← Table of contents
De millioenen uit Deli

MISHANDELING EN WREEDHEID.

Reading edition

Oude toestanden bestaan niet meer; de tijden zijn veranderd; de ruwheid van den eersten pionier heeft plaats gemaakt voor het zachter beheer van den wetenschappelijken planter. Hoe weldadig doet ons het tooneel aan, in vergelijking bij hetgeen men vroeger zag, dat een drietal jaren geleden het huis van een assistent van een der grootste maatschappijen te aanschouwen gaf. Een ooggetuige verhaalt mij het volgende:

Na een kijkje in het leven bij eene groote maatschappij, een korten blik op de historia intima eener kleine.

Minder dan vier jaren geleden dan lagen op eene kleine onderneming in eene droogschuur vijf Chineezen, wegloopers, die opgepakt waren en daarvoor—voor het wegloopen—bestraft. Door een toeval kreeg ik ze te zien. Ze lagen naast elkander op eene mat op den grond, allen op den buik, terwijl de rug gedekt was met een stuk wit goed. Eene andere ligging was niet mogelijk, daar achter- en zijkant geheel en al wond was, veroorzaakt door slagen met bamboe, niet dunne bamboe, maar bamboe van 3 à 4 c.M. middellijn, wat de wreedste wonden maakt. Zij werden verpleegd door den barmhartigen administrateur zelf, die hen aldus tot straf voor het wegloopen had doen geeselen.… hij was bang, dat toch hierin misschien aanleiding tot vervolging zou worden gevonden, indien het den magistraat ter oore mocht komen. Eens in de week kwam een dokter, die het oppertoezicht op de behandeling had.

Die koelies waren weggeloopen, omdat de behandeling te goed was op de onderneming, dat is duidelijk. Als dien vlegels eenmaal de broodkruimels gaan steken!

De beheerder is hiervoor nooit gestraft, wel is hij voor andere feiten—even erg en even wreed—vervolgd. De dood heeft hem aan zijnen aardschen Rechter onttrokken.

Iemand, die in de bedoelde maatschappij veel te zeggen had, deelde mij mede, dat indien de betrokken administrateur veroordeeld werd, hij onmiddellijk ontslagen zou worden. Een wegens slaan van vrouwen veroordeeld beheerder kon, met het oog op de directie in Europa, niet gehandhaafd blijven. Lui in Holland hebben bekrompen idees.

Het volgend geval is zeer recent. Ik lees er over in de Java-Bode van 31 December 1901, van de hand van den bekenden briefschrijver D. E. Liaan, het volgende:

De controleur van Serdang is tegenwoordig bezig om in zijne afdeeling onderzoek te doen op de ondernemingen naar de behandeling der koelies, voornamelijk naar de verpleging van zieke koelies, en wel naar aanleiding van de volgende feiten. Reeds geruimen tijd had het hem getroffen, dat hij van een koffie-onderneming, waarvan een Franschman administrateur was, zeer dikwijls Javaansche koelies toegezonden kreeg, met het verzoek hen te straffen voor werkweigering. Steeds verklaarden die koelies, dat zij eenvoudig niet konden werken, dat zij te ziek en te zwak er voor waren, eene verklaring, die door hun ellendig uiterlijk bevestigd werd. Dit gaf te denken en op een goeden dag stond de controleur, die de noodige voorzorgen genomen had, dat zijne komst niet vooruit had kunnen worden aangekondigd, onverwachts op de bedoelde onderneming en bij een hokje, dat voorzien was van een getralied venstertje en van eene deur, die van buiten met een stevig hangslot was afgesloten.

Dit hokje was het hospitaal der onderneming.

Uit het tralievenstertje sloeg een verpestende stank naar buiten en daarbinnen in eene ruimte van enkele vierkante meters lagen twee Javanen, acht Javaansche vrouwen en.… een lijk. Het laatste, zooals later bleek, reeds ongeveer sedert vier-en-twintig uren. Gelegenheid om te baden was er niet, drinkwater was er niet, eene inrichting om aan natuurlijke behoeften te voldoen was er niet. Dit laatste geschiedde op den grond en de zieken krabbelden dan met de handen wat zand bij elkander om daarmee hun uitwerpselen te kunnen bedekken en door een reet onder de omwanding heen naar buiten te kunnen schuiven. Als de dorst hun te ondraaglijk werd, moesten zij maar zien, voor een gedeelte van hun rantsoen rijst en gedroogde visch—uitstekende ziekenkost!—dat hun eenmaal per dag verstrekt werd, van voorbijkomende koelies wat drinkwater in te ruilen. Eens in de veertien dagen kregen de zieken kinine. Deze bijzonderheden omtrent de „geneeskundige behandeling” ervoer de controleur, door de ongelukkige schepsels, die vergingen van vuil en ongedierte, door de tralies heen te ondervragen.

Waarachtig, lezer, dat zeide de brave kerel. Is ’t niet aandoenlijk, iemand zoo onverdiend te zien vervolgd worden?

Hoe uitstekend de voeding van de „gezonde” koelies op die onderneming was, blijkt wel heel eigenaardig uit het opzenden ter bestraffing wegens werkweigering van menschen, die te zwak waren om te werken en daaruit, dat die „gezonden” voor eene zoo geringe hulpvaardigheid als het brengen van eene flesch drinkwater zich lieten betalen in voedsel. Volgens de bestaande bepaling moet ook deze onderneming eene overeenkomst gesloten hebben met een geneesheer om minstens eens in de veertien dagen haar hospitaal te bezoeken. Hoe het mogelijk is, dat deze medicus in de wijze van „verpleging” heeft kunnen berusten, is, op zijn zachtst uitgedrukt, onbegrijpelijk.

De zieken, die zeker niet gedacht hadden, nog ooit levend uit deze moordinrichting te komen, werden naar het civiel hospitaal te Loeboeq Pakam vervoerd, waar een der Javaansche vrouwen ook nog binnen korten tijd overleed. Op haar sterfbed werd zij door den controleur onder eede gehoord en bevestigde nog eens alles aangaande de „behandeling” in het „hospitaal” der onderneming, waarin zij zeide meer dan veertig dagen te hebben doorgebracht. Geen wonder dus, dat zij stierf; vreemder is het, dat zij het nog zoolang had uitgehouden. Ook deelde zij nog mede, dat de toewan besar—ja, inderdaad wèl een verheven „groote heer”—elken dag door het tralievenster kwam kijken en belangstellend aan de zieken de vraag toeriep of zij nog niet dood waren, terwijl hij zijn spijt te kennen gaf als dit nog niet het geval was.

Het verhaal van die stervende vrouw.… neen, ik wil niet aan mijn gevoel toegeven. Ik heb mijn best gedaan om de feiten hartstochtloos, zonder eenig blijk van gloeiende verontwaardiging op te schrijven, zooals een deurwaarder een inventaris opmaakt. Men mocht mij eens beschuldigen van „philanthropische neigingen”, het laagste peil van idiotisme, waartoe een Deli-bewoner in de oogen zijner mede-ingezetenen kan zinken. Wie ter wereld hecht nu iets aan de praatjes van—om eene elegante uitdrukking uit de planterstaal te gebruiken—zoo’n stervend „contractlel”? Aan het gezeur van eenige, bij levenden lijve in vuil en ongedierte verrottende, zieke Javanen? Geen enkel verstandig mensch natuurlijk! ’t Zijn immers maar inlanders! Zou voor zulke lui een Europeaan, men bedenke toch een Eu-ro-pe-aan, welk een ellendeling hij ook zijn moge, „ongelukkig gemaakt” mogen worden? Dàt nooit!

Dit is de Deli-opvatting. Dit begrip, dat het jammer is, als een Europeaan gestraft wordt voor het mishandelen van koelies en beklaagd moet worden, als hij krijgt wat hij verdient, woekert, meer of minder geprononceerd, als een kanker voort in de rechtsbegrippen van de geheele samenleving ter Oostkust van Sumatra. En als zoo iemand terugkomt van Batavia, vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, omdat hij handig was in het wegmoffelen van getuigen, dan is er gejuich in den lande Deli. Waarlijk, Mark Twain merkt te recht op, dat in eene maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken.

Wat er voor den dag zou komen, indien het Gouvernement wilde besluiten tot het houden van een algemeen en grondig onderzoek, leert ons de geschiedenis van den heer Tripp en de British Deli and Langkat Tobacco Company. De heer Tripp had de beschuldiging uitgesproken, dat op de ondernemingen dezer maatschappij de koelietoestanden ergerlijk waren en mishandelingen aan de orde van den dag. In de Deli Ct. van 24 Mei 1899 leest men omtrent deze zaak het volgende:

„Vermoedelijk is het bericht, dat het regeeringsonderzoek in zake koeliemishandelingen bij de British Deli gesloten zou zijn en tot resultaat had, dat de ongegrondheid gebleken is van ’s heeren Tripp’s aantijgingen, wat voorbarig. Indien ’t waar is en men meene, dat daarmee de zaak ook voorgoed uit is, dan vergist men zich.

Wat is namelijk het geval? Het proces te Londen heeft de heer Tripp gewonnen doordien hij een rechter aan zijne zijde kreeg, die zijn banbliksem slingert tegen de Engelsche directeuren, met wier voorkennis de schandelijke koelie-toestanden hadden voortgeduurd, doordien geen onderzoek was ingesteld, toen hun de misstanden meegedeeld waren. De directeuren liepen na de reprimande naar baron Van Goltstein, den Nederlandschen gezant, die de regeering in den Haag waarschuwde, die op haar beurt de zaak te Batavia aanhangig maakte.

In omgekeerde volgorde zal het resultaat van het onderzoek nu te Londen komen, maar daarmede is de zaak, zooals ik boven reeds schreef, niet uit. Want is het bericht waar, dat de beschuldigingen ongegrond bleken, dan volgt te Londen een proces wegens laster van de directie der British Deli tegen den heer Tripp. Dit werd van den beginne af voorzien en mocht het zoo ver komen, dan zullen onder eede verklaringen worden afgelegd door oud-employé’s van de British Deli, die òf valsch zijn en dan loopen de heeren gevaar, met het tuchthuis kennis te maken, òf een ongunstig licht werpen op het onderzoek, in Ned.-Indië gehouden.

Dit laatste doet mij verwachten dat de uitslag van het onderzoek niet wereldkundig zal worden, te meer, omdat alsdan ook in Nederland een enquête zal moeten worden gehouden, aangezien ook daar getuigen hunkeren om verklaringen af te leggen eensluidend met de bezwarende, die indertijd te Londen zoo’n sensatie verwekten.”

Illustration from De millioenen uit Deli

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

Hieromtrent, aldus D. E. Liaan in de Java-Bode van 10 Juli 1899, kan ik mededeelen dat het onderzoek wel is afgeloopen, maar, zooals te verwachten was, weinig positief resultaat heeft opgeleverd. Sporen van mishandeling zijn natuurlijk niet eeuwigdurend en het is heel lastig, met zekerheid uit te maken of sommige litteekens afkomstig zijn van een pak slaag, dat iemand een paar jaar geleden gehad heeft. Ook het geheugen van menschen kan men niet dwingen. Van een en ander een verwijt te maken aan den onderzoeker, ware zeker onbillijk. Dat de directie der British Deli zou overgaan tot eene klacht wegens laster tegen den heer Tripp, acht ik niet waarschijnlijk, daar zij wel zal denken aan het spreekwoord, dat ons leert dat er sommige stoffen zijn, die, hoe meer men er in roert, een des te onaangenamer geur verspreiden. Al ware ook te bewijzen, dat elk woord van den heer Tripp een leugen geweest was, dan zijn hier toch altijd nog de verslagen der terechtzittingen, die dan voor den dag zouden komen en waaruit minder mooie dingen zouden blijken. Klachten over geknoei met de uitbetaling van het loon; vervolging van een administrateur wegens mishandeling, waarbij de klacht werd ingetrokken tegen betaling van ƒ 50.— aan de vrouw, die afgeranseld was; vervolging om dezelfde reden van een ander administrateur, waarbij de zaak niet kon doorgaan wegens de verdwijning van alle getuigen—zooals in Deli wel meer gebruikelijk is—; vervolging van een assistent, die eindigt met veroordeeling tot een jaar gevangenisstraf wegens doodslag onder verzachtende omstandigheden, al zulke dingen maken geen erg mooien indruk wanneer zij voor het groote publiek komen.

Ten slotte nog dit uitknipsel uit de Java-Bode van 12 Mei 1902, die ik onder het schrijven van dit opstel ontving:

„Heden zou voor den Raad van Justitie alhier, hadde hij niet tijdig den oceaan tusschen hem en den wrekenden arm der gerechtigheid geplaatst, hebben terechtgestaan een dier rauwe gasten, die ter Oostkust van Sumatra onder Nederlands vlag koffie en tabak uit den bodem moeten ranselen. Gedagvaard was A. H. Richards, 46 jaren oud, geboren te Detroit in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, van beroep assistent op de koffie-onderneming Tandjong Kassau te Batoe Bahra. Aan dezen beklaagde wordt mishandeling ten laste gelegd van een groot aantal Javaansche vrouwen, waarvan een beschaafd man zou gruwen. Aan twee harer zou Richards, enkel omdat zij vergeten hadden, enkele grassprietjes uit te trekken, zoo hevige slagen met een stok hebben toegebracht, dat Kasina I daarvan een hoofdwonde bekwam, waaruit het bloed gudste, terwijl Rasiem en Soemina het moesten ontgelden op de schouders, beide armen en de meest vleezige lichaamsdeelen; in dezelfde maand moesten Samina en Isa II, die van de onderneming gedrost waren, doch weer opgevat werden, daarvoor eigenmachtig gestraft worden; Richards zou met dat doel beide vrouwen hebben laten ontkleeden, daarna met handen en voeten om een paal onder zijn huis hebben laten binden en haar vervolgens eigenhandig met rotans op de bloote billen zoodanig geslagen hebben, dat zij daarvan bloedige striemen behielden; op dezelfde wijze zou deze man tewerk zijn gegaan tegenover Kariosoemito II, die wegens buikpijn thuis was gebleven van het werk; deze vrouw werd niet alleen met een rotan op rug en achterdeelen bewerkt, maar een slag op haar linkerhand kwam zoo hard aan, dat zij die vijftien dagen lang niet kon gebruiken. Aangezien geen dier vrouwen meer dan 20 dagen tengevolge van die gruwelijke mishandelingen buiten staat is geweest, persoonlijken arbeid te verrichten, is het volgens de geschreven strafwet niet eens zoo heel erg.”

Met een verlicht gevoel, dat de straffen zoo erg niet zijn en het dus met de beklagenswaardige slavenbeulen nog wel los zal loopen, gaan wij over tot

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings