RESIDENTS-VENDUTIE.1
Reading edition
RESIDENTS-VENDUTIE.1
Hedenmorgen, precies om tien uur, begon de vendutie van den Resident. Allereerst werden de planten voor het huis en uit de voorgalerij verkocht, die nu wel niet buitengewoon duur gingen, maar toch altijd nog hooge prijzen opbrachten. Trouwens, in het begin kon men niet van bepaalde fancy-prijzen spreken, al werd ook nu en dan een aschbakje of zoo iets, dat een of twee gulden waard was, verkocht voor ƒ 10.— of ƒ 20.
Later, toen de barang uit de binnengalerij aan de beurt kwam, begonnen de prijzen echter hooger te worden.
Zoo werden daar bijvoorbeeld allereerst verkocht twee potten met planten op console. Kooper werd de Sultan van Deli voor ƒ 1640.
Wij hebben maar hier en daar een greep gedaan, om een denkbeeld te geven van de bestede sommen en besluiten met de mededeeling, dat het rijtuig waarin de resident gewoonlijk reed, met de twee zwarte paarden, werd gekocht door den Sultan van Asahan voor de enorme som van ƒ 5700.—, een ander rijtuig met één paard, door den Sultan van Deli, voor ƒ 3000.—.
Om drie uur, toen de vendutie nog niet was afgeloopen, was de opbrengst reeds ruim ƒ 38.000.—.
De Inlandsche vorsten, om voort te kunnen gaan met onderdrukking en knevelarij der bevolking. Om niet gestoord te worden in hunne bijna openlijke tegenwerking der zending in de Bataklanden, waar de vooruitgang en het veldwinnen des Christendoms hoofdzakelijk belet wordt door het werken en intrigeeren van eenige bekende vorstjes ter Oostkust.
De planters.……
Ik verzoek den lezer, door te lezen.
Is het wonder, zoo een besturend ambtenaar zich de achting en sympathie der planters tracht waardig te maken?
Men ziet het, de planter heeft een practisch middel om indruk te maken op den controleur, wiens opvatting van de koelie-ordonnantie wat te zeer van de zijne mocht afwijken. Toch, ééns slechts, voor zoover ik weet, was het de controleur die the best hand had.
Eenige jaren geleden hield een controleur vendutie, doch … bleef. Hij verhuisde slechts van het eene huis naar het andere op dezelfde plaats!! De wenk was duidelijk en de vendutie dienovereenkomstig schitterend.
Doux pays!
Niemand?!
Neen, niemand. Er is er geen onder de planters, die niet het een of ander op zijne rekening heeft en die niet, indien de controleur het wilde, in moeielijkheden zou geraken.
In een civiel proces tegen een controleur ter Oostkust waren door mij een paar planters opgeroepen, die tegen dien bestuursman zouden getuigen. Een van hen bad en smeekte mij, hem niet te doen hooren, daar de controleur eene zaak voor hem getoetoept had en hij bang was, dat na zijn getuigenis de zaak weer geopend zou worden.
De tweede, die wèl gehoord werd, getuigde zoo eigenaardig, dat hem op het gewicht van den eed moest worden gewezen! Het angstzweet stond den man op het gelaat bij zijne pogingen, de waarheid te zeggen, zonder dat zijn getuigenis den controleur kon schaden. Ik moet evenwel tot zijne eer constateeren, dat de vrees voor vervolging wegens meineed iets grooter was dan zijn angst voor de ontevredenheid van den controleur.
Zeker, daar is geen twijfel aan.—Veroorloof mij, u daar een enkel voorbeeld van te geven.
Een paar dagen daarna kwam de waarheid aan het licht.
Drie maanden dwangarbeid, omdat de man had gelogen tegen zijnen baas!
De planter, die mij het geval vertelde, voegde er gemoedelijk aan toe: Natuurlijk was de man niet strafbaar, maar wij planters zien zoo iets graag, voor ’t prestige, weet u. En hij—d. i. de controleur—zal het ook wel gedaan hebben met het oog op zijne vendutie natuurlijk.
Och kom, hoe kan men zoo’n edel mensch zulke lage bedoelingen toeschrijven. Het is toch duidelijk, dat wetsverkrachting, zoo ooit, hier noodzakelijk was. Tot heil van het algemeen moest hier het recht van het individu worden opgeofferd.
Een ander staaltje van het gevoel van verantwoordelijkheid bij den Magistraat.
Zonder eenig nader onderzoek werd door den behulpzamen magistraat het verzoek ingewilligd en de overtreders exemplaarlijk gestraft.
Van de andere zijde moet er heel wat gebeuren, voor een Europeaan vervolgd wordt. Ik spreek nu niet over de zoogenoemde bagatelzaken, maar over feiten, welke ter berechting voor den Raad van Justitie thuis behooren.
De minzame magistraat neemt in zoo’n geval het recht, onbevoegdelijk, in eigen hand en legt den delinquent eene boete op. Deze boete wordt dan gestort in de kas van de eene of andere instelling van liefdadigheid. Verder betaalt de overtreder van de Wet de kosten voor verpleging en dokter c. q. en de zaak is afgeloopen.
Ook wel—wat tegenwoordig meer in zwang schijnt te zijn—komt de boete als schadevergoeding aan de beleedigde partij.
Een onderzoek naar het percentage van strafzaken die getoetoept worden, is uitteraard lastig. Het eenige wat ik hieromtrent als zeker mede kan deelen is, dat in de hoofdstad Medan gedurende de laatste vier jaren—over welk tijdperk door mij voornamelijk gehandeld wordt—het percentage bedroeg juist 100%. Geen enkele zaak van eenig aanbelang is gedurende dien tijd strafrechterlijk vervolgd!!
Maar hoe staat het op de ondernemingen?”
Onwettige vrijheidsberooving is daar aan de orde van den dag.
Het gevoel der menschelijke gelijkheid voor God en dus voor de Wet is bij den meester door de koelie-ordonnantie verdoofd en de werkkring der Europeesche assistenten herroept voor den geest het beeld van den vroegeren blankofficier.
Doodslag komt veelvuldig voor.
Misbruik van macht en van positie geeft herhaaldelijk aanleiding tot de onrechtmatigste handelingen en de walgelijkste tooneelen.
En toch zijn de strafzaken uit Deli, welke behandeld worden in Batavia, hoewel in volstrekten zin vele, betrekkelijk gering in aantal.
Hoe komt dat?
Het volgende moge den aandachtigen lezer inlichting geven.
Gelijk ik reeds zeide, het percentage op te geven der getoetoepte zaken, is vrij wel onmogelijk. Toch meen ik uit mijne ervaring te mogen schatten dat nog niet één procent der strafbare feiten—geen bagatelzaken—door Europeanen gepleegd, vervolgd wordt.
Dit is deels te wijten aan den volstrekt onvoldoenden opsporingsdienst en verder aan het verderfelijk toetoepstelsel.
Het is hier de plaats, mede te deelen, hoe ieder jaar de Majoor-Chinees te Medan alle ambtenaren met kostbare cadeaux bedenkt ter gelegenheid van het Nieuwejaar. Of hij al dan niet met den ambtenaar te maken heeft, maakt geen verschil, behalve dan misschien in de waarde van het aangeboden geschenk, hetwelk soms eene waarde van eenige honderden guldens vertegenwoordigt.
Een mijner kennissen, pas als ambtenaar te Medan geplaatst, ontving, hoewel hij den Majoor-Chinees zelfs nooit gesproken had, tot zijne verbazing met Nieuwejaar een geschenk ter waarde van ongeveer ƒ 25.—. Hoewel nooit dergelijke geschenken aannemend van menschen, met wie hij uit den aard zijner betrekking te maken had, accepteerde hij dit, daar immers zijne betrekking hem nooit in aanraking bracht met het Chineesche Hoofd.
Wat bewoog den Chinees tot het aanbieden van dit geschenk? Men zal mij toegeven, dat persoonlijke sympathie hier uitgesloten is. Aan liefdadigheid kan niet worden gedacht, want het cadeau was een voorwerp van weelde en trouwens de beschonkene in ’t genot van een behoorlijk salaris.
Ben ik te ergdenkend, wanneer ik vermoed, dat de uitgave gemaakt werd, omdat de mogelijkheid bestond, dat het Chineesche Hoofd wel wat met mijnen vriend te maken zou krijgen?