← Table of contents
De onderaardsche reis van Klaas Klim

LODEWIJK VAN HOLBERG, (continued 3)

Reading edition

Hadt g'uwen vinger eerst hier in den grond gesteken, Wel honderd mijlen verr' waart gij van hier geweken.

Dit niet tegenstaande zijt gij onder de handen van fatsoenlijke lieden, die niets ter kwaader trouw, zullen ondernemen maar enkel en alleen, uit liefde om de Ontleedkunde op te helderen, besloten hebben dat stuk werks aan u te onderstaan. Hierop antwoordde ik, dat ik liever had van moordenaars vrijgelaten, dan van fatsoenlijke lieden aan stukken te worden gesneden, en ter stond voor haar op mijne knieën vallende, niet zonder overvloedige traanen te storten, bad ik haar vóór mij ten besten te willen spreeken. Haar antwoord was: weinig zal u mijn ten besten spreeken helpen tegen 't besluit der Faculteit, 't geen onwederroepelijk pleeg te zijn; dog ik zal door een ander middel trachten u den dood te ontrukken. Dit zeggende nam zij mij bij de hand, en leidende mij, die beefde als een juffers hondtje, door eene agter-deur, vergezelschapte zij mij tot aan de poort der Stad. Daar trachtte ik van mijne behoudster afscheid zullende nemen, met de welspreekendste taal die ik ooit geleerd had, mijn dankbaar hart, zoo als 't behoorde, te betuigen; dog zij viel mij al in den beginne in mijne woorden, betuigende dat zij niet zoude weggaan, alvorens zij mij in alle veiligheid zag, en voer voort mij op zijde te blijven, hoe zeer ik mij daar tegen stelde. Terwijl wij t'zamen voortgingen hadden wij verscheide discoursen over den staat van dat gewest, en ik luisterde met opene ooren toe. Dog eindelijk viel zij op te verhaal, dat mij weinig aangenaam was, vermits ik daar uit afnam, dat zij voor haaren bewezen dienst iets verzogt, 't geen mij zedelijker wijze onmogelijk was haar toe te staan. Want zij vertoonde mij op eene zielroerende wijze, hoe ongelukkig het lot der aanzienlijke vrouwen in dat gewest was, nademaal deeze Philosophische Schoolmeesters, verzopen leggende in de studien, geheel en al de huwelijks pligten verzuimden. "Ik kan, zeide zij, onder eede betuigen, dat wij 'er om koud waren, zoo niet dees en gene eerlijke en mededogende vreemdeling onze ellenden verzagtte, en aan de kwalen, waar aan wij jammerlijk gaan kwijnen, somtijds de hand tot genezinge sloeg". Ik hield mij als gek, en al niet te konnen verstaan waar zij met die stigtelijke praatjes heen wilde: ja ik begon braaf aan te stappen; dog mijne koelheid deedt haaren brand des te meer ontvlammen. Waarom?

Na zij mij langen tijd haar lijden had vertelt: Is 't smeeken te vergeefs? zoo dient 'er dan geweld. Dus boezemdz' uit, en komt, met ongebonden vlegten En opgestroopten arm, mijn' tronie straks bevegten.

Daar benevens verweet zij mij mijne ondankbaarheid. Dog vermits ik egter niet naliet mijnen weg te vervorderen, vatte zij de slip van mijnen rok, en trachtte mij, die 'er tegen worstelde, staande te houden. Ik toen 't geweld te baat nemende, maakte Mevrouw uit de handen te komen, en wijl ik gaauwer ter been was, was ik in 't kort uit haar gezigt. Hoedanig zij toen in razernij op mij ontsteken wierd, kon ik uit de woorden kaki spolaki, dat is, gij ondankbaare hond, welke zij mij gestadig naschreeuwde, gemakkelijk afnemen. Maar haare scheldwoorden met eene Spartaansche edelmoedigheid opkroppende, was ik blijde, dat ik uit dit land der Wijzen, waar aan ik niet zonder schrik kan denken, genoegzaam heels huids ontkomen was.

Het naast-aangrenzende gewest is de Provincie Nakir, hebbende eene Stad of overgroot Dorp dat eveneens genoemt wordt, en waar van ik niet veel zeggen kan, vermits ik met zoo grooten haast als mij mogelijk was, alle Landschappen, grenzende aan dat der Philosophen, voorbij liep, haastende mij naar zulke volkeren die weinig werks maakten van de Philosophie en vooral van de ontleedkunde. Want zoodanig zat 'er mij de schrik van in de leden, dat ik al wie mij maar op den weg ommoette, vraagde, of hij een Philosooph was; ook waarden mij die lijken en Anatomische instrumenten nog langen tijd in de gedagten. De inwoonders van het Dorp Nakir scheenen mij zeer gespraakzaam: want alle die mij tegen kwamen, boden mij hunnen dienst, hoezeer ongevraagd, aan, met eene breede betuiginge van haare eerlijkheid. Om de waarheid te zeggen, ik vond die betuigingen gantsch belachelijk, wijl ik hen geen teeken altoos van kwaad vermoeden had laten blijken, of iemants opregtheid ooit of ooit in twijfel had getrokken. Dog toen ik aan eenige had te kennen gegeven dat ik niet konde begrijpen, waar toe zij alle die zelve betuigingen, met bijgevoegden eede, zoo dikwils herhaalden; ontmoette ik, zoo als ik het Dorp uitgetreden was; eenen reiziger, langzaam voortgaande en zugtende onder den last van zijn pak. Zoo haast als hij mij zag, stondt hij stil, vragende, waar ik van daan kwam; maar toen ik hem zeide, dat ik onlangs het dorp Nakir was doorgegaan, wenschte hij mij geluk dat ik 'er zonder kleerscheuren uitgekomen was, vermits de inwoonders, bekent door hunne dieve-streken, de reizigers niet dan naakt en bloot pleegen te laten vertrekken. Ik gaf daar op ten antwoord, dat, zoo hunne daden met hunne woorden overeenkwamen, zij zeer opregte lieden moesten zijn, vermits ieder een, hoe zeer ongevraagd, op zijne eerlijkheid, met duure eeden, pochte. Waar op hij lachende, mij zeide; wagt u, dat gij u niet te veel vertrouwt op de gene die zoo breed afgeven van hunne eige eerlijkheid; maar vooral op zulke, die den Duivel tot getuigen daar van nemen. Deeze vermaning heb ik lang in mijn hart bewaart, en op de proef ondervonden dat die Onderaardling mij wel te regt gewaarschuwt hadt: waarom ik ook, wanneer een schuldenaar mij op zijne eer zweert, de onder handelinge afbreeke en 't geleende wedereische.

Aan de landpalen van dit gewest gekomen, zag ik een water, ros van kleur, aan welks oever eene roeischuit die te huur was, gereed lag om af te konnen varen, en waar mede men voor een prijsje naar het Land der Reden kon oversteken. Over de vragt afgesproken hebbende, stapte ik in de schuit, en nam met het meeste genoegen der waereld de reis aan: want de Onderaardsche schepen worden door verborgen werktuigen zonder eenig toedoen des bootsvolks voortgedreven, en klieven het water met eene ongelooflijke snelheid. Aan land gezet zijnde, zag ik naar eenen kruijer, en ging onder deszelfs geleide naar de Stad der Reden. Onder weg zijnde, wierd ik door mijnen reisbroeder van de gelegenheid derzelve, en van den aart der inwoonders genoegzaam onderrigt: ik vernam dat alle de burgers, niemant uitgezonderd, Reden-konstenaars[2] waren, en dat deeze Stad de waare zitplaats der Reden was, en daar van den naam ontleent hadt. Binnen de Stad getreden, ondervond ik waaragtig te wezen, 't geen hij mij daar van gezegt hadt: aangezien ieder burger, om de spitsvinnigheid van zijn verstand, om zijne deftigheid en gemaakte staatigheid, mij een Raadsheer scheen te zijn: waarom ik, mijne handen hemelwaards heffende, uitriep: ô drie-ja vierwerf gelukkig land, daar niet dan Catoos geboren worden. Maar toen ik de gelegenheid der Stad wat naauwkeuriger bezigtigde, wierd ik gewaar, dat veele dingen aldaar slordig behandelt wierden, en dat het Gemeenebest, door gebrek aan gekken, als ging kwijnen. Want nademaal de ingezetenen alles in de schaal der Reden opwegen, en door geene schoone beloften, glimpende redenen, of aanlokzelen zig omzetten laten; zijn de beweegredenen, waar door de gemoederen der onderdanen tot die doorlugtige, en, voor het Gemeenebest heilzame, poogingen, met gemak, en zonder kosten van 't Gemeen aangespoort worden, aldaar verre te zoeken.

De onheilen in den Staat; voortvloeiende uit dat naauwkeurig onderzoek, wierden mij, op eene hartbrekende wijze, door eenen bedienden der Finantien, aangetoont met deeze woorden: hier verschilt de eene boom niets van den anderen, dan alleen in naam en in gestalte des lichaams. Men vindt hier geen naijver onder de Burgerij, vermits 'er geen kans is, om eenig kenteeken van onderscheid te krijgen, en niemant schijnt wijs te zijn, vermits zij 't alle zijn. 't Is waar, de gekheid is eene ondeugd; maar egter niet te wenschen, dat ze 'er in 't geheel niet gevonden worde. Dat is genoeg voor eenen Staat, dat 'er zoo veele verstandige als Staats-ampten in zijn. Dat 'er dan Regenten zijn; maar laaten 'er ook teffens zijn die geregeert worden. 't Geen de Regeerders van andere Staaten door enkele beuzelingen en speelpoppen weten te krijgen, konnen de onze niet meester worden dan door waaragtige belooningen, die doorgaans de schatkist ledig maaken. Want voor den dienst aan 't Vaderland bewezen, eisschen de Verstandige het pit; daar de gekken zig met den dop laten paaien. Zoo brengt, bij voorbeeld, het uitdeelen der eerampten en tytels, waar aan de gekken als aan zoo veel verlokkend aas hangen blijven, en tot het ondernemen der zwaarste zaken aangezet worden; weinig te weeg bij eene Burgerij die zig laat voorstaan, dat de waare agting en de regte eer niet dan alleen door deugd en innerlijke waardij verkregen kan worden; en die zig derhalven door glimpende beloften nooit bij den neus laten leiden. Wijders wordt bij u het Krijgsvolk aangezet om alle gevaren voor 't Vaderland te ondergaan, op hoop dat, na hunnen dood, hunne namen in de Jaarboeken zullen leeven; maar bij ons rekenen zij dat voor gehoorstreelingen, wijl hen de spreekwijze, te weten: inderdaad te sterven, dog in de geschiedenissen te leeven, 't eenemaal onbekend is; 't enkel ijdelheid agtende voor de gene die 't niet meer hooren kunnen, dat hun lof opgehaalt wordt. Ik ga voorbij zeer veele andere onheilen, welke uit een al te naauw onderzoek van zaken voortkomen, en welke genoegzaam aantoonen, dal het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij: want daar door wordt in den Burgerstaat het zelve te weeg gebragt, 't geen het zuur in de maag doet, waar van wij, ziek zijnde, te weinig of te veel hebben.

Terwijl hij dit zeide hoorde ik hem niet zonder de uiterste verwondering aan; maar toen hij mij uit naam van den Raad het Burgerschap aanboodt, en mij aldaar neer te zetten een- en andermaal verzogt, wierd ik beschaamt, vermoedende dat dat verzoek voortkwam uit eene opgevatte meeninge van mijne gekheid, en dat hij mij voor 't zuur nam, 't geen een Staat, kwijnende door al te veel wijshoofden, zoo noodig heeft: en ik wierd in dat vermoeden versterkt, toen ik verstond dat de Raad besloten hadt een groot getal Burgers naar de Volkplantingen te zenden, en, om het zelve wederom vol te maken, even zoo veele gekken van de nabuurige Volkeren te ontleenen. Hierom vertrok ik gestoort uit die redeneerende Stad. Dog lang maalde mij in het hoofd die Onderaardsche zetregel, onzen Staatkundigen voor als nog onbekent, te weten: dat het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij. Ik verwonderde mij, dat zulk eene heilzaame lesse aan de Philosophen van onzen Aardbol zoo lang onbekent was gebleven. Maar mogelijk is ze aan eenige bekent geweest; dog die dezelve onder de Staatkundige lessen niet hebben willen brengen, nadien de gekken bij ons het meeste brood eeten, en 'er ('t zij zonder iemant te beledigen gezegt) geen Dorp of Stad is, die aan dat heilzaame zuur gebrek heeft.

Na dat ik een weinig uitgerust had, begaf ik mij wederom op reis, doorloopende verscheide Gewesten, welke ik met stilzwijgen voorbijgaa, nademaal mij aldaar niets vreemds, of 't geen men ook elders niet vindt, ontmoette. Toen dagt ik dat 'er voortaan op de Planeet Nazar niets wonderlijks meer zoude te vinden zijn; dog toen ik in 't land, Cabak geheeten, mijne voeten zettede, ontdekte ik nieuwe wanschepzels, en wel zoodanige die alle geloof schijnen te boven te gaan. Onder de inwoonders deezes Landschaps zijn 'er eenige die hoofdeloos, en ook zonder hoofd geboren zijn. Zij spreeken door eenen mond; die midden op hunne borst staat: om welke reden, en uit hoofde van welk natuurlijk gebrek, zij zig ook onthouden van alle moeielijke bedieningen en daar harssenen toe vereischt worden; want zwaare zaaken konnen niet wel betrouwt worden als aan zulke daar een hoofd op staat. De bedieningen waartoe zij gebruikt worden, zijn meerendeels Ampten aan 't Hof. Hierom worden de Kamerlingen, Hofmeesters, Bewaarders der Vrouwentimmers, en de Deurwaarders meestentijds genomen uit de bende der hoofdeloozen. Daar uit worden ook gekooren de Pedellen, Kosters, en met een woord alle zulke, welker bedieningen eenigermate zonder harssenen verrigt konnen worden. Ook worden 'er wel eenige van hen, door eene bijzondere gunst der Magistraat, en om de verdiensten hunner Voorouders, in de Regeeringe genomen, 't geen zonder gevaar van het Gemenebest al kan geschieden, nademaal de ondervinding leert, dat de gantsche klem en het gezag van den Raad alleenlijk berust in weinige Raadsheeren, en dat de rest maar bijloopers zijn, en alleen nuttig om 't geen door de andere besloten is, te ondertekenen. Zoo waren in de Vroedschap der Stad, ter deezer tijd, twee hoofdelooze Leden; dog welke daarom niet te min hunne bezoldinge trokken. Want schoon ze om hun natuurlijk gebrek harssenloos zijn, zoo kunnen ze egter ja zeggen, en te gelijk met de andere hunne stemmen geven; hier in gelukkiger zijnde dan hunne Amptgenoten, dat niemant die zijn proces verliest, zulks de hoofdeloozen wijt, maar alle zijne gal op de anderen komt uit te braaken. Hier uit bleek het ook, dat het menigmaal 't veiligst is zonder hoofd geboren te worden. Deeze Stad behoeft in pragt en nuttigheid voor weinige andere van dien Aardbol te wijken. Zij heeft een Hof, eene Universiteit, en pragtige Tempels.

In beide de andere Provinciën, waarin ik naderhand kwam, te weten in Cambara en in Spelek, zijn alle de inwoonders Lindeboomen. Dog zij verschillen daar in, dat de eerstgenoemde niet boven de vier jaaren levens hebben, daar de laatste zeer oud worden: want zij bereiken gemeenlijk boven de vierhonderd jaaren. Hier van daan komt het, dat gij aldaar veele Groot-vaêrs, Oud-groot-vaêrs, Over—oud—groot-vaêrs en Bet-over-oud-groot-vaêrs ziet; dat gij 'er oude vertellingjes en verhaalen van den ouden tijd hoort; en dat gij daar komende, meenen zoudt, dat gij al voor eenige eeuwen gebooren waart. Zoo zeer ik nu 't lot der eersten beklaagde, zoo zeer agtte ik deeze gelukkig. Dog na dat ik de gelegenheid dier beide volkeren wat nader beschouwt had, zag ik, dat ik in mijn oordeel bedrogen was. Dusdanig was de Haat van de Provincie Cambara. Ieder inwoonder komt binnen weinige maanden na zijne geboorte tot den volkomen wasdom, zoo zijns lichaams als zijns verstands; invoegen het eerste jaar tot deszelfs vorming genoeg zoude zijn, en hem de andere niet, dan om zig ter dood te bereiden, schijnen vergunt te wezen. En vermits het aldus met de zaaken gelegen was, vertoonde dat Landschap als 't ware een soort van een waaragtig Platonisch Gemeenebest, waarin alle deugden tot volkomen rijpheid gebragt zijn. Want gelijk zij, uit hoofde van de kortheid des levens, als geduurig reisvaardig staande, dit leven niet anders aanmerken, dan als de deur, waar door zij schielijk tot het andere leven overgaan; zoo zweeft hen ook de beeldtenis van den staat des toekomenden levens meer voor oogen, dan die van het tegenwoordige; waarom 'er ook een ieder voor een waaragtig Wijsgeer kon gehouden worden, die, zig niet bekommerende met aardsche zaaken, alleenlijk trachtte naar den schat die duurzaam en onverganklijk is, bestaande in deugd, Godvrugt, en eenen goeden naam. Kortom, dit scheen het Land der Engelen, of de verblijfplaats der Heiligen, en de waare school, waar in deugd en Godvrugt 't allerbest geleerd wierden. Hier uit blijkt, hoe onbillijk de klagten der gene zijn, die klagen over de kortheid des levens; en uit dien hoofde met God als in geding komen. Want ons leven kan kort genoemt worden, om dat wij 't meerder gedeelte daar van in ledigheid en wellust doorbrengen: en het zelve zoude langduurig genoeg wezen, zoo anders de tijd beter besteed wierdt.

Maar in dat andere Gewest, alwaar de leeftijd boven vier eeuwen haalen kon, zag ik alle gebreken, die onder 't menschelijk geslagt bekent zijn, op den throon zitten. Alleenlijk hielden zij het tegenwoordige, als ware het zelve eeuwig en onvergankelijk, voor oogen. Waarom ook

De Schaamte, Waarheid, Trouw en Eerbaarheid verstooven. Verraad, Geweld, Bedrog en Gierigheid staan boven.

Voorts brengt die langduurigheid des levens nog een ander doodlijk gewrogt voort. Want de gene die door 't verlies hunner goederen schade geleden hadden, of in hunne leden verminkt, of ook wel die in ongeneeslijke ziekten vervallen waren, pleegen, met eene bevende stemme, den levensloop voor lang en van te traagen voortgang te beschuldigen, en eindelijk de handen aan zig zelf te leggen, vermits zij, om de langduurigheid des levens, geen uitkomst van smerte zagen: want de kortheid des levens is voor de ellendige en moedelooze de allerkragtigste troost. Beide die Gewesten gaven mij stoffe tot verwonderinge; en ik vertrok daar niet uit, dan overstelpt met Philosophische bespiegelingen.

Ik vervolgde mijne reize langs steilten en woeste plaatsen waar langs men naar het Gewest der onnozelheid gaat, dat gemeenlijk Spalank geheten wordt. Dit Landschap wierdt aldus genaamt van de eenvoudigheid en vreedzamen inborst der Ingezetenen. Alle waren zij breedbladige Eiken, en wierden voor de gelukkigste aller Stervelingen gehouden: want zij waren aan geen driften, of hartstogten onderhevig, en vervolgens bevrijd van alle gebreken.

............Elk gezint Ter deugd, uit zijnen aart regtvaardigheid bemint: Ook zonder dwang van wet. Men wist van vrees, nog straffen: Men hadt met halsgeregt of boeijen niet te schaffen. Het volk ontzag versaagt des Regters opzigt niet; Maar leefde veilig, vrij van vierschaaren verdriet. Men hoorde geen trompet nog krommen hoorn steeken: Men voerde helm nog zwaard: het volk, in alle streeken Zat vreedzaam, zonder krijg......

In dit Land gekomen, bevond ik dat alles waar was, wat mij bij gerugte daar van ter ooren gekomen was, te weten: dat de deugden door de geneigtheden der menschen, en niet door de wetten aangekweekt worden. Hier zag ik Nijd, Begeerlijkheid, Gramschap, Haat, Hoogmoed, Eerzugt, Tweedragt, en verder alle ondeugden, onder de menschen bekend, verbannen. Dog te gelijk met de ondeugden ontbraken 'er veele andere dingen, welke geagt worden Stervelingen grootelijks te versieren en de redelijke schepzelen van het onvernuftig vee te onderscheiden. Behalven de Godgeleerdheid, Natuurkunde en Sterrekunde, waren ook alle Konsten en Weetenschappen onbekent. De Regtsgeleerdheid, Staatkunde, Geschiedenissen. Zedekunde, Wiskunde, en veele andere Wetenschappen waren hen zelfs niet met den naam bekent. En nademaal de Nijd en Eerzugt onder hen niet gevonden werden, was 'er ook geen naijver die tot alle groote en voortreffelijke zaaken een spoor pleeg te zijn. Hier waren geen Paleizen nog pragtige Gebouwen, geen Raadkamers, geen Markten nog Rijkdommen: en vermits 'er geen Magistraten waren, waren 'er ook geen Processen: ja zelfs was 'er de heb-lust niet. Om niet veele woorden te gebruiken, daar waren geen ondeugden, en te gelijk waren 'er geen sieraaden, geen konsten, geen luister, en oneindige andere zaaken, die, onder den naam van deugden voorkomende, de Burgerlijke samenlevinge aangenaam, en de menschen beschaaft en geslepen maken: invoegen ik veel meer in eene warande van breedbladige Eikenboomen, dan in een Burgerstaat scheen te zijn. Hierom stond ik lang in twijfel, wat ik van dat volk maken zoude, en of deeze Natuurstaat den mensen wel wenschelijk was. Eindelijk nogtans overwegende dat het beter was een onbeschaafd dan ondeugend leven te leiden, en dat, met de onbedreevenheid in sommige wetenschappen, ook te gelijk niet gevonden wierden stroperijen, diefstallen, doodslagen, en andere euveldaden, die dikwijls ziel en lichaam beide verderven; agtte ik dezen staat gelukkig. Terwijl ik op mijn gemak en zonder zorg dit Gewest doorwandelde, stootte ik met den enkel van mijn linkerbeen, tegen eenen steen, waar door ik 'er eene zwaare wonde en groote zwelling aan kreeg. Zeker huisman dit ziende, kwam terstont toegelopen, en lag 'er een zeker kruid, dat hij met de hand geplukt hadt, op, waar door de pijn schielijk verzagtte, en de zwelling begon te slinken. Daar uit kon ik afnemen dat dit volk ervaren was in de Geneeskunde; ook bedroog mij mijne gissing niet; want overmits de Letter-oeffeningen der Spalankers zoo naauw bepaalt zijn, zijn zij niet te vreden met den bast, zoo als wel onze geleerden in allerlei soort van wetenschappen[3] zijn; maar zij doorzoeken alles ten naauwsten. Toen ik mijnen Geneesheer, over zijne hulp aan mij bewezen, bedankte, zeggende, dat God het aan hem zoude vergelden; antwoordde hij mij zoo zakelijk, zoo geleerd, en zoo Godvrugtig, schoon met eenvoudige en boersche bewoording, dat ik mij verbeeldde eenen Goddelijken man of eenen Engel in de gedaante van eenen boom te zien. Hier uit bleek, hoe zeer wij ten onregte gestoort worden op de gene die belijdenis van onverschilligheid doen, welke wij, terwijl zij niets verlangen, nergens smerte over hebben, nergens over gestoort of verblijd zijn; maar alle pligten, voortkomende uit de hartstogten, besnoeit en afgelegt hebben,—gelooven oud en grijs te worden met een vadzig, uitgeleeft, en als ontzenuwt lichaam. Dog nog veel meer bleek het hoe zeer zij dwalen, die den stervelingen als eene noodzakelijkheid van ondeugden aantijgen, die de gramschap de wetsteen der dapperheid, den naijver het spoor der naarstigheid, en het wantrouwen de voedster der voorzigtigheid stellen te zijn; aangezien uit kwade eijeren niet dan kwade kuikens voortkomen, en de meeste deugden, waarop de menschen trots zijn, en die wij met lofgezangen verbreiden, eer schandvlekken dan sieraaden zijn, wanneer wij dezelve met wijsgeerige oogen beschouwen.

Uit dit Land vertrekkende, nam ik mijne reize door de Provincie Kiliac, alwaar de inwoonders geboren worden met zekere teekenen op het voorhoofd gedrukt, te kennen gevende 't getal der jaaren welke zij te leeven hebben. Deeze agtte ik almede gelukkig: aangezien 'er niemant in 't bedrijf der zonde onverhoeds door den dood overvallen wordt. Maar aangezien ieder een de vastgestelde sterfdag bekent was, stelden zij de bekeering uit tot op den laatsten tijd huns levens. Alwaarom ook, wanneer men onder hen een vroom en eerlijk man zag, dezelve zodanig een was, welken de tekenen te kennen gaven, dat het tijd was om den aftogt te blaazen. Ik zag 'er eenige allerwege met hangende hoofden door de Stad gaan; welke alle nabij den dood waren, tellende de dagen en oogenblikken op hunne vingers, en 't aannaderend' laatste uurtje met verschrikkinge te gemoet ziende. Dit deedt mij zien, dat de Schepper ook wijslijk daar in voorzien hadt: en ik oordeelde 't voor de schepzelen best te wezen, dat hen de uure des doods onbekent was.

Dit Gewest al mede doorreisd hebbende, stak ik eene zee—engte, welkers kleur zwart was, met eene boot over, en kwam in het Land van Askarak. Hier deeden zig nieuwe wanschepzels aan mijn gezigt op: want gelijk het land Cabak schepzelen zonder hoofd uitlevert, zoo komen ook eenige inwoonders deezes Gewests met zeven hoofden voor den dag. Deeze zijn bij uitnemenheid in allerlei wetenschappen ervaren, en wierden eertijds door de andere burgers, om zulke groote natuurgaven bijna met Goddelijke eere geëert, dermate dat uit hunne bende alleen de Veld-Oversten, de Burgemeesters, de Raadsheeren en de Regters gekoren wierden. Dog vermits dezelve, zoo veele hoofden zij hadden, ook van zoo veele verscheide inborsten waren, namen zij wel wakker en kloekmoedig verscheide bedieningen te gelijk waar, en lieten, zoo lang zij de teugels der regeering in handen hadden, niets onbezogt; maar om dat zij zoo veele zaaken te, gelijk bij de hand hadden, en om die zoo verschillende, en in een eenigen ingezeten zoo strijdige, denkbeelden, begonnen zijn alles overhoop te werpen; en daar kwam, bij vervolg van tijd, zoo groote verwarringe van zaaken, dat 'er eene geheele eeuwe noodig was, om de beroerten, welke die, alles kundig zijnde, Magistraat verwekt hadt, ten eenemaal te stillen. Daarom wierdt 'er bij eene wet vastgestelt, dat de zevenkoppige ten eeuwige dage van alle gewigtige en van alle Staatszaken zig hadden te onthouden; en dat het Gemeenebest in 't vervolg van eenvoudiger lieden, dat is van zulke die niet meer dan een eenig hoofd hadden, zoude geregeert worden. Hierom is 't, dat de gene die eertijds voor zulke bekwame mannen, en zelfs den Goden bijna gelijk, gerekent wierden, tegenwoordig bijna in denzelven staat zijn, als de hoofdelooze in 't Landschap Cabak. Want gelijk deeze, in 't geheel geen hoofd hebbende, niets konnen uitregten; zoo doen ook gene, om hunne veelhoofdigheid, alles verkeert; en om deeze redenen worden onze zevenhoofdige, uit alle Staats-ampten gezet zijnde, oud en grijs, zonder ergens toe in bedenken te komen. Zij dienen egter eenigermate tot een sieraad van 't Gemeenebest, aangezien zij, even als tooneelspelers, allerwege omgevoert worden om haare konsten te toonen, en te doen zien hoe mild de Natuur geweest is in hen toe te stellen; dog zoo dezelve zoo kwistig niet was geweest, en hen alleen een eenig hoofd gegeven hadt, zoude men die veel goedertierener konnen noemen. Uit het geheele geslagt der zevenhoofdige waren 'er toen ter tijd niet meer dan drie in bedieningen; dog zij waren ook daar toe niet toegelaaten dan na 't afhouwen van zes hoofden, waar door het gebeurt, dat 'er maar een hoofd overblijvende, de verwarde denkbeelden, waar aan zij onderhevig waren, verdwijnen, en zij wederom tot redelijk verstand gebragt worden, even gelijk de boomsnoeijers dikwils eenige takken afkappen, waardoor de nog overblijvende sterker en gezonder worden. Egter staan zeer weinige onder de zevenhoofdige deeze proef uit, zoo om de geweldige pijn, als om 't doodsgevaar. Dit deedt mij zien, dat al wat te veel is niet dan schade aanbrengt; en dat het regte verstand in de eenvoudigheid der harssenen en de welgeschiktheid van den geest gelegen is.

Uit dit Landschap gaat men door woeste plaatsen naar 't Vorstendom Bostanki, welks ingezetenen, zoo veel betreft de uiterlijke ligchaams-gestalte, weinig verschillen van de Potuaners; dog inwendig hebben zij dat bijzondere, dat hen 't hart geplaatst is in de regterdije, zulks zij wel te regt kunnen gezegt worden hun hart in hunne dijen te dragen. Hier van daan worden zij onder de ingezetenen dezes Aardbols voor de vreesagtige en tot den oorlog minst bekwaamde gehouden. Toen ik, gemelijk zijnde om de moeielijke reis, in eene herberg, nabij de poort der Stadt, trad, voer ik niet weinig uit tegen den langzaamen en het futzelboek zoekenden waard. Dog hij op zijne knien vallende, verzogt mij met tranen, erbarming met hem te willen hebben, biedende mij aan, zijne regterdije te betasten, waar uit ik het kloppen van zijn hart gewaar zoude konnen worden. Hierom, mijne gramschap in lachen verandert zijnde, wischte ik de traanen des smeekenden waards af; gebiedende hem goedsmoeds, te zijn. Hij, opstaande, kuschte mij de hand, en ging 't avondmaal gereedmaken. Dog niet lang daar na weergalmde de keuken van zugtingen en van een verschrikkelijk gehuil. Ik daarop toelopende zag onzen vreesagtigen waard woedende met vuist- en geesselslagen tegen zijn Wijf en Dienstmaagden. Zoo haast zag hij mij niet, of hij begaf zig terstond op den loop en koos het hazenpad. Hierom mij keerende naar de schreiende Vrouw en Dienstmaagden vraagde ik, door welke schade of misdaad zij eenen man, die zoo zagtzinnig was, zoodanig tot toorn verwekt hadden? Dog zij de oogen naar de aarde slaande, stonden langen tijd zonder spreeken, niet durvende hunne smert te kennen geven; maar toen ik voortging met haar te vragen, en bij mijn verzoek ook bedreigingen voegde, begon de Vrouw aldus te spreeken: "U schijnt niet genoeg bekend te zijn, Vreemdeling, de aart en inborst der stervelingen. De inwoonders deezes Vorstendoms, die geenen gewapenden vijand onder de oogen durven zien, en die op het minste gerugt buiten 's huis van angst plegen te beeven, speelen den dwingeland in de keukens, en woeden als wreedaards tegen hunne weerlooze huisgezinnen: vermits zij met de gewapende geenen oorlog voeren, moeten 't weerlooze zijn daar zij 't tegen hebben. Daarom is deeze Staat bloot gestelt voor de plunderingen en bespottingen van de nabuurige volkeren. Maar in een Landschap aan 't onze grenzende, en waar aan wij cijnsbaar zijn, is 't manvolk van eenen gantsch anderen aart: die worden nooit handgemeen dan met, den gewapenden vijand: buiten zijn zij baazen; maar t'huis hebben zij niets te zeggen". Ik stond verwondert over 't verstand van die Vrouw, welke ik oordeelde een beter lot waardig te zijn. En na dat ik de reden en inborst der menschen een weinig nader beschouwd had, vond ik, dat die vrouw de waarheid gesproken hadt, nademaal 't uit zeer veele voorbeelden blijkt, dat het Hercules niet alleen is, die voor de tabbert zijner huisvrouw heeft moeten zwigten; maar dat het gemeenlijk het lot der braafste mannen is dat zij hunne halsen gewilliglijk moeten onderwerpen aan 't jok hunner wijven, daar integendeel de allervreesagtigste, en die met de ingezetenen van Bostanki het hart in de dije geplaatst hebben, helden in de keukens zijn. Dit volk leeft in gestadige afhankelijkheid en onder de bescherming van een nabuurig volk, waar aan zij cijnsbaar zijn.

Uit dit Land vertrekkende, stapte ik in eene andere boot, die mij overbragt in 't Land Mikolac; en terwijl ik in de boot zat, wierdt mij mijn mantel ontfutzelt. Na lang twistens met den Veerman, die den diefstal hardnekkig loogchende, nam ik mijnen toevlugt tot den Regter van de plaats, te kennen gevende, dat de Veerman ten minsten gehouden was tot de enkele wedergeving des gestolen goeds, uit hoofde van misdaad door wetduiding, zoo 't mij al mogt geweigert worden hem over bewaargeving of diefstal te dagvaarden. Dog hij bleef 't niet alleen hardnekkig ontkennen, maar deedt mij nog daar en boven een Proces van injurie aan. In eene zoo twijffelagtige zaak eischte de Raad getuigen; dog, wijl ik die niet konde voortbrengen, stelde ik mijnen tegendinger voor, zig onder eede daar van te zuiveren. Op dat woord van eed begon de Regter te grimlachen, zeggende: "Gij moet weeten, Vreemdeling, dat wij hier door geenen Godsdienst altoos verbonden zijn: wij hebben geen andere Goden dan de Vaderlandsche Wetten. Derhalven moeten zodanige bewijzen volgens de Wetten gedaan worden; 't zij door eene rekeninge der uitgeschoten kosten, wissels-aanneeming, overlegging van een handschrift, onderteekend extract uit een schuldboek, of tusschenkomst van getuigen. Al wie van zoodanige bewijzen niet voorzien is, moet niet alleen zijn proces verliezen, maar daar en boven verwezen worden in de boete over valsche betigting. Bewijst de zaak door getuigen, en men zal u het goed, in bewaring gegeven, ter hand doen stellen". Aldus door gebrek van getuigen mijn proces verliezende, beklaagde ik niet zoo zeer mijn eigen dan wel deezes Gemeenenbests ongeluk: aangezien hier uit bleek, hoe zwak en onvermogende zoodanig een Burgerstaat is, wanneer dezelve alleenlijk gegrondvest is op menschelijke Wetten; en van hoe korten duur zodanige Staatsgebouwen zijn, ten zij dezelve met den Godsdienst betrast zijn. Hier hield ik mij drie dagen op, leevende, geduurende al dien tijd, in gestadige vrees: want hoe heilzame Wetten ook een Staat moge hebben, en hoe zwaar ook de misdaden aldaar gestraft mogen worden; kan men egter geen zekerheid altoos wagten onder een volk dat zonder God leeft, en ontslagen is van alle banden van Godsdienst: vermits 'er geen schelmstuk zoo groot is, 't geen zij niet zullen uitvoeren, kan 't anders bedekt blijven.

Vertrekkende dan uit dit Land der Ongodisten kwam ik, een steil gebergte overgetrokken zijnde, in de Stad Bracmat, gelegen in eene vlakte aan den voet van eenen berg. De inwoonders aldaar zijn Jeneverboomen. De eerste dien ik ontmoette, viel met zijn geheele ligchaam boven op mij, en smeet mij tegen den grond; en toen ik naar de redenen van die welkomst vraagde, verontschuldigde hij zig geheel fijntjes. Dog straks daar aan kwam een ander en lag mij eenen paal, dien hij in zijne regterhand hadt, zoodanig over de lendenen, dat hij mij bijna ontheupt hadt. Dees verzogt mede dat ik zijne onvoorzigtigheid tog niet kwalijk wilde duiden, en badt om vergiffenis met eenen langen sleep van woorden. Ik beeldde mij in, dat het volk aldaar scheel zag, en vermijdde zorgvuldiglijk de voorbijgangers te ontmoeten. Dog dat gebrek spruit uit het al te scherpe gezigt van sommige, waardoor het geschiedt, dat zij de afgelegen voorwerpen, die andere niet eens zien, zeer klaar onderkennen, en dat zij integendeel zaken die digt bij, en hen als voor den neus staan, door hun al te scherp gezigt geheel niet zien kunnen. Deeze worden door de bank Makatti geheeten, zig meerendeels toeleggende op de hoogdravende Studiën, en op de Sterrekunde: want in aardsche zaken hebben zij, om hunne al te scherpziende oogen, bijna geen gezigt altoos; aangezien zij alle kleinigheden met de uiterste naauwkeurigheid waarneemende, in 't zakelijke blind zijn. Egter zijn zij den Staat van nut in het onderzoeken der Bergwerken; want de oppervlakte der aarde niet zien kunnende, dringen zij met hun gezigt door tot het geene onder derzelver korst verborgen is. Dit leerde mij dat 'er lieden gevonden worden, die door hun al te scherp gezigt blind zijnde, meer zouden zien, zoo zij min scherp zagen.

Na eenen steilen berg, en die zeer moeilijk te beklimmen was, overgetrokken te hebben, kwam ik in het Landschap Mutak, welkers hoofdstad zig als een Wilgen-bosch vertoont, vermits 'er de inwoonders Wilgen-boomen zijn. Op de markt komende, zag ik aldaar een sterk jongeling, zittende op eenen Patrocliaanschen-stoel, en smeekende den Raad om ontferminge. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij gezegt, dat hij een booswigt was welken men heden voor de vijfde maal geneesmiddelen stondt in te geven. Verwondert zijnde over dit antwoord, stapte ik wat te rug, om mijnen huiswaard uitlegging van dit raadzel te vragen; welke aldus begon: "Geesselen, brandmerken, hangen en diergelijke straffen, zeide hij, waar door onze nabuuren de misdaden beteugelen, zijn bij ons te eenemaal onbekend; mits wij meer toeleggen op 't verbeteren der booswigten, dan op 't straffen der misdaden. De misdadige welken gij daar zoo even hebt zien zitten op den Stads stoel, is een Schrijver van gekke boeken, die om zijnen schrijflust, welken de Raad nog door wetten, nog door vermaningen in hem heeft kunnen beteugelen; thans de openbaare straffe of het inneemen van genees middelen daar tegen heeft moeten ondergaan; en de Stadsonderzoekers, die alle Geneesheeren zijn, gaan voort met hem door gestadige purgatiën af te matten, tot dat, de wortel der schrijflust in hem verdorven zijnde, hij, ophoudt met boeken uit te geven". Naauwlijks had hij dit gezegt, of ik wierd in den Stads-apotheek gebragt, alwaar ik met de uiterste verbaasdheid de doozen netjes geschikt en met deeze opschriften beplakt zag: POEDER TEGEN DE GIERIGHEID. PILLEN TEGEN DE WELLUST. TINCTUUR of INFUSIE, dienende om de EERZUGT te temperen. SCHILLETJES tegen de GEILHEID, enz. Ik kan 't niet uitdrukken wat draaijingen in mijn hoofd verwekt wierden door deeze kneepen. Dog ik viel bijna in verrukking van zinnen, wanneer, ik geheele bondels van geschriften zag met deeze tytels: GESPREK VAN MEESTER PISAG, 'T WELK 'S MORGENS GELEZEN WORDENDE, ZES AFGANGEN OF BUIKZUIVERINGEN VERWEKT. BEDENKINGEN VAN DEN GENEESHEER JUKES, WELKE BY DE GEENE DIE NIET SLAPEN KUNNEN, OVERDAGT MOETEN WORDEN. Hier uit bespeurde ik, dat dit een zeer vreemd slag van volk was, en, om de kragt deezer geneesmiddelen wat naauwer te onderzoeken, sloeg ik het eerste boek open. Dog 't was zoo gekkelijk geschreven, dat ik onder 't leezen van 't eerste hoofdstuk al begon te geeuwen, en toen ik voortvoer met leezen, mijne ingewanden begonnen te rommelen, en ik terstond buikpijn gevoelde. Waarop ik, frisch en gezond zijnde, en geen purgatie noodig hebbende, het boek neerlei en mij weg pakte. Dog dit deedt mij zien, dat niets in de waereld te eenemaal onnut is, en dat men zelfs van de allergekste boeken eenig gebruik kan maaken. Wijders bespeurde ik, dat, hoe vreemd dit volk ook wezen mogt, het egter niet te eenemmal zot was. Mijn huiswaard betuigde, dat hij, eenen langen tijd niet hebbende kunnen slapen, alleenlijk door 't lezen van Doctor Jukes boek gezond was geworden; en dat 'er zoo veel in dat boek stak, dat het de waakzaamheid zelve deedt ronken. Deeze en diergelijke dingen hoorende, wierd ik wonderlijk van mijne gedagten geslingert. Dog om niet te eenemaal van mijne oude Wijsgeerte af te geraken, verliet ik schielijk dit Land; 't geen mij zeker zeer wel te pas kwam: want nieuwe zeldzaamheden onder andere Volkeren, en de verschijnzelen die mij allerwegen ontmoetten, lieten mij niet toe langer bij deeze gedagten te blijven. Maar toen ik mijne reize door deeze Planeet voltrokken had, en de Mutaciaanschere Philosophie wat naauwkeuriger onderzogt; oordeelde ik, dat de Geneeskunst deezes volks niet geheel en al te verwerpen was: want ik dikwils in ons Europa ondervonden heb, dat 'er boeken zijn, die de Leezers doen braken, of slapen. Dog wat aangaat de zielsgebreken, kan ik aan de grondbeginzelen van die van Mutak geenszins mijn zegel hangen, hoe zeer ik bekennen moet, dat 'er eenige ligchaams-zwakheden zijn, welke wij met de zielsgebreken verwarren, gelijk zeker Digter van onze waereld, met dit volgende vers voorzigtiglijk waarschuuwt.

Gij hebt, ô Sextus! lang nu met mij, ziek gelegen In 't zelve Gasthuis. 't Heugt mij dat wij beide kregen De scherpe vogten, die ons pijn'gen lijf en ziel; En waar van, voor als nog, aan ons geen helpen viel. Dog wijl mijn' kwaal bestaat, (ik moet het u eens klagen,) In eene ziekte die mij is om 't hart geslagen, En daar halstarrig blijft; word ik van elk gelaakt Voor knorpot, grommer en kwaadaarden uitgemaakt; Daar gij beklaagd, beschreid wordt van uw goede vrinden, Om dat kwanswijs de kwaal zig in uw voet laat vinden. Als gij niet danssen wilt, hoe zeer daar toe verzogt, Ontschuldigt m'u van zelfs: ach! vergt hem dat niet, 't mogt Hem schaad'lijk zijn, en pijn verwekken, is het zeggen. De man wil graag; maar kan bijna geen voet verleggen, Laat staan verzetten. Is 't nog onlangs niet geschied, Dat hij een' Passepied zou danssen? maar hij liet Dat werk haast steeken: zoo zit 't Pootje hem in de beenen! Maar mij rampzalige, (wat of zij daar mee meenen?) Schoon dat ik kerm van pijn, beklaagt bijna geen mensch: Mijn ziekte is niet geagt; en, ging het naar hunn' wensch, 'k Zou op een gastmaal nog een deuntje moeten neuren, Al moest mijn krank gestel dat met den dood betreuren. 't Is: zing eens; wil ik niet, straks gaat het schelden aan. Ik ben een buffel, die met niemant om kan gaan. En zulks, ô Sextus! daar een halven dag te springen U nooit zoo moeilijk viel, als mij een uur te zingen.

Dat Land verlatende, en een stilstaand water, welks kleur ros was, overgevaren zijnde, kwam ik in 't Landschap Mikrok. Dog toen ik stond om de stad, die denzelven naam voert, binnen te treden, vond ik de poort voor mijnen neus gesloten. Dierhalve moest ik eene wijle wagten, tot dat ze, wel gegrendelt en gesloten zijnde, van den slaperigen Poortier geopend wierdt. 't Was alles binnen de stad in eene diepe rust, behalven alleen dat 't geronk der slapenden mij de ooren doof maakte; invoegen ik als in de waare verblijfplaats des slaaps, zodanig als dezelve door de Poëten versierd wordt, scheen overgebragt te zijn. Dit deedt mij stillekens zeggen: Ach! mogt het eenige Burgermeesters, Raadsheeren en andere eerlijke burgers in mijn Vaderland gebeurd zijn, dat ze hier geboren waren, die, vermits zij zeer vredelievende menschen zijn, in deeze gelukkige stad, in rust en vrede hun leven zouden doorbrengen. Uit de uithangborden en opschriften aan de huizen, bleek het egter, dat aldaar konsten en handwerken, mitsgaders Regtsplegingen in zwang gingen. Door deeze opschriften ontdekte ik eene herberge, alwaar' ik egter geenen ingang kon vinden, nademaal de deuren gesloten en gegrendelt waren: want schoon het al over den middag was, zoo was 't egter nagt bij de inwoonders. Eindelijk, na dat ik door gestadig kloppen niet weinig op de deur gebonst had, wierd ik binnen gelaten. De dag wordt hier in drie-en-twintig uuren verdeeld, waarvan 'er eerst negentien voor den slaap geschikt zijn, en de overige met waken doorgebragt worden. Hierom denkende, dat hier zoo wel de Lands- als bijzondere zaken wonderlijk verzuimt wierden, deed ik mij van 't geen voor de hand was, ras wat te eeten geven, vermits ik dugtte dat de nagt onzen kok in 't gereed maken der spijs mogte overvallen. Dog wijl alles hier bij verkorting geschiedt, en al wat overtollig is nagelaten wordt, is een Mikrokiaansch dagje lang genoeg, om te doen dat gedaan dient te worden. Na 't middagmaal, 't geen mij rasser dan ik verwagt had, wierdt opgedischt, wierd ik van mijnen huiswaard door de stad gebragt. Wij kwamen in eenen Tempel, alwaar eene leerrede wierdt gedaan, die wel kort was te rekenen naar den tijd; dog lang genoeg als men op 't zakelijke zag. Want de Leeraar kwam terstond tot de zaak, zonder omwegen te gebruiken, zonder ééne zaak tweemaal te zeggen, of zonder daar iets bij te hangen, dat 'er niet te passe kwam, zoo dat, wanneer ik deeze Onderaardsche leerrede zoude willen vergelijken met de langdradige sermoenen van Meester Petri, die mij zoo dikwijls hebben doen walgen, dezelve mij wel tweemaal zoo zakelijk voorkwam. Met dezelve beknoptheid worden de Regts-zaken behandelt. De Advocaten zeggen veele zaken met weinig woorden, en brengen terstond hunne getuigen voor, om gehoord te worden. Mij heugt aldaar gezien te hebben een Verbondstractaat, korts te voren met een nabuurig volk gesloten, bestaande in deeze woorden, Daar zal eens eeuwige vriendschap zijn tusschen het volk van Mikrok en die van Spenlik. De Vloed Klimak met het gebergte Zaber zullen de grensscheidingen der beide Rijken zijn. Was geteekent,, enz. enz. Dus was aldaar in drie regels vervat, 't geen bij ons geheele boeken vereischt. Hier uit blijkt, dat men met minder omslag, en in veel korter tijd, eene zaak kan afdoen, als men 't overtollige van de hand wijst, even gelijk den reizigers de wegen veel korter zouden vallen, zoo zij regt uit regt aan gaan konden. De inwoonders deezer Stad zijn alle Cypressenboomen, door verheven voorhoofden van de andere boomen onderscheiden. Dog die verhevenheid der voorhoofden zwelt en slinkt naar mate van haaren bepaalden aanwas of afgang. En wanneer de voorhoofden beginnen te zwelen, geeft de toevloeijende zinking, vermits de vogten van 't gezwel des voorhoofds tot op de oogen vallen, te kennen, dat de nagt aanstaande is.

Omtrent eenen dag reizens van dit Land, is gelegen het Gewest Makrok anders gezegt der wakers: want mitsdien 'er de inwoonders nooit slapen, brengen zij hunnen leeftijd dóór in een gestadig waken. Zoo als ik de Stad inkwam, sprak ik eenen jongeling, die grooten haast maakte, aan; verzoekende hem zeer vriendelijk, dat hij van de goedheid wilde wezen, van mij eene goede herberg aan te wijzen; dog hij, zeggende veele bezigheden te hebben, vervolgde met dezelfde drift zijnen weg: En zoo groot was de haast, dien ieder een daar maakte, dat zij door de wijken en straaten der Stad niet scheenen te wandelen, maar te loopen, of, om beter te zeggen, te vliegen; even als of zij vreesden te laat te zullen komen. Hierom dagt ik dat 'er brand in de Stad of dat de Burgerij door 't een of 't ander onverwagt toeval verschrikt was, en dwaalde lang alleen, tot dat ik aan eene herberg kwam, welke ik gewaar wierd aan het uithangbord dat boven de deur hing. Hier zag ik deeze uitgaan, gene naar boven klimmen, andere, door al te grooten haast te maken, struikelen; invoegen ik bijna een kwartier-uurs in 't voorhuis moest blijven staan, eer ik binnen gelaten wierd. Terstond wierden mij oneindige en onnutte vragen voorgestelt. Dees vraagde mij waar ik van daan was, waar mijne reize naar toe lag, en hoe lang ik in die Stad stond te verblijven; gene of ik alleen, of aan de gemeene tafel wilde eeten; of ik in de roode, groene, witte of zwarte kamer mijn verblijf houden, en of ik een vertrek op de bovenste of onderste verdieping hebben wilde, en honderden van diergelijke grollen. Mijn huiswaard, die te gelijk Clerq van eene zekere laage Regtbank was, eerst zijnde gaan eeten, kwam straks daar na weerom, en verhaalde mij met eenen langen sleep van woorden, een Proces, dat tien jaren geduurt, en thans al voor de veertiende Regtbank hing: zeggende, dat hij hoopte, dat het zelve binnen twee jaren tijds zoude worden uitgesproken, vermits 'er nog maar twee hooger Regtbanken waren, waar na 'er geen hooger beroep meer plaats hadt. Niet weinig maakte mij zijn zeggen verwondert, en daar uit bleek het, dat dit volk zeer naarstig bezig is, in niets met allen uit teregten. Terwijl mijn huiswaard afwezig was, ontdekte ik, 't huis overal eens doorsnuffelende, een soort van eene Bibliotheek, die redelijk groot en wel voorzien was, ten aanzien van 't getal der boeken; dog geheel schraal, zoo men naar derzelver waarde te werk ging. Onder die zelve boeken, die alle net gebonden waren, vond ik deeze volgende.

1. Beschrijving der Hoofdkerk, in 24 deden. 2. Belegering des Kasteels Pehunc, in 36 deelen. 3. Van het gebruik des Kruids Slac, in 13 deelen. 4. Lijkredenen over 't afsterven des Raadsheers Jackfi, in 12 deelen.

Mijn huiswaard wederom gekomen zijnde, deedt mij een verhaal van de gelegenheid der Stad, waar uit ik kon afnemen, dat 'er meer zaken verrigt worden, door de slapende Mikrokianen, dan door de altijd wakende Makrokianen; aangezien de eerstgemelde tot in het pit en kern der zaken indringen, daar de laatste zig alleenlijk de schors en bast in de hand laten stoppen. De inwoonders deezes Landschaps zijn mede Cypressen-boomen, en in 't uiterlijk gelaat, uitgenomen de verhevenheid der voorhoofden, weinig van de Mikrokianen verschillende. Zij hebben egter geen bloed nog sappen, gelijk als de andere bezielde boomen deezes Aardbols. Dog in plaats van bloed vloeit door hunne aderen een soort van verdikter vogt, dat den aart van kwikzilver heeft. Zelfs meenen eenige, dat het regt en onvervalscht kwikzilver is, nademaal het in de Weêrglazen het zelve gewrogt veroorzaakt.

Twee dagen reizens van dit Landschap, legt de Republijk Siklok, welke in twee verbonden ligchamen van Staat, dog onder verschillende en zelfs tegenstrijdende wetten levende, verdeelt wordt. Het eerste wordt genaamt Miho, zijnde gestigt door zekeren Mihac eertijds een vermaard Wetgever, dog die onder de Onderaardlingen voor eenen anderen Lycurgus gehouden wordt. Dees, zullende den Staat met goede wetten, vooral met die tegen 't maken van onnoodige kosten, onderschragen, heeft allen pragt en overdaad strengelijk beteugelt. Hierom zoude men dien Staat, om de ingetogenheid en spaarzaamheid aldaar, met regt het nieuwe Sparte mogen noemen. Dog ik verwonderde mij zeer, dat in eenen zeer-welgestelden Staat, en die trots was op zijne voortreffelijke wetten, zoo veele bedelaars wierden gevonden; want alwaar men zijne oogen sloeg, zag men eenen boom, vragende om eene aalmoesse, zoo dat men geen moeilijker weg voor eenen reiziger bedenken kan Den Staat deezer Republijk wat nader overwogen hebbende, ondervond ik, dat deeze ongelegenheden voortkwamen zelfs uit de spaarzaamheid der ingezetenen: want alle overdaad verboden zijnde, en de rijken zelve hunne natuur te kort doende, leidt het slegt volkje een lui, ledig en arm leven, wijl zij niets bij de hand hebben, om iets mede te winnen. Dit leerde mij dat de vasthoudendheid en spaarzaamheid in het burgerlijke leven het zelve uitwerken, 't geen de stilstand des bloeds in 't menschelijke ligchaam te weeg brengt.

In 't ander ligchaam van Staat, Liho geheeten, wordt ruim en rijkelijk geleeft, en geen kosten ontzien. Hier van daan komt het, dat de Konsten en Wetenschappen daar allerwege bloeijende, zij tot den arbeid, waar door zij niet alleen de armoede verdrijven, maar zelfs de Burgerij rijk wordt, worden aangespoort. En zoo 'er al iemant gevonden mogt worden, die door armoede gedrukt wordt, mag hij zijn gebrek aan zijne eigen luiheid toeschrijven; aangezien 'er gelegenheid genoeg is om winst te doen. Dus bezielt de verkwisting der Grooten als den geheelen Staat, niet anders, dan gelijk de omloop des bloeds alle de leden des ligchaams versterkt, en frisch en gezond maakt. Aan die Landschap is het Gewest Lama gelegen, de zoo zeer vermaarde zetel der Geneesheeren. Daar wordt de Geneeskunde met zoo veel vlijt geoeffent, dat niemant een regtschapen Geneesheer geagt wordt, ten zij hij op de vermaarde Hoogeschoole te Lama gelegen heeft. Daarom is de Stad zodanig vervult met Geneesheeren, dat men veel gemakkelijker eenen Geneesheer, dan een mensch kan vinden. De Apothekers-winkels, en de gene die Anatomische instrumenten verkoopen, beslaan 'er ook geheele straaten. Terwijl ik eens, niet veel te verrigten hebbende, eens wandelinge door de Stad ging doen, kwam mij een vrouw-boomtje tegen, dat mij de lijsten der overledenen van dat jaar te koop aanboodt. Ik zag niet zonder verbaasdheid, dat in het voorleden jaar honderd-en-vijftig boomen geboren waren; dog dat 'er wel zeshonderd waren gestorven. Om de waarheid te zeggen, ik kon 'er niet wel begrip van maken, dat 'er in de verblijfplaats van Apollo, jaarlijks, zulk eene slagtinge onder de Burgers voorviel: vervolgens vraagde ik eenen Boekverkooper, of 'er ook de eene of de andere ongewoone plaag of pest, het voorleden jaar de Stad aangegrepen en ontvolkt mogt hebben? Dog hij gaf mij ten antwoord, dat 'er twee jaren te voren nog vrij wat meer waren gestorven, en dat dit eene gewoonlijke proportie was tusschen de gene die sterven en geboren wierden: ja dat het getal der eersten doorgaans driemaal grooter was; nademaal de inwoonders van die Stad onderhevig waren aan geduurige ziekten, en die hun den dood verhaastten, zodanig, dat, ten ware 'er niet jaarlijks toevloed uit de aangrenzende gewesten kwam, de Stad eerlang ontvolkt zoude wezen. Dit deedt mij mijne reize verhaasten; het niet geraden agtende hier lang mij zelven op te houden: vooral, wijl de naam van Geneesheer, en het zien der Anatomische instrumenten, na 't gene mij in 't land der Philosophen was overgekomen, mij nog niet uit het geheugen was. Derhalven, uit dit Land vertrekkende, liet ik geen gras onder mijne voeten wassen, tot dat ik aan een gehugt, vier duizend treden daar van daan leggende, gekomen was, alwaar de inwoonders zonder Geneesheeren, en te gelijk zonder ziekten leeven.

Na eene reize van twee dagen, kwam ik in 't vrije Land. Daar is een iegelijk zijn eigen meester, en de inwoonders bestaan uit afzonderlijke huisgezinnen, die nog onder wetten, nog onder eenig gebied staan, behoudende egter een soort van Burgerstaat. Over zaken, 't Gemeenebest aangaande, hebben de oudsten toeverzigt, die altoos voor de vreede en eendragt zijn, gestadig aanradende dat voornaamste gebod der Natuur, te weten: dat gij niet wilt, dat u geschiede, doe dat aan een ander niet. Aan den ingang van alle Steden en Dorpen, stondt het uitgehouwen Beeld der Vrijheid; banden en boeijen met voeten tredende, met dit opschrift: GULDEN VRIJHEID. In de eerste Stad, daar ik binnen tradt, zag ik alles genoegzaam in stilte en rust; dog de burgers waren onderscheiden aan zekere gordels, welke kenteekenen en leuzen waren van de partijschappen, waar in de Stad toen ter tijd verdeelt was. De toegangen der voornaamste huizen waren bezet met gewapende Wagten, vermits de stilstand van wapenen geeindigt zijnde, 's anderendaags de oorlog wederom stondt te beginnen. Hierom koos ik, bevreest zijnde, het haazenpad, niet geloovende dat ik vrij was, alvorens ik mij zelven buiten 't gezigt van het vrije Land geborgen had.

Naast aan dit Land is 't Landschap Jochtana gelegen, op welks beschrijving ik met schrik bevangen wierd, nademaal ik aldaar alles meer overhoop, onveilig en verwart oordeelde te zijn, dan in 't vrije Land; aangezien dit Gewest zoo veel als de vergadering en stinkkolk aller Godsdiensten was, en alle de leerstukken, die over deeze geheele Planeet verspreid waren, hier, als in hun middelpunt zijnde, openlijk geleert wierden. Mij derhalven te binnen brengende, hoe veele opschuddingen de verscheidenheid van Godsdiensten, in de meeste Staaten van Europa plegen te veroorzaken, durfde ik naauwlijks binnen de Hoofdstad van Jochtana treeden, alwaar even zoo veele Tempelen van verscheide en tegenstrijdige gezindheden wierden gevonden, als oorden, wijken en straaten. Dog mijne vrees verdween wel haast, zoo dra ik zag, dat aldaar de grootste eendragt, en die door geen twist gestoort wierdt, op den throon zat. Men kon aldaar niet het minste onderscheid in den Burgerstaat bespeuren: alle waren zij eensgezint, alle vreedzaam en gerust, en iedereen aan zijn werk. Want vermits het onder halsstraffe verboden was, iemants Godsdienst te stooren, of dat de een den anderen, om de verscheidenheid der leerstukken, eenige moeilijkheid zoude aandoen; waren alle verschillen, zonder vijandelijkheden, alle zintwistingen, zonder krakkeel, en daar kon geen haat stand grijpen, daar geen vervolginge plaats hadt. Alleenlijk was 'er eene gestadige, schoon zedige, ijverzugt onder de verschillende; nademaal elke gezindheid haaren Godsdienst, door een heilig leven en gedrag, eenen luister poogde bij te zetten. Derhalven hadt de zorg der Overigheid te weeg gebragt, dat het verschil in de leere hier geen meerder beroerte verwekte, dan de verscheide kramen der kooplieden, of de winkels der handwerkslieden op de markten plegen te doen, alwaar alleen de deugdzaamheid der waaren, of de gemaakte dingen, de koopers tot zig trekken, zonder dat 'er bedrog, geweld, of afgunst bij komt, waar door het geschiedt, dat alle zaad van tweedragt, dat anders zoude kunnen opschieten, gesmoort wordt, en alleen eene eerlijke en voor 't Gemeenebest heilzame ijverzugt wordt aangekweekt. Hier uit blijkt het, dat de opschuddingen, die elders plegen in zwang te gaan, niet door verscheidenheid van Godsdienst, maar alleenlijk uit vervolgingen voortkomen. Zeker geleerd Jochtaner heeft mij breeder de levenswijze deezes volks, den aart van deszelfs regeeringe, en de redenen van hunnen gerusten staat, in 't breede uitgelegt, en ik, zeer naarstig toeluisterende naar zijn verhaal, bewaarde dat in mijn geheugen. Ik sprak hem met mijne tegenwerpingen wel eenen geruimen tijd tegen, dog eindelijk wierd ik genoodzaakt het hem gewonnen te geven, wijl hij zijne stellingen met klaare proeven bewees; waarom ik ook, gelooven moetende, 't geen ik met mijne oogen zag, en niet kunnende halstarrig ontkennen, 't geen met 'er daad bewezen wierdt; erkende, dat vrijheid in 't stuk des geloofs, de eenige en waaragtige bronader van die rust en eendragt was. Maar mijnen tegenstreever aan eene andere zijde aanklampende, zeide ik, dat het der Wetgeveren pligt was, om in 't stigten van Gemeenebesten, meer agt te slaan op het toekomende, dan op het tegenwoordige, heil der menschen, en zoo zeer niet te zien naar het gene hen in die leven gelukkig maakt, als op het welbehagen des Scheppers; waar op hij mij in deezer voegen antwoordde: "Gij bedriegt u, Vreemdeling! zeide hij, zoo gij gelooft dat God, die de Fontein der waarheid is, met eenen geblanketten Godsdienst, of met huichelaarij gedient is. Wanneer onder andere Volkeren iedereen door hoog gezag genoodzaakt wordt, volgens een zeker bepaald rigtsnoer te gelooven, zien wij dat 'er eene deur geopent wordt voor de onwetenheid, of voor de geveinsdheid; nademaal niemant de waare gevoelens van zijn hart wil of durft te kennen geeven; maar de meeste anders met den mond belijden, en anders in hun hart gelooven. Daar komt het vandaan, dat 'er zig zoo weinige in de Godgeleerdheid oeffenen, en zoo weinig werks gemaakt wordt van de waarheid te ontdekken: ja daar door komt het, dat 'er aan andere Weetenschappen meer tijd besteed wordt, vermits zelfs de Geestelijken, vreezende met den schandelijken naam van Ketter gebrandmerkt te worden, zig onthouden van stichtlijke overwegingen, en tot andere letter-oeffeningen, in welke zij met minder gevaar zig oeffenen kunnen, en welke de vrijheid niet zoo zeer in boeijen klinken, overgaan. De gene die van eenige leere, welke de teugels der Regeering in handen heeft, afwijken, worden doorgaans veroordeelt. Dog God is verre van huichelaars en veinzers; en eene dwalende opregtigheid is hem aangenamer, dan de geveinsde belijdenisse des waren geloofs." Naauwlijks had ik dit geleert, of ik hield den mond toe, niet bestaan durvende te zintwisten met een volk dat daar in zoo zeer bedreven was.

Ik had bijna eenen tijd van twee maanden met deeze reize doorgebragt, wanneer ik eindelijk te Tumbac kwam, zijnde een Gewest grenzende aan het Prinsdom Potu, en 't welk ik als mijn Vaderland aanzag, toen ik zag dat ik die moeilijke reize nu bijna afgelegt had. De inwoonders deezes Landschaps zijn voor 't meerdergedeelte wilde Olijf-boomen, en eene Natie, zoo Godsdienstig als streng. In de eerste herberg daar ik binnen trad, was ik genoodzaakt bijna twee uuren te blijven staan, zonder mij te kunnen ontnugteren, wagtende op het ontbijt, waarom ik dikmaals te vergeefsch verzogt had. De ontijdige Godsdienstigheid van mijnen huiswaard, was de oorzaak van dat vertoef, vermits hij geen hand aan 't werk begeerde te slaan, eer hij zijn morgengebed voleindigt hadt. Na dat hij zig dan van zijnen gewoonlijken Godvrugts-pligt hadt gekweten,

Zoo komt hij eindlijk, bleek van boosheid binnen treden, En biedt mij brood aan, daar ik lang om had gebeden, Niet zonder knorren: daar benevens discht hij op, Aan mij ellendigen, een stinkend koolen-sop.

Dog dit ontbijt stondt mij duur, en ik kan betuigen, dat ik nooit schijnheiliger en teffens onbermhartiger waard ontmoet heb; waarom ik bij mij zelven zeide, dat het beter was, wat minder te bidden, en wat meer Godvrugtige werken te betrachten. Ik ontveinsde egter mijn hartzeer, wetende dat het gevaarlijk is den fijnen te tergen. Zoo veele burgers als 'er in deeze Stad waren, zoo veele strenge Catoos, tugtmeesters der zeden, waren 'er ook. Zij gaan alle door de Stad, met hangenden hoofde, en neergebogen takken, hebbende het geduurig geladen op de ijdelheid der waereld, en veroordeelende zelfs geoorloofde vermaken; want zij berispen alles ten strengsten, zelfs tot gebaarden en lachen toe, en trachten door geduurige berispingen, en de lieden blaauwbloemtjes op den mouw te spellen, den naam van heiligen te verkrijgen. En wanneer ik, vermoeit en afgemat zijnde, door zoo veele ongemakken, door 't een of 't ander spel, daar niets in stak, mijne geesten wat zogt op te scherpen; wierd ik daar om over den hekel gehaalt, zodanig, dat elk huis mij een strengen Biegt-stoel scheen te zijn, waar voor men genoodzaakt wierdt belijdenis zijner zonden te doen. Maar ik scheide 'er af met mij verder uit te laten over 't karakter dezes volks; en zal alleen één voorbeeld bijbrengen, 't geen den inborst der Tumbackers naar 't leven uitdrukt, en waar uit men 't overige gemakkelijk zal kunnen afnemen. Zeker wilde Olijf-boom, die eertijds, toen wij beide in Potu waren, mij een zeer goed vriend was, zag mij bij geval voorbij eene herberge gaan, en verzogt mij daar binnen te treden. En nademaal hij gehoort hadt, dat ik somtijds wel eens uit de borst konde vrolijk zijn, begon hij mijn leven en bedrijf zoo dapper over den hekel te haalen, dat mij de hairen te berge reezen, en alle de leden begonnen te schudden. Dog terwijl onze Cato in diervoegen afgaf, dronken wij 'er al een steevig glaasje onder, tot dat wij eindelijk beide vol en zoet op den grond vielen, en, door de gene die daar op aan kwamen, half dood naar huis gebragt wierden. Na dat de dronk uitgeslapen, en ik wakker geworden zijnde, weder tot mij zelf gekomen was, liet ik mijne gedagten ernstiglijk gaan over deezen Godsdienst, wanneer het mij klaar bleek, dat de ijver deezer Natie eer uit zwarte gal en bedorven sappen, dan uit beweeging van Godvrugtigheid voortvloeide. Egter zeide ik aan niemant mijne gedagten, maar pakte mij kort naderhand stillekens weg.

Na eene tusschenpoozing van twee maanden, kwam ik eindelijk t'huis, zeer vermoeit; want mijne beenen, door 't gestadig te voet reizen verzwakt, konden naauwlijks mijn ligchaam ophouden. Tredende binnen de Stad Potu, den tienden der Eikemaand, bood ik mijn dagregister terstond den Vorst op het nederigst aan; en zijne Doorlugtigheid beval hetzelve terstond te doen drukken, (want men moet weten, dat de Druk-konst, waarvan die van Europa en de Indianen zeggen de uitvinders te zijn, hier veel eer bekend geweest is). Mijne reis-beschrijving was zodanig in den smaak der Potuaners, dat zij zig niet verzadigen konden in dezelve te leezen. Daar liepen door alle oorden en wijken der Stad, hoorntjes, met deeze dagregisters, roepende: REISBESCHRIJVINC VAN DEN HOFPOSTLOOPER SCABBA, RONDOM DE GEHEELE WAERELD. Ik, moedig op dien uitslag, begon naar grooter zaken te staan, belovende mij zelf 't een of 't ander ampt van aangelegenheid. Maar toen ik zag, dat ik in mijne hoop bedrogen was, deed ik een nieuw verzoek aan den Vorst, waar in ik, mijne verrigtingen zeer hoog verheffende, de schuldige vergelding voor mijne verdiensten afsmeekte. De Vorst, gelijk hij opregt en goeddoende was, wierdt bewogen door mijne smeekingen, en zeide mij op eene gunstige wijze, dat hij zorg voor mij zoude dragen: hij hieldt ook zijn woord wel; dog die geheele gunstbewijzing kwam uit op eene vermeerdering mijner jaarwedde. Ik had, om de waarheid te zeggen, eene gantsch andere belooninge voor mijne verrigtingen verwagt. Waarom ik met die gunst geen genoegen konde neemen. Dog vermits ik den Vorst met geduurige verzoeken het hoofd niet kon breken, gaf ik aan den Groot-cancelier het verdriet, dat mij op 't harte lag, te kennen. Die verstandige man nam mijne klagten op met zijne gewoonlijke beleeftheid, belovende mij te zullen behulpzaam zijn, vermanende mij egter te gelijk, dat ik zoude afstaan van zulken ongerijmden eisch, en mij bevelende mijne eigene kragten te kennen, en op de geringheid van mijn oordeel agt te slaan. "De Natuur, zeide hij, is u eene stiefmoeder geweest, en gij hebt geen begaaftheden, waar door u de weg tot Staatsbedieningen van belang geopent moge worden. Gij moet niet naloopen 't geen gij nooit bekomen kunt, of, den aart van andere willende navolgen, uwen eigenen vergeten. Wijders zeide hij, indien gij, 't geen gij dwaaslijk eischt, al eens mogt bekomen, zoo zoude 'er de Vorst om gelastert, en de Wetten door verkragt worden. Zijt dan te vreden met uw Lot, en werpt de hoop van u, daar uwe Natuur tegen strijdt." Hij erkende wel mijne verdiensten en prees mijne verrigtingen, die ik in de laatste reize gedaan had; dog hij zeide, dat ze niet zodanig waren, dat ze mij den weg konden baanen tot bedieningen van Staat; want zoo om iedere verrigtinge, om elke verdienste, men zoude moeten worden bevordert tot de hoogde eerampten, zoo zoude een ieder werkman, een Schilder of Beeldhouwer om zijne snedigheid in een stuk Schilderij te maken, of Beeld uit te houwen, eens Raadsheers bedieninge, als eenen prijs en belooninge hem toekomende, vorderen kunnen; dat de verdiensten wel konden beloont worden, dog dat welgepaste belooningen moesten gegeven worden aan de gene die ze verdient hadden, op dat het Gemeenebest geen schade leede, of aan bespottinge wierde bloot gestelt. Door deeze vermaningen overtuigt zijnde, hield ik mij wederom eenigen tijd stil. Dog vermits het mij al te hard en bitter voorkwam, in zulk gering beroep oud en grijs te worden, hernam ik dat wanhopig voornemen, waarvan ik al had afgezien: namentlijk ik lei mij toe om eenige verbetering in den burgerstaat te maken, op dat ik, door eene nieuwe uitvindinge, dienst aan 't Gemeen, en mij zelf voordeel zoude toebrengen.

Even voor mijne laatste reize, had ik mijne gedagten naauwkeurig laten gaan over den Staat deezes Vorstendoms, om te zien of ik eenige gebreken, die daar wel 't meest in zwang gingen, konde ontdekken, en teffens de hulpmiddelen daar tegen uitvinden. Uit den Staat der Provincie Cocleku, was ik ontwaar geworden, dat een Staat naar zijnen ondergang helde, wanneer aldaar vrouwen tot Staatsbedieningen wierden toegelaten: aangezien dezelve, uit den aart heerschzugtig zijnde, haare magt en gezag onbepaalt trachten te maken, en nooit rusten, alvorens zij een volstrekte en onbepaalde magt verkregen hebben. Hierom besloot ik voor te stellen, dat 'er eene Wet gemaakt mogte worden, om de wijven uit te sluiten van alle bedieningen van Staat, hopende dat ik 'er niet weinige zoude krijgen, die mij zouden toevallen, vermits ik de zaak klaar aantoonen, en in hoe grooten gevaar het man-volk konde worden ingewikkelt, ten ware de magt van het vrouw-volk bij tijds ontzenuwt wierde, mij niet zwaar zoude vallen iedereen voor oogen te stellen. En bijaldien eene geheele afschaffing deezer gewoonte aan eenige, wat te hachelijk mogte voorkomen, stond ik te beweeren, dat de magt der wijven ten minsten beteugelt, en meer bepaalt moest worden. Het aanraden deezer Wet hadt driederlei oogmerken, 1. Ik zoude 'er door schijnen te willen genezen een gebrek, waar aan 't Gemeenebest onderhevig was. 2. Door eene edelmoedige en verstandige uitvindinge een proefstuk van mijn oordeel en vernuft gevende, stond ik mijnen staat wat te verbeteren. 3. Ik zoude mij wreken over 't ongelijk, dat mij van de vrouwen was aangedaan, en den smaad, mij menigmaalen door dezelve aangewreven, uitwisschen; want ik wil gaarne bekennen, dat eige voordeel of wraaklust de voornaamste beweegredenen van deeze raadgevinge waren. Ik wist egter mijn voornemen fijntjes te ontveinzen, op dat ik, onder den dekmantel van 't algemeen nut, niet moge schijnen alleen mijn eigen voordeel te bevorderen, en andere uitvinders op het spoor te volgen, wier raadgevingen dikwils breed opgeven van het algemeen nut, schoon het, wanneer dezelve met een naauwkeurig oog beschouwd worden, terstond blijkt, dat eige voordeel de voornaamste beweegreden is, die hen daar toe aanzet.

Die raadgevingen dan, zoo fraai als ik kon opgestelt, en met de doordringende redenen bekragtigt hebbende, bood ik op het nederigste den Vorst aan. Hij, mij altijd eene bijzondere gunste hebbende toegedragen, stondt verbaast over zulk een stout en roekeloos voornemen, voorspellende daar uit mijnen ondergang en verderf; waarom hij mij door bidden en smeeken van die poogingen trachtte te doen afzien, voegende, op eene Vorstelijke wijze, dreigementen bij zijne gebeden. Dog ik, steunende niet minder op de nuttigheid mijner uitvindinge, dan op de gunst van het geheele man-geslagt, welk ik vertrouwde de hand te zullen houden aan eene zaak die hen alle aanging; bleef onwankelbaar bij mijn voornemen: invoegen mijne hardnekkigheid door geen vermaningen kon bewogen worden. Om deeze reden dan wierd ik, volgens gebruik, met den strop om den hals naar de markt gebragt, om aldaar het besluit van den Raad af te wagten. De Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt het vonnis aan den Vorst gezonden, om dat te bekragtigen, en, van denzelven te rug gezonden zijnde, door den uitroeper, met de volgende woorden afgekondigt.

"Na rijpe overweginge oordeelen wij dat de wet door D. Scabba, voormaamsten Postlooper van 't Hof, voorgestelt, ten einde om de Vrouwen van alle Staatsbedieningen uit te sluiten, niet door den beugel kan, ten zij met het uiterste nadeel des Gemeenenbests, nademaal de helft der Natie, uit de vrouwelijke Sexe bestaande, deeze inbreuk zeer hoog zoude opnemen, en ten dien opzigte den Staat lastig vallen en vijandig zoude worden. Wijders meenen wij, dat het de onbillijkheid zelve is, de braave Vrouwenboomen van de eerampten, welke zij zig waardig maken, geheel en al uit te sluiten: vooral, vermits het zeker is, dat dezelve door de Natuur, die niets roekeloos doet, niet tevergeefsch met zoo veele uitnemende gemoeds-gaven versiert zijn. Ook gelooven wij dat de welvaart van den Staat vereischt, dat men in 't bevorderen tot eerampten meer agt slaâ op de verstanden zelve, dan op den naam. En aangezien het Land meenigmaalen gebrek heeft aan kloekmoedige boomen, vinden wij dat het dwaasheid zoude zijn, door een eenig Placcaat of Raadsbesluit, de gantsche helft des Gemeenenbests, enkel en alleen om 't lot der geboorte, tot de bedieningen onbekwaam en onwaardig te verklaren. Al waaromme wij, de zaak ernstig en rijpelijk overwogen hebbende, den voornoemden Scabba, om zijne dwaaze en roekelooze raadgevingen, oordeelen strafbaar te zijn, naar ouder gewoonte."

Boven mate trof dit geval den Vorst; dog mits hij nooit gewoon was een Raadsbesluit te niet te doen, onderteekende hij het vonnis met eigen hand; bekragtigde het met zijn gewoon zegel, en gaf bevel dat af te kondigen; alleenlijk daarbij voegende deeze bepaling: dat aangezien ik een vreemdeling was, gebooren in eene nieuwe en onbekende Waereld, alwaar een vlug verstand onder de zielsbegaaftheden gerekent wordt, ik uit dien hoofde de halsstraffe konde ontgaan. Dog op dat door kwijtscheldinge van straffe, de wetten niet kragteloos mogten worden gemaakt, zoude men mij in 't gevangenhuis bewaren, tot het ingaan der Berkenboommaand, en als dan, te gelijk met alle andere overtreders der wetten, naar 't Firmament verzenden.

Het vonnis afgekondigt zijnde, wierd ik in hegtenisse gebragt. Eenige mijner goede vrienden raadden mij toen aan, dat ik tegen dit vonnis zoude protesteeren, nademaal 'er onder mijne Regters zoo veele getrouwde Vrouwen en jonge Dogters waren geweest, die in haare eigene zaak Regters geweest waren. Dog anderen kwam het veiliger vóór, dat ik schuld bekende, en dat ik de daad, als begaan uit eene dwaasheid die aangeboren en met mijn Geslagt gemeen was, verontschuldigde. Dog dien raad wees ik standvastig van de hand: en zulks ten aanzien van de Opper-aardlingen, welker agtinge door zodanige bekentenisse geen geringe vlek zoude worden aangewreven.

Kort daar na verstond ik dat de Vorst besloten hadt mij van alle straffe te ontheffen, had ik slegts eenvoudiglijk zijne gunst, en kwijtschelding der misdaad verzogt, hoe zeer ook Rabagna, die het ampt van Thesaurier bekleedde, hemel en aarde bewoog, dat ik niet op vrije voeten mogte worden gestelt. Maar, om de waarheid te zeggen, ik nam dat vonnis niet kwalijk. Want de bediening die ik bekleedde, was mij bitterer dan de dood, en het smertte mij langer met deeze boomen, die gezwollen waren van al te grooten hoogmoed, om te gaan. Ook hoopte ik op beter lot in 't Firmament, alwaar ik verdaan had, dat alle vreemdelingen, zonder onderscheid, gunstiglijk wierden ontvangen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Reize naar 't Firmament

Tot hier toe heb ik geen woord gesproken van die verbazende verbanning naar 't Firmament; waarom ik hier, als zijnde de bekwaamste plaatze, een afbeeldzel van die reize zal geven. Zeker slag van vogels, van eene ongewoone grootte, zijn gewoon alle jaar zig hier te vertoonen: zij worden Cupac of Postvogels genoemt, die op gezette tijden komen en wederom vertrekken. Met het naspeuren der oorzaaken van deeze gezette komst en vertrek, hebben do Onderaardsche Natuurkundigen lang hun hoofd gebroken. Eenige zijn van gedagten, dat die vogels, derwaards gelokt door eenige bloedelooze diertjes, of door zekere groote vliegen, waar van 'er op deezen tijd des jaars eene groote menigte te zien is, en waar naar dezelve zeer begeerig zijn, op deeze Planeet nederdalen; en ik heb niets tegen dat gevoelen. Zij meenen dat de zaak hierom te klaarder is; nademaal die vliegen verdwijnende, ook die vogels weder terstond te rug vliegen naar 't Firmament. Dat dit door zeker ingeven der Natuur kan geschieden, blijkt uit het voorbeeld van andere vogels, welke op gezette tijden in zekere Landen, buiten twijfel om dezelve redenen, zig vertoonen. Andere willen, dat deeze vogels van de inwoonders des Firmaments zodanig onderwezen en geoeffent zijn, dat zij van dezelve konnen worden uitgelaten even als Valken, of Jagt-vogels, om een roof van elders over te brengen. Deeze stelling is gegrond op die groote zorg en snedigheid, welke zij vertoonen, na dat zij die reis afgelegt hebben, wanneer zij hunnen buit, of de gene welke zij overgebragt hebben, ter nederzetten. Ook doen deeze vogels uit andere omstandigheden blijken, of dat zij voorbedagtelijk daar op geleert, of met reden begaafd zijn; want wanneer de tijd dat zij vertrekken, aanstaande is, worden zij zoo mak en tam, dat zij zig netten of strikken laten aandoen, waar onder zij eenige dagen lang stil en gerust blijven leggen; en in dien tusschen-tijd van de inwoonders als met de hand gevoed worden met bloedelooze diertjes, waar van men 'er ten dien einde eene groote menigte verzamelt heeft: En met dat aas moet men ze daar houden, tot dat al het noodwendige voor de op reis gaande ballingen vervaardigt is. De toestel van dat vertrek pleeg aldus gemaakt te worden: Een klein hutje of kistje wordt aan de strikken, waar aan de vogels leggen, met touwen vastgemaakt. In ieder hutje kan niet meer dan een boom of mensch te gelijk zijn. Wanneer nu de tijd van hun vertrek aanstaande, en het aas der bloedelooze diertjes, waar mede de vogels gespijst worden, op is, vliegen de vogels op, en neemen de terugreis aan, door de lugt. Zodanig was deeze wonderlijke overvoering, welke ik met de andere gevangenen naar de nieuwe Waereld moest ondergaan. Toen ter tijd stonden met mij reisvaardig twee Burgers van welke om andere misdaden in ballingschap waren verwezen. Een van die was een Overnatuurkundige, die de Wet hadt overtreden, door te disputeeren over het Wezen Gods, en over de Natuur der Geesten. Die stoutheid hadt hij met de aderlating moeten boeten, en wanneer hij kort daarna bevonden werd in zijn voornemen voort te varen, werd hij tot ballingschap naar 't Firmament verwezen. De ander was een Geestdrijver, die twijfelingen omtrent den Godsdienst en 't regt van heerschappij in den Burgerstaat maakende, de gronden van beide scheen te ondermijnen. Dees wilde aan de Wetten van den Staat niet gehoorzamen, voorwendende dat alle Burgerlijke onderwerping tegen zijn gemoed streedt. Zijne Vrienden ondernamen om hem met de bondigste bewijzen deeze kregelheid uit den kop te krijgen, doende hem zien, aan hoe veele bespottingen die gemoeds-voorschriften en ingebeelde inblazingen onderhevig waren; zeggende menigmalen, dat de ijver, conscientie, of inblazinge met zwaarmoedigheid of bedorven ligchaams-vogten vermengd wierden; en toonden wijders aan, hoe dwaas het is zig te beroepen op het aanporren der conscientie, en hoe onbillijk het is te beweeren, dat de bewegingen zijns gemoeds het rigtsnoer zouden zijn van eens anders geloof, die zig van dezelve bewijsrede bedienen, en de eene conscientie tegen de andere kan zetten. Eindelijk vertoonden zij hem, dat niemant die deeze beginselen halstarriglijk vasthieldt, bezwagtelende zijne koppigheid mee den dekmantel der conscientie, in den Burgerstaat geduld konde worden; aangezien de pligt van een goed ingezeten vereischt, dat hij de Wetten van den Staat blindelings gehoorzame; en dat een Geestdrijver zodanige onderdanigheid nog wil nog kan bewijzen, nademaal in 't burgerlijke het voorschrift zijner conscientie zijn eenige rigtsnoer is. Dog, aangezien beweegredenen of bewijzen op de Geestdrijvers weinig vat hebben, wierdt hij als hardnekkig en onverbeterlijk gebannen, en naar het Firmament verwezen. Wij waren dan ter dezer tijd met ons drieën, die deeze reize stonden te doen, namenlijk een Uitvinder van Nieuwigheden, een Over-natuurkundige, en een Geestdrijver.

Omtrent het einde der Berkenboommaand, wierden wij elk uit het Gevangenhuis naar eene bijzondere plaats gebragt. Wat mijne makkers naderhand overgekomen is, is mij onbekend: want voor mij zelf alleen zorgende, moeide ik mij nergens anders mede. Ter bestemder plaats gebragt zijnde, wierd ik terstond in 't kistje of hutje gesteken, en met spijze, zoo veel voor eenige dagen genoeg was, voorzien. Niet lang daar na, wanneer de vogels gewaar wierden dat men hen geen aas meer aanbragt, even als of zij voelden dat het tijd van vertrekken was, verlieten zij dien Aardbol, klievende de lugt met eene ongelooflijke snelheid. Men gelooft gemeenlijk onder de Onderaardlingen, dat de afstand van de Planeet Nazar omtrent honderd mijlen van 't Firmament is. Dog in hoe veel tijds ik die reize afgelegt hebbe, kan ik niet wel zeggen; maar wel dat mij dunkt met deeze hemelsche schipvaart vier-en-twintig uuren onder weg geweest te zijn. Na een langwijlig stilzwijgen kwam mij eindelijk een verward geroep ter ooren, waar uit ik gissinge maakte niet ver van land af te zijn. Toen bleek het mij, dat deeze vogels wel degelijk met voordagt hier op geleert en geoeffent waren, want zij zetteden zoo konstiglijk en zoo zorgvuldiglijk het hutje op den grond neer, dat 'er niets aan beschadigt wierdt; Terstond wierd ik omringt door een groot getal van Aapen, op welker gezigt ik met geen geringe vrees bevangen wierd, nademaal ik dp de Planeet Nazar van die dieren magtig gekwelt was geweest. Mijn opgevatte schrik vermeerderde, wanneer ik deeze Aapen met malkanderen hoorde praten, en wanneer ik zag dat zij kleederen van verscheide kleuren aan hadden, en met geregelde stappen voortgingen. Toen giste ik dat zij de bewoonders deezes Lands waren. Dog vermits mij in dat mengelmoes van zeldzaamheden, waar aan ik al zedert eenen geruimen tijd was gewoon geworden, niets nieuw of ongewoon meer kon schijnen, schepte ik weder moed, vooral toen ik zag, dat die Aapen mee eene wonderlijke gemaniertheid nader kwamen, en mij, hunnen nieuwen gast, op eene beleefde wijze, uit het hutje haalden: want naauwlijks wordt in onze geheele Waereld een Ambassadeur met meer statie ingehaalt. Elk op, zijnen rang naar mij toe komende, sprak mij aldus aan: Pul Asfer. Na dat zij deeze welkomst dikwils herhaalt hadden, en ik eindelijk die woorden hen had nagezegt, begonnen zij uittermate te lachen, en gaven met koddige gebaarden te kennen, dat zij veel vermaak schepten in die woorden te hooren nazeggen. Aanstonds bemerkte ik dat deeze inwoonders ligtveerdig, liefhebbers van nieuwigheden, en groote snappers waren. Als zij, spraken zou men gezworen hebben dat de trommel geroert wierdt, met zulk eene labberheid en vlugheid bragten zij de woorden als in eenen adem uit. Om kort te zijn, zij waren in opschik, manieren, spraak, en ligchaams-gedaante geheel en al verscheiden van de Potuanen. Op 't eerste gezigt van, mijne gestalte, scheenen zij gantsch verbaasd, en de voornaamste reden daar van was, dat ik geen staart had: want gelijk 'er onder alle schepzelen geen beesten zijn, die meer de figuur van een mensch verbeelden dan de Aapen, zoo zouden zij mij, had ik anders eenen staart gehad, voor een dier van hun geslagt gegroet hebben: vooral, vermits zij alle de gene die tot nog toe uit de Planeet Nazar herwaards overgevoert waren, zig zeer ongelijk hadden bevonden. Ter zelver tijd toen ik in dat Land kwam, was de Zee overal onstuimig, om de nabijheid der Planeet Nazar: want even gelijk bij ons de vloed der Zee overeenkomt met den loop der Maan, zoo vloeit en ebt ook de Zee van dit Firmament te gelijk met dezelve, als zijnde in denzelven zwaai-kring met de Planeet Nazar.

Terstond wierd ik haar een groot huis gebragt, dat met pylaren, vensters, marmer, kostelijken huisraad en tapitzeryen zeer fraai opgepronkt was. Aan de deur stonden wagters, waar uit ik besloot dat dit geen huis was van eenen gemeenen Aap. Hij zelf, verlangende om met mij te spreken, huurde eenige meesters, die mij in de taal zouden onderwijzen. Omtrent drie maanden wierden met dit onderwijs doorgebragt, welke verstreken zijnde, ik, vermits ik redelijk prompt spreken kon, geloofde, dat ik om de vlugheid mijns geests, en snedige memorie, de verwondering van alle verdient had. Dog mijne meesters hielden mij voor eenen domkop en plomp-aard, zoo, dat zij telkens van hunnen discipel dreigden af te zien. Hierom, gelijk ik op de Planeet Nazar om de vlugheid mijns verstands, al spottende Scabba of den gaauwert was genoemt geweest, zoo gaven mij deeze Aapen, om mijne domheid, den naam van Kakidoran, dat is gezegt plomp-aard of traag-aard. Want deeze alleen worden daar geagt, die eene zaak vaardig begrijpen, bezwagtzelen in den zin, verdraaijingen in de woorden, en streeken in 't spreeken gebruiken. Terwijl ik in de Aapen-taal onderwezen wierd, bragt mijn huiswaard mij dikwils door de Stad, welke ik zag dat in allerlei soort van weelde en pragt verdronken lag: want door het groot getal van wagens, koetzen, lakeijen en de menigte des volks, dat van alle kanten toevloeide, en ginds en herwaards liep, gedrongen en gefloten wordende; wierden wij genoodzaakt met geweld opening te maken, en ons den weg te baanen. Dog dat kwam in geen vergelijking bij de pragt in de hoofdstad, alwaar men als in zijn middelpunt bijeen gebragt zag al wat de menschelijke verwaandheid bedenken kan. Toen ik de taal verstond, geleidde mij mijn huiswaard naar de hoofdstad, als hoopende door deeze nieuwe en ongewoone gifte, ligtelijk de gunst van een zeker Raadsheer te zullen verkrijgen: want men heeft hier eene Volks-regeering, invoegen dat het hoogste gezag in de Republyk bij den Grooten Raad berust, en dat alle de Raadsheeren van 't geslagt der Patricen zijn: want die uit het volk zijn, kunnen niet hoopen verder dan tot een hopman, of tot een bevelhebber in de Provinciën of mindere steden aangestelt te worden. Somtijds worden zij nog wel tot Burgemeesters aangestelt; dog deeze bevordering pleeg niet te geschieden, dan na voorgaande verdiensten. En uit dien hoofde was mijn huiswaard Burgemeester geweest; want die had zulken snedigen vernuft, dat hij binnen den tijd van eene maand, agt-en-twintig nieuwe Wetten of Placcaaten (Projecten) hadt uitgevonden. En schoon deeze nieuwigheden, welke hij uitgevonden hadt, zodanig waren, dat zij met het algemeene welzijn niet hadden konnen bestaan; waren 't egter proefstukken van een vrugtbaar verstand, waar door hij zig agtinge hadt verkregen; want in de geheele Onderaardsche waereld zijn de uitvinders van nieuwigheden nergens zoo gezien, als in deeze Republyk. De hoofdstad deezer Republyk wordt genaamt Martinia, waarvan ook het gantsche Landschap den naam gekregen heeft. De Stad is zeer wel gelegen en zeer vermaart door treffelijke gebouwen, kennisse in de Zeevaart, en 't uitrusten van Oorlogschepen. Ik geloof niet dat dezelve in grootte en in 't getal haarer inwoonderen voor Parijs behoeft te wijken zijnde de straaten aldaar zodanig opgepropt met volk, dat wij met vuisten en stokken ons eenen weg moesten maken, om ter plaatse te geraken, daar de Vice-President van den Grooten Raad woonde: want dit was de man aan welken mijn huiswaard mij tot eene vereering dagt te geven.

Wanneer wij digt bij des Vice-Presidents huis waren gekomen, tradt mijn huiswaard in eene herberg, om aldaar zijne kleederen wat in orde te schikken, vermits hij wel en zindelijk gekleed bij den Vice-President voor den dag wil de komen. Terstond kwamen met geheele troepen eenige huurlingen toeschieten, gemeenlijk Maskatti of opschikkers geheeten, welke iedereen gewoon is te gebruiken, alvorens hij het Paleis van een Raadsheer ingaat. Deeze borstelen de kleederen, doen 'er de vlakken uit, en herstellen met een wonderbaarlijke zorg en handigheid al wat 'er aan ontbreekt, zelfs tot de allerminste vouwtjes toe. Een deezer Maskatti des Burgemeesters degen genomen hebbende, maakte dien schoon en polijstte hem. Een ander bondt hem eenen bos linten van allerlei kleuren op den staart: want niets is 'er daar deeze Aapen zoo zeer mede vermaakt zijn dan met den opschik haarer staarten. Daar waren Raadsheeren en vooral Raadsheers vrouwen, welker staarten op Heilige dagen naauwlijks met de onkosten van duizend daalders, onzer munte, naar behooren konden opgeschikt worden. De derde deezer Maskatti of opschikkers kwam met een instrument van de Landmeetkunde, waar mede hij de kleederen mat, om te zien of alles naar behooren en evenredig geschikt was. Een vierde kwam gelopen met een flesje blanketzel, waar mede hij hem 't aangezicht; opsierde. Een vijfde sloeg naauwkeurig agt op de voeten, nemende met eene uitstekende gaauwigheid het vuilnis van tusschen de teenen en nagelen weg. Een zesde bragt riekend water, aan, waar mede hij de handen en voeten des Burgemeesters besproeide. Kortom, dees, boodt eenen scheerdoek aan om te scheeren, die eene kam om te krullen, een ander eenen spiegel voor 't gezigt, en dit alles wierdt met geen minder zorg en vlijt verrigt, dan de Landmeeters bij ons de Landkaarten gewoon zijn, na te zien en te verbeteren. Dit deedt mij in mij zelven zeggen: "Wat tijd en kosten zal de opschik der vrouwen niet vereischen, daar 'er met het versieren, oppoetzen, blanketten, en kammen van 't man-volk, zoo veel werks gemaakt wordt!" En zeker de Martiniaansche Vrouwen gaan alle paalen te buiten, en weeten zodanig de gebreken aan haare ligchamen door bedrog te bedekken, dat zij door al te groote nettigheid vuil zijn. Want wanneer zig het zweet met de welriekende zalven komt te vermengen, rieken zij terstond daar naar, even als wanneer een kok allerhande sop onder een giet. Waar zij naar rieken weet men niet: die alleen weet men, dat men ondervindt dat ze zeer kwalijk rieken.

Mijn huiswaard dan aldus geschooren, geschildert, gehult, en glad gemaakt, stapte naar het Paleis van den Vice-President, alleen verzelt van drie knegts. Zoo dra hij in 't voorhuis kwam, trok hij zijne schoenen uit, om den marmeren vloer niet beslijkt of bestoven te maken. Hier moest hij bijna een geheel uur lang blijven staan, eer men den Vice-President van zijne komste konde verwittigen: ook wierdt hij niet binnen gelaten, dan na dat 'er eenige kleinigheden, waarmede men in dit Land gewoon is de gunst der deurwagters te koopen, waren voorafgegaan. De Vice-President, zittende op een verheven verguld gestoelte, hadt mij met mijnen huiswaard niet zoo dra zien binnen komen, of hij barstte uit in overmatig lachen, en deedt mij terstond veele gekke en ijdele vragen,

Zoodanig dat mij 't zweet afguste langs de beenen Waar van een gantsche plas lei op de marmer-steenen.

En op ieder antwoord

Berst hij, al bevende, gestaag in lachen uit, Dat de omgekrulde neus hem tegen 't voorhoofd stuit.

Ik dagt dat zig aan te stellen als een tooneelspeeler, hier order de deugden gerekent wierdt, vermits de Republyk eenen man, die zulk een potzenmaker was, tot Vice-President, dat is eenen die de tweede plaats in den Raad bekleedt, hadt aangestelt; en ik zei mijne gedagten daar over terstond aan mijner huiswaard. Dog die betuigde mij, dat het een man was ten uitersten aanzienlijk door de gaven zijns Geests. Want hoe groot zijne schranderheid was, bleek uit het groot getal van allerlei zaken, welke hij, zelfs in zijne aankomende jeugd, hadt uitgevoert; aangezien hij van zulken snedigen begrip was, dat hij, al was 't onder een glaasje, zaken van 't uiterste gewigt konde verrigten: ja zelfs onder 't avond- of middagmaal, tusschen elk geregt, eene Ordonnantie of een Placcaat konde schrijven. Hier op vraagde ik van hoe langen duur die Placcaaten plegen te zijn, die zoo ter loops beslagen waren? Waarop mij geantwoord wierdt, dat ze gemeenlijk zoo lang duurden, totdat het den Raad behaagde dezelve te niete te doen, of af te schaffen.

Na dat de Vice-President een half uur lang met mij gepraat, en met dezelve snapagtigheid, als onze Europische baardscheerders, veele woorden den hals gebroken hadt; keerde hij zig naar mijnen huiswaard, tegen hem zeggende, dat hij mij onder zijne dienaars aannam, schoon hij bespeurde uit de traagheid van mijnen geest, dat ik

In een verdikte lugt, of in het Varkens-land Geboren, nooit zou zijn een man van goed verstand,

en dat ik vervolgens tot eene bedieninge van aangelegenheid naauwlijks bekwaam was. Ik heb ook, zei mijn huiswaard, bespeurt, dat 'er eene aangebooren vadzigheid in hem is; dog wanneer men hem tijd geeft, om de zaak wat langer te overwegen, oordeelt hij 'er niet kwalijk over. Hier op antwoordde de Vice-President. "Hier heeft men prompte en vaardige dienaars van noden, vermits de veelheid der zaken geen draalen kan lijden." Dit gezegt hebbende, begon hij ernstig op de sterkte mijns lichaams te letten, en geboodt mij een zwaar gewigt van den grond op te heffen; dit zonder moeite gedaan hebbende, zeide hij: "De Natuur, welke hij in zielsbegaaftheden tot eene Stiefmoeder gehad heeft, heeft dat gebrek eenigzins door de sterkte zijns ligchaams vergoedt." Toen wierdt mij bevolen een weinig aan eenen kant en naar eene andere plaats te gaan, alwaar ik van de dienaars en slaven met eene wonderlijke beleeftheid ontvangen, maar ook te gelijk door haare overgroote snapagtigheid en potzen ellendiglijk geplaagt wierd. Zij vraagden mij zoo menigvuldige vraagen aangaande onzen Aardkloot, dat ik niet meer wist wat ik zoude de zeggen, zodanig dat ik eindelijk genoodzaakt zijnde leugenen onder waarheid te mengen, egter nog hunne nieuwsgierigheid niet konde voldoen. Mijn huiswaard eindelijk bij mij komende, gaf mij te kennen, dat ik onder de hovelingen van zijne Excellentie eene plaats had gekregen. Uit het voorgaande praatje van den Vice-President had ik eenigzints konnen afnemen, dat de bediening die mij toegeschikt wierdt, niet veel bijzonders stondt te wezen. Ik giste dat het die van Poortier of Hofmeester zoude wezen, waar mede men mij stondt te begiftigen; dog vragende aan mijnen huiswaard wat het voor eene bedieninge was, gaf hij ten antwoord: Zijne Excellentie heeft u allergenadigst aangestelt tot eersten drager (Porteur) om zijnen draagstoel, met eene jaarlijksche wedde van vijf-en-twintig Stercolaten. (Iedere Martiniaansche Stercolaat wordt gerekent op twee daalders onzer munte.) Daarenboven heeft hij belooft dat gij dien dienst aan niemant zult moeten doen, dan aan hem zelv' en aan zijne edele Gemalinne. Door dit antwoord als door een bliksem getroffen, gaf ik, zonder doekjes daar om te winden, te kennen, hoe onwaardig zulks was voor een vrijgebooren man, en die van goeden huize was. Dog terwijl ik sprak, vielen mij de hovelingen in de reden, komende bij troepen toeloopen, en met haare snapperijen mij, die bereids half dood was, voorts vermoorden: want de Martinianen zijn altemaal ligt volkje, ijdele snappers en lastige babbelaars, die op geen zaken van gewigt altoos gevat zijn, en alleen veele woorden den hals breeken. Eindelijk wierd ik naar mijne slaapplaats gebragt, alwaar het avondmaal gereed stondt, en na dat ik matelijk gegeten had, wierdt mij mijne slaapsteê aangewezen om te rusten.

Ik ging terstond naar bed; dog in die gemoedsgisting kon ik niet in slaap geraken. De hoogmoed, waar mede ik van deeze Aapen ontvangen was, hadt mij bijna razend gemaakt; en waarlijk ik had Jobs lijdzaamheid van noden om zulk eenen doorslaanden smaad op te kroppen. Ik beschreide mijn noodlot, 't welk ik bespeurde wreeder in dit Land te zijn, dan 't in de Planeet Nazar was geweest, en begon aldus in mij zelf te spreken: Wat zou 't zijn zoo de groote Kadokus van het Vorstendom Potu, die volmaakte man, en wiens waardij tegen geen goud is op te wegen, eens in deze Gewesten was overgevoert? Waarlijk men zou 'er weinig werks maken van eenen man, die eene geheele maand noodig heeft om een Placcaat op te stellen! Wat zoude Palmka in dit Land beschooren staan, alwaar de Raadsheeren over 't avondmaal zittende, Placcaaten opstellen en die te gelijk schrijven? Na ernstige overweginge bespeurde ik dat ik uit het Land der wijzen was overgebragt in de verblijfplaats der tooneelspeelers. Eindelijk afgemat zijnde door deeze zorgen, bekroop mij de slaap. Ik zou, met geen zekerheid, zeggen kunnen hoe lang ik sliep; nademaal 'er in dat Land geen onderscheid is tusschen dag en nagt: want men heeft 'er geen duisternis dan die op eenen gezetten tijd voorvalt, wanneer het, door tusschenkomste van de Planeet Nazar, Eclipsis is in de Onderaardsche Zon. Dog die Eclipsis is zeer aanmerkelijk, nademaal de Planeet Nazar, die niet ver van 't Firmament dobbert, met haare schaduwe de Zon geheel verduistert. Men heeft 'er ook om de gestadige nabijheid van dat gesternte, 't geheele jaar door, eenerlei weer. Hier om verdrijven de inwoonders, door verscheide uitvindingen, als door de lommer der bosschen, koele wandelwegen en onderaardsche kelders, de ongemakken der hitte.

Naauwlijks was ik wakker geworden, wanneer een zekere Meerkat in mijne kamer tradt, zeggende mijn amptgenoot te zijn, en bij zig hebbende eenige touwen niet eenen loozen staart, welken hij vast maakte aan mijne billen, ten einde ik zoude schijnen te zijn van dezelve figure als de overige Aapen. Dit gedaan zijnde, beval hij dat ik mij zoude gereed houden, nadien de Vice-President binnen een uur tijds naar een school, alwaar hij door schriftelijk bevel uit den Raad met de andere Raadsheeren verzogt was, moest overgebragt worden. Daar was eene Doctorale Promotie te doen, tegen veertien uuren voor den middag. Hier staat te letten, dat, schoon, om het gestadige licht, de dag van den nagt niet kan worden onderscheiden, de dagen egter omschreven zijn in zekere uuren, half uuren, en quartier-uuren; en zulks door 't gebruik der Horologien, en Zandloopers, invoegen dat de dag met den nagt in twee-en-twintig Martiniaansche uuren worden begrepen. Waarom het ook, bijaldien alle de Stads-horologien te gelijk stil stonden, den Stedelingen onmogelijk zoude zijn de uuren wederom te regt te brengen, alvorens zij door de Horologien der nabuurige plaatsen het stil staan der hunne hadden verholpen: want daar zijn geen Zonnewijzers, nog zij kunnen 'er wezen, om dat 'er nooit schaduwen zijn, vermits de Zon aldaar juist boven het hoofd staat, en haare straalen lijnregt nederwaards schiet. Hier vandaan, is het, dat als men eenen put graaft, dezelve geheel en al beschenen wordt. En aangaande het jaar, dat wordt aldaar geregelt en geschikt naar den loop der Planeet Nazar, die eens zoo ras als het Onderaardsche Firmament haaren loop om de Zon aflegt.

Ten veertien uuren eenen vergulden draagstoel op de schouderen nemende, droegen wij zijne Excellentie naar het school. Komende in de gehoorplaats, zagen wij aldaar naar rang zitten de Leeraars en Meesters, welke alle voor eenen voorbijgaanden Raadsheer opreezen en hem den staart toekeerden. Dit is een teeken van eerbiedigheid; en daarom versieren zij zoo zorgvuldiglijk hunne staarten. Dog mij kwamen die averegtsche groetingen gekkelijk en belachelijk voor. Want iemant den rug toe te keeren, is bij ons een teeken, of van verkoeling of van veragting; dog ieder Land heeft zijnen eigenen smaak. De gemelde Leeraars en Meesters zaten aan weêrszijden der gehoorplaats; en aan 't einde, van de gehoorplaats was een gestoelte gestelt, 't welk bekleed wierdt door den genen die Doctor stondt te worden. Eer de Promotie aanging wierdt 'er over een twistschrift gehandeld, waar van dit de tytel was. Inwijings-Natuurkundig vertoog, waar in onderzogt wordt en beslist, het zwaarwigtig vraagstuk: of het geluid, 't welk de vliegen en andere bloedelopze diertjes maken, hen door den mond, of door 't agterste uitgaat. De Præses hadt op zig genomen het eerste gevoelen te verdedigen, welk met zoodanige ijver van de tegenpartijders bestreeden wierdt, dat men vreesde dat dat krakkeel op een bloedig krabbelvuistje zoude uitkomen. En waarlijk men zoude handgemeen zijn geworden, ten ware de Raad, oprijzende, de hevigheid niet hadt doen bedaaren. Zoo lang het dispuut duurde, wierdt 'er op de fluit gespeelt. Want daar was een fluitspeeler aan welken 't bestier des strijds was opgedragen, die dan eens met streelende, dan met hevige toonen, de verflaauwende zintwist opbeuren, of wanneer dezelve tot oploopenheid en woede oversloeg, zoude bedwingen. Dog door deeze en andere middelen wierdt 'er dikwils niet veel uitgerecht: want het is moeilijk maat te houden wanneer 'er over zwaarwigtige zaken gehandelt wordt; 't geen wij in onze waereld dikwils hebben ondervonden, alwaar met geen mindere gemoeds-bewegingen, het zintwisten over een geschil dat veelerlei is en veele omwegen heeft, dikwils onstuimig wordt. Dog dit krakkeel, dat bloedvergieten en doodslag scheen te dreigen, wierdt schielijk geëindigt door onderlinge loftuitingen en dankzeggingen; niet anders dan op onze Academiën, alwaar, volgens eene doorgaans aangenomene gewoonte, de Præses overwinnaar uit het gestoelte komt.

Het disputeeren geëindigt zijnde, ging de Promotie zelve op deze wijze voort: hij die gepromoveert stondt te worden, wierdt te midden in de gehoorplaats gestelt, alwaar drie Pedellen of dienaars der Academie met eenen statigen tred naar hem toegaan, en hem een geheel mud koud water over 't hoofd gieten: straks daar op berooken zij hem met wierook, en bieden hem eenen spuwdrank aan te drinken. Dit met de uiterste eerbied en buiging haarer hoofden verrigt hebbende, kondigen zij af, dat hij tot Leeraar verkoren is. Ik stond verbaasd over zulke wonderbaarlijke en nooit gehoorde plegtigheden, en vraagde aan zekeren geleerden Aap, die bij mij stondt, wat dat alles te beduiden hadt. Dees, medelijden hebbende met mijne onwetendheid, zeide, dat door 't water, den wierook, en den braak-drank te kennen gegeven wierdt, dat de vlekken der oude gebreken moesten uitgewischt, en nieuwe zeden, onderscheiden van die van 't gemeen, aangenomen worden. Dit verstaan hebbende, beschuldigde ik mijne domheid, en vol van verwondering zijnde, vraagde ik niet verder, om niet door te gaan voor eenen die nooit onder fatsoenlijke Lieden verkeert hadt.

Eindelijk wierdt alles vervult door het geraas van trommels, fluiten en trompetten, en die nieuwe Leeraar, uit de gehoorplaats gaande, gelauwriert, en met eenen riem omgord, wierdt door de gantsche vergadering der Geleerden tot in zijn huis toe verzeld. Dog vermits hij maar van een burgerlijk geslagt was, wierdt hij in geen stoel gedragen; maar slegts op een wagentje met de hand voortgetrokken, eenige getabberde loopers, vooruitloopende. De plegtigheid, zoo als doorgaans pleeg te geschieden, wierdt besloten met een pragtig gastmaal, en een brave roes der gasten: want daar wierdt zoo rijkelijk wijn geschonken, dat de meeste vol en zoet naar huis wierden gebragt, en, niet zonder behulp van geneesmiddelen, eerst na eenige dagen weder tot hun zelven kwamen, invoegen dat in die geheele verrigtinge, van 't begin af tot het einde toe, niets te vinden was, dat niet met de uiterste plegtigheid toeging; en ik moet bekennen dat ik in onze waereld nooit eene Promotie gezien heb; die meer was naar den trant van de Academie, nog geen Candidaat, die met meer regt Doctor gemaakt is.

In de Geregtshoven worden de zaken met eene wonderlijke vaardigheid afgedaan, zoo, dat ik mij niet genoeg kan verwonderen over de vlugheid en de gemaklijke bevattinge die dat volk zoo bijzonder eigen is: want éér de Advocaten hunne pleidoyen geeindigt hebben, staan de Regters menigmaal op om hunne stemmen, die niet minder vaardig als fraai zijn te geven. Ik heb mij menigmalen in deeze Geregts-hoven laten vinden, om de wijze van Procedeeren bij de Martinianen te hooren. De Vonnissen kwamen mij in 't begin zeer zakelijk voor, en scheenen gegrond op het natuurlijk regt; maar toen ik die wat grondiger onderzogt vond ik die onregtvaardig, gekkelijk en vol van tegenstrijdigheden, zoo dat ik het beter oordeelde te wezen, de zaken aan 't lotgeval te betrouwen, dan een geding te onderwerpen aan het Vonnis der Martiniaansche Regters. Van de wetten deezer Natie kan ik niets zeggen om de groote wisselvalligheid welke dezelve onderworpen zijn: want wetten en regten worden hier alle jaren even als kleederen verandert. Om deeze redenen worden 'er veele om misdaden gestraft, die geen misdaden waren toen ze bedreven wierden: Veele verliezen ook daarom alleenlijk hun Proces, om dat hunne Actie, welke volgens de wetten geoorlooft was, naderhand door eene nieuwe wet ongeoorloofd wordt. Ten dien opzigte beroepen zij zig ook alle van lager Regtbanken tot de hooge, hopende—dat, hangende het geding, de eerste wet zal worden afgeschaft. Dit gebrek wordt geboren uit het al te vaardig ontwerp der wetten. Voeg hier bij dat deeze Natie, al te zeer hakende naar nieuwigheden, afkeerig is van de allerbeste wetten en gewoonten, alleen omdat ze oud zijn. Geen mindere ligtvaardigheid bespeurde ik ook in den opschik des ligchaams en in de kleederen. De Advocaten zijn hier in groote agtinge om hunne spitsvinnigheid in 't zintwisten, en daar zijn 'er onder dezelve, die, gelijk men zegt, doornaait als eens bedelaars huik, geen zaak aannemen te verdedigen, ten zij dezelve twijfelagtig en onregtvaardig zij: en zulks om aan te toonen hoe zeer zij geslepen zijn in 't hairklooven, en hoe konstig zij van zwart wit konnen maken. Om deezer geslepenheids wille begunstigen de Regters meenigmaal eenen voorstander van eene onregtvaardige zaak, nadien 't hen genoeg is dat de zaak bepleit, en volgens de Practijk behandelt zij. Hierom zijn zij gewoon te zeggen: "Wij zien zeer wel de onbillijkheid der zake; dog aangezien, dezelve met zoo veel behendigheid, en volgens de Practijk beweert is, kunnen wij niet nalaten, om de snedigheid des Advocaats, een weinig van 't regt af te zien." De regten worden hier van de Leeraars, voor verscheide prijzen, naar de natuur der zaken, geleert: bij voorbeeld die hunne leerlingen onderrigten om eene kwade en onbillijke zaak voor te staan, of, gelijk de Grieken zeggen, τὸν ἤτζω λόγον κρείτω ποιεῖν,[1] eisschen twintig stercolaten; dog die eene billijke zaak leeren beweeren, vorderen slegts tien stercolaten. 't Geen tot het Regt vereischt wordt, is zoo veel en zoo groot, dat in dien onmetelijken hoop van wetten, de eene op de andere gestapelt, geen einde te zien is: want gelijk de Martinianen van een zeer spitsvinnig en fijn vernuft zijn, en daar bij eene zeer gaauwe bevattinge hebben, walgen zij van alles wat klaar en eenvoudig is, niets aanzien willende dan 't geen doortrapt, kwastig en verdraait is.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings