der gemeene rust gestraft. Uit deezen hoofde wierd ik in de oeffeninge mijnes Godsdiensts niet gedwongen, nog van iemant gestoord. Die van Potu bidden weinig, maar zeer ijverig: invoegen dat zij, zoo lang hunne gebeden duuren, schijnen als in verrukkinge van zinnen te zijn. Waarom dezelve, toen ik hen verhaalde dat wij onder ons huiswerk gebeden deden; en zelfs onder ons handwerk heilige liederen zongen, ons dat tot eene misdaad rekenden, zeggende, dat een aardsch Prins het kwalijk zoude opneemen, zoo hem iemant iets willende verzoeken, naderde, en te gelijk in zijne tegenwoordigheid zijne kleederen af borstelde, of zijn hair kamde. Ook vonden zij geen meer smaak in onze heilige liederen: want zij hielden het daar voor, dat het belachenswaardig was met Musiektoonen smert en leedwezen uit te boezemen, vermits de toorn Gods door tranen en zugtingen, en niet door zangwijzen, fluiten of trompetten, gestilt wordt. Deeze en andere dingen hoorde ik niet zonder verontwaardiginge: inzonderheid vermits mijn Vader zaliger, eertijds Voorzanger van de kerk, verscheiden lofzangen, die nog heden ten dage gezongen worden, op noten hadt gestelt, en ik zelf besloten had te staan naar eene openstaande Voorzangers-plaats; maar ik trachtte mijne gramschap te bedwingen: want onze Onderaardlingen beweeren hunne gevoelens met zoo groote scherpzinnigheid, en leggen alles zoo waarschijnlijk uit, dat het gantsch niet gemakkelijk valt zelfs hunne allertastelijkste dwalingen te wederleggen. Daar zijn nog andere dwalingen in den Godsdienst, welke zij, met dezelve snedigheid en schijn van waarheid, staande houden: zoo, dat zij, wanneer ik aan eenige onder hen, waar mede ik gemeenzaam omging, menigmaalen gezegt had, dat 'er voor hen, als welke in de duisternisse wandelden, na den dood, geen zaligheid te wagten was; mij ten antwoord gaven; dat al wie strengelijk anderen verdoemt, zelf het meeste gevaar liep van verdoemt te worden: want dat een ander te veroordeelen doorgaans spruit uit hoogmoed, welke God, die niets meer dan de nederigheid gebiedt, haat, en in 't schepzel niet verdraagen kan: dat ook eens anders gevoelen te verdoemen, en die van ons in gevoelen verschillen, met geweld tot het onze te willen doen overgaan, even eens is, als of men zig zelven alle wijsheid alleen wilde toeëigenen: 't geen 't werk van dwaazen is, die zig inbeelden, alleen wijs te zijn. Voorts wanneer ik eens een gevoelen zullende verdedigen, mijnen tegenstreever tegemoet voerde, dat ik in mijn hart daarvan ten vollen overtuigd was; prees hij mijne drangreden en beval mij voort te gaan in 't licht mijner conscientie te volgen; belovende, dat hij altoos het zelve zoude doen; aangezien dat, bijaldien een iegelijk in de verschillen kwam op te volgen het voorschrift der conscientie, alle twist ter nedergelegt, en alle stoffe tot disputeeren zouden worden afgesneden. Onder andere dwalingen, die de inwoonders deezes Vorstendoms voorstonden, waren ook deeze volgende. Zij ontkenden wel niet dat de goede werken van God beloond en de kwaade gestraft zullen worden; dog zij oordeelden dat de gerichtsoeffening, bestaande in het toewijzen van belooning of straffe, eerst plaats zal hebben na dit leven. Ik bragt hierop verscheiden voorbeelden bij der gene die om hunne misdaaden en Godloosheden bereids in dit leven gestraft waren; dog zij bragten daar tegen in even zoo veele tegengestelde, namentlijk: van zeer ondeugende boomen, die te gelijk Godloos en zeer gelukkig waren geweest tot hunnen dood toe: zoo menigmaalen zeiden zij, als wij tegen de gene die van ons verschillen eene zaake verdedigen, vestigen wij onze redenen op het geen wij dagelijks zien gebeuren, en letten alleenlijk op zulke voorbeelden die ons van nuttigheid zijn, en onze stellingen gewigt bijzetten, overslaande of voorbij gaande alle die daar tegen strijden. Ik bragt een voorbeeld bij van mij zelv', doende zien, dat veele die mij geweld en ongelijk hadden aangedaan, een rampzalig einde hadden gehad; dog zij voerden mij daar op te gemoet, dat dat alles voortkwam uit eigeliefde, terwijl ik geloofde, dat ik in de oogen Gods meer en beter was dan andere, welke, schoonze ten onregte groot ongelijk hadden geleden, hunne vervolgers egter hadden zien oud en grijs worden in eenen geduurigen voorspoed tot hunnen dood toe. Wanneer ik wijders eens aanprees, dat men God dagelijks moest bidden, antwoordden zij; dat zij wel de noodzakelijkheid des gebeds niet ontkenden, maar dat zij wel verzekerd waren, dat de Godsvrugt en waare Godsdienst meest bestonden in de onderhoudinge der Wet Gods. Om dit te bewijzen, ontleenden zij dusdanig argument van eenen Vorst of Wetgever: Een Vorst, zeiden zij, gebiedt over tweederlei slag van onderdanen. Eenige zondigen dagelijks, en overtreden, 't zij uit zwakheid, 't zij uit kwaadaartigheid of halstarrigheid, zijne geboden: dog zij staan ook dagelijks in den voorhof van zijn Paleis met Verzoek- en Smeek-schriften; biddende om vergevinge van misdaaden, welke zij straks wederom staan te vernieuwen. De andere daarentegen komen zelden, en nooit dan verzogt zijnde, aan 't Hof; maar altijd t'huis blijvende, volgen zij de bevelen van den Vorst getrouwelijk en met allen ijver op, betoonende aan hem hunne gehoorzaamheid door eene gestadige onderhouding zijner wet. Wie kan 'er aan twijfelen, of hij zal de laatst gemelde al zijne liefde waardig agten, daar hij de eerste voor booze, afkeerige, en teffens lastige onderdanen zal aanzien, zoo ten opzigte hunner overtredingen als hunner geduurige verzoeken.
Deeze en andere zintwistingen verschaften mij dagelijksch werk; dog zonder vrugt: aangezien ik niemant konde overhaalen tot mijn gevoelen. Waarom ik alle andere verschillen van Godsdienst daar latende, zal voortgaan met hunne andere algemeene en merkwaardigste leerstukken te verklaaren; aan 't oordeel des Lezers overlatende, of dezelve goed of kwaad gekeurd moeten worden.
De Potuanen gelooven in eenen God, die almagtig is, die alle dingen geschaapen heeft, en onderhoudt; en zij bewijzen deszelfs Almagt en Eeuwigheid uit de grootheid der geschaapen dingen, en uit derzelver overeenstemminge. En gelijk zij in de Sterre- en Natuur-kunde zeer ervaren zijn, hebben ze zulke treffelijke gevoelens van het Wezen en de Eigenschappen Gods, dat zij het voor dwaasheid rekenen, dingen te willen bepaalen, die ons begrip te boven gaan.—Het jaar wordt 'er onderscheiden door vijf Feest-dagen, waar van de eerste zeer Godsdienstiglijk geviert wordt in donkere plaatsen, alwaar het daglicht niet kan doorbreken; en zulks om daar mede te kennen te geven, dat de Godheid, welke zij aanbidden, onbegrijpelijk is. In die plaatsen blijven zij, als in den Geest opgetogen, onbeweeglijk van dat de Zon opkomt tot dat dezelve ondergaat. Dit Feest wordt genoemt de dag des Onbegrijpelijken Gods, en valt in op den eersten dag der Eikemaand. De overige vier Feesten worden geviert op de vier getijden des jaars, en zijn ingestelt ten einde God te danken voor zijne bewezene weldaden. Weinige zijn 'er in 't gantsche Vorstendom, die op deeze plegtige Feest-dagen niet verschijnen. Die 'er egter niet komen, en geene wettige redenen hunner afwezigheid geven, worden voor kwaade onderdanen gehouden, en leeven in gestadige veragtinge. De Formulieren der openbaare gebeden zijn zoodanig ingerigt, dat ze niet op de bidders zelve, maar alleenlijk op den Vorst en op de gemeene welvaart betrekkelijk zijn. Hier van daan is het, dat niemant in 't openbaar voor zig zelven bidt. Het oogmerk deezer instellinge is, om de Potuaners in te prenten, dat de welvaart der bijzondere lieden, zoo naauw verknogt is met die van 't Gemeenebest, dat zij daar van niet kan worden afgescheiden. Niemand wordt tot den dienst van God nog door geweld nog door geldboete genoodzaakt: want overmits zij oordeelen, dat de Godsvrugt voornamentlijk bestaat in liefde, en dat de ervarenheid leert, dat de liefde eer door geweld verkoelt, dan ontsteken wordt; gelooven zij 't niet alleen onnut, maar ook schadelijk te zijn, de traage door dwang tot Godsvrugt aan te zetten. Deeze stellinge bewijzen zij met dit voorbeeld: Bij aldien een man, zeggen ze, eene wederzijdsche liefde van zijne egtgenoote begeerende, derzelver laauwheid of verkoelinge met stokken- en vuistslagen daar tracht uit te drijven; is het 'er zoo verre van daan, dat de liefde door die middelen zoude worden ontsteken, dat de verkoeling veel eer toeneemt, en eindelijk op haat en afkeer uitkomt.
Dit zijn de voornaamste Hoofstukken der Godgeleerdheid in Potu welke aan eenigen niet anders zal voorkomen, dan als een bloote natuurlijke Godsdienst, zoo als die ook mij zelv' in den beginne voorkwam. Maar de Potuaners beweeren, dat hen alles door Goddelijke ingevingen geopenbaart, en daar benevens een boek, behelzende hun Geloof en Pligten, is ter handgestelt. Hunne Voorouderen, zeggen zij, hebben eertijds alleen den natuurlijken Godsdienst beleden; dog de ondervinding had hen geleerd, dat het licht der Natuur niet genoeg was, vermits door de onagtzaamheid en zorgeloosheid van sommigen de Wet der Natuur, geheel en al verwaarloost wierdt, en door de al te spitsvinnige wijsgeerte van anderen, vermits vrijheid van denken geen bepalinge kent, alles verergerde: en dat hen daarom de geschreven Wet van God gegeven was. Daar uit blijkt het ook, hoe grootelijks zij dwaalen, die halstarrig ontkennen, dat 'er eene Openbaringe van nooden is. Ik wil wel bekennen, dat verscheiden Leerstukken der Potuaansche Godgeleerdheid, zoo dezelve al niet te prijzen zijn, egter niet geheel en al te verachten schijnen; dog egter kan ik aan die alle mijne toestemminge niet geven. Dit egter scheen mij niet alleen loffelijk, maar zelfs verwonderenswaardig voor te komen, te weten: dat de gene, die bij oorlogs-tijden als verwinnaars hunner vijanden t'huis komen, in plaats van vreugde en blijdschap, waar mede wij over onze overwinningen vieren, en Te Deum zingen; ettelijke dagen in een bedrukt stilzwijgen doorbrengen, even als of zij zig schaamden van wegens het bloedvergieten in de overwinninge. Om deeze reden wordt 'er zelden in de Onderaardsche Geschiedenissen gewag gemaakt van Oorlogs-Zaaken; maar haare Jaarboeken behelzen alleen Burgerlijke Zaaken, Instellingen, Wetten en Geschriften.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Van de Staatkunde.
In het Vorstendom Potu heeft de erflijke opvolging geheele duizend jaaren lang plaats gehad; en wordt 'er thans nog onderhouden. De Jaarboeken wijzen egter aan, dat de Potuaners eens van dien regel van opvolging zijn afgeweken: want vermits de gezonde reden schijnt te leeren, dat zij die regeeren, boven andere begaaft moeten zijn met bekwaamheden, vonden eenige geraden, meer naar deugd dan naar geboorte te zien, en dat men den genen verkiezen moest, die de uitmuntendste der ingezetenen was. Hierom wierdt de oude opvolging afgeschaft, en het Vorstendom aan zekeren Wijsgeer, genaamd Rabaku, opgedragen. Dees bestierde in 't begin den Staat met zoo veel voorzigtigheid en rust, dat zijne regeering een voorbeeld scheen te wezen, om van anderen te worden nagevolgt. Dog dit was van korten duur: en die van Potu bemerkten al te laat, dat de spreuk, die zegt, dat een Staat gelukkig is daar Wijsgeeren aan 't roer zitten, onwaaragtig was. Want nademaal de nieuwe Vorst, tot het toppunt van eer gesteegen, uit eenen laagen stand was, waren zijne deugden en bekwaamheden tot de regeering alleen niet genoeg, om het ontzag en de majesteit, die in den Staat de kragt en den klem aan de zaaken geven, te verwekken en staande te houden. De gene die onlangs met hem in gelijke waardigheid hadden gedaan, of boven hem uitgesteeken hadden, konden bezwaarlijk daar toe worden gebragt, dat zij huns gelijken of die beneden hen geweest was, konden verdragen, en die gehoorzaamheid aan den nieuwen Vorst bewijzen, welke onderdanen hunnen Souverain schuldig zijn: en daar kwam het bij toe, dat, zoo dikwils hen iets moeilijks of lastigs wierdt opgelegt, zij doorgaans murmureerden; niet denkende, wie de Vorst nu was, maar wie hij voor zijne verheffinge was geweest. Hier van daan was hij genoodzaakt, om, bij wege van verzoek, hen alles met zagtheid af te vorderen. Maar weinig vorderde hij met streelingen: want zij, zig weinig kreunende aan zijne wetten en bevelen, toonden op 't afkondigen van elk Placcaat hun ongenoegen. Waarom Rabaku, ziende dat 'er, om zijne onderdanen bij hunnen pligt te houden, andere middelen vereischt wierden, van goedertierenheid en rekkelijkheid tot strengheid oversloeg. Dog door dit andere uiterste barstten de vonken die onder den asch verborgen waren, tot eene lichte vlam uit; en de onderdanen stonden in 't openbaar tegen den Vorst op: ja zoo dra was de eene kwalijk gestilde beroerte niet over of de andere nam haaren aanvang: zoo, dat hij, eindelijk bespeurende dat de Staat niet konde behouden blijven, ten zij onder eenen Bedierder uit doorlugtigen bloede, en wiens geboorte het volk eenen indruk van eerbied pleeg te geven, zelf 't gebied neerleide; dragende de Vorstelijke waardigheid over aan den Prins, welke dezelve door zijne geboorte toekwam. En op deeze wijze kwam de rust weder, en te gelijk het oude heerschende Huis op den throon; en de stormen die op den Staat, zoo lang gewoed hadden, geraakten tot bedaren. Zedert dien tijd wierdt op halsstraffe verboden in het toekomende eenige veranderinge te maken in de maniere van opvolginge.
Dit Vorstendom is dan erflijk, en het is waarschijnlijk dat de oude wijze van opvolginge altoos onwrikbaar zal blijven staan; zodanig dat men nooit dan bij de alleruiterste noodzakelijkheid den eerstgeboorenen Vorst daar in zal voorbijgaan. Dit niet tegenstaande wordt 'er in de Jaarboeken van Potu gewag gemaakt van eenen Wijsgeer, die, trachtende eene inbreuk te maken in die wet, eenen middelweg daar op uitdagt; aanradende het Koninglijke Stamhuis nooit voorbij te gaan; maar na gedane verkiezing, uit de Zoonen van den overledenen Vorst, het gebied op te dragen aan den genen, die in verdiensten voorlag, en door de onderdanen bekwaam geoordeelt wierdt om den last der regeeringe te konnen torsschen. Die Wijsgeer deeze Wet in bedenken hebbende gegeven, onderwierp zig naar gewoonte aan derzelver onderzoek, staande, terwijl de stemmen wierden opgenomen of zijn raad goed was, met den strop om den hals. De Raadsvergadering gescheiden, en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt de voorstelling deezer Wet als roekeloos en verderflijk voor den Staat verworpen: aangezien men oordeelde, dat dezelve een bron ader zoude zijn van veele opschuddingen, en eenen vrugtbaaren grond stondt te verstrekken voor het zaad van tweedragt onder het Koninglijke kroost: en dat het derhalven beter zoude wezen, dat de oude gewoonte plaats hielde; en veiliger, dat het regt tot het Vorstendom op den oudsten Prins overging, schoon de jongere Vorsten hem, in gaven des Verstands, kwamen te overtreffen. De Wet dan verworpen zijnde, wierdt de uitvinder met de koorde gestraft. Want aan niemant wordt in dit Vorstendom de halsstraf geoeffent, dan alleen aan de uitvinders van nieuwe Wetten: aangezien de Potuaners vastelijk van gevoelen zijn, dat alle verandering en hervorming, hoe wel ook dezelve mengen wezen geschikt, gelegenheid verschaffen tot opschuddingen en beroerten, en den gantschen Staat in gevaar stellen; dog kwalijk geschikt en ontijdig zijnde, dien naar zijnen ondergang doen hellen, en eindelijk geheel en al ter neder storten.
't Gebied der Potuaansche Vorsten hoe zeer ook het zelve door geene Wetten bepaald wordt, is veel eer eene Vaderlijke bestiering, dan Koninglijke regeering: want vermits zij naar verstand, niet naar wetten, Justitie oefenen; ziet men aldaar eene gestadige mengeling van heersching en vrijheid: twee zaaken die elders niet konnen te samen gevoegd worden.
Onder andere Wetten deezes Vorstendoms is deeze niet minder heilzaam, waardoor de Vorsten de gelijkheid, zoo veel 't Gemeenebest toelaat, onder hunne onderdanen trachten te houden. Daar van daan heeft men 'er geen hooger of laager rang in de bedieningen, wordende alleenlijk de mindere genoodzaakt de meerdere te gehoorzamen, en de jongere de gene die ouder zijn, allen eerbied te bewijzen. De Onderaardsche gedenkschriften melden wel dat dat onderscheid eenige eeuwen geleden, plaats hadt, en zelfs bij de Wetten was vastgesteld; dog het blijkt ook teffens, dat het zelve oorzaak gegeven heeft tot groote beroerten: nademaal het aan eenen ouderen broeder hard en bitter scheen, voor zijnen jongeren broeder te moeten opstaan, en den Ouderen onverdraaglijk voorkwam, beneden hunne kinderen geacht te worden: zoo, dat de eene boom des anderens bijzijn schuwde, en eindelijk alle bijeenkomsten en gezelschappen geheel en al ophielden. Dit was het kwaad niet alleen; maar dat onderscheid bragt ook in vervolg van tijd te weeg, dat aan de uitneemendste en uitstekendste boomen, die door de natuur met de allergrootste bekwaamheden en met de meeste takken waren begiftigd, in de gastmaalen en gezelschappen, de laagste plaatsen wierden aangewezen. Want ieder boom, die iets üitsteekends bezat, en door deugd en verstand aanzienlijk was, kon van zig zelven niet verkrijgen, dat hij den tytel en de hooger hand ging bejagen: daar in tegendeel de ongeagte boomen, die niets waardig waren, om, ware 't mogelijk, hunne natuurlijke gebreken en onbekwaamheid met eenige grootsche eertytelen eenigzins te bedekken, den Vorst met hunne Verzoeken zoo lang het hoofd braken, tot dat zij hem deezen of genen tytel hadden afgeperst. Dit bragt te weeg, dat de tytels eindelijk doorgingen voor ken- en merkteekenen der waardigste boomen. Derhalven verschaften de staatelijke gezelschappen en gastmaalen wonderlijke en belachelijke vertooningen aan de Vreemdelingen, wanneer zij zagen dat doornen en braambossen de hoogere gestoelten toegewezen, en in tegendeel de Palm-boomen, de Ceder en en aanzienlijke Eiken van tien of twaalf takken, agteraf geplaatst wierden: want geduurende deezen stand van zaaken, waren 'er weinig doornen zonder deeze of gene waardigheid. Aan de Vrouwen wierdt de tytel gegeven van Raadsvrouwen der huishouding, des bewinds, of des Hofs, en dit verwekte in die Sexe grooter opschuddingen, dan onder de Mannen. De ijdele Staatszugt van verscheiden boomen klom tot die hoogte, dat, schoon zij van de natuur slegts begunstigd waren met twee of drie takken, zij egter de tytels van tien of twaalf takken bejaagden, en die maar doornen of braambossen waren, Palm boomen wilden geheeten worden: 't geen al zoo belachelijk stondt, als of een leelijk wanschapen man, zig den tytel van welgemaakt (welgebooren) of een janhagel zig dien van doorlugtig (edelgeboren) toeschreef. Waarom ook, toen dat kwaad op zijn hoogst was geklommen, en het geheele Landschap als tot deszelfs eersten Bajert gebragt was, wijl iedereen naar ijdele schimmen en namen zonder eer stondt; een inwoonder der Stad Keba de stoutheid hadt van eene Wet voor te stellen om die gewoonte af te schaffen. Dees wierdt met den strop om den hals, volgens 't aloud gebruik, naar de Vierschaar gesleept; dog de Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt hetzelve met eenparigheid van stemmen, en zonder tegenspreken van iemant, heilzaam voor den Staat geoordeeld: waarop zijn hoofd met bloemen bekranst, en hij zelf van al het volk met toejuichingen verzeld, als in zegepraal, door de Stad geleid wierdt. En toen men in vervolg van tijd bemerkte hoe groote nuttigheid de afschaffing deezer gewoonte hadt te weeg'gebragt, wierdt hij Kadoki of Groot-Zegelbewaarder gemaakt.
Zedert dien tijd is de Wet van degelijkheid onder de Burgerij voor altoos te bewaren, heiliglijk onderhouden geweest. Egter heeft door 't afschaffen dier gewoonte niet alle naijver opgehouden, maar heeft elk een getragt enkel en alleen door deugd en verdiensten den anderen te overtreffen; en het is klaar uit de Onderaardsche geschiedenissen, dat 'er zedert dien tijd maar één uitvinder van nieuwigheden is geweest, die de Wet van de Orde der Waardigheden tweemaal bedektelijk heeft trachten te doen intrekken; dog welke ook over zijne eerste poging met de ader latinge gestraft, en, toen hij beschuldigd wierdt in zijn voorneemen te volharden, eindelijk naar het Firmament in ballingschap wierdt verzonden. Dit is de reden dat 'er tegenwoordig in dat Vorstendom geen Orde van Waardigheden of Tytels altoos meer is; alleenlijk verklaart de hooge Regeering, door een soort van onderscheid te maken, eenige beroepen voortreffelijker te zijn dan andere; door welke verklaring egter aan niemant wordt toegestaan het regt om zig de eerste plaats toe te eigenen in de bijeenkomsten. Dit onderscheid wordt gevonden in de Placcaaten of Bevel-brieven des Vorsts, welke gemeenlijk besloten worden met deeze woorden: WY GEBIEDEN ENDE BEVELEN ONZEN LANDLIEDEN, UITVINDERS VAN HANDWERKEN, KOOPLIEDEN, AMBAGTSLIEDEN, WYSGEEREN, KONSTENAARS, HOFBEDIENDEN ENZ. Ik ben 'er agter gekomen, dat 'er, onder de Staatsschriften van den Vorst, zekere naamrolle van Waardigheden bewaard wordt van den volgenden inhoud.
ORDE DER WAARDIGHEDEN.
1. Die door hunne middelen den Staat in benaauwde tijden zijn te hulp gekomen.
2. Staatsdienaars, die om niet en zonder jaarwedde dienen.
3. Boeren en Land-lieden met agt takken en daar boven.
4. Land lieden met zeven takken en daarbeneden.
5. Stichters van Handwerken en Ambagten.
6. Werkmeesters, die noodige werken maken.
7. Wijsgeeren, en die met de Doctorale muts begiftigd zijn, zoo Mannen als Vrouwen.
8. Konstenaars.
9. Kooplieden.
10. Bedienden van 't Hof, die eene jaarwedde trekken van 500. Rupati.
11. Dezelve, welken jaarlijks eene wedde van 1000. Rupati wordt betaald.
Deeze naamlijst van Eer, als waarop in onze Waereld niemant zijne toestemming zoude geven, kwam mij zeer belachelijk voor. Ik maakte wel eenige gissingen over de redenen van die omgekeerde orde, waarop dezelve mogt gegrond zijn, en met welke bewijzen de Onderaardlingen die mogten staande houden; dog ik moet bekennen dat ze mij tot nog toe voorkomt als eene wonderspreuke, welke ik niet kan begrijpen.
Onder andere aanmerkelijke zaaken nam ik ook de volgende in agt, te weten: dat, hoe iemant meer bedieningen heeft, hoe hij zig zediger en onderdaniger aanstelt. Zoo zag ik meermalen dat Bospolak, een schatrijk man onder de Potuaners, met zoo groote nederigheid, de hem ontmoetende Burgerij bejegende, dat hij alle zijne takken ter aarde boog, en met het neigen zijns hoofds den allergemeensten boom zijn dankbaar hart betuigde. Toen ik daarvan de redenen vraagde, wierdt mij geantwoord; dat zulks zoo behoorde, aangezien niemant met zoo veele bedieningen was begiftigd, en hij uit dien hoofde de grootste schuldenaar van 't Gemeenebest was geworden. Tot die plegtigheid wordt egter niemant 'door de Wet' gedwongen; maar vermits die van Potu alles met een gezond oordeel overwegen, oeffenen zij die deugd uit zig zelv', meenende dat zij tot eene beleeftheid, die voorkomt uit een dankbaar hart, verpligt zijn: voorwaar geheel anders dan bij ons, alwaar de gene die met de hoogste eerampten en met de meeste inkomsten als opgehoopt zijn, de mindere over schouder aanzien en met de uiterste trotsheid veragten. Maar de meest aanzienlijkste Burgers, en welke elk een in eere en agtinge moet houden, zijn de Vaders van een talrijk kroost. Deeze zijn de Onderaardsche Helden, en haare gedagtenis blijft bij de nakomelingen in zegening. Ook zijn zij de eenige aan welke de naam van de Grooten wordt opgedragen: geheel anders dan bij ons, alwaar met den naam van Grooten begroet worden de Verhoorders en uitroeijers van het menschelijk geslacht. Hier uit valt ligtelijk op te maken wat de Onderaardlingen zouden oordeelen van Alexander den Grooten, of van Julius Cæsar, welke beide ettelijke, duizenden van menschen om hals hebben gebragt, en zonder lijfs-erven gestorven zijn. Het staat mij voor, binnen Keba gezien te hebben het Grafschrift van eenen Landman, hebbende dit opschrift: HIER LEGT JOCHTAN DE GROOTE, VADER VAN DERTIG KINDEREN, DE HELD ZIJNER EEUWE. Dit dient egter geweten, namentlijk: dat om dien roem te verkrijgen, het niet genoeg is slegts de kinderen geteelt te hebben; maar dat 'er ook vereischt wordt, dat zij behoorlijk worden opgevoed.
In het afkondigen der Wetten en Placcaaten gaat alles langzaam toe, wijl de Wetten gemeenlijk hier gemaakt worden bijna op dezelve wijze als bij de oude Romeinen. De voorstelling om eene nieuwe Wet te maken, wordt in alle karspels der Stad aangeplakt. Als dan staat het der Burgerije vrij die te toetsen, en haare aanmerkingen aan de vergadering der Rechtsgeleerden, tot dien einde in de Stad van Potu aangesteld, over te geven. Daar wordt alles, wat nopende de afkondiginge, tegenstellinge eener andere, afschaffinge, goedkeuringe, verbeteringe, bepalinge, of uitbreidinge der Wet bijgebragt is, naauwkeurig overwogen. En wanneer nu alles naar behooren door de Rechtsgeleerden overlegt is, wordt de Wet die afgekondigt staat te worden, ter goedkeuringe en onderteekening van den Vorst gebragt. Deeze langzaamheid kan aan sommigen wel belachelijk voorkomen; dog daar uit ontstaat der Wetten eeuwige geduurzaamheid; en ik heb mij laten zeggen, dat geen van de Wetten deezes Vorstendoms, geduurende den tijd van vijfhonderd jaren, eenige de minste verandering is onderhevig geweest.
De naamlijst der boomen, die voor de voortreffelijkste worden gehouden, is onder 's Vorsten bewaringe, te gelijk met het getuigenisse, zoo hunner geleerdheid, 't welk hen door de Onderzoekers of Karatti wordt gegeven, als hunnes gedrags, bij hen van de gebuuren hunner wijk verworven. Hier door heeft de Staat geen gebrek aan bekwame Mannen, om de openstaande bedieningen te vervullen. Boven al is dit aanmerkelijk, dat niemant vergunt wordt het regt om in eenigen oord of wijk der Stad te mogen woonen, ten zij hij voorzien zij van eene verklaringe van den oord of wijk daar hij te voren gewoont heeft, en dat hij borg stelle voor zijn goed gedrag in 't toekomende.
Op eene Wet, eenmaal afgekondigt en met het publyk gezag bekragtigt, is het op halsstraffe verboden eenige aanmerkingen te maken: invoegen de vrijheid aldaar meer bepaald is in Staats dan in Kerkelijke zaaken. Van die inzettinge geven zij deeze reden, namentlijk: dat, zoo iemant komt te dwalen in zaaken aangaande Godsdienst of Geloof, hij enkel en alleen afdwaalt voor zig zelv'; dog dat, zoo iemant in twijfel trekt de Wetten, gestaaft door 't publyk gezag, of die door zijne uitleggingen in eenen anderen zin tracht te verdraaijen, hij den Burgerstaat komt te beroeren.
Van den staat des Hofs en deszelfs huishoudinge, heb ik boven al eenig gewag gemaakt, en aangetoont dat de Kadoki of Groot-Cancelier de eerste plaats bekleedt onder de Hofbedienden. Op hem volgt de Smirian of Groot-Thesaurier. Dat ampt wierdt toen ter tijd bekleed door eene Weduwe met zeven takken Rabagna geheeten; om haare opregtheid en ongemeene geeststalenten, tot een ampt van zoo veel gewigts bevordert. Zij had langen tijd die bedieninge bekleed, en zelfs al eenige jaaren voor haars mans dood, die, schoon zelf in de zaaken, rakende het bestier der geldmiddelen, zeer ervaren; egter gehouden was zig te schikken naar den raad en goeddunken zijner egtgenoote, zoo, dat hij niets op zijn eigen gezag kon beschikken, en eer haar Stedehouder dan haar Man genoemt moge worden. Hij schreef wel brieven op zijnen eigenen naam, en deede wel, eigener gezag, Placcaaten aanplakken, zoo dikwils zij in de kraam lag, of, door ziekte belet, geen zaaken kon waarnemen; dog niets wierdt voor vast en van waarde geoordeelt, voor dat het met zijns huisvrouws zegel of onderteekeninge bekragtigt was. Rabagna hadt twee broeders; waar van de een Hof-keldermeester, en de andere Hof-slagter was, dog die uit hoofde, van hun gering verstand, hoe zeer ook hunne zuster in zulk eenen verhevenen post gestelt was, naar geen hooger ampt durfden staan. Met zoo veel regtmatigheid worden hier de ampten uitgedeeld!
Die zelve Rabagna, schoon zij zulke netelagtige zaaken bij de hand hadt, zoogde egter zelve haaren zoon, die naar zijns Vaders dood gebooren was. Toen ik oordeelde dat zelve haar kind te zoogen, een al te lastig, en voor zulk eene aanzienlijke Vrouw onwaardig, werk was, gaven mij de Onderaardlingen ten antwoord: "Gelooft gij dan dat de Natuur aan de Vrouwen de tepels der borsten, als geestige vlekjes tot versieringe haarer boesems, en niet om daar mede haare kinderen te voeden, gegeven heeft? In het inenten der zeden komt het meerendeels aan op den inborst der Voedster en op de natuur van de melk: zij, die haare vrugt te zoogen, anderen toevertrouwen, snijden den band en vereeniging beide van liefde en inborst af. Daarom voeden alle Vrouwen van aanzien in dit Vorstendom, haare kinderen op met haar eige melk."
De Erfprins van Potu was een jongeling van zes jaaren, waar in men bereids eenen braven inborst, en beginselen van groote bekwaamheden bespeurde, hebbende al zestien takken, 't geen zeldzaam is in zulk een teedere jeugd: wijl niemant met meer dan vijf of zes takken gebooren wordt, de overige wassen uit met de jaaren. Zijn Leermeester, de wijsste boom in 't gantsche Vorstendom, onderwees zijnen leerling in den Godsdienst, in de Geschiedenissen, in de Wiskunst, en in de zedelijke Wijsgeerte. Ik heb dat zoo vermaarde samenstelzel of kort begrip der Staatkunde gezien, 't geen hij tot gebruik des Vorsts hadt opgestelt: het voert den naam van Mabalda Libab Helil, 't welk in de Onderaardsche taal zeggen wil: Sleutel des Gemeenebests. Hetzelve behelst alleszins gewigtige en heilzaame Leerstukken, waar van ik 'er eenige nog heb onthouden, die de volgende zijn.
1. Niet ligtelijk geloof te staan aan beschuldigingen of loftuitingen; maar zijn oordeel op te schorten, tot dat men rijper kennisse van zaaken verkregen heeft.
2. Zoo iemant over eene misdaad aangeklaagd en daar van overtuigt is; moet onderzogt worden, of de schuldige voormaals iets goeds gedaan heeft; op dat aldus een overslag zijner goede en kwaade verrigtingen gemaakt, en, dezelve tegen elkanderen opgewogen zijnde, het vonnis eindelijk gevelt worde.
3. Op de Raaden die geen Ja-broêrs, maar gestadig Tegenspreekers zijn, kan zig de Souverain, als op de omzigtigde onderdanen, 't allerbest verlaaten: aangezien niemant zig in de waagschaal zal willen dellen om de waarheid te spreeken, ten zij hem de weiland van 't Vaderland meer dan zijn eigen welvaren ter harte gaa.
4. Dat 'er in den Raad geen andere worden gebragt, dan welgehuisde en gehoofde Lieden: aangezien derzelver welwezen met dat des Gemeenebests verknogt is: daar in tegendeel de gene die geen vaste goederen bezitten het Land niet voor hun Vaderland; maar, even als de reizigers, voor hunne herberg en optrek houden.
5. Men kan wel den dienst van eenen Man, die niet eerlijk is, voor eenen tijd gebruiken, zoo hij anderzins tot zekere zaaken bekwaamheid heeft; dog dien rijk te maaken of te begunstigen, is gantsch ongeraaden; nademaal een oneerlijk of gehaat man onder 's Vorsten gunstelingen aangenoomen zijnde, onder deszelfs bescherminge zig komen op te doen kwade ingezetenen, die zig indringen in Staatsbedieningen.
6. Die dikwils ten Hove komen, en zig gestadig in 's Vorsten Paleis laten zien, zijn grootelijks verdagt te houden; want de gene die al te dikwils, en zonder aldaar geroepen te zijn, den drempel van 't Hof betreden, zijn zulke, die of bereids een schelmstuk begaan hebben, of die 't zoeken te doen.
7. Die met de allerbrandendste begeerte naar eer-ampten staan, moeten niet dan met het geringste ampt begiftigd worden: want gelijk niemand eenen duit eischt, dan die arm is en gebrek lijdt; zoo staat ook niemand vieriglijk naar eerampten, ten zij de geen die zig door deugd en verdiensten geen agtinge heeft weeten te verkrijgen.
8. Het agtste leerstuk is van zeer groot nut; dog waar aan ik egter mijn zegel niet kon hangen, om het hatelijk voorbeeld, waar mede het zelve bekragtigt wordt. Geen Burger moet geheel en al onnut geoordeeld worden: want niemand is zoo bot of plomp, die niet, zoo 'er anderzins eene goede verkiezinge gedaan wordt, ergens toe nuttig is: ja zelfs in deeze of geene zaak zal uitmunten. Bij voorbeeld: de een heeft een schrander oordeel, de andere heeft veel vernuft: een derde munt uit in verstand, een vierde in ligchaams-kragten: dees is bekwaam om Rechter, gene om Beamptschrijver te zijn; die is scherpzinnig in iets uit te vinden, of iets te ontdekken, een ander wederom kloekmoedig om zaaken ter uitvoer te brengen: hierom zijn 'er weinige, die gezegt konnen worden nergens toe te deugen: want dat 'er zoo veele schepzelen zoo schijnen te zijn, is niet den Schepper te wijten, maar aan de gene, die niet genoeg naar behooren eens ieders kragten weten te onderkennen, en 'er daarom niet naar derzelver bekwaamheden van weten te oordeelen. Deeze stellinge bewijst hij met mijn voorbeeld, in deeze woorden: in onze dagen hebben wij gezien een Bovenaardsch schepzel, dat naar iedereens gevoelen, om deszelfs voorbarig vernuft, gehouden is geweest als onnuttelijk de aarde beslaande, daar 't egter, vermids het snel in 't gaan en rap ter been was, ons van groot nut is geweest. Niet zoo haast had ik dit Artikel gelezen, of ik zeide bij mij zelv': de voorreden is van een eerlijk man; dog het besluit en 't einde is van een schobbejak.
9. In de konst van regeering make men zijn voormaamste werk, dat de Vorst den Erfprins van een bekwaam Leermeester voorzie, en daar toe verkieze den geleerdsten en deugdzaamsten, vermids van 't onderwijs van den aanstaanden Opvolger het heil van den Staat afhangt: want 't geen wij in onze tedere jeugd leeren, gaat als tot de natuur over. Hier van daan is het noodzakelijk dat de Leermeester van den Vorstelijken Jongeling, een liefhebber van zijn Vaderland zij, en den Prins liefde tot zijne onderdanen inboezeme: want daar op moeten alle lessen, die hij zijnen leerling geeft, doelen en uitloopen.
10. Zeer noodig is 't, dat de Vorst den aart en inborst zijner onderdanen wel en te regt doorgronde, zig daar naar schikke, en zoo hij hunne misdagen tracht te verbeteren, dat hij zulks liever doe door voorbeelden dan door wetten.
Gebreken zullen ras tot ondeugd ons verwekken; Doorlugte daaden haast een spoor ter deugd versrekken, Als we in ons Vaderland die steeds in zwang zien gaan: 't Gedrag der grooten kleeft altijd de mind'ren aan.
11. Ledig-gangers en straat-slijpers zijn in den Staat niet te dulden: nademaal de gene die niets te doen hebben, 't Gemeenebest slegts tot een last zijn: want door naarstigheid en gestadige bezigheid neemt de Staat toe in magt, en de kwaade raadslagen en listige onderneemingen worden verstrooit, en verdwijnen. Hierom is het voor eenen Staat raadzamer, dat de onderdanen met onnutte zaaken, beuzelingen en spelen zig ophouden, dan dat zij zig aan de ledigheid, bronader van kwaade aanslagen, overgeven.
12. De pligt van den Vorst is, dat hij de eendragt bewaare onder zijne onderdanen; schoon hij niet kwalijk doet, wanneer hij eenigen naijver onder zijne Raaden voedt: aangezien op die wijze de waarheid menigmaalen ontdekt wordt: even gelijk een Rechter de waare gelegenheid des gedings ontwaar wordt uit het krakkeel der Advocaten.
13. Voorzigtiglijk handelt een Vorst, zoo hij in zaaken van belang het oordeel van alle zijne Raaden aanhoort: veiliger is het egter elk een zijner Raaden afzonderlijk te ondertasten, dan op een en den zelven tijd de gevoelens van den vollen Raad te overwegen: want in den vollen Raad, en daar een iegelijk zijn gevoelen opentlijk te kennen geeft, gebeurt het meestentijds, dat een welspreekend Raadsheer als door den droom zijner welspreekendheid de anderen medesleept, en aldus de Vorst, in plaats van veele, niet dan een eenig gevoelen komt te hooren.
14. Niet minder noodzakelijk zijn de straffen dan de belooningen: want door gene wordt het kwaad geduit, door deeze het goede aangekweekt. Hierom moet men een slegt kaerel, zoo hij iets heilzaams verrigt heeft, met belooningen aanwakkeren, op dat andere behoorlijk aangezet worden om hunne bedieningen wel waar te nemen.
15. In 't bevorderen tot eer ampten en staatsbedieningen wil hij dat men voornamentlijk lette, op de snedigheid: want schoon vroomheid en opregtigheid deugden zijn die zig zelven aanprijzen, zijn 't egter dezelve door welker schijn wij dikwils bedrogen worden: want elk een waant vroom te zijn, om dat hij weet dat door zulk voorgeven van deugd hem de weg gebaant wordt tot eer-ampten. Met dat zelve oogmerk waant elk een ook eerlijk en opregt te zijn. Voeg hier bij, dat men van eenes mans vroomheid en opregtigheid niet ligt een vonnis kan strijken, alvorens hij gevorderd is tot eene bedieninge, waarin hij, als op een openbaar tooneel, proeven zijner deugd staat te geven. Maar snedigheid kan men door een voorafgaand onderzoek, gemakkelijk ontdekken: want eenen domkop en weet niet, valt het zwaarder zijne domheid en onkunde te bedekken, dan eenen veinzer zijne ondeugendheid, of eenen guit zijne schelmerij. Wijders zijn bekwaamheid en eerlijkheid niet altijd tegenstrijdige deugden: ja zij worden beide ligtelijk in een en 't zelve mensch gevonden, even gelijk de domheid met de vroomheid niet altoos gepaard gaat. Maar indien een bekwaam man te gelijk vroom is, is hij in alle opzigten volmaakt. Een man die dom is, is of goed of kwaad: indien kwaad, zoo is het bekend, hoe veele wanschepzels de onkunde aankweekt, wanneer dezelve met boosaartigheid gepaart gaat; maar is hij goed, zoo kan hij om zijn domheid zijne deugden niet te pas brengen. En al is 't, dat hij zelf nog kan nog durft een schelmstuk ondernemen, zoo zal egter zijn slaaf of knegt, waar van hij zig bedient, dat ligtelijk bestaan: want eer heer van een landgoed, die een kwast is, heeft gemeenlijk een pagter die een looze vos is, en een domme Rechter heeft doorgaans eenen snedigen Beamptschrijver, die zonder vrees zijne schalkheid oeffent, nadien al zijn misbedrijf op zijns meesters rekening wordt gestelt. Daarom moet 'er voornamentlijk in 't uitdeelen der bedieningen op de snedigheid worden agt geslagen.
16. Niemant moet als eerzugtig ligtvaerdiglijk veroordeelt, nog om die reden alleen uit eer-ampten gehouden worden, om dat hij naar eene bedieninge staat, waar toe hij oordeelt bekwaamheid te hebben. Want zoo de Vorst zig in 't uitdeelen der ampten te zeer bindt aan dien regel, zal de eerzugtigste zelf het mom-aangezigt van nederigheid aandoen; verzekert zijnde, dat hij door dien weg te ligter zijn oogmerk zal bereiken; en de Vorst zal, tegen zijn voornemen, de allerijverigste bejagers van eer-ampten daar mede voorzien, om dat hij niet dan allerwege schijn-nederige beschouwt; dat is zulke, die, wanneer 'er een ampt openvalt, dat schijnen te vlieden, en zig te verstecken: ja die door hunne vrienden overal uitstrooijen, dat zij van alle waardigheden en staats-bedieningen eenen afkeer hebben. Hier brengt hij bij het voorbeeld van een zeker man, die bij 't open vallen van een aanzienlijk ampt, en 't geen hem de tanden niet weinig waterig hadt gemaakt, den Vorst met eenen brief deedt weten; Dat hem ter ooren gekoomen was, hoe zijne Doorlugtigheid besloten, hadt, met de waardigheid, waar naar andere zoo zeer haakten, hem te bekleeden; waarom hij die aanzienlijke bediening, waar toe hij bekende geen bekwaamheid te hebben, van de hand wees: ootmoedig verzoekende, dat een ander, die meer bekwaamheid hadt, daar mede werde begiftigt, vooral, wijl hij met zijnen staat vergenoegt zijnde, naar geen hooger zaaken stondt. Door welke betuiginge van nederigheid de Vorst zodanig bewogen wierdt, dat hij, tegen zijn voornemen, met die waardigheid begiftigde den genen die ze afsloeg. Dog 't leet niet lang, of hij ondervondt, dat hij door schijn van nederigheid om den tuin geleid was: naardien die nieuwe Amptenaar door hoogmoed en trotsheid alle andere verre te boven ging.
17. Eenen armen Raadsheer of Ontvanger, die meer schuldig is, dan hij betaalen kan, het bewind over de Schatkist te vertrouwen, is even zoo veel, als aan eenen uitgehongerden hond de spijskamer te bevelen. Het zelve heeft plaats in eenen rijken vrek: want gene heeft niets; en deeze nooit genoeg.
18. Geen Legaten of Stichtingen te bekragtigen, welke alleen dienen om luijen boomen den kost te verschaffen, of derzelver onkunde te koesteren. Hier van daan worden in alle Kloosters deezes Vorstendom en teffens in alle Collegien, niet anders aangenomen dan naarstige en spaarzame boomen; te weten zulke die door eenig handwerk het Gemeenebest ondersteunen, of door Studiën en Letter-oeffeningen de Maatschappij, waarvan zij leden zijn versieren konnen. Uitgezonden alleen eenige weinige Kloosters, die onderhoud geven aan boomen die uitgedragen, of door ouderdom verdort zijn: want die zijn, om hunnes ouderdoms wille, van allen arbeid ontslagen.
19. Wanneer 't met de ondeugden zoo verre gekomen is, dat zij eene verbeteringe van den Staat vereisschen, moet men als kruipende daar toe overgaan. Want alle verouderde gebreken eensklaps te willen uitroeijen, is even zoo veel, als of men eenen zieken een braakmiddel, eene buikzuivering en eene aderlatinge, op een en den zelven tijd, voorschreef.
20. Die alles stoutelijk belooven, en veele zaaken te gelijk op zig nemen, zijn of gekken, die hunne eigene kragten niet kennen, en het gewigt der zaaken niet beseffen, of kwade en verbasterde burgers die zig zelven en niet het Gemeenebest ten dienst staan. Een voorzigtig man meet zijne kragten af eer hij den jast op zig neemt, en een regtaartig onderdaan, welken de welvaart des Vaderlands ter harte gaat, weet al te wel, dat geen paard al loopende beslagen moet worden.
AGTSTE HOOFDSTUK.
Van de Hooge School.
In dit Vorstendom zijn drie Hooge Schoolen of Academiën, waar van de eerste is Potu, de tweede Keba, en de derde Nahami. De Wetenschappen die aldaar aangekweekt worden, zijn de Geschiedkunde, de Landbouw, de Wiskunde en de Rechtsgeleerdheid. Aangaande de Godgeleerdheid: dewijl dezelve zoo besnoeit en beknopt is, dat zij bijna in twee bladzijden vervat en opgestelt kan worden, en nademaal dezelve alleen deeze Leerstukken bevat, dat wij liefde en eerbied voor God hebben, die de Schepper en Bestierder van al het geschapene is, die in het toekomende leven de deugd beloonen en de ondeugd zal straffen; zoo is 'er geen Academische Studie, nog zij kan 'er ook niet wezen, vermits bij de wetten stiptelijk bevolen is, dat niemant over het Wezen of de Eigenschappen Gods zal hebben te disputeeren. Ook wordt de Geneeskunde hier onder de Academische Letter-oeffeningen niet gerekent: want overmits deeze boomen soberlijk leeven, zijn 'er de inwendige ziekten voor het meerder gedeelte onbekend. Van de Overnatuurkunde en van de hoogdravende Studiën zal ik niet spreeken, nademaal ik boven hebbe aangetoont, dat alle de gene die over de natuur des Goddelijken Wezens, over de hoedanigheid der Engelen, en over 't bestaan der Ziele disputeeren, na voorafgaande aderlatinge, in het publyke dol- of tugt-huis worden gezet.
De Academische Oeffeningen bestaan hier in: De jonge Studenten zijn gehouden in 't begin haarer Letter oeffeningen over te geeven eene ontleeding van die moeijelijke en fraaije geschilstukken. De zwarigheden die zij daar in staan op te lossen, worden hen op gezette tijden voorgestelt, zekere belooning gestelt zijnde voor den genen, die 't allergeleerdst en 't allerfraaist het raadzel weet op te lossen. Door deeze middelen wordt een iegelijk inderdaad aangespoort tot vordering, en speuren de Opzigters der Letter-oeffeningen na, hoe verre eens iegelijks bekwaamheid gaat, en in welke Wetenschap hij wat groots belooft. Niemant legt zig meer dan op eene Wetenschap uit: want zig in die alle te willen oeffenen, wordt bij hen voor 't werk van een zwak en onbestendig vernuft gehouden: en om deeze redenen is het, dat de Studiën aldaar, vermits dezelve zoo eng bepaalt zijn, binnen korten tijd tot rijpheid worden gebragt. De Leermeesters zelfs zijn gehouden jaarlijks proeven hunner geleerdheid te geven. Aan eenen Leeraar in de Zedekundige-Wijsgeerte wordt bevolen, het een of 't ander moeijelijk geschilstuk te verklaren: die in de Geschiedkunde, eene Historie of een gedeelte daar van op te stellen: den Huisman en Wiskundigen wordt opgelegt duistere zaaken na te speuren, en hunne wetenschappen door nieuwe uitvindingen licht bij te zetten. De proefstukken der Rechtsgeleerden bestaan in welgepaste en verstandig opgestelde redenvoeringen: want deeze alleen zijn genoodzaakt in de Rhetorica of Redeneerkunde zig te oeffenen; aangezien zij het alleen zijn, welken deeze oeffeningen in 't vervolg te passe komen, en tot het ampt van Advocaat, 't geen in kragten klem van welspreekendheid beslaat, bekwaam maken. Hierom was het, dat toen ik hen zeide, dat alle Academische Proefstukken bij ons in 't doen van eene redenvoeringe geschiedden, zij dat gebruik geheel en al verwierpen, zeggende; dat zoo alle handwerkslieden eene proef moesten geven met schoenen te maken, de meeste proefstukken onvoltooit en onbeschaaft voor den dag komen, en de schoenmakers alleen den prijs zouden wegdragen. Ik maakte maar alleen gewag van de redenvoeringen, niet durvende reppen van zintwistingen, vermits dezelve aldaar onder de Schouwspelen worden gerekent. De openbaare Leeraars onderwijzen aldaar op geen strenge of heerschagtige wijze, in zaaken die noodig zijn vermaant of geweten te worden, even gelijk het de manier is onder onze Wijsgeeren; maar geestige en aangename gelijkenissen uitgedagt hebbende, geeven zij als door een soort van betovering eenen indruk van de zaaken, die zij nuttiglijk hebben opgemerkt.
Het is verwonderlijk met welk eene deftigheid en luister de Academische Handelingen verrigt worden, en de Promotien hier geschieden: want men draagt 'er de aller uiterste zorg, dat 'er niets in de Academische Handelingen gevonden worde, 't geen oorzaak tot lachen geeven, of tot een soort van Schouwspel verstrekken kan: immers zij houden het daar voor, dat alle Academische Plegtigheden, van de Tooneelspelen te onderscheiden zijn in deftigheid en aanzienlijkheid, ten einde de Wetenschappen, door op eene onbetamelijke wijze behandeld te worden, niet in veragtinge komen. Hierom durfde ik geen gewag maken van de Plegtigheden, waar mede in onze Waereld de Promotien geschiedden, nademaal 'er uit 't geen mij te Keba was overkomen, toen ik onze Doctoraale Promotien beschreef, reden genoeg was, om 'er voor altoos van te zwijgen.
Behalven deeze Academiën hebben alle andere Steden haare hooge Kweek-schoolen, en mindere Schoolen, alwaar op de neigingen der vernuften naauwkeurig gelet wordt, om al vroeg te konnen zien, waar naar een iegelijk het hoofd staat te hangen, of in wat soort van Letter-oeffeningen hij de grootste hoop zal geven. Terwijl ik mijne leerjaaren in het Kweek-school te Keba doorbragt, had ik tot mijne makkers vier jongelingen, zoonen van den Opperpriester, welke alle in de Krijgskunde; vier andere van een Raadsheers geslagt, die in handwerken en ambagten; en twee jonge Dogters die in den Scheepvaart onderwezen wierden: want hier wordt enkel en alleen op der leerlingen geneigdheid, zonder onderscheid van staat of kunne, agt geslagen. De Bestierders der Kweek-schoolen, de vernuften grondig ondertast hebbende, geven een iegelijk een getuigenisse naar waarheid, gelijk wij boven vermeld hebben. Die getuigenissen worden gehouden voor zeer opregtelijk, en zonder aanzien van persoon verleent te zijn, schoon 't mij anders voorkwam: aangezien ik het getuigenisse dat mij van het Kweek-school te Keba afgegeven was, voor gek, onbetamelijk en onbillijk hield.
Niemant staat het hier vrij Boeken te schrijven, voor dat hij dertig jaaren oud, en van de Bestierders der Letter oeffeningen bekwaam daar toe geoordeelt is. Hierom komen 'er weinige, maar geleerde en zeer wel doorwrogte, schriften in 't licht: waarom ik ook, hebbende beneden mijne jaaren van onderscheid vijf of zes verhandelingen geschreven, dat aan niemant durfde zeggen, uit vreeze van uitgelachen te zullen worden.
Dit zij genoeg gezegt van den Inborst, Godsdienst, Staatkunde en Letter-oeffeningen deezes Volks. Daar is nog overig van eenige merkwaardige zaaken, en die deeze Natie eigen zijn, iets te melden.
Wanneer de eene boom den anderen tot een tweegevegt uitdaagt, wordt aan den uitdager voor altoos het gebruik der wapenen ontzegt, daarenboven wordt hem bevolen om als een kind onder voogdij te staan, vermids hij zijne driften geen meester is: geheel anders dan bij ons, alwaar zoodanige uitdagingen bekent, en voor teekenen van eenen heldenmoed gehouden worden, voornamentlijk in onze Noorsche Landen, in welke deeze kwaade gewoonten geboren zijn; nademaal de uitdagingen onder de Grieken, Romeinen, en andere oude Volkeren ten eenemaal onbekent zijn geweest.
In de Potuaansche Rechtsgeleerdheid heb ik dit zeldzaame stuk aangeteekent. De namen der gene die in een onderling rechtsgeding zijn, blijven voorde Rechters verborgen, en het geding zelf wordt niet beslist in de plaats alwaar het zijnen oorsprong heeft gekregen; maar wordt naar de afgelegenste Provinciën ter beslissinge verzonden. De reden deezer vreemde gewoonte is deeze: de ondervinding leert, dat veele Rechters zig door vereeringen laten omkoopen, of dat zij door eenzijdigheid vervoert worden. Derhalven meenen zij dat tegen zoodanige bekoringen 't allerbest voorzien wordt, wanneer de namen dergene die in geding zijn, verzwegen worden, en als de Aanlegger en Verweerder te gelijk met de zaaken, haave of erve waar over geschil is, onbekent blijven. Alleen worden de bewijsstukken voor en tegen aan scheidsmannen, naar 's Vorsten goeddunken, met eenige verkortingen en letters verzonden: bij voorbeeld: of A. die in 't bezit is, de zaak, door hem in bezit genomen, behoort weder te geven aan B. die dezelve eischt, en hem daar over in rechten vervolgt. Het ware te wenschen dat die manier bij ons was ingevoert, nademaal wij menigmalen ondervonden hebben wat partijschap of andere aanlokzelen op het gemoed der Rechters konnen te weeg brengen.
Het recht wordt onbedwongen en zonder aanzien van Persoon geoeffent. De Vorst alleen is ongehouden voor de Rechtbank te verschijnen. Maar zoo haast is hij niet dood, of de publyke aanklagers, anders gezegt 's Lands-Advocaten, zenden den Overledenen eene dagvaarding t'huis. Als dan worden in den vollen Raad de verrigtingen des afgestorven Vorsts onderzogt, en eindelijk een vonnis gevelt, 't welk naar gelang van des Overledens, verdiensten uit zekere bekortingen onderscheiden wordt. Die bekortingen zijn ten naasten bij de volgende. Loffelijk, niet onloffelijk; wel; niet kwalijk; duldelijk; tamelijk. Welke afgebroken woorden op de markt aan het volk door den openbaaren uitroeper worden voorgeleezen; en dat gedaan zijnde op des Overledens graf-tombe uitgehouwen. Van deze gewoonte geven de Potuaners deeze reden: dat namentlijk de Vorst, zoo lang hij in leven is, niet voor 't recht kan gedaagd worden, zonder opschuddingen en beroerten, aangezien men hem, zoo lang hij leeft, schuldig is eene blinde gehoorzaamheid, en eene geduurige eerbied, waar door een Staat staande gehouden wordt; dog dat dat verband, waar mede de Onderdanen aan hunne Souverainen verbonden zijn, ophoudt, zoo dra de Vorst komt aflijvig te worden, en dat ze om die reden als eenigermaten hun eigen meester geworden zijnde, ook zig zelven konnen bestieren. Door deeze heilzaame, schoon zeer zeldzaame, Wet, wordt 's Vorsten veiligheid gehandhaaft, de hoogheid des oppergezags niet benadeelt, en egter teffens betracht het welvaren van den Staat: want die characters, hoe zeer ook op den Overledenen toegepast, zijn egter prikkels tot de deugd voor de levenden, en het blijkt uit de Geschiedenissen van Potu dat 'er in den tijd van geheele vierhonderd jaaren agter een, slegts twee Vorsten zijn geweest, welke alleenlijk het laatste character, te weten dat van tamelijk, hebben weggedragen. Bijna alle de andere hebben dat van loffelijk, of niet onloffelijk verdient, gelijk de opschriften hunner tomben aantoonen, die nog gaaf en ongeschonden, en van den alverslindenden tijd bewaard zijn. Het character van tamelijk, dat in de Potuaansche taal door Rip-sac-si wordt uitgedrukt, verwekt zoodanige droefheid in de Vorstelijke Familie, dat de Opvolger van den overledenen Prins, en te gelijk zijn gantsche Huis, zes volle maanden daar over in den rouw gekleed gaan. En het is 'er zoo verre van daan, dat de opvolgende Vorsten op de Rechters, over derzelver onaangename vonnissen, eenigzins vertoornt zouden zijn, dat dezelve hen veel eer tot prikkels zijn, om loffelijk te regeeren; en om door deugd, voorzigtigheid, gerechtigheid en bescheidenheid, de vlekke, waar mede de Vorstelijke Familie besmet is, uit te wisschen.
De reden, waarom een van die twee Princen een met dat character getekent geweest is, was deeze: dat, hoe zeer ook die van Potu ervaren zijn in 't stuk der krijgskunde, zij egter niemand den oorlog aandoen; maar zig dapper verweeren, wanneer zij aangetast worden: waar door het ook geschied is, dat zij tusschen andere die in den oorlog zaten, scheidsmannen geworden zijn, en dat verscheide volkeren deezes Aardbols zig aan het regtmatig en vreedzaame gebied dezer Natie onderworpen hebben. Dog de Vorst Mekleta, de palen zijns gebieds willende uitbreiden, deedt zijne nabuuren den oorlog aan, en bragt ze eerlang te onder. Maar zoo veel die van Potu door den aanwasch van die overwonnen volkeren in magt toenamen, even zoo veel verlooren zij ook, wijl de genegenheid hunner nabuuren tot schrik en afgunst oversloeg: en die overgroote agtinge van regtmatigheid en billijkheid, waar door de Staat van Potu was magtig geworden en staande gebleven, zedert aan 't waggelen was geraakt: om welke redenen ook de Potuaners, om wederom de toegenegenheid van andere volkeren tot zig te trekken, de geheugenisse van den overleden Vorst met deeze vlekke gebrandmerkt hebben. Waar in nu de misslag van den anderen Vorst, mede met zodanig character beteekent, bestondt, is mij niet gebleken.
De openbaare Leeraars zijn de gene die bereids den derden ouderdom hebben bereikt. Om dit wat nader te verklaaren, moet men weeten, dat het leeven der boomen verdeeld wordt in drie soorten van ouderdom. De eerste is der gene die in landszaaken onderwezen worden. In den tweeden ouderdom stellen zij die zaaken te werk welke zij geleerd hebben; en in den derden, op eene eerlijke wijze van 's Lands dienst ontslagen zijnde, onderwijzen zij wederom andere. Hierom heeft niemant het recht om in 't openbaar te leeren, ten zij hij in landszaaken bejaard geworden is: wijl niemant geoordeeld worde leerstukken te konnen opgeven die op hunne beenen staan, ten zij alleen de gene die, door ondervinding, eene bondige kennisse daar van gekregen heeft.
Wanneer iemant, wegens een ergerlijk levensgedrag geschandvlekt zijnde, eenen treffelijken en voor den Staat heilzamen raad heeft opgegeven, wordt deszelfs naam verzwegen, op dat een goede raad niet bevlekt worde door den schandelijken raadgever; en men beveelt dien te stellen op den naam van eenen man van eere: aldus blijft de goede raad in stand, alleen met veranderinge van den schandelijken raadgever.
In het stuk des Godsdiensts heb ik ondervonden, dat het verboden is over de grondstukken des Geloofs, en vooral over 't Wezen en de Eigenschappen Gods te zintwisten; dog nopende andere zaaken zijn oordeel op te geven, en bijzondere gevoelens in overweginge voor te stellen, staat elk een vrij. De Potuanen zeggen, dat het nadeel dat uit zodanige twistredenen ontstaat, vergeleken kan worden bij de onweders die huizen en boomen om verre werpen; dog te gelijk de lugt zuiveren, bedervinge daar in voorkomen, en verhoeden, dat zij door al te lange stilte niet verrotte. De reden waarom zij zoo weinige Feestdagen hebben, is op dat het geslagt der boomen door ledigheid niet vadzig worde: want de Potuanen stellen vast, dat de Godsdienst meer bestaat in noodzaakelijke werken te verrigten, dan in bidden en geloften te doen. Van de Poëzy wordt 'er niet veel werk gemaakt, schoon het Vorstendom niet geheel en al van Dichters ontbloot is. Dog de Onderaardsche Poëzy verschilt, van Onrijm alleen in hoogdravendheid der taal; waarom zij ook als iets kinderlijks belachten, 't geen ik hen verhaalde van de voeten en het rijm onzer Vaarsen.
Onder de Leeraars van Potu zijn 'er, die Hoogleeraars van goeden smaak genoemt worden. Deezen is opgelegt te bezorgen dat de jeugd zig niet ophoude met wisjewasjes, of zaaken van weinig belang, op dat 'er geen ongezoute of straatgeschriften, die den goeden smaak bederven, voor den dag komen; en dat uit de Boeken, die gedrukt staan te worden, al 't geen tegen de gezonde reden aanloopt, uitgeligt worde. Om welke redenen alleen aldaar een gebod legt, dat de Boeken moeten onderzogt en nagezien worden; geheel anders dan in onze Waereld; alwaar zelfs van de allerbeste Onderzoekers de Boeken enkel en alleen opgehouden plegen te worden, om dat ze in de kraam der Regeering niet dienen, of om dat ze eenigzins afwijken van den aangenomen spraakstijl, of om dat 'er de menschelijke gebreken, al schertsende en naar waarheid, in worden doorgehaald: waar door het geschiedt, dat de Letter-oeffeningen gestuit, en de welopgestelde geschriften geen licht konnen geven. Maar vermits die van Potu eenen vrijen koophandel met hunne nabuuren hebben, sluipen 'er dikwils prulschriften, of die naar den smaak van 't slegt volkje opgestelt zijn, binnen. Hierom zijn 'er Onderzoekers aangesteld, die zig dagelijks in de Boekwinkels laten vinden. Zij worden Syla-Macatie, dat is Boekerijveegers, genaamt: want gelijk 'er in onze Waereld een soort van volk is, die de schoorsteenen en vuurovens jaarlijks vegen, zoo zoeken ook deeze Onderzoekers, na dat zij de Boeken, die te koop geveilt worden, doorsnuffelt hebben, 'er naauwkeuriglijk de prullen uit, en werpen al 't geen zij vinden lorren en vodden te zijn, alleen dienende om den goeden smaak te bederven, in de riolen. Hierom zeide ik in mij zelv': ô! wat zou dat eene slagtinge maaken onder de Boeken, zoo die instellinge in onze Waereld plaats hadt!
Maar boven al is te prijzen het toevoorzigt der gene, die uit den inborst der jeugd afneemen, welken levensloop dezelve te verkiezen staa: want gelijk het gehoor der Musikanten de allerminste ongelijkluidendheid der snaaren gewaar wordt; zoo weten ook deeze Kenners en Opzienders der deugden en gebreken, dikwils uit het star-oogen, uit het strak-houden of zamentrekken der wenkbrauwen, uit de somberheid, uit het vrolijk gelaat, uit den lach, uit de spraak, uit de agterhoudinge, en uit diergelijke zaaken, ligtelijk te oordeelen, wat een iegelijk dienstig, of tegen deszelfs natuur strijdig is.
Maar om weer van mij zelv' te spreken. Ik sleet mijnen tijd gantsch niet genoeglijk met deeze wonderbaarlijke boomen, welke ik ten spot en veragtinge verstrekte, om dat men mij nagaf dat ik van een vlug verstand was: ook nam ik zeer kwalijk op de schampscheuten die mij deswegens wierden toegeworpen: want door de bank heetten zij mij Skabba, dat is te zeggen, den gaauwert of den schielijkaart. Maar 't meest van allen stak mij in den krop, dat zelfs mijne waschvrouw zoodanig vonnis over mij streek, die, schoon zij van het uittrekzel van 't janhagel, en een rampzalige Lindeboom, geen penning waardig, was, egter geen zwaarigheid maakte om mij, met dien haatelijken naam te noemen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Reize van KLIM om de Planeet Nazar.
Na dat ik twee jaaren lang de moeijelijke bedieninge van Postlooper had waargenomen, en, belast met bevel-brieven, het geheele Landschap had doorgeloopen, kreeg ik eindelijk verdriet in mijn moeijelijk en te gelijk onwaardig ampt: waarom ik met smeekingen op smeekingen den doorlugtigen Vorst om mijn ontslag lastig viel, verzoekende teffens eene aanzienlijker bedieninge. Dog ik liep gestadig een blaauwen scheen, wijl de Vorst van gedagten was, dat mijne schouderen te zwak waren om een ampt van gewigt te torsschen. Ook haalde hij eenige wetten en gewoonten aan, regelregt strijdig met mijn verzoek, en welke tot hooge en gewigtige bedieningen alleen bekwame mannen vereischten: waarom hij zeide noodig te zijn, dat ik mijn eenmaal aanvaardde ampt bleef bedienen, tot dat ik door verdiensten mij den weg baande tot iets grooters; besluitende zijne redenen met deeze vermaning:
Die naar wat groots wil staan, die dient vooral te weten. Dat hij zig zelf steeds heeft met eigen maat te meten. Men wil dat van de Goon het groote KEN U ZELF Zij eertijds neergedaalt: ook pronkte Apoll's gewelf, Weleer met deeze spreuk Gij dan wilt dit gedenken, Betrachtend' uwen pligt......
Dit dubbel blaauwtje deedt mij een stout en wanhoopig besluit nemen. Zedert dien tijd trachtte ik wat nieuws uit te vinden, waar door ik de voortreffelijkheid van mijn verstand mogt toonen, en teffens den smaad, mij opgelegt, wegnemen. Ik had mij bijna een geheel jaar lang uitgelegt in 't doorsnuffelen der wetten en gewoonten deezes Vorstendoms, zullende onderstaan, of ik niet bij geval eenige gebreken, die verbetering noodig hadden, zoude konnen ontdekken. Ik had mijn voornemen aan zekeren Braambosch, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, en met welken ik van jok en ernst pleeg te praten, geopenbaart. Dees vondt mijne uitvindinge juist zoo vreemd niet; dog maakte veel zwarigheid of dezelve wel heilzaam voor den Staat zoude zijn. Het was, zeide hij, de pligt van een Verbeteraar, den aart en gesteldheid van het Land, dat hij trachtte te verbeteren, zig zelv' voor oogen te stellen: want een en dezelve zaak is van eenen gantsch verscheiden uitslag, volkeren, even gelijk een en het zelve geneesmiddel, waar door het eene lichaam herstelt wordt, gantsch schadelijk is aan 't andere. Voorts deedt hij mij zien, aan hoe groot een gevaar ik mij bloot gaf met deeze kans te wagen; dat de Raad stondt te vergaderen over mijn leven of dood, en dat het met mij gedaan was, zoo mijn aanraden van de Onderzoekers verworpen wierdt. Derhalven badt hij mij zeer, dat ik alles rijper wilde overwegen schoon hij mij van mijn voornemen niet geheel en al wilde afschrikken, nademaal het mogelijk was, dat ik, na rijp overleg, iets heilzaams, zoo voor mij zelv', als voorden Staat, kwam te ontdekken: volgende dan den raad van mijnen Vriend, rekte ik den tijd; en zedert mijn Postloopers-ampt met geduld waarnemende, doorliep ik, naar gewoonte, Landen en Steden. En op dat mij niet uit de geheugenis ginge, 't geen ik op reis had opgemerkt, gaf ik, alles in zoo goeden stijl, als 't in mijne magt was, aangetekent hebbende, den Vorst een Boek over dat niet klein was. Hoe zeer dit werk naar 's Vorsten smaak was, bleek terstont daar uit, dat hij mijnen arbeid in den Raad mee eene openbaare loftuitinge verhefte, en 't Boek naarstig hebbende doorgelezen, besloot, zig van mij te bedienen in 't ontdekken van de geheele Planeet Nazar. Ik had eene andere belooninge voor mijnen arbeid gewagt; waarom ik stillekens met den Digter zeide
De deugd wordt wel geprezen; Maar zelden loon bewezen.
Dog vermids ik gaarne van staat verandert had, en na mijne wederkomste, van 's Vorsten milddadigheid belooninge wagtte, was ik niet geheel en al onwillig om mijnen dienst toe te zeggen.
De Planeet Nazar, schoon ze in haaren omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche mijlen beslaat, schijnt egter van eene groote uitgestrektheid te zijn, wegens der inwoonderen langzaamheid van gang. Hier van daan is het, dat de meeste Gewesten, vooral die wat afgelegener zijn, deeze Onderaardlingen nog onbekent zijn: want geen een Potuaan is in staat om in den tijd van twee jaaren dien Bol te Voet om te reizen: daar ik het, wijl ik zeer wel ter been was, binnen den tijd van eene maand konde doen. Maar daar ik het meest benaauwt voor was, was, zoo als ik mij inbeeldde, de verscheidenheid van taal. Dog eenige gaven mij moed, betuigende dat alle de bewoonders der Planeet, hoe zeer ze kragtig verschilden in zeden, egter alle een en dezelve uitspraak hadden; en dat ook het geheele boomgeslagt opregt, vriendelijk, en goedertieren was, zulks ik, zonder eenig gevaar, de gantsche Planet zoude konnen omwandelen. Dit was een gewillig paard de sporen geven, en ik begaf mij op reis met het begin van de Populier-Maand.
De dingen die staan te volgen, zijn zoo verbazende, dat ze veel eer naar de versiersels der Digters, of zuivere harsschenschimmen schijnen te gelijken: vooral wijl die verscheidenheid zoo in lichaam ais in geest, welke ik op mijne reize ondervonden hebbe, zelfs, niet onder de onderling allerafgelegenste Volkeren, en die onder eene andere lugtstreek leeven, te wagten is. Dog men moet weten, dat de meeste Volkeren deezes Aardbols door zeeën en zee-engtens van malkanderen zijn gescheiden; en dat deeze Planeet een soort van Archipel vertoont. Zelden vaart men deeze zee-engtens over, en de veerluiden, die aan de oevers op de wagt staan, worden alleenlijk op die posten geplaatst om der reizigers wille: want de inwoonders zetten bijna nooit hunne voeten buiten de grenzen hunner geboorteplaats, en zoo zij door den nood gedwongen zijn die zee engtens over te vaaren, keeren zij welhaast weder terugge, als hebbende van stonden aan eene tegenheid in een vreemd gewest. Hier van daan is het, dat zoo veele Natien als men 'er heeft, men ook zoo veele nieuwe Waerelden vindt. Dog de voornaamste reden deezer ongelijkheid spruit uit den verscheiden aart des gronds, 't welk te zien is uit de verscheide kleuren der landerijen en der akkers, en uit de doorslaande ongelijkheid der planten, vrugten, en peulvrugten; zoo dat het geen wonder is dat in die verscheidenheid van landerijen en vrugten, ook zoo veel verscheidenheid in den inborst der inwoonders, en zoo veele verscheidene natuuren in dezelve te vinden zijn. In onze waereld is 'er weinig onderscheid van zeden, studien, kleuren, lichaamsform, zelfs in de Volkeren die onderling 't verst-afgelegen zijn. Want mitsdien de aart des gronds bijna overal dezelve is, behalven alleen dat de eene aarde vrugtbaarder is dan de andere, en dat ook de natuur der vrugten, der kruiden en des waters dezelve is, konnen 'er niet zoo veele Schepzelen van zoo verscheiden geslagt voortgebragt worden, als 'er op dien Onderaardschen Bol geboren worden, alwaar ieder stuk lands zijne bijzondere hoedanigheid heeft. Den vreemdelingen wordt 'er wel vergunt te reizen en koopmanschap te bedrijven; dog geenzins daar te woonen: ook kan het hen om den verscheiden en tegenstrijdigen aart der landstreeken niet toegestaan worden. Daar door komt het, dat alle vreemdelingen die men op den weg ontmoet, of reizigers zijn of kooplieden. De landstreeken egter, die aan 't Vorstendom Potu grenzen, zijn bijna alle van denzelven aart. Derzelver inwoonders hebben eertijds zeer zwaare oorlogen gevoert met die van Potu; dog thans staan zij, of met dezelve in onderling verbond, of t' ondergebragt zijnde, houden zij zig stil onder derzelver zagte regeeringe. Dog wanneer men eene groote zee engte, die den geheelen Bol klieft, oversteekt; ziet men nieuwe Waerelden; nieuwe en den Potuanen onbekende schepzelen. Dit alleen hebben zij gemeen met dat Vorstendom, dat alle de creaturen van dien geheelen Aardkloot, boomen zijn met verstand en reden begaafd, en ten naasten bij eene en dezelve uitspraak hebben, Daarom valt de reize niet moeijelijk, voornamentlijk, nademaal zij, om de veelheid der kooplieden of reizigers, die gewesten doortrekkende, gewoon zijn, allerlei creaturen van verscheiden geslagt, en die in 't geheel niet naar hen gelijken, te ontmoeten. Ik heb gemeent dit vooral niet te moeten vergeten: op dat niemand het volgende verhaal kome te verveelen, nog de verhaaler om zijne opgepronkte leugenen in regten worde betrokken.
Het zou te lang vallen, en 't is niet der moeite waart, alles, wat mij op deeze reize gebeurt is, in 't bijzonder, en volgens den draad der geschiedenisse, op te halen: mijn voornemen is alleenlijk te beschrijven de meest verwonderlijke Volkeren, in welker zeden en gewoonten ik niet weinige zaaken gevonden heb, die zoo ongewoon en verbaazende zijn, dat de Planeet Nazar uit dien hoofde onder de wonderwerken der waereld gerekent mag worden. Ik heb opgemerkt dat het geheele boomgeslagt in beschaafdheid, in verstand, en in deftigheid, weinig verschilt van de Potuanen; dog in gewoonten, geneigdheden en form van ligchaam zoo zeer verschillend is, dat elk gewest mij voorkwam als eene nieuwe waereld op zig zelven.
In de Provincie Quamfo, welke 't eerste Landschap is over de zee-engte, zijn de inwoonders aan geen ziekten of lichaamskwaal len onderhevig, maar leeven in eene genadige gezondheid tot dat ze oud en grijs zijn. Om die reden hield ik hen voor de gelukkigste aller schepzelen: dog uit den korten omgang dien ik met hen had, bespeurde ik, dat ik zeer in mijne meeninge bedrogen was geweest: aangezien gelijk ik onder de ingezetenen deezer Provincie niemant ooit droevig gezien heb, ik 'er ook niemant vergenoegt, laat staan blijde, vond: want gelijk wij geen aandoening hebben van eene heldere en getemperde lugt, ten zij wij bevorens storm en onweder hebben uitgestaan; zoo hebben ook deeze boomen geen bezef van hun geluk, om dat het altoosduurende en onafgebrooken is, niet wetende dat zij gezond zijn, om dat hen de ziekten onbekent zijn: invoegen zij hun leven doorbrengen in eene gestadige gezondheid, en te gelijk in eene geduurige laauwheid: want voorspoed zonder tegenspoed geraakt aan 't kwijnen door zatheid, en 't allergenoeglijkste leven is, daar het zoet met zuur getempert wordt. Ik kan betuigen in geene Natie onaangenaamer manieren, of kouder en onbeschaafder omgang ooit te hebben gevonden. Het is waar, de lieden zijn 'er opregt; dog egter zoo, dat ze nog, uwe toegenegenheid, nog uwen afkeer waardig zijn: gij hebt 'er voor niemants belediging te vreezen, nog iemants haat te wagten: kort om, gij zult hier niets vinden dat u mishaagt, nog iets dat u aanstaat. En nademaal die gestadige gezondheid des lichaams nooit het afbeeldzel van den dood onder 't oog brengt, of eenig medelijden met de ellendigen en bedrukten verwekt; zoo brengen zij ook gantsch laauw en zorgeloos, en zonder eenige hartelijkheid of ontferminge, hun geheele leven door: waarom 'er ook onder dat volk geen voetstap van Godvrugt, van teerhartigheid of meêdoogen te vinden is. Want gelijk de ziekten ons de sterflijkbeid herinneren, zoo spooren zij ons ook aan tot wel te leeven, en bevoelen ons op onze hoede te zijn, en reisvaardig te staan; en gelijk zij ons smerten aandoen, zoo leeren zij ons te gelijk ons te ontfermen over de gene die bezogt zijn. Hier door bespeurde ik ligtelijk, hoe zeer ons de ziekten en doodsgevaaren tot alle betragtinge van Godvrugt en onderlinge hulpe aanzetten: ja hoe onwaardiglijk wij ons vergrammen tegen den Schepper, wijl wij schijnen als geboren te zijn tot bezoekingen, die ons egter heilzaam en noodig zijn. Het staat egter te letten dat deeze Eiken, op andere plaatzen overgebragt zijnde, zoo wel als andere boomen, aan ziekten en zwakheden onderhevig zijn: waarom ik oordeele, dat dat groote gezondheids-voorregt, zoo 't anders daar voor gerekent mag worden, enkel en alleen aan de lugtstreek en 't voedzel moet worden toegeschreeven. De Provincie van Lalac, die ook den naam van Mascatta, dat is de gelukkige, genoemt wordt, schijnt met regt haaren naam te dragen; want alles komt daar van zelf voort.
De bloemen die van zelf uit d'aarde geurig sproten. De klei teelde ongebonwt, gewillig, onverdroten, Het weelig veld-gewas: het veld schonk, onvermoeit, De zwang're kooren-aar: de melk en nektar vloeit Als water: d'Eik in 't wild' scheen honingdauw te geven.
Maar dit uitsteekend voorregt maakt de inwoonders niet boven andere gelukkig. Want gelijk zij voor de kost niet behoeven te werken, worden ook de meeste van hen, vadzig zijnde door ledigheid en luiheid, geduurig met ziekten gekweld. Hier van daan sterven de meesten voor hunnen tijd, wijl zij door wormen en verrottinge bedorven zijn. De natuur deezer Landstreek verschafte mij geen geringe stoffe tot Wijsgeerige overdenkingen, en het bleek klaar uit den stand en gelegentheid deezes volks, dat handwerkslieden en de gene die dienstbaar zijn, in veele opzigten gelukkiger leeven, dan de gene die, nooit bekommert om hunnen leeftogt, hunne dagen in ledigheid en wellusten slijten.
De honger pleeg altijd de beste saus te wezen; En zelfs geringe spijs van d'eet-lust wordt geprezen: Een hongerige maag is haast de kost bereid, Die slegts aan d'overdaad verstrekt tot bitterheid: Het Koninglijk geregt naauw brasser kon behagen, Wiens zwakke voet ontzegt 't bedorven lijf te dragen.
Hier van daan zoo veele booze raadslagen, wanhoopige pogingen, en geweldigen dood. Want de overvloed waar in zij leeven, hen alle aandoeningen van smaak en geneugte benemende, verstrekt hen tot walging, en doet hen verdriet in hun leven krijgen; zulks dat Land, 't geen ik mij verbeeldde te zijn de woonstede der Gelukzaligen, mij niet anders voorkwam dan eene sombere verblijfplaats der dooden, waardiger beklaagt dan benijdt te worden.
Dit kwam in mij den lust verwekken Om haastig uit dit land te trekken.
Naast aan dit Landschap grenst het Gewest Mardak geheeten, bewoond wordende van Cypressenboomen, hebbende alle dezelve lichaams gedaante, en alleenlijk onderling onderscheiden door den ongelijken form hunner oogen: want sommige hebben dezelve langwerpig, andere vierkant: deeze hebben die zeer klein, gene wederom zeer groot; zodanig, dat ze bijna hun geheele voorhooft beslaan. Eenige worden met twee, andere met drie, en andere wederom met vier oogen geboren. Daar zijn 'er ook die maar één oog hebben; en welke men voor afzetzels van Polyphemus zoude groeten, ten ware zij hun oog in 't agterhooft niet hadden. Hiervandaan is het, dat zij naar gelang der verscheidenheid hunner oogen in even zoo veele Stammen worden verdeelt.
De Namen der Stammen zijn deeze navolgende.
1. Nagiri: dat is der gene die de oogen langwerpig hebben, en aan welke om die reden, alle voorwerpen langwerpig voorkomen. 2. Naquiri, welker oogen vierkantig zijn. 3. Talampi. Deeze hebben kleine oogen. 4. Iaraku, met twee oogen, van welke het een wat schuins staat. 5. Mehanki. Deeze hebben drie oogen. 6. Tarrafuki. Deeze hebben 'er vier. 7. Harramba. Welker oogen hun geheele voorhooft beslaan. 8. Skadolki. Deeze zijn 't die één oog in 't agterhooft hebben.
Van, alle deeze is de Stam der Nagiri, of der gene die langwerpige oogen hebben, en welken daarom alle voorwerpen ook langwerpig voorkomen, de talrijkste, en bij gevolg de magtigste. Uit deezen Stam alleen worden de Staats-regeerders, de Raadsheeren en de Priesters verkooren. Deeze alleen hebben alle bewind in handen, en laten niemant uit eenen anderen Stam toe Staats-ampten toe, ten zij hij betuige, dat zekere ronde schijf, de Zon toegewijd, en, op eene verheven plaats des Tempels gestelt, hem ook langwerpig voorkomt, en dat hij die belijdenisse met eede bevestige. Deze gewijdde schijf is het voornaamste voorwerp van den Mardakaanschen Godsdienst. Hier van daan is 't, dat de eerlijkste onderdanen, die zig niet willen hesmetten met de misdaad van meineedigheid, van alle Staatsbedieningen geweert, en voor geduurige spotternijen en vervolgingen blootgestelt worden; en hoe zeer zij betuigen dat zij gelooven moeten 't geen zij met hunne oogen zien, worden zij egter aangeklaagt, en 't geen een gebrek in de natuur is, wordt hen als kwaadaartigheid of koppigheid aangetegen.
Het Formulier van eedzweering, 't welk een iegelijk die tot bedieningen of eerampten staat toegelaten te worden, onderteekenen moet, is bijna van den volgenden inhoud:
Kaki Manasca Quihompu Miriac Jacku Mesinbrii Caphani Crukkia Manaskar Quebriac Krusundora.
Dat is: ik zweere dat de gewijdde Zonschijf mij langwerpig voorkomt, belovende in dat gevoelen tot mijnen laatsten levenssnik te zullen volharden.
Deezen eed afgelegt hebbende, worden zij verkieslijk verklaard tot bedieningen, en onder den Stam der Nagiri aangenomen.
Daags na mijne aankomste, terwijl ik, niets te verzuimen hebbende, over de markt ging wandelen, zag ik eenen ouden man wegbrengen om gegeesselt te worden, verzelt zijnde van eenen grooten troep Cypressenboomen die hem de huid vol scholden. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij geantwoort; dat hij een ketter was, en in 't openbaar geleert hadt, dat de Zon-schijf hem vierkant voorkwam; welk verderflijk gevoelen hij, niettegenstaande veelvuldige aanmaningen, halstarrig was blijven aankleven.
Om deeze reden, eene kans willende wagen, of ik ook regtzinnige oogen had, en binnen den Tempel der Zonne getreden zijnde, alwaar mij de gewijdde schijf ook vierkant scheen te zijn; gaf ik mijnen Huiswaard, die onlangs tot het fabryk-meesterschap der Stad verheven was, zulks openhartiglijk te kennen. Hij, mijn zeggen met een diep gezugt aanhoorende, betuigde mij dat dezelve hem ook vierkant voorkwam; dog dat hij zulks aan niemant hadt durven ontdekken, ten einde hem de regeerende Stam geen spel mogte maken, en hem zijne bedieninge afnemen.
Al beevende dan, en ter sluip, ging ik de Stad uit, vreezende dat ik misschien de misdaad mijner oogen met den rug zoude moeten boeten, of, met den haatelijken tytel van Ketter gebrandmerkt, op een schadelijke wijze daar uit gezet worden. Waarlijk, nooit kwamen mij eenige wetten zoo schrikkelijk voor, of eenige inzettingen meer barbaarsch en onredelijk; wijl ik zag, dat men enkel en alleen door veinzerij en meineedigheid zig eenen weg tot eerampten baande. Waarom ik ook, in 't Vorstendom Potu wedergekeert zijnde, zoo menigmaal ik gelegenheid had, mijne gal uitbraakte op die barbaarsche Republyk. Dog toen ik op zekeren tijd mijnen moed daar aan koelende, aan eenen Jeneverboom, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, mijne gramschap des wegen openbaarde, begon dezelve aldus, te spreken: "Voorzeker zullen aan ons de inzettingen der Nagiri dwaas en onbillijk voorkomen; dog laat het u niet vreemd schijnen, dat 'er om die verscheidenheid van oogen zulk eene groote strengheid geoefent wordt; nadien 't mij te binnen schiet u te hebben hooren zeggen, dat 'er in de meeste Staaten van Europa heerschende Familien gevonden worden, die uit hoofde van het gebrek des gezigts of des verstands, de andere te vuur en te zwaard vervolgen; en dat gij zoodanig bedwang, als Godvrugtig, en heilzaam voor den Staat, hooglijk kwam te roemen." Aanstonds begreep ik waar die doortrapte man met dat zeggen heen wilde; waarom ik beschaamt zijnde, van daar ging en zedert dien tijd altoos de verdraagzaamheid voorstaande, strijke ik een veel zagter vonnis over de gene die niet regtzinnig zijn.
Het Prinsdom Kimal wordt, om de rijkdommen die het bezit, voor 't magtigste van alle gehouden. Want behalven de Zilvermijnen, waar van 'er daar veele gevonden worden, wordt 'er eene groote menigte Gouds uit het zand der rivieren gehaalt: ook levert de nabuurige zee zeer veele Peerlen uit; dog dat in schatten alleen geen geluk gelegen is, heb ik, met dit volk wat naauwer te ondertasten, op de proef bevonden. Want zoo veele inwoonders als 'er zijn, zoo veele mijn gravers en duikelaars zijn 'er bijna, die op winst uit zijnde, tot eene geduurige slavernij, en tot den allerhardsten arbeid schijnen verwezen te zijn. De gene die van deezen arbeid bevrijd zijn, staan altoos op schildwagt om hunne schatten te bewaren; en het geheele landschap is zoodanig onveilig door roovers, dat niemant zig op reis durft begeven zonder eene lijfwagt.
Geen dag zoo heilig meer, dat 't steelen wordt verschooven. Verraad, bedrog, geweld en gierigheid staan boven. Men leeft alleen op roof: de huiswaart is in last, En aan zijn eigen haart niet veilig voor den gast. Geen schoonvaêr voor den zoon: getrouwe broederliefde Is zeldzaam: want de haat den eigen broeder griefde. De man verhaast zijn vrouws, de vrouw haar egaês dood. De booze stiefmoêr mengt vergift in ekelbrood. De zoon t' ontijde staat den Vader naar het leven. Godvrugtigheid heeft uit. Astrea wordt verdreven. De leste van de Goon, die angstig en bedugt, De waereld, rood van moord, ter naauwer nood ontvlugt.
Hier door is dat volk, dat van zijne nabuuren met nijdige oogen wordt aangezien, meer te beklagen, dan te benijden. Want vrees, agterdogt, wantrouwen en afgunst houden de gemoederen voor altoos gevangen, en de een ziet den anderen niet dan als eenen vijand en belager zijner goederen aan, zoo dat vrees, kommer, nagtbraken en een bleek wezen de vrugten en de oogst van dien geluk-staat zijn, waarop het Prinsdom Kimal zijnen roem draagt. Dit was de reden, dat ik dat gewest niet zonder vrees en moeilijkheid doorreisde; want op alle wegen en grensscheidingen wierd ik genoodzaakt aan de weg-wagters te zeggen, de oorzaak van mijne reize, mijnen naam, vaderland en diergelijke; en ik zag mij bloot gestelt aan alle die kwellingen, welke de reizigers pleegen te ondervinden in zulke plaatsen, daar men uit agterdogt naauw onderzoek doet. In dat Land is een brandende berg, waar uit als met gestadige golven onderaardsche vuuren worden uitgeworpen.
Na dat ik dit Prinsdom, 't ergste dat ik in mijnen gantschen togt ontmoet heb, doorgetrokken was, zettede ik gestadig Oostwaards aan mijne reize voort. Ik ontmoette allerwegen wellevende en beschaafde Volkeren, dog ook teffens zeer zeldzaame. Maar daar ik 't meest van allen over verwondert was, waren de inwoonders van het kleine Koningrijk Quamboia, welke de natuur met averegtsche zeden gevormt heeft, en wel zodanig, dat hoe iemant ouder wordt, hoe hij ook te gelijk darteler en wellustiger wordt, zulks de baldadigheid, geilheid en andere ondeugden, die elders in de bloeijendste jeugd doorgaans gevonden worden, aldaar met de jaaren toenemen. Derhalven wordt aldaar niemant eene staatsbediening toebetrouwt, dan die nog tot zijn veertigste jaar niet gekomen is: want niet zoo haast heeft hij dat bereikt, of men houdt hem voor eenen baldadigen jongen
Die onder 's moeders hard bedwang Geweest is, al zijn leven lang.
Ik zag 'er die grijs van ouderdom waren, overal langs de straat loopen rinkelrooijen, en hunnen tijd met kinderspel doorbrengen.
Ik zag 'er eenige die maakten poppenhuisjes: Bespanden 't wagentje met tweepaar kleine muisjes: En 't paar of onpaar 's spel was anderer tijdverdrijf, Die niet te paard reên op een rietje onder 't lijf.
Ik zag ook dat dezelve menigmaalen van kinderen daar over berispt, ja zelfs met zweepen naar huis gedreven wierden. Ik zag eenen afgeleefden grijsaard openlijk op de markt eenen drijftol voortzweepen, of met eenen hoepel speelen; en die zelve persoon was voortijds een zeer deftig man, en President van den Grooten Raad geweest. Deeze verkeertheid hebbe ik zoo wel in de vrouwelijke als manlijke Sexe gevonden: en daar van daan komt het, dat een jongeling een oud besje trouwende, zelfs het lot van Acteon van allen man voorspelt wordt, 't geen regelregt strijdig is met het geen bij ons voorvalt, alwaar een grijsaart een piep jonge vrijster trouwende, bang is, dat hem hoorns opgezet zullen worden. Ik ontmoette eens twee stok-oude mannen die al kaal waren, t' zamen vegtende op de markt; mij verwonderende over hunne hevigheid, zoo ongewoon in dien ouderdom, en vragende naar de oorzaak van dat tweegevegt, wierdt mij geantwoord, dat 'er krakeel tusschen hen gerezen was over eene hoer, welke zij beide in een hoerhuis tot hunne devotie gehad hadden. Die mij dat verhaalden voegden 'er bij, dat men hen strengelijk met roeden de billen zoude geesselen, zoo haast hunne voogden en bestierders die baldadigheid zoude ter ooren zijn gekomen. Nog dien zelven avond kwam mij ter ooren dat eene oude Matroone zig verhangen hadt, om dat zij aan eenen jongen Beukeboom, waarop zij smoorlijk verlieft was, een blaauwtje geloopen hadt.
Deeze averegtsche levenswijze vereischt ook averegtsche Wetten: daarom wordt 'er in dat Kapittel der Wet, die van de voogdijen handelt, aan niemant de beheering zijner goederen toegedaan, ten zij hij beneden de veertig jaaren oud zij. Wijders worden geene handelingen, aangegaan bij de gene die boven de veertig jaaren zijn, voor wettig gehouden, ten zij dezelve door hunne kinderen of voogden bekragtigt zijn. In het Kapittel van de afhankelijkheid worden deeze woorden gevonden: Dat Grijsaarts en oude Besjes gehoorzaam zijn aan het bevel hunner kinderen. Hier door is het, dat de gene die in bedieningen zijn even voor hun veertigste jaar pleegen afgedankt te worden.
Hen wordt van hoogerhand en magt en regt benomen. 't Bestier der Ouden moet aan jongelingen komen Die hen de naaste zijn in maagschap....
Ik dagt, dat het niet raadzaam voor mij was, langer in dat Land te verblijven, alwaar ik, zoo ik anders nog tien jaaren levens had, door 't bevel der Wet, zoude gedwongen zijn, weder kinds te worden.
In 't Landschap Cocklecu wierdt eene gewoonte, die niet minder verkeert is, en bij de Europische Volkeren grootelijks afgekeurt wordt, onderhouden. Die averegtsche levenswijze spruit niet uit de Natuur, maar alleen uit de Wetten voort. Alle inwoonders deezes Lands, zoo mannen als vrouwen, zijn Jeneverboomen; dog de mannen alleen zijn verwezen tot huiswerk, en alle andere geringe bezigheden. In oorlogs-tijden worden zij wel tot den krijgsdienst opgeschreven; dog bereiken daar in zelden hooger trap, dan dien van slegt Soldaat; vermits 'er weinige zijn, die tot een Vaandel geraken: ook is het Vaandrigsampt de hoogste waardigheid in den krijgsdienst, daar een manboom naar staan kan. Daarentegen worden de vrouwen de zwaarwigtigste zaaken, zoo in het burgerlijke als in het geestelijke, mitsgaders in het geen den krijg betreft, aanbevolen. Ik lachte onlangs met die van Potu, dat zij in 't uitdeelen der bedieningen geen onderscheid van Kunne maken; dog dit Volk scheen mij met den kop gekwelt te zijn, en tegen de Natuur te handelen. Om de waarheid te zeggen, ik kon de toegevendheid der mannen in mijn hoofd niet krijgen, welke, daar zij in ligchaams-kragten verre voor leggen, zig egter zulk een onwaardig jok lieten opleggen, en zoo veele eeuwen lang dien smaat hebben moeten opkroppen; daar het zeer ligt zoude vallen dat jok af te schudden, zoo zij die vrouwelijke Tyranny slegts wilden of durfden ontzenuwen. Dog die verouderde gewoonte hadt zoo zeer hunne gemoederen verblindt, dat het niemant in de gedagten kwam, eene kans te wagen om dien smaat weg te nemen: ja dat zij zelfs van meeninge waren, dat het de Natuur zoo beschikt hadt, dat de wijven baas moesten wezen, en dat de mannen maar moesten weven, bijslapen, spinnen, het huis schrobben, en wat rug-op krijgen. De bewijsredenen, waar mede het vrouwvolk dit gebruik tracht goed te maken, zijn deeze: overmits de Natuur het manvolk met ligchaams-kragten begaaft, en hunne ledematen tot zwaaren arbeid bekwaam gemaakt heeft, is 't zeer waarschijnlijk, dat zij alleen het geslagt der mannen tot geringen en zwaaren arbeid geschikt heeft, 't Verbaasde de Vreemdelingen, wanneer zij in een huis komende, aldaar de vrouw van 't huis zagen, zittende in haar boek-vertrek met eenen schrijfpriem en een handboekje; dog den man door de keuken warende, en potten en pannen schuurende. En zeker, in wat huis ik ook kwam, om met den man te spreeken, ik wierd naar de keuken gewezen: alwaar
De een het zilver wascht, en d'andere schuurt den pot: Een derde reinigt zelfs het honde- en varkenskot; Terwijl 't heerschzugtig wijf al bulderende den vroomen Hals met een' bullepees, vast dreigt op 't lijf te komen.
Van deeze averegtsche levenswijze zag ik zeer gevaarlijke gewrogten. Want gelijk men in andere Landen baldadige en geile snollen vindt, die voor een stuivertje haar lichaam ten besten geven, en haare kuischheid te koop dragen, zoo verhuuren zig ook hier de jongelingen, en 't manvolk voor een nagtje, en huuren ten dien einde bordeelen, welke, door opschriften en hoeragtige uithangborden boven de deuren, bekent zijn. Die zelve, wanneer zij al te openbaar en onbeschaamdelijk hunnen hoerenhandel drijven worden vastgezet, en, even als oude hoeren in 't openbaar met roeden gegeesselt. Daarentegen vrouwen van aanzien en jonge dogters zien het manvolk op straat onder de oogen, knikken die toe, wenken hen, schuiffelen die na, schelden hen, roepen ze, vallen ze lastig, schrijven lofgedigtjes boven hunne deuren; en belijdende openlijk haare Venusjankerijen, zijn 'er als op zoo veele overwinningen moedig op, even gelijk bij ons de dertele jongelingen al pochende pleegen op te tellen hoe veele vrijsters en vrouwen zij al onder de knie gehad hebben. Wijders wordt het nog vrouwen nog dogters voor oneer gerekent, dat zij den jongelingen eenige verliefde gedigtjes of kleine presentjes aanbieden; dog deeze veinzen koel en zedig te zijn, daar het integendeel den jongelingen fraai staat, wanneer dezelve, op de driftige aanzoekingen der jonge dogters, terstont gereed zijn. Niet weinig beweging was 'er ter zelver tijd over eens Raadsheers zoon, die door een jonge dogter onteert was. Men sprak van dat meisje om dat stuk overal zeer kwalijk; en ik hoorde dat de vrienden des jongelings onder zig mompelden, dat men de jonge dogter zonder uitstel in rechten stondt te vervolgen, en dat zij in de naaste zittinge zoude gevonnist worden hem te moeten trouwen en zijne eere op te leggen: vooral, wijl geene wettige getuigen ontbraken, dat de jongeling, welken de vrijster tot ongeoorloofden minnehandel vervoert hadt, bevorens was geweest van een onbesproken levensgedrag. Terwijl ik met deeze Jenever-boomen omging, dorst ik deeze averegtsche levenswijze niet openlijk tegenspreken. Maar toen ik uit de voornaamste Stad vertrok, zeide ik tegen eenige, dat men aldaar tegen de Natuur te werk ging, vermids het volgens het algemeen regt, en naar het gevoelen van alle Volkeren, vastging, dat de mannelijke Sexe geschapen was tot hooge en gewigtige bezigheden. Waar op zij mij te gemoet voerden, dat ik de gewoonte en de inzettingen met de Natuur vermengde, nademaal de zwakheden, die men in de vrouwelijke Sexe gewaar wordt, alleen voortvloeijen uit de opvoedinge, 't geen wel 't meest bleek uit de gesteltheid en wijze van dat Gemeenebest, alwaar men in 't vrouwvolk zoodanige deugden en gemoedsgaven zag uitblinken, welke de mannen elders zig zelven alleen toeëigenen. Want de Cocklekuaansche vrouwen zijn zedig, deftig, verstandig, standvastig, en stilzwijgende; daar het manvolk in tegendeel ligt vaardig, schielijk en snapagtig is; waarom ook, wanneer 'er iets vreemds verhaalt wordt, men aldaar het spreekwoord gebruikt, dat het mans grollen zijn; en wanneer 'er iets schielijk en onbedagtelijk uitgevoert is, zeggen de inwoonders, dat men der mannelijke zwakheid iet moet toegeven. Dog met deeze bewijsredenen nam ik geen genoegen; maar oordeelde dat deeze averegtsche wijze van leven, wanhebbelijk, en geheel en al strijdig was tegen de Natuur. De verontwaardiging, welke mij de trotschheid van 't vrouwvolk in 't hart als ingedrukt hadt, was oorzaak van het ongelukkig voornoemen, 't welk ik nam een weinig tijds na mijne wederkomste: een voornemen, 't geen mij zoo veele moeilijkheden veroorzaakt heeft, zoo als ik te zijner plaatse zal melden.
Onder de pragtigste gebouwen deezer Stad was het Koninglijke Vrouwen getimmer, voorzien met driehonderd zoo mannen als jongelingen, van de allerschoonste gedaante en geest, welke alle gehouden wierden op kosten der Koningin, en tot haaren wellust dienden. Hoorende dat de gestalte mijns lichaams van eenige zeer geprezen wierdt, en vreezende door de Oploopers in dat Vrouwen-getimmer te zullen gebragt worden, verhaastte ik mijn vertrek, en
.... De vrees scheen, onder 't rekken, Aan mijne voeten nog voor vleugels te verstrekken.
Aan dit Vorstendom grenst het Landschap der Philosophen, aldus genoemt van deszelfs inwoonders die in de wijsgeerte en andere spitsvinnige wetenschappen als geheel en al verzopen liggen. Ik brandde van ongeduld om dat land te zien, wijl ik mij het zelve verbeeldde als het middelpunt aller wetenschappen en de waare verblijfplaats der Zang-godinnen. Hier dagt ik niet te vinden akkers en weilanden, maar wel aaneengeschakelde tuinen,
Versiert en flonkerende met allerleie bloemen, Zoo schoon dat Flora zelv' daar op zou mogen roemen.
En geheel met dit denkbeeld ingenomen, stapte ik wakker aan, tellende op mijne vingers de uuren en oogenblikken. De paden waar langs ik ging, waren steenagtig en moeilijk door gragten en kuilen, zoo dat ik nu eens langs steilten, dan wederom door moerassen, en overzulks tot mijn middel toe nat, vermits 'er geen bruggen waren, gekwetst en bemoddert voortsukkelde. Dog tegen deeze moeilijkheden was ik wel gehard, wetende dat men langs ruuwe en ongebaande wegen naar het gestarnte klimt. Na dat ik dan een gantsch uur lang met deeze moeilijkheden geworstelt had, kwam mij een boer tegemoet, welken ik beleeft aansprekende vraagde, hoe verre ik nog van Mascattia, of 't Landschap der Philosophen was. Zijn antwoord was: dat ik liever vraagen zoude, hoe veel wegs ik nog hadde af te leggen, aangezien ik bereids midden in dat gewest was. Verbaast zijnde door dit antwoord: hoe komt het, hernam ik, dat een Land, alleen door Philosophen bewoont, eer de gedaante van afschuuwelijke kreupelbosschen, dan van een welbebouwd gewest heeft? Daar op antwoordde hij, dat de gedaante van dat land binnen korten tijd beter zoude wezen, zoo haast de inwoonders den tijd zouden hebben, om zig met diergelijke kleinigheden op te houden; maar dat zij thans alle alleenlijk bezig waren met boven-maansche zaaken, en wel inzonderheid om eenen weg naar de Zonne uit te vinden: en dat men derhalven behoorde door de vingeren te zien dat zij het land voor eenigen tijd onbebouwd lieten: want dat het niet gemakkelijk viel te gelijk te blaazen en te slorpen. Aanstonds begreep ik waar de redenen van dien doorslepen boer op doelden; en, mijnen weg vervolgende kwam ik eindelijk aan de Hoofstad Cuskam. In de poorten der Stad zag ik dat 'er, in plaats van eene wagt, gansen, hoenderen, vogelnesten en spinnewebben waren. Door de straaten der Stad waarden allerwegen Philosophen en Varkens, waar van de eerstgemelde alleen door hunne ligchaams-gedaante onderscheiden waren van de Varkens, zijnde anderszins door morsigheid en ontijigheid aan dezelve gantsch gelijk. Alle de Philosophen droegen het zelve soort van mantels; dog van wat kleur die waren, viel mij onmogelijk te onderkennen, wijl dezelve met stof en slijk bedekt waren. Eenen derzelven, welken ik, gantsch opgetogen in zijne gedagten, regt toe op mij zag aankomen, sprak ik aldus aan: Ik bid u, Meester, zeg mij tog hoe deeze Stad genoemd wordt. Maar hij bleef onbeweeglijk staan als een paal; en niet eens zijn gezigt verdraaijende, als of hem de ziel uit het lichaam verhuist was, stondt hij lang zonder zig te verroeren, dog eindelijk zijne oogen naar den hemel slaande, antwoordde hij mij: wij zijn niet verre van den middag. Zulk een gekkelijk antwoord, te kennen gevende eene wonderlijke verstrooijing van gedagten, deedt mij zien, dat het beter is matelijk te studeeren, dan door al te groote geleerdheid te kolderen. Daarop stapte ik naar binnen de Stad, willende zien of 'er behalven de Pnilosophen, ook menschen of redelijke schepzelen te vinden waren. De markt der Stad, die zeer groot was, pronkte met standbeelden en pilaaren onderscheiden door tytels en opschriften. Ik wendde mij derwaards, om te zien of ik eenige puntdigten daar onder leezen konde. Dog terwijl ik al mijn verstand daar aan te kosten lag, voelde ik dat mijn rug warm en vogtig wierdt. Waarom ik, agterwaards ziende, om den oorsprong van dien warmen vloed te ontdekken, gewaar wierd dat een Philosooph mij 't geheele agterlijf bepiste; want hij, in gedagten opgetogen zijnde, nam mij voor een standbeeld, waartegen hij gewoon was zijne blaas te ontlasten. Ik, dien smaad niet konnende verdragen, vooral wijl die Philosooph daar over luidkeels begon te lachen, gaf hem eene lustige muilpeer; waarop hij, zwellende van gramschap, mij in de lokken vloog, en mij al schreeuwende de geheele markt over sleepte. Dog toen ik zag dat hij niet tot bedaren te brengen was, stelde ik mij in postuur, en betaalde hem met gelijke munt, invoegen wij malkanderen niets schuldig bleeven. Eindelijk, en na een scherp gevegt, geraakten beide de kampvegters onder den voet. Op dat gezigt schoten onnoemlijk veel Philosophen toe, en als verwoed aanvallende, sleepten zij mij, met vuisten en stokken deerlijk van lid tot lid afgerost en bijna zieltogend' zijnde, bij 't hair over de geheele markt. Eindelijk moede, maar niet verzadigt, van slaan zijnde, bragten zij mij naar een groot huis, en toen ik mij met de voeten tegen de deur tegenhield, halstarrig weigerende daar binnen te treden, trokken zij mij hals over kop als een schreeuwend varken daar binnen, leggende mij midden op den vloer op mijnen rugge. Alles lag in dat huis overhoop en 't onderste boven, en 't was 'er niet anders gesteld, dan wanneer het bij ons naar St. Michiel of Paasschen gaat, wanneer alle meubelen en huisraad, staande om naar een ander huis overgevoert te worden, hol over bol onder een geworpen worden. Toen was 't, dat ik onze wijsaarts ootmoedig begon te bidden, dat zij tog hunnen toorn wilden matigen, en zig laaten bewegen tot barmhartigheid, hen vertoonende, hoe onbetaamelijk het was voor wijsgeeren en menschen die verstand wilden hebben, als wilde dieren te worden, en de hartstogten, waarop zij 't zoo pleegen geladen te hebben, den al te ruimen teugel te vieren. Dog ik klopte vooreen doov'mans deur: want de Philosooph die mij den rug zoo bepist hadt, begon wederom het gevegt, en sloeg en beukte mij zoo ellendig, als of hij een aambeeld hadt voorgehad, zodanig dat hij niet scheen te kunnen bevredigt worden dan door mijnen dood. Toen ondervond ik dat 'er geen verwoeder dier is, dan een vergramde Philosooph, en dat de gene die 't allermeest van deugd schreeuwen, dezelve 't minst betrachten.
Want dit uitzinnig dier, ô, schrik! van geen bedaaren Meer wist; maar woedde al voort: 't bloed kookt' hem in zijn' aêren.
Ten lange laatsten kwamen 'er vier Philosophen binnen treden, welker mantels te kennen gaven dat zij van eene bijzondere gezinte waren. Deeze de dreigementen der woedende menigte met hand en mond ter nederzettende, scheenen met mijnen staat medelijden te hebben; en na dat zij met de andere ter zijde afgesproken hadden, bragten zij mij over in een ander huis. Ik was blijde dat ik verlost was uit de klaauwen van die struikroovers, en eerlijke lieden ontmoet had; en lag hen op hun verzoek de oorzaak deezer opschuddingen in 't breede uit. Zij, grimlachende op 't hooren van zulk een klugtig voorval, zeiden, dat de Philosophen gewoon waren, als zij op de markt wandelden, tegen die standbeelden te pissen, en dat het waarschijnlijk was, dat mijn bespringer, staroogende op zijne Philosophische bespiegelingen, mij voor zulk een standbeeld genomen hadt. Voorts zeiden zij dat hij een zeer vermaard Sterrekijker was, en dat de overige, die mijne schouders zoo toegedekt hadden, Leeraars in de zedelijke Wijsgeerte waren. Nu dagt ik in eene behouden haven en alle gevaar ontkomen te zijn, luisterende met groot vermaak naar die en andere hunner, vertellingen. Dog het al te naauwkeurig beschouwen mijner gestalte, gaf mij eenigzins kwaad vermoeden. Wijders waren de dikwils herhaalde ondervragingen, die zij mij deden, naar mijnen staat, naar de oorzaak mijner reize, en naar mijn vaderland, mitsgaders de stille rugspraak, mij zoo veele voortekenen van een aanstaande ongeluk. Dog ik stierf bijna van schrik, wanneer ik in een soort van eene Snijkamer wierd geflooten, alwaar ik eenen overgrooten hoop doodsbeenderen en lijken opgestapelt zag, die dat gantsche vertrek vervulden met eenen afschuwelijken stank. Ik dagt in 't eerst niet anders dan dat het eene spelonke van moordenaars was; maar de Anatomische instrumenten, die tegen de muuren hingen, verminderden allengskens dien schrik, vermits het daar uit bleek, dat mijn huiswaard een Geneesheer of Chirurgijn was. Na dat ik in dit rasphuis een half uur lang alleen gezeten had, en zonder mij te durven verroeren, tradt 'er eene aanzienelijke vrouw binnen met het middagmaal, 't geen zij voor mij bereid hadt. Zij scheen zeer vriendelijk te wezen; dog met bedaardheid mij aanziende, zugtte zij zomtijds zeer zwaar; en toen ik naar de oorzaak haarer droefheid vraagde, antwoordde zij, dat mijn aanstaande lot haar dit zugten afperste. Gij zijt, sprak zij, in een fatsoenlijk huis gekomen; want mijn man, die Heer van dit Eiland is, is alhier tot openbaar Stads Natuurkundige[1] en Leeraar in de Geneeskunde aangestelt, en de andere die gij gezien hebt, zijn zijne amptgenoten. Dog deeze, verwondert over de ongewoone gestalte uwes lichaams, hebben besloten, het onderstel van het zelve, en daar benevens uwe ingewanden, naauwkeurig te onderzoeken en, uw lichaam ontledigende, te zien, of zij daar in iets nieuws, tot opheldering der Ontleedkunde, konnen ontdekken. Deeze woorden deeden mijn hart en ziel trillen, waarom ik eenen vervaarlijken schreeuw gevende, uitriep: wel! Mevrouw, hoe kan men hen braave lieden noemen, die een onnozel en eerlijk man niet schromen den buik op te snijden? Waarop zij wederom zeide: