← Table of contents
De Koning der Zee

Front matter

A. F. Pieck translation

[Illustratie: kaft]

DE KONING DER ZEE

DE KONING DER ZEE

DOOR

PERCY F. WESTERMAN

NAAR HET ENGELSCH BEWERKT DOOR

A. F. PIECK

MET VIER PLATEN VAN ANDRÉ VLAANDEREN

Illustration from De Koning der Zee

[Illustratie: logo]

N.V. JOHANNES MÜLLER — AMSTERDAM

INHOUD:

I. Het wonderlijke geval met de "Zieten"

II. Waarin we kennis maken met de "Playmate" en haar schipper

III. In den grond geboord

IV. Gevangen aan boord van het geheimzinnige schip

V. Kapitein Brookes

VI. De commando-toren van de "Olijftak"

VII. Geruchten van oorlog

VIII. Verraad

IX. Zeeroof

X. Gereed voor den strijd

XI. De strijd met twee vloten

XII. Door het mijnenveld

XIII. In een hinderlaag gevallen

XIV. Door de Spitsroeden

XV. Woord gehouden

XVI. Bij de Patagoniërs

XVII. De list van Gerald

XVIII. De wraak van den kapitein

XIX. In de Middellandsche Zee

XX. De Amerikaansche vlieger

XXI. De Marconigraaf gestolen

XXII. Gevaarvolle oogenblikken

XXIII. Toch nog gered

XXV. Een mislukte aanslag

XXV. De groote zeestrijd

XXVI. De Olijftak toont haar kracht

ILLUSTRATIES:

Tregarthen zag den Duitscher wankelen.

Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen.

dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig.

en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden.

HOOFDSTUK I.

Het wonderlijke geval met de "Zieten".

Het was een snikheete middag in de maand Augustus.

Fel blikkerden de zonnestralen op de spiegelgladde watervlakte van de haven van Portsmouth. Slap hingen de witte vlaggen van de talrijke oorlogsschepen in de bijna windstille lucht.

Eventjes schommelend aan haar ankerketting op de eerste rimpeling van het opkomend getij, lag daar de torpedoboot-vernieler "Calder". Ze maakte nu een veel minder trotschen indruk, dan toen ze een paar dagen geleden de haven verliet. De machine was onklaar geraakt en daardoor had ze moeten terugkeeren om de vrij ernstige schade op de werf te laten herstellen. Dat zou stellig wel een paar maanden in beslag nemen. De officieren hadden verlof gekregen het schip te verlaten, want een enkele torpedist was voldoende voor het toezicht.

Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting!

Acht keer rinkelde met een hard geluid een schel en toen kwamen twee mannen op 't dek, behendig klauterend uit het kleine luik, dat toegang gaf tot de groote kajuit.

De eerste was een slanke man, met een mager en scherp-geteekend gezicht: de kapitein-luitenant ter zee, die het bevel voerde over de "Calder". De ander was luitenant Gerald Tregarthen, met wien we wat meer van nabij zullen kennismaken.

Hij was zoo wat even lang als de kapitein, dat wil zeggen ruim vijf voet, als hij op zijn kousen stond en zijn breedte was daarmee evenredig. Zijn gezicht, gebruind en verweerd door zon, wind en zeeschuim, was glad geschoren en had een jongensachtige uitdrukking met iets schalks in zijn diepblauwe oogen.

Toch was het hem wel aan te zien, dat hij de flinkheid, die zijn gevaarlijk beroep eischte, niet miste.

In zijn nog korte, maar zeer voorspoedige loopbaan had hij talrijke bewijzen gegeven van vastberadenheid, koelbloedigheid en onversaagdheid, zoodat men in de toekomst nog veel van den jongen officier verwachten mocht. Zijn voorspoed had hij ook en vooral te danken aan ijverige studie en harden arbeid, waardoor hij zich een goeden naam als artillerist en torpedist had verworven, terwijl zijn zeemanskunst in de marine algemeen bekend was. Zoo was hij reeds op jeugdigen leeftijd voor bevordering in aanmerking gekomen.

Gerald Tregarthen droeg nu geen uniform, hij was in politiek, maar de burgerkleeding deed niet te kort aan zijn flinke houding. Hij had een verlof van zes weken gevraagd en verkregen, nu de "Calder" toch tijdelijk werkeloos moest blijven en het klinkt wel een beetje vreemd, maar het was zijn voornemen om het grootste deel van dien tijd op het water door te brengen.

Algemeen bekend is de geschiedenis van den koetsier van een Londensche omnibus, die eens een vrij dagje had, wat maar uiterst zelden gebeurde en die zijn vacantiedag niet beter wist te gebruiken, dan door als passagier met zijn eigen voertuig te gaan meerijden. Dezelfde gevoelens, die dezen koetsier er toe brachten uit rijden te gaan, bezielen honderden blue-jackets en mariniers, als ze op verlofdagen bootjes huren om te gaan spelevaren.

In alle oorden van de wereld, waar zich Engelsche matrozen bevinden, kan men dan ook vroolijke pekbroeken aantreffen, die hun vrijen tijd in gehuurde bootjes doorbrengen, alsof deze vorm van uitspanning de meest aantrekkelijke voor hen is. En zoo behoeft het ons dan ook niet al te zeer te verwonderen, dat Gerald Tregarthen het plan maakte, zijn verlof te gaan doorbrengen aan boord van de 4-tons kotter "Playmate", die op dat oogenblik in de haven van Poole lag en toebehoorde aan zijn ouden schoolmakker Jack Stockton.

Zoodra de twee officieren op het dek verschenen, klonk de heesche stem van den kwartiermeester, die bevelen gaf. Vlug voerden de mannen van de ploeg voor de boot die bevelen uit en de kleine boot werd aan stuurboord naast het schip gebracht. De bagage van Tregarthen, alleen bestaande uit een volgepakt valies, werd erin geworpen en nadat de luitenant zijn commandant had vaarwel gezegd, nam hij plaats in den stuurstoel.

Vlug gleed de boot over het vlakke water en een kwartier later stapte Gerald Tregarthen aan wal bij de Koningstrap.

Gevolgd door den matroos, die zijn valies droeg, liep hij naar den hoofdingang van de werf. Eén van de chauffeurs, die met hun wagens dicht bij de poort stonden, kreeg hem dadelijk in het oog en bracht zijn taxi naar de plaats, waar Tregarthen stond.

"Naar het station!" riep de luitenant, terwijl hij instapte. Maar voor hij het portier achter zich had toegetrokken, kwam er een krantenjongen naar hem toehollen.

"Avondblad, mijnheer? De laatste scheepstijdingen!" Dat trok natuurlijk den zeeman.

Tregarthen kocht de krant, stapte toen in de taxi en voort ging het naar het station.

De chauffeur zette flink aan, maar tweemaal hadden ze een klein, onvoorzien oponthoud op hun rit door de drukke straten en dat was juist genoeg om de plannen van Tregarthen in de war te sturen. Toen hij aan het station kwam, bemerkte hij, dat hij precies twee minuten te laat was voor den trein van 4.45 naar Bournemouth. Dat het verlies van die twee minuten een geduchte verandering zou brengen in zijn loopbaan in de naaste toekomst, kon hij toen zelfs niet vermoeden.

"Volgende trein 6.2, mijnheer," antwoordde een kruier op zijn vraag.

"Dat tref ik. Meer dan een uur wachten," bromde Tregarthen.

Hij zocht een gemakkelijk plaatsje op een van de banken op het perron, zette zijn valies naast zich, vouwde de krant open en was al heel gauw in de lezing verdiept.

Eerst de "Marine-berichten", waarin hij nieuwtjes vond omtrent enkele van de talrijke officieren, die hij persoonlijk kende. Toen kwamen de "Scheepstijdingen" aan de beurt en daarna viel hem een berichtje in 't oog, dat dadelijk zijn belangstelling trok.

"Het nieuwe pantserschip, Almirante Constant, verliet gisteren de Tyne. Een hardnekkig gerucht heeft in zekere kringen geloopen, dat het vaartuig, gebouwd in 't geheim, bestemd is voor de Braziliaansche Marine. Uw correspondent heeft de meest nauwkeurige nasporingen op dit punt gedaan, maar de betrokkenen weigeren, inlichtingen te geven. Eén ding is zeker: het schip moet onbewapend worden geleverd aan een Amerikaansche firma."

"Wat zouden die Zuid-Amerikaansche Republieken met zulke nieuwerwetsche oorlogsschepen moeten uitvoeren?" dacht Tregarthen, terwijl hij de weerbarstige bladen van de krant omvouwde. "'t Is een veel te gevaarlijk speelgoed voor die menschen, net of je een kind een scheermes in handen geeft. Voor een Europeesche zeemogendheid zou een half dozijn van die schepen nog niet veel beteekenen, maar dat is heel wat anders.... Hé, wat hebben we daar verder?...."

"Een telegram uit Wilhelmshaven, gedateerd den 2en dezer, meldt, dat de Keizerlijke kruiser derdeklasse Zieten daar is binnengevallen, blijkbaar in moeilijkheden verkeerend. Twee sleepbooten brachten het schip in de haven. Kapitein Schloss ging onmiddellijk aan land en verzond een uitgebreid rapport aan de Admiraliteit. Niemand van de bemanning mocht het schip verlaten, zoodat uw correspondent niet in staat was verdere bijzonderheden te verkrijgen over het ongeval. We hebben reden aan te nemen, dat er een ernstig ongeluk aan boord gebeurd is."

"Later bericht. — Van den gezagvoerder van de sleepboot Vulkan vernemen we, dat de kruiser Zieten, twee honderd mijlen westwaarts van Helgoland, plotseling werd overvallen door een magnetischen storm van ongekende kracht. Alle geleiddraden aan boord waren gesmolten, de installatie voor draadlooze telegraphie en de kompassen weigerden allen dienst. De gevechtswaarde van de Zieten is voor het oogenblik teruggebracht tot die van een kruiser, zooals er dertig jaar geleden gebouwd werden. Het staat vast, dat het schip nog sterk geladen is met electro-magnetisme en geruimen tijd zal moeten dokken. Kapitein Schloss moet er ernstig aan twijfelen, of het wel ooit weer geheel zeewaardig zal kunnen worden."

Gerald Tregarthen had het bericht met de grootste belangstelling gelezen. Eerst was hij geneigd er mee te spotten, want hij dacht, dat de gezagvoerder van de Duitsche sleepboot zich een sprookje op de mouw had laten spelden. Hij had zelf in de tropen herhaalde malen hevige electrische stormen meegemaakt, maar nooit hadden de kompassen en fijne electrische instrumenten beduidende schade geleden. Mocht het echter waar zijn en zou het verschijnsel meer voorkomen, dan zouden de gevaren en moeilijkheden aan de zeevaart verbonden, nog geducht toenemen.

Toen hij zijn krant had opgeborgen kwam het Gerald in de gedachte, dat hij nog wel even aan zijn vriend Jack Stockton kon telegrafeeren, om zijn overkomst te melden.

Hij wandelde op zijn gemak naar het telegraafkantoor om zijn voornemen uit te voeren. De tijd schoot daardoor meteen nog wat op en zoo kwam er toch ook weer een eind aan het vervelende uur.

De trein kwam vóór en Tregarthen zocht een gemakkelijk plaatsje in een eerste-klasse-coupé. Aan het station Southampton-West kocht hij een deeltje goedkoope reislectuur en een avondblad van een Londensche krant. Hij begon met de lezing van het laatste en het eerste wat hem in 't oog viel, was een bericht van Reuter's agentschap, uit Wilhelmshaven, dat alweer handelde over het geheimzinnige geval, waarvan hij straks aan het station gelezen had. Reuter meldde het volgende:

"Het vreemde ongeval van den kruiser Zieten, schijnt veel ernstiger dan men eerst veronderstelde. Het schip is waarschijnlijk zwaar geladen met electriciteit van onbekende soort. Zijn standaardkompas is opgezonden naar het keizerlijk laboratorium te Berlijn. En nu is de groote kruiser, Von der Tann, die in het dok lag in de onmiddellijke nabijheid van de Zieten, ook door den vreemden stroom aangetast. Om verdere nadeelige gevolgen te voorkomen is er bevel gegeven, dat de Zieten het dok moet verlaten en op stroom moet gaan liggen."

Verder stond er nog, dat alle berichten omtrent de Zieten ontvangen waren over Middelkerke en Dumpton Gap, daar de onderzeesche kabel tusschen Borkum en Lowestoft beschadigd was. Een telegraaf-kabelschip had de Theems verlaten met bevel te trachten, de storing tot een bepaald gedeelte van den kabel te beperken en ze daarna te verhelpen.

Tregarthen begon nu toch te denken, dat er wel iets waar zou zijn van de vreemde geschiedenis en hij was verlangend er nog meer bijzonderheden van te vernemen. Hij zocht in de lange, fijn-gedrukte kolommen van de krant en vond ten slotte nog het volgende:

"Omtrent het Zieten-incident wordt via Lowestoft bericht, dat alle sporen van het ongewone verschijnsel verdwenen zijn. Kompassen en electrische instrumenten werken weer normaal."

Meer stond er niet in het blad. Tregarthen vouwde het dicht en stopte het tusschen de riemen van zijn valies. Hij kon er niet toe komen, met de lezing van zijn deeltje spoorweg-lectuur te beginnen, want het voorval met den Duitschen kruiser hield zijn gedachten te veel bezig. Hij verdiepte zich in de vraag, wat hij zelf wel doen zou, als een vaartuig, dat onder zijn bevel stond, in zulke omstandigheden kwam.

Ongemerkt schoot daardoor de tijd op en voor hij het wist, stopte de trein aan het station Poole. De duisternis was reeds gevallen. Gerald stapte uit en zocht op het volle perron naar zijn ouden schoolmakker. Maar geen Jack Stockton was er te zien.

HOOFDSTUK II.

Waarin we kennis maken met de "Playmate" en haar schipper.

"Er zal niets anders opzitten, dan te probeeren de Playmate te vinden," dacht Tregarthen. "Misschien heeft Jack mijn telegram niet ontvangen. Ik hoop niet, dat hij uitgezeild is, zonder op mij te wachten, maar verwonderen zou me dat niet, want 't is eenmaal zijn vaste gewoonte, om nooit een enkele minuut te wachten, op wien ook."

Toen Tregarthen aan de kade kwam, vond hij daar een groot aantal kustvaartuigen: brikken, schoeners, lichters en vrachtbooten, die in twee rijen rustig voor anker lagen.

Daartusschen merkte hij wel een paar jachten op, maar die waren grooter dan de Playmate.

't Was een wanhopig werk, hier naar het jacht van Stockton te gaan zoeken.

Gerald Tregarthen stond verlegen. Behalve enkele half-beschonken zeelieden, die naar hun vaartuigen terug scharrelden, zag men niemand op de kade en hij stond op het punt, zich naar een nabij gelegen hôtel te begeven, toen hij een stem hoorde, die uit de diepte kwam.

"Een boot, Sir?"

De jonge officier keek naar beneden. Op de plaats, waar hij stond, was een trap gemetseld, die naar het water leidde. Het was eb en de treden zagen er alles behalve uitlokkend uit: vuil en glibberig. Aan den voet van die landingstrap, tusschen den voorsteven van een brik en het roer van een Theems-vrachtboot, lag een roeiboot en daarin stond de man, die geroepen had. Door middel van een korten bootshaak, dien hij in een ijzeren ring in den kademuur gepikt had, hield hij de boot op haar plaats.

"Een boot, Sir?"

"Weet je ook iets van een jacht, Playmate genaamd?" vroeg Tregarthen.

"'t Spijt me, Sir, maar 'k heb er nooit van gehoord," antwoordde de jolleman. "Maar 'k zal mijn maat roepen; die weet het misschien." Hij bolde zijn handen om zijn mond en schreeuwde: "Cartridge, waar zit je?"

De nagalm van de krachtige stem van den jolleman was nauwelijks weggestorven, of er kwam een roep van den overkant.

"Hallo, daar!" dadelijk gevolgd door 't zwak geplas van riemen in 't water.

"Cartridge weet stellig, of er een vaartuig van dien naam in de haven ligt," merkte de jolleman op en toen de boot van den ander den neus schuurde langs het boord van de jol, werd de vraag overgebracht.

"Wat? — De Playmate, van iemand, die Stockton heet? Zeker, die ligt bij de ducdalven!"

"Kan je mij aan boord brengen?" vroeg Tregarthen, blij, dat zijn vriend nog niet was uitgezeild.

"Met alle pleizier, Sir," antwoordde Cartridge.

Tregarthen gaf zijn valies aan den jolleman, die het zijn makker toewierp en toen stapte hij in de eerste boot en wipte daarna in de tweede.

De lange, rustige slagen van den roeier, voerden de boot over het gladde water langs de rij van vaartuigen en toen het kanaal in. Hier, in bijna open water, blies de avondwind krachtig en frisch uit het N.W., zoodat Tregarthen huiverde. Op de brug van zijn torpedoboot was hij aan weer en wind gewend, maar daar had hij zijn dikke stuurmansjekker en de draaibare tent.

De boot voer tusschen lange, lage banken van dampenden modder door, totdat ruim een kwart mijl van de kade, de schemerige omtrekken opdoken van een half dozijn jachten van verschillende grootte. De ankerlichten beschenen het vochtige dek en de overtrekken van zeildoek en trokken lichtende strepen op het kabbelende watervlak.

"Daar is de Playmate, Sir," riep de roeier, rustend op de riemen en over zijn schouder kijkend. Tregarthen volgde de richting van zijn blik.

Ongeveer twintig meter verder lag een sierlijk, klein, wit vaartuig. Door het ronde venster van de kajuit scheen een helder licht over 't water, dat bij Tregarthen een beeld wekte van vriendelijke gezelligheid. Zijn ergernis over 't niet vinden van Stockton en de troostelooze aanblik van de kille, verlaten kade, — alles was vergeten. Hij had een veilige plaats gevonden, waar hij zijn anker kon uitwerpen.

"Playmate, ahoy!"

De roeier trok een van zijn riemen binnen boord en bracht met de andere zijn boot naast het jacht.

"Hallo, daar! Ben jij het, Cartridge?"

"Ja, Sir, 'k heb iemand meegebracht, die U komt bezoeken."

Er werd een geluid gehoord van schuifelende voeten, het luik werd half op zij geschoven en er kwam een hand te voorschijn, die een lantaarn vasthield en daarna het hoofd en de schouders van den eigenaar van de Playmate.

"Hallo, ben jij het?" riep hij uit, toen hij zag, wien hij voor had. "'k Had je niet meer verwacht!"

"Dat heb ik al wel in de gaten," antwoordde Tregarthen, "heb je mijn telegram niet ontvangen?"

"Telegram? — Wat voor telegram? — Maar blijf daar niet staan, kom aan boord!"

Het hoofd van Stockton verdween weer. Tregarthen betaalde den roeier, sprong vlug op het dek en stond een oogenblik later in de kombuis.

Jack Stockton, met een pijp in den mond, was bezig visch te bakken voor zijn avondmaaltijd.

Gerald begon te hoesten. De hitte van de kachel, de tabaksrook en de geuren van visch, soep en zeegras maakten, dat het haast niet was uit te houden. 't Was hier zoo heel anders dan in de kajuit van een oorlogsschip, maar hij zag tegen die bezwaren niet op, hij moest er alleen maar even aan wennen. Die ruwheid was juist een van de aantrekkelijkheden van het leven aan boord van een jacht.

"Excuseer den rommel!" riep Stockton. "Zooals je ziet, had ik je al uitgeschrapt. Maar in een ommezien komt alles in orde. Waar is je bagage?"

"Op 't dek."

"Breng die beneden en ga dan in de kajuit, ik kom gauw bij je. — Pas op je hoofd!"

De waarschuwing kwam te laat. Tregarthen vergat, dat de kombuis van een vier-tons-jacht maar een hondenhok is, vergeleken bij die van Z. M.'s Calder; maar gelukkig was zijn hoofd goed beschermd door zijn stevige pet, anders had hij zeker een flinke buil opgeloopen.

Hij wierp zijn valies van 't dek op den vloer van de kombuis en transporteerde het toen door het nauwe gangetje naar de kajuit, waar hij nog eens met de zoldering in onzachte aanraking kwam. Nu had hij geleerd, zich met de noodige omzichtigheid te bewegen in de bekrompen ruimte. Hij maakte het zich gemakkelijk op een van de breede banken en toen de eigenaar van de Playmate een krachtig avondeten had klaargezet, vroeg hij: "En wat denk je nu te doen?"

"Ik wou een tocht maken door het Kanaal. Heb je daar wat tegen?"

Tregarthen floot tusschen de tanden en zei: "Een beetje gewaagd, vind je niet?"

"Heelemaal niet. De schuit is zoo stevig als een huis, en al wat we noodig hebben is aan boord," zei Stockton.

"Heb je een kompas?"

"Een klein prachtstuk. Alles is in orde."

"Dan ben ik van de partij. — Wat ik zeggen wou, heb je de krant van vandaag al gelezen?"

"Neen, 'k ben wel aan wal geweest, maar ik heb heelemaal vergeten er een te koopen. Maar hoe dat — is er een ongeluk gebeurd?"

"Dat nu niet," antwoordde Gerald, terwijl hij zijn nieuwsblad voor den dag haalde en het bericht aanwees.

"Wat denk je daarvan?"

"Niet veel," zei Jack zonder veel geestdrift, toen hij het stukje gelezen had, "en in allen gevalle hebben wij er niets mee te maken."

Toen Gerald zag, hoe weinig belang zijn vriend stelde in het geval, sprak hij er verder niet over en vroeg: "Wanneer denk je te vertrekken?"

Stockton antwoordde niet dadelijk, maar keek eens naar buiten. — "Zoodra je maar zin hebt," zei hij toen. "De vloed begint op te komen en met den wind, dien we nu hebben, kunnen we mooi naar buiten komen. Wil je me dat rolletje kaarten eens aangeven?"

Gerald deed, wat hem gevraagd werd en zijn makker zocht de kaart van het Engelsche Kanaal uit.

"Vóór het aanbreken van den dag kunnen we St. Catherine bereiken en als 't dan een beetje meeloopt, zijn we vóór zonsondergang bij Kaap Barfleur. Dat is maar vijftien mijlen hemelsbreed."

"All right; vooruit dan maar," zei Tregarthen.

Twintig minuten later ging de Playmate onder zeil. Haar reis was begonnen, zonder dat de twee vrienden konden vermoeden, dat deze de inleiding zou worden van een reeks heel buitengewone avonturen.

HOOFDSTUK III.

In den grond geboord.

Een paar jaar geleden heeft, naar men zegt, een admiraal verklaard, dat de Engelsche zeelui de beste zeilers van de wereld zijn, terwijl een ander hooggeplaatst zeeofficier geschreven heeft: "ik geloof niet, dat er eenige marine is, die slechter dan de Engelsche geoefend is in de behandeling van haar booten — bij ons is het een schande." We kunnen moeilijk zeggen, wie nu wel gelijk heeft, maar in elk geval verwaarloost de Admiraliteit bij de opleiding der zeeofficieren het onderwijs in het zeilen niet: de cadetten te Dartmouth beschikken over een voldoend aantal kotters.

Gerald Tregarthen was dus zeker geen nieuweling aan boord van een zeilvaartuig. Hij had vroeger bij verschillende wedstrijden prijzen behaald en nu hij de inrichting van de Playmate voldoende kende, kon hij gerust de zorg voor het roer op zich nemen, zoodat Jack Stockton de handen vrij had voor andere werkzaamheden.

Kalm gleed de Playmate door het goed verlichte kanaal tusschen de duinen door naar den ingang van de haven van Poole. Daarna volgde ze het vaarwater langs de boeien aan de luwe zijde van Studland Heath en toen ze die aan den havenboom waren omgezeild, schoot het jacht in het ruime sop.

Jack Stockton trok zijn oliejas aan, het roer werd vastgezet en Gerald ging in de kajuit om een paar uur te rusten.

Jack stopte zijn pijp en zocht een goed plaatsje op, om gedurende den nacht wacht te houden. Hij was een uitstekend zeeman: rustig en bedaard bij moeilijkheden, geduldig bij tegenslag, afkeerig van waaghalzerij, maar vol moed en zelfvertrouwen.

Bij het eerste ochtend-lichten was de Playmate in den krachtigen stroom van St. Catherine, waar het getij alleen aan een vaartuig een snelheid van ruim vijf knoopen geeft.

"Jammer, dat 'k hem wakker maken moet," bromde Stockton, terwijl hij het roer omwierp om aan te sturen op de Fransche kust. "Jammer, maar ik kan er niets aan doen."

Door den schok rolde Gerald van de bank op den vloer van de kajuit.

"Hallo! Waar zijn we?" vroeg hij, nog een beetje slaapdronken.

"Jij, ouwe jongen, ligt onder de tafel op den vloer; ik sta aan het roer, in de hoop eindelijk eens te worden afgelost en de Playmate is zoowat twee mijlen zuid-west van St. Catherine. Ben je nu op de hoogte?"

"Prachtig kameraad," antwoordde Tregarthen, terwijl hij zich door de opening van het half gesloten luik heenwerkte. "Daar ben ik al, om de wacht over te nemen."

"Kijk, dezen kant uit: zuid-west ten westen," zei Stockton, den koers aanwijzend; en toen kroop hij in de kombuis en was spoedig ijverig bezig om een ontbijt klaar te maken.

Tregarthen genoot van den prachtigen aanblik van de rustige zee. Een groot oorlogsschip zette koers naar Spithead. Aan de gevorkte masten en den vreemden vorm van schoorsteenen en tuig herkende de luitenant het schip als de Foudroyant, het nieuwste type voor de Britsche marine. Verder op zeilde een schoener en eenige vrachtbooten stoomden rustig door het Kanaal; de omtrekken doezelden weg in den ochtendmist.

"Hoe staat het glas?" vroeg Gerald, toen zijn makker weer te voorschijn kwam, met het ontbijt op een houten bak.

"Zoo vast als een rots. Kom hier en tast toe, ik zal nog even de koffie gaan halen."

Ondanks het stampen van het jacht, deden de twee vrienden het maal alle eer aan. Toen het afgeloopen was, nam Jack zijn plaats bij het roer weer in en Gerald belastte zich met het wasschen van de vaten.

Hij moest even glimlachen, toen hij erover dacht, hoe hij daar nu aan den gang was. Hij, officier van Z. M.'s Marine, stond in een ongemakkelijke houding gebukt in een kombuisje, bezig met werkzaamheden, die hij anders aan zijn oppasser overliet. Wat zouden zijn wapenbroeders wel gezegd hebben, als ze hem zóó hadden kunnen zien. Maar hij had er pleizier in, juist om het ongewone van het geval.

"'k Zou me wel eens willen wasschen!" zei hij, toen hij klaar was met zijn werk.

"Daar kan je naar fluiten," zei Jack. "Niet vóór we in een haven zijn, want we mogen geen water verspillen. Maar wat zou je zeggen van een zeebad?"

Gerald keek eens naar het kielwater. De Playmate vorderde zoowat drie knoopen en zeilde rustig door het kalme water van het Kanaal.

"Hoe wil je dat opknappen? — Allebei tegelijk?"

"Neen, ieder op zijn beurt. Pas jij maar eerst op."

Jack trok vlug zijn kleeren uit, greep stevig een afhangend touw en slingerde zich over boord. Daar hing hij in 't water de golven sloegen over zijn hoofd. Toen hij er genoeg van had, klauterde hij weer vlug aan boord.

"Heerlijk," riep hij, toen hij druipend op het dek stond. "Maar het water is veel kouder, dan je denken zoudt, in dezen tijd van het jaar."

"Dat is altijd zoo in diep water," antwoordde Gerald, terwijl hij zich gereed maakte om het voorbeeld van zijn makker te volgen.

Toen hij ook klaar was, kwamen ze overeen, dat Stockton nu een poos zou gaan rusten en dat Gerald hem wekken zou, zoodra er iets bijzonders gebeurde.

Gerald plaatste zich aan het roer. De Playmate had nu al ruim dertig mijlen van haar tocht dwars door het Kanaal achter den rug. De hemel was helder in de richting van de Engelsche kust, maar vooruit hing aan den horizon een grijzig waas, waardoor zee en lucht niet meer te onderscheiden waren. De wind was zwak en nam nog voortdurend af in kracht, zoodat het jacht niet veel meer dan twee knoopen maakte.

Hoe meer de wind ging liggen, des te dikker werd de mist, en twee uur, nadat Gerald aan het roer gekomen was, bevond zich de Playmate in een dichten, ondoorzichtigen nevel.

"Jack, oude jongen, heb je een misthoorn aan boord?"

Stockton was oogenblikkelijk klaar wakker.

"Wat een mist!" riep hij, toen hij bemerkte, dat het einde van de boegspriet niet meer zichtbaar was in den witten, drijvenden damp. "Neen, een misthoorn heb ik niet, ik gebruik altijd maar een roeiklamp. Hier is er één. Laten we die overeindzetten en vastklemmen in het rolluik."

Toen dat gedaan was, gaf hij met een hamer een paar slagen tegen het hout.

"Dat maakt leven genoeg om een vaartuig op een afstand van een kabellengte te waarschuwen," ging hij voort.

Gerald meesmuilde. Hij dacht er anders over dan zijn vriend en meende, dat een stoomschip, dat met een vaart van acht knoopen, zooals ze gewoonlijk hadden, door den mist voer, alleen gewaarschuwd kon worden door middel van een sirene.

"All right," zei hij, "'k ben er benieuwd naar; je kunt nu nog wel wat gaan slapen."

"'k Heb genoeg geslapen naar mijn zin," antwoordde Jack. "Laten we samen wacht houden. Hier; trek aan, anders wordt je nat tot op je huid." Hij gaf Gerald een oliejas en nam er voor zich zelf ook één uit het kastje.

"Wat is dat?" vroeg Gerald, na een poosje, toen een dof, regelmatig geluid, dat veel geleek op 't gerucht van de machine van een groot stoomschip, zwak door den mist tot hen doordrong.

"Ze mogen me hangen, als ik het weet! Hier, oude jongen, ga wat op zij, dan zal ik onze mistklok luiden."

Tregarthen deed, wat hem gevraagd werd en Stockton maakte een oorverdoovend geweld met zijn hamer op de roeiklamp.

Steeds nader kwam het geheimzinnige, trillende gebrom en plotseling klonk vlak bij het schril gillende geluid van een sirene.

"We gaan naar den kelder!" riep Jack, maar hij verloor zijn kalmte niet. Hij overzag het gevaar in zijn geheelen omvang.

Een oogenblik later werd er met een heesche stem geroepen: "Ahoy, daar! Naar stuurboord het roer!"

Jack wierp met een krachtigen ruk het roer om en het jacht beschreef daardoor een wijde boog. Geen tien seconden waren verloopen, of daar daagde uit den mist op een reusachtig gevaarte van grijs geschilderd staal, waarvan alleen het onderste gedeelte zichtbaar was, terwijl de omtrek van het bovenstuk in den grauwen damp verloren ging.

"Krak!"

Het stalen gevaarte, dat een gang had van ongeveer vijf knoopen, bonsde midscheeps tegen het kleine jacht. De stevige planken werden doorgesneden, alsof ze van bordpapier waren, de mast knapte bij het dek af en sloeg met tuig en zeilen over boord en het water golfde door de geslagen opening onstuimig naar binnen.

HOOFDSTUK IV.

Gevangen aan boord van het geheimzinnige schip.

Door den vreeselijken schok van de aanvaring verloor Gerald het evenwicht en toen de mast over boord sloeg, bonsde hem een katrol tegen het hoofd. Tallooze witte stipjes dansten hem voor de oogen en hij tuimelde in de half ondergeloopen kombuis. Vaag herinnerde hij zich later, dat zijn vriend de armen om zijn middel sloeg, toen hij daar bijna geheel verdoofd neerstortte.

Met inspanning van al zijn krachten, was Stockton er inderdaad in geslaagd, zijn vriend op te beuren en hem in het bootje te smijten, dat naast het jacht dobberde.

Daarna sprong hij zelf in den notedop, trok zijn mes en sneed met een vlugge beweging het touw door — juist bij tijds.

Het vaartuig, dat den schok veroorzaakt had, stopte onmiddellijk en werkte achteruit. Hoog sloegen de golven op en in een warreling van schuim en luchtbellen zonk de Playmate weg naar haar laatste rustplaats.

Jack Stockton greep de riemen, die gelukkig in de boot lagen en roeide met wanhopige krachtsinspanning in de richting van de oorzaak van de ramp. Het groote vaartuig was al bijna niet meer te zien en vormde slechts een grijze vlek met wazige omtrekken in den dikken mist. Als het schip geheel uit het gezicht verdween, zou de toestand van de twee vrienden niet benijdenswaard zijn, want hun boot was klein en licht gebouwd en ze beschikten over spijs noch drank.

Aan boord van het groote schip heerschte doodsche stilte. Jack slaagde erin het meer en meer te naderen, want het lag blijkbaar zoo goed als stil en toen hij er vlak bij gekomen was, werd hem handig een touw toegeworpen. Hij maakte het aan den ring aan den boeg van zijn bootje vast en toen werd er in alle stilte nog een kabel neergelaten.

Handig sloeg Jack dezen om het lichaam van zijn vriend en maakte het touw onder diens armen vast en als een zak koopwaar werd Gerald omhoog geheschen. Hij kwam even tot zich zelf, maar toen hij op het dek lag uitgestrekt, verloor hij weer geheel het bewustzijn.

Toen hij bij kennis kwam en de oogen opende, bevond hij zich in de bovenste van twee bedsteden in een kleine, maar goed ingerichte hut.

"Wat drommel, waar ben ik?" bromde hij slaperig.

Hij ging overeind zitten en toen kwam hij tot de ontdekking, dat de pyjama, die hij aanhad, niet tot zijn eigen garde-robe behoorde. Zijn hoofd deed pijn en toen hij de pijnlijke plaats betastte, voelde hij een reep pleister.

Toen schoot hem ineens te binnen, wat er gebeurd was en angstig drong zich de vraag aan hem op: "Waar is Jack?"

Met moeite boog hij zich buiten zijn kooi, zoodat hij in de andere kon kijken, maar de onderste slaapplaats was ledig.

Vermoeid door de inspanning ging hij weer rustig liggen en probeerde zijn gedachten te verzamelen en zich te herinneren, hoe en waar hij zijn vriend voor 't laatst gezien had.

Spoedig echter werd zijn aandacht van die overdenkingen afgeleid. Midden boven de bedstede bevond zich een luchtkoker, waarin een luchtstroom floot als een wervelwind en van de plaats, waar hij lag, kon hij opmerken, dat de scheepswand beschermd werd door een pantserplaat van minstens 7 c.M. dikte. Hij moest zich dus aan boord bevinden van een zwaarbewapend oorlogsschip en dan nog was die pantsering, zoo hoog boven op waterlijn, niet te verklaren.

De nieuwsgierigheid van den luitenant was opgewekt en hij probeerde nu, door het kleine, ronde venster te kijken en hij slaagde daarin ook werkelijk. Hij zette groote oogen op. De mist was geheel opgetrokken, en de zon schitterde van een wolkloozen hemel op het blauwe water. Maar die geheele verandering van het weer hield zijn aandacht niet lang gespannen, want met de grootste verbazing merkte hij op, hoe het water zich schijnbaar zeer snel bewoog.

Voor zoover Tregarthen er over oordeelen kon met zijn gebrekkige waarneming, moest het vaartuig de golven klieven met een verbazingwekkende snelheid. Het moest wel een kruiser zijn van het grootste type en hij schatte de snelheid niet beneden de vijfenveertig knoopen. De Calder, die veel lichter van bouw was, kon die snelheid niet bereiken en kwam niet hooger dan achtendertig. En bij het vreemde van die buitengewone snelheid kwam het ontbreken van alle trilling en geluid. Niets werd vernomen dan het geruisch van den wind, veroorzaakt door de vaart van het schip zelf; het gerucht van de machines, waardoor het schip zich in den mist had aangekondigd, had ook geheel opgehouden.

Verder deed Tregarthen nog een ontdekking. Te oordeelen naar den stand van de zon, bewoog zich het geheimzinnige vaartuig in zuidwestelijke richting. Hij werd dus met een fabelachtige snelheid weggevoerd van de kusten van zijn vaderland — maar waarheen?

Toen besloot Gerald de hut eens aandachtig te onderzoeken, maar daar was niets, wat eenige aanduiding kon geven van de nationaliteit of den aard van het vaartuig, dat hem had opgenomen. Hij dacht wel, dat hij zich aan boord van een Engelsch schip bevond, want vóór de aanvaring had men immers in 't Engelsch geroepen, maar zekerheid gaf dat nog niet. Hij had menigmaal gehoord, hoe Duitsche en Hollandsche officieren hun orders gaven aan een loods in volmaakt zuiver Engelsch, wanneer ze zich in de Britsche wateren bevonden.

De inrichting van de hut was zeer eenvoudig. Er stond een waschtafel en aan de zoldering hing een badkuip. Verder bestond het meubilair uit een kleine latafel, twee rieten stoelen en een spiegel. Op één van de stoelen hingen zijn kleeren, die heelemaal droog waren.

Gerald besloot nu een poging te doen om op te staan en met veel inspanning slaagde hij daarin. Hij kleedde zich aan en scharrelde naar de deur, die hij open duwde.

Tot zijn groote verbazing zag hij een schildwacht voor zich staan, een stevig gebouwd zeeman, gestoken in een uniform, die veel op de Britsche geleek. Het blauw van zijn baatje was alleen wat donkerder en de witte uitmonstering van de Koninklijke Marine was door een zwarte vervangen. Er stond geen naam op den rand van zijn muts, maar op zijn rechtermouw had hij een onderscheidingsteeken, dat een blad voorstelde. Om zijn middel droeg hij een zwart lederen koppel, waaraan geen bajonet maar een hartsvanger hing. Het geweer, dat hij aan den bandelier over zijn schouder droeg, geleek veel op het laatste model Lee-Enfield, waarvan het echter in enkele kleinigheden afweek.

Tregarthen had dit alles met één oogopslag waargenomen. Hij wilde naar buiten stappen, maar de schildwacht maakte hem met een krachtig gebaar duidelijk, dat dit ten strengste verboden was. Er zat voor hem niets anders op dan dit stomme voorschrift op te volgen. Hij stapte daarom weer naar binnen en onmiddellijk daarop hoorde hij een sleutel in het slot omdraaien. Hij was een gevangen man.

Gerald begreep er niets van en zijn verbazing was zóó groot, dat hij onmogelijk kalm kon nadenken. Allerlei verwarde gedachten verdrongen zich in zijn hoofd: eerst het treurige ongeval met het jacht, dan het geheimzinnige van het vaartuig, dat hem had opgenomen, het nog niet opgeloste vraagstuk van het verdwijnen van zijn vriend en ten slotte het schandelijke gedrag van zijn redders, om hem als een gevangene te behandelen. — Op eens gevoelde hij een onweerstaanbare behoefte om te rooken. Hij zocht in zijn zak naar zijn pijp, maar hij herinnerde zich, dat hij die verloren had in de kajuit van de Playmate en toen wilde hij zijn toevlucht nemen tot zijn cigarettenkoker, in de hoop, dat de inhoud niet van het zeewater zou geleden hebben. De koker was droog en geheel gevuld, maar met een andere soort dan hij gewoon was te gebruiken: zijn onvriendelijke gastheer had het hem toch wat prettig willen maken.

Uit verveling ging hij nu eens onderzoeken, wat er in de latafel te vinden was, maar dat gaf niet veel afleiding, want ze was leeg, alleen stond er in de bovenste lade een doos met een borstel, een kam en scheerbenoodigdheden, alles fonkelnieuw.

Terwijl hij bezig was met het bekijken van die zaken, werd de deur van de hut opengesloten en na een inleidend tikje trad een man binnen, die in zijn eenvoudige, nette uniform een prettigen indruk maakte. De bezoeker was niet groot en had een vriendelijken oogopslag, die vertrouwen wekte.

"Goedenmiddag, Mr. Tregarthen," zei hij. "Ik hoop, dat ge u wat beter gevoelt? Mijn naam is White en ik ben eerste officier van gezondheid aan boord."

"Dank u, Sir, ik gevoel me redelijk wel. Maar mag ik u eens vragen, op welk schip ik me bevind en waarom men mij hier achter slot en grendel heeft gezet?"

"Het spijt mij, dat ik u op dat punt geen inlichtingen geven kan. Ge zult daarop moeten wachten, totdat ge den kapitein te spreken krijgt."

"Maar mijn vriend — is die gered?"

"Ja, die is in veiligheid."

"En." —

"Geen vragen meer, als 't u blieft, Mr. Tregarthen," zoo viel hem de dokter in de rede, zóó beslist, dat het duidelijk was, dat alle pogingen om iets te weten te komen, nutteloos zouden zijn.

"In afwachting van een uitnoodiging van kapitein Brookes, om bij hem te komen, zou ik u aanraden, wat te eten. Het doet mij genoegen te zien, dat het ongeval geen ernstige gevolgen voor u heeft gehad."

Met deze woorden verliet de dokter de hut en nu trad een hofmeester binnen, die een smakelijk maal opdiende. Spraakzaam was de man niet: hij zei geen woord meer dan noodig was en ging zoo spoedig mogelijk weer heen.

Toen werd de deur weer op slot gedraaid.

Toen Tregarthen met zijn gedachten alleen was, kwam hij tot het besluit, dat hij nog niet veel wijzer was geworden. Alleen wist hij nu, dat Jack Stockton ook gered was en zich aan boord bevond, zeker als gevangene, net als hij zelf. En verder had hij de zekerheid, dat de bemanning Engelsch sprak, maar of het schip Britsch of Amerikaansch was, kon hij niet uitmaken.

Eindelijk zakte de zon weg achter den horizon, als een roode bol, die goud sprankelde in een blauwen nevel.

Gerald keek op zijn horloge. Het was een uitstekend uurwerk en de kast sloot zóó goed, dat er heel geen water in gedrongen was. De wijzers stonden op kwart voor zevenen.

Dat was alweer een vreemd geval. Hij wist zeker, dat thuis de zon moest ondergaan om kwart over zevenen en het schip voer, voor zoover hij kon nagaan, in zuid-westelijke richting. Hoe was dan dat verschil in tijd te verklaren?

Zou zijn horloge dan misschien toch in de war zijn?

In spanning wachtte hij en luisterde scherp, of hij de scheepsbel ook hoorde. Precies om zeven uur — het tweede uur van de tweede hondewacht — klonk het doffe geluid van de bel — ting, ting — ting! Zijn horloge ging dus goed en daar het schip niet naar het oosten voer, was het eenig mogelijke, dat de snelheid zoo ongelooflijk groot was, dat ze zich nu reeds op de breedte bevonden van de Golf van Biscaye.

't Werd donker in de hut, maar eensklaps gloeiden helder een paar electrische lampjes.

Gerald voelde grooten zin om te gaan slapen. Hij was vermoeid en den vorigen nacht had hij weinig rust genoten, daarenboven had hij niets om den tijd te verdrijven. Hij besloot dus naar kooi te gaan en was net begonnen zich te ontkleeden, toen weer de sleutel in het slot knarste en een jonge man binnentrad.

"De kapitein wil u spreken, Sir," zei hij, terwijl hij in onberispelijke houding het militair saluut bracht.

HOOFDSTUK V.

Kapitein Brookes.

Op elk schip, van welke nationaliteit ook, is de kapitein koning. Tregarthen wist dit te goed, om in het verzoek, dat hem werd overgebracht, geen bevel te zien en daarom volgde hij zijn geleider zonder tegenspraak buiten de hut.

Ze liepen langs een gepantserd beschot, waartegen een wapenrek stond, gevuld met wapens, geheel overeenkomende met die van den schildwacht. Aan beide zijden van den doorgang waren een aantal deuren van hutten, waarvan sommige op een kier stonden, maar zware gordijnen maakten het onmogelijk naar binnen te zien.

Bij de hut van den kapitein liep een schildwacht rustig op en neer. Vlug bracht hij het saluut, dat door Geralds geleider beantwoord werd, waarop deze aanklopte en wachtte tot een zware stem hem verzocht binnen te komen.

"Mr. Tregarthen, Sir," kondigde de jonge officier aan en ging daarna heen.

Gerald trad binnen en bevond zich nu in een ruime, goed verlichte hut, gemakkelijk en weelderig ingericht. Op den vloer lag een dik tapijt en de wanden waren mat-olijfgroen geschilderd. Het meubilair bestond uit een groote mahoniehouten tafel, twee armstoelen, een goed gevulde boekenkast, een buffet en nog een kleinere tafel, overdekt met papieren en teekeningen.

Maar Tregarthen wijdde niet zoo heel veel aandacht aan de omgeving, zijn opmerkzaamheid werd geheel getrokken door den kapitein. Deze was niet groot, maar toch ging er kracht en overwicht van zijn persoon uit. Zijn gezicht was gebruind en zijn oogen lagen diep, zijn donkerbruin haar was kort geknipt en zijn goed onderhouden snor en puntbaard gaven hem 't uiterlijk van een Britsch zeeofficier. Hij was in een donkerblauwe uniform gekleed, waarop zwart veterband de plaats innam van de gewone gouden galons. Dit was dan kapitein Brookes, de gezagvoerder van den geheimzinnigen kruiser.

Zwijgend stonden de beide officieren tegenover elkander en de kapitein maakte gebruik van dat oogenblik, om den jongen Engelschen luitenant op te nemen, die door een toeval in zijn macht geraakt was.

Gerald Tregarthen had zich in zijn volle lengte opgericht en keek den man, die hem gevangen hield, vast in de oogen, nadat hij hem 't saluut gebracht had, dat door den kapitein beantwoord was.

"Neem plaats, Mr. Tregarthen," begon kapitein Brookes, terwijl hij met een handbeweging een van de armstoelen aanduidde.

Gerald was liever blijven staan, maar de besliste toon van den kapitein deed hem gehoorzamen, al was 't dan ook half onwillig.

"U zijt, naar ik meen, luitenant bij de Koninklijke Marine? Het laatst aan boord van Z. M.'s torpedojager Calder?"

Gerald stond even verbluft, dat de kapitein zoo goed op de hoogte was, maar dadelijk viel hem in, dat Jack Stockton zeker al ondervraagd was. Kort antwoordde hij: "Ja, Sir."

"En ge wordt hier genoemd, als een veelbelovend jong officier," vervolgde de kapitein, terwijl hij wees op een ranglijst van de officieren der Britsche vloot, die vóór hem op tafel lag.

Zonder te letten op het vleiende van de laatste opmerking, antwoordde Tregarthen met de wedervraag: "Mag ik weten, Sir, waarom ik hier aan boord als een gevangene word behandeld en waarom ik dit verhoor moet ondergaan?"

"Door een toeval zijt ge op mijn schip gekomen, Sir, en daar ik in u een man zag, die mijn plannen dienen kon, besloot ik u vast te houden."

"Uw plannen dienen?"

"Zeker. Met een paar woorden zal ik u nader inlichten. Ge zijt aan boord van den kruiser de Olijftak, eigenlijk genaamd de Almirante Constant. Later zal ik u vertellen, hoe dit schip door de Braziliaansche regeering werd aangekocht. De Olijftak heeft geen nationaliteit, voert geen vlag van een bepaalden Staat, maar is in dienst van een wereldonderneming, die aan mij de uitvoering van haar plannen heeft opgedragen. Men zal mij zonder twijfel een dwaas, een waanzinnige noemen, maar dit is het lot van alle weldoeners der menschheid, en ik zal mij niet door het oordeel van de domme menigte van de wijs laten brengen. Mijn zending beoogt het waarborgen van een eeuwigen, algemeenen vrede en mijn titel is: Verdelger van den krijg."

De kapitein hield nu even op om te zien, welke uitwerking zijn woorden hadden, maar hij kon uit Gerald's houding niet opmaken, wat deze dacht bij de vreemde toespraak. De luitenant bleef hem scherp aankijken, als wilde hij ontdekken, of er achter het kalme uiterlijk van den spreker misschien toch werkelijk een gekrenkt verstand school. Maar de heldere oogen van den kapitein stonden zoo ernstig en zijn heele houding was zoo rustig, dat Gerald die gedachte als ongerijmd verwierp.

"Om verder te gaan: De Olijftak spreekt het laatste woord op het gebied van den scheepsbouw. Ik zeg dat niet ondoordacht, maar kan de waarheid van mijn woorden bewijzen. De oorlogsbodems nemen voortdurend toe in kracht van bewapening; als er een van stapel loopt, liggen er al plannen gereed voor een type van nog grootere gevechtswaarde. Wanneer we nu in aanmerking nemen de snelheid, waarmee men op dit gebied voortgaat, dan zullen er toch meer dan honderd jaren moeten verloopen, voordat er oorlogsschepen zullen zijn van dezelfde waarde voor aanval of verdediging als de Olijftak — indien ze dan tenminste nog noodig zijn."

"Ik ben ervan overtuigd, dat een zeeoorlog, gevoerd met schepen als de Olijftak, zoo verschrikkelijk zou zijn, dat er geen natie gevonden wordt, die daarvoor de verantwoordelijkheid op zich zal willen nemen. Ik zal waken over de veiligheid ter zee en zonder mededoogen zal ik de vloot vernietigen van iederen staat, die het wagen durft den wereldvrede te verstoren."

"In de jaren, die achter ons liggen, heeft Engeland de zeeën beheerscht en het heeft die heerschappij uitgeoefend krachtig en wijs. Maar de tijden veranderen ——"

"Daar moet ik tegen opkomen, Sir," riep Tregarthen heftig.

"Dat kunt u doen of laten," antwoordde kapitein Brookes met eenige scherpte in zijn stem. "Beschouw de feiten met een koel hoofd, en ge zult moeten toestemmen, dat wat ik zeg, waar is. Waarom gaan andere volken, die heel goed weten, dat ze zonder hinder of last hun zeehandel kunnen drijven, machtige oorlogsvloten bouwen? Waarom willen ze met de Engelsche marine wedijveren? Niet omdat het noodig is, maar omdat ze de heerschappij ter zee van Engeland willen overnemen. Is dat niet zoo?"

"Zijt ge zelf een Engelschman?"

"Ik ben een wereldburger — een paria zoo ge wilt. Tot welke natie ik behoor, houd ik liever voor me. En om nu tot de hoofdzaak te komen: wilt ge uw lot aan het mijne verbinden gedurende de volgende twee jaren?"

"Neen. Mijn verplichtingen als Engelsch officier —."

"Dan zal ik verplicht zijn u te dwingen."

"Mij dwingen! Onmogelijk."

"Mr. Tregarthen, voor we op deze wijze verder gaan, geef ik u in overweging de zaak van alle kanten te beschouwen. Door een plechtigen eed hebt ge u verbonden uw wettigen vorst, koning George V, te dienen en kunt ge dat beter dan door kennis te nemen van de inrichting van dit vaartuig, waardoor het zulk een onweerstaanbare macht verkrijgt? De Admiraliteit moet er alles voor overhebben, om achter de geheimen van de Olijftak te komen. Nu stel ik in 't kort het volgende voor: ge verbindt u, hier aan boord gedurende twee jaar te dienen, — ge geeft uw eerewoord mij in alles te gehoorzamen, onder voorbehoud, dat van u geen enkele vijandelijke daad tegen uw vaderland zal gevergd worden. Zijn de twee jaren verstreken, of vroeger, als mijn zending is volbracht, dan kunt ge naar huis terugkeeren en moogt ge vrij beschikken over de wetenschap, die ge hier aan boord hebt opgedaan."

"En als ik weiger?"

"Dat geval zullen we niet nader bespreken."

En om te voorkomen, dat Tregarthen een besliste weigering uitsprak, ging kapitein Brookes voort: "Zeg of doe vooral niets ondoordachts. Neem den tijd, om over mijn voorstel na te denken. Morgen ochtend wacht ik u weer bij mij en dan hoop ik uw antwoord te vernemen."

HOOFDSTUK VI.

De commando-toren van de "Olijftak".

Precies om tien uur werd Gerald Tregarthen den volgenden morgen weer naar de hut van den kapitein gebracht.

"Wel, Sir, welk besluit hebt ge genomen?" vroeg deze.

"Nog geen besluit, Sir," antwoordde Tregarthen beslist.

"Vóór alles moet ik weten, wat ge met mijn vriend denkt te doen."

"Met Mr. Stockton? Ge denkt zeker, dat ik een zeeroover ben en dat ik hem als gijzelaar wil vast houden voor uw goed gedrag. Maar wees gerust, ik zal hem laten overstappen op het eerste het beste schip met bestemming naar Engeland, dat we tegenkomen."

"Dan zou ik gaarne een paar minuten met hem spreken, voor ik mijn besluit neem."

"Dat verzoek lijkt me volstrekt niet onredelijk; ik geef u een kwartier voor een onderhoud."

Terwijl kapitein Brookes dit zei, had hij op den knop van een electrische schel gedrukt en onmiddellijk verscheen er een onderofficier.

"Geleid dezen heer naar zijn kwartier en vraag aan Mr. Black, of hij Mr. Stockton bij hem wil brengen."

"Zeer goed, Sir," antwoordde de zeeman en nadat hij het zware gordijn op zijde had geschoven, verzocht hij Tregarthen, hem voor te gaan.

Geen vijf minuten later was Jack Stockton bij hem.

"Hallo, Jack! Hoe gaat het jou hier?"

"Daar heb ik niet over te klagen. Ze hebben mij verteld, dat jij weer heelemaal beter waart, ondanks die wond aan je hoofd. Over jou had ik me dus niet meer ongerust te maken, maar ik tob nog over het verlies van mijn jacht."

"Ja, 't is ons wel tegengeloopen. Maar je boot was toch verzekerd, niet waar?"

"Zeker, maar wat doet dat er toe? Ik krijg nooit weer zoo'n zeiler terug, en ik was er zoo aan gehecht."

"Je zult wel gauw een ander hebben."

"Wat? Hoe weet je dat?"

"Omdat je zult overstappen op het eerste schip, dat we tegenkomen."

"Zonder jou?"

"Juist. Daar zit hem de knoop. Jij wordt naar huis gestuurd, maar mij willen ze hier houden, met of tegen mijn zin."

"Weet je dat zeker? Wat voor schip is het eigenlijk — een zeeroover?"

"'k Weet het niet. Alleen kan ik je zeggen, dat ik beslissen moet, of ik hier aan boord gedurende twee jaar dienen wil of niet."

"En als je het niet doet?"

"Dan staat me niet veel goeds te wachten, denk ik."

Toen vertelde Gerald de bijzonderheden van zijn gesprek van den vorigen avond met den kapitein en hoe deze erop stond, dat hij een beslist antwoord geven zou.

"En wat denk je te antwoorden?" vroeg Jack.

"Daarover wilde ik met je praten. Je begrijpt nu, hoe ik ervoor sta. Als ik niet binnen drie-en-dertig dagen op mijn post terugkeer, word ik als deserteur aangemerkt, of men moet de goedheid hebben, mij als vermist op te geven. Dat gebeurt dus in ieder geval, want ze houden me hier en als ik het voorstel van den kapitein aanneem, zal ik waarschijnlijk in staat zijn mijn vaderland een goeden dienst te bewijzen en ik zal nog voorwaarden kunnen stellen ook."

"Waarom zou je het aanbod dan niet aannemen? En als je voorwaarden stelt, laat dan bepalen, dat ik ook hier aan boord mag blijven."

"Jij?"

"Ja zeker. 'k Weet heel goed, dat ik niet zooveel kennis bezit als jij, maar 'k ben toch ook wel wat waard aan boord."

"All right," antwoordde Gerald. "Dan is mijn besluit genomen. Maar het kwartier is om en dus moet ik heengaan."

"Wel, Sir," vroeg kapitein Brookes, "zijt ge tot een besluit gekomen?"

"Ik stem toe, maar wensch enkele voorwaarden te stellen."

"En die zijn ——?"

"Dat ik behandeld word met den eerbied, waarop een Britsch zeeofficier aanspraak kan maken; dat ik niets zal behoeven te ondernemen, dat in strijd is met de belangen van mijn land ——"

"Dat hebben we immers vooropgesteld."

"Dat mij wordt toegestaan aan de Admiraliteit te melden, op welke wijze ik hier ben vastgehouden en dat Jack Stockton, volgens zijn eigen verlangen, ook hier aan boord zal mogen blijven."

"Al die verzoeken kunnen worden ingewilligd," antwoordde kapitein Brookes, waarbij Tregarthen opmerkte, dat hij het woord verzoeken gebruikte inplaats van voorwaarden.

"Zeer goed, Sir,"

"En ge begrijpt, dat al mijn bevelen blindelings gehoorzaamd moeten worden?"

"Zoolang ze niet in strijd zijn met de belangen van mijn land."

"Dat heb ik al herhaaldelijk toegestemd."

"Te veel nadruk kan niet gelegd worden op die voorwaarde, Sir."

"Wilt ge erin toestemmen, de uniform te dragen van de officieren van de Olijftak?"

"Neen, Sir. De eenige uniform, waarop ik recht heb, is die van de Engelsche marine. Maken de omstandigheden het onmogelijk, die te dragen, dan moet ik me in politiek kleeden."

"Goed, ik zal er niet op aandringen. Laten we nu onzen rondgang over het schip beginnen, om u een denkbeeld te geven van de inrichting."

Dit zeggende, ging de kapitein hem voor naar het half dek en Gerald merkte op, dat het schip veel overeenkwam met het Dreadnought-type, maar daarvan in enkele opzichten afweek. De dienst leek geheel op Engelsche wijze ingericht.

Wat de grootte van het schip aangaat, hij schatte de waterverplaatsing op niet minder dan 10000 ton, dus iets meer dan de helft van die van een moderne Dreadnought. Bij een lengte van 300 voet, bedroeg de breedte, naar zijn meening, 60 voet. Verder merkte hij op: één slanken schoorsteen, een stevigen commando-toren, enkele kleinere torentjes, verscheidene luiken en eenige lantarens. In de torentjes stonden geen kanonnen, hoewel elk voorzien was van twee schietgaten.

Op gelijke afstanden stonden aan beide zijden van het dek dunne, stalen platen, die met een hoek van 45° waren omgebogen.

"Dat zijn windschermen," merkte kapitein Brookes op.

"Ze zijn onontbeerlijk, daar kan ik u de verzekering van geven."

"Ge behoeft er niet tegen op te zien, mij inlichtingen te vragen," ging hij voort. "Het is in ons beider belang, dat ge geheel op de hoogte komt. Ik zag u daareven naar de torentjes kijken. Die zijn nu nog onbewapend, maar binnen een paar dagen hoop ik de kanonnen in positie te hebben."

"Dus op 't oogenblik zijt ge zonder middelen van verdediging."

"Ge zult die gevolgtrekking niet meer maken, wanneer ge het schip geheel gezien hebt. Maar hoe groot, denkt ge, dat de snelheid is, waarmee we nu varen?"

Tregarthen keek aandachtig over de verschansing.

"Vijf en veertig," raadde hij.

"Doe er nog twintig bij en ge zult dichter bij de waarheid zijn. Mr. Gimlette," zei hij tot den officier van de wacht, "hoeveel knoopen?"

"Zeven en zestig, Sir."

Het antwoord werd gegeven op een toon, waaruit viel af te leiden, dat dit niets bijzonders was. Tregarthen stond verstomd. De Olijftak legde dus in één uur een afstand af, die gelijk stond met vijf en zeventig landmijlen. Hij begreep nu, dat alleen de windschutten het mogelijk maakten, op het dek staande te blijven: de luchtstroom, die door den snellen gang van 't schip ontstond, zou anders alles hebben neergeworpen.

"Ge zult zeker wel opgemerkt hebben, dat er bijna geen golf voor den boeg ontstaat," ging de kapitein voort. "Door een vernuftige vinding wordt het verplaatste water geleidelijk langs de zijden van het schip afgevoerd, waardoor ook de schroeven beter kunnen werken. En nu zullen we den commando-toren bezoeken."

"Maar welke beweegkracht gebruikt ge?" vroeg Gerald.

"Petroleum, paraffine of eigenlijk een ontvlambare olie, die uit een mengsel bestaat en gemakkelijk door de vaporisators dringen kan. De motoren, die elk door tien ingenieurs worden bediend, brengen zes schroeven in beweging. Stokers hebben we in 't geheel niet noodig en door toepassing van de nieuwste vindingen op machine-gebied, hebben we slechts een bemanning van 105 koppen noodig, de officieren meegerekend."

Al pratende hadden de beide mannen den toren bereikt, een ronde, gepantserde ruimte, die ongeveer vijf voet boven het dek uitstak en een middellijn had van vijfentwintig voet. Tegen de wanden waren electrische schakelborden aangebracht en een net van verschillend gekleurde draden, zooals men ze ook vindt aan boord van Engelsche oorlogsschepen.

Doch de aandacht van Gerald werd dadelijk getrokken door een bord, dat uit koperen en zinken platen bestond, zoodat het wel een groot dambord geleek. In elk van de hoeken was een wijzer aangebracht. Het geheele toestel kon draaien langs stalen draden, die bijna een cirkel vormden, met een kleine gaping, die naar het achterschip was gekeerd.

"Nu, Mr. Tregarthen, waartoe zou dat wel dienen, denkt ge?"

"'t Is een toestel om de plaats van een vijandelijk schip te bepalen, denk ik."

"Daar lijkt het veel op, maar we kunnen er meer mee doen. Voor ik u daarvan op de hoogte breng, moet ge me eerst eens vertellen, of ge, voor uw vertrek uit de haven van Poole, ook een bericht gelezen hebt in de bladen over een avontuur van den kruiser Zieten."

Bij deze vraag kwam het Tregarthen plotseling in de gedachte, dat het schip, waardoor de Zieten op zoo'n geheimzinnige wijze machteloos was gemaakt, den naam droeg van Almirante Constant en dat hij zich dus aan boord bevond van dat wonderlijke vaartuig. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen woord kon uitbrengen en de kapitein, die de verrassende uitwerking van zijn vraag bemerkte, bleef zwijgend het antwoord van Geralds afwachten.

"Ja, ik heb het gelezen," begon deze eindelijk. "Maar hoe hebt ge dat gedaan?"

"In een paar woorden zal ik het u duidelijk maken. Dit bord is, zooals ge ziet, verdeeld in een en tachtig vierkanten; ieder van die vierkanten vertegenwoordigt eene vierkante mijl. Zoo staat een gezichtsveld van negen mijlen in het vierkant tot mijn dienst. Laten we nu aannemen, dat een vijandelijk schip nadert. De plaats van het vaartuig wordt op de gewone wijze bepaald en nu heb ik slechts de wijzers uit twee tegenovergestelde hoeken te brengen in het vierkant, dat het ligvlak van den vijand voorstelt. De wijzers kunnen daartoe, zooveel als noodig is, worden verlengd. Zoodra dit gedaan is, richt zich een draadlooze stroom, dien ik de Z. straal zal noemen, op het vijandelijk vaartuig. Onmiddellijk wordt nu de geheele electrische installatie daar aan boord in de war gebracht en ge weet, wat dat beteekent voor een modern oorlogsschip. Ge hebt opgemerkt, dat er twee paar wijzers op het bord zijn aangebracht; die met de witte schijven doen de Z. straal ontstaan. Wanneer een vaartuig na de les, die het hiermee ontvangen heeft, nog voortgaat een vijandige houding aan te nemen worden de wijzers met de roode schijf in werking gebracht en dan is de tegenstander van de Olijftak tot een wissen ondergang gedoemd."

"Hoe dan?" vroeg Gerald met de grootste belangstelling.

"De wijzers met de roode schijf veroorzaken een stroom van nog veel grootere kracht, de Z. Z. straal genoemd, waardoor dadelijk de munitievoorraden van het vijandelijke schip ontploffen."

"En waarom wilt ge dan kanonnen aan boord nemen? Ik meen toch, dat ge gezegd hebt, dat de bewapening van de Olijftak binnen enkele dagen in orde kan zijn."

"Alleen als voorzorgsmaatregel. Het kleinste gebrek in de geleiding kan de werking van alle electrische toestellen hier aan boord verlammen en dan moet ik mijn toevlucht tot kanonnen kunnen nemen. Maar er dreigt ook nog een ander gevaar. Ik moet niet alleen om me heen, maar ook naar omhoog kijken — uit de lucht kan de vijand ook een aanval beproeven. Het toestel, dat ge hier ziet, heeft me vijftien jaar arbeid gekost, om het zoo volmaakt te krijgen, als het nu is, maar in den laatsten tijd hebben het luchtschip en de vliegtuigen een ommekeer gebracht in den strijd ter zee. Nu is de gewone afstand van zoo'n luchtschip of vliegtuig 1000 voet; zou ik op dien afstand de Z-stralen of de ZZ-stralen willen laten werken, dan moest de stroom zoo sterk zijn, dat hij stellig noodlottig zou worden voor ons eigen schip. In dat geval dien ik dus ook over verdragend geschut te kunnen beschikken. En nu kent ge de geheimen van den commando-toren en kunnen we onze wandeling voortzetten."

"Maar waarvoor dient dat?" vroeg Tregarthen, terwijl hij wees naar drie rijen metalen knoppen, aangebracht op een mahoniehouten bord tegen den wand van den toren.

"Om de uitwerking van het geschutvuur na te gaan. Als de kanonnen er zijn, zal ik u de werking verklaren. Laten we nu naar de brug gaan."

Op de brug gierde de wind als een orkaan en Gerald was blij, dat hij beschutting kon vinden in een hokje, waar zeekaarten werden bewaard. Hier bevond zich ook het electrische stuurtoestel, maar tot zijn groote verbazing hield daar niemand toezicht. Op de brug stonden alleen een officier en een matroos, die met kijkers den horizon afzochten.

"Moet er niemand aan het roer staan?" vroeg Gerald.

Kapitein Brookes schudde het hoofd. "Bij lange zeereizen is dat niet noodig," zei hij. "Dan stuurt het schip zich zelf. Zooals de meeste vraagstukken is ook dit heel eenvoudig, als men de oplossing weet. Het stuurtoestel van de Olijftak is ingericht als een Whitehead-torpedo. De koers wordt aangewezen door een wijzer op het kompas en bij de minste afwijking wordt een klep geopend, waardoor het roer automatisch in werking komt. In begrensd water, of wanneer we in strijd zijn, gebruiken we het stuurtoestel in den commando-toren. — En nu hebt ge de voornaamste wonderen van de Olijftak gezien."

Gerald moest toegeven, dat hij haast niet kon gelooven dat al, wat hij hier gezien had, werkelijkheid was.

HOOFDSTUK VII.

Geruchten van oorlog.

"Een oogenblik nog, Sir," zei Gerald toen ze op hun terugweg voorbij een troepje matrozen kwamen, die met het geweer exerceerden. "Waarvoor dient die cylinder aan den mond van de loop."

"Dat is een geluid-demper. Het is een uitvinding van mijzelf en ik heb er patent op gevraagd. Mr. Ball, breng mij eens één van de geweren, als u wilt."

Het bleek, dat Gerald goed gezien had, want het geweer verschilde weinig van het Lee-Enfield type.

"Het magazijn kan tien ronden munitie bevatten," zei kapitein Brookes, terwijl hij het sluitstuk uittrok en een patroon in de kamer legde. "Luister nu."

Hij bracht het geweer aan den schouder en haalde den trekker over. Geen knal werd gehoord en dat er inderdaad een schot gelost was, bleek alleen uit den zwakken terugslag van het wapen, het fluiten van den kogel en het uitvallen van de patroonhuls.

"Deze vinding heb ik op alle wapenen aan boord toegepast, ook op de revolvers. Het is een groot voordeel in den strijd, wanneer de vijand overvallen wordt met een geluidloos salvo," voegde de kapitein erbij, terwijl hij het geweer teruggaf.

"Laten we nu ——"

"Schip in zicht!" werd er van de brug geroepen.

"Waar?" vroeg de kapitein.

"Recht vooruit, Sir."

"Dat is de Puma. Mr. Tregarthen, ik moet u nu verder in den steek laten. Zeg aan uw vriend Stockton, dat hij zich over het geheele schip vrij bewegen mag; alleen de commando-toren is verboden terrein voor hem."

Dit zeggende, verliet kapitein Brookes snel de brug. De gang van de Olijftak was tot minder dan twintig knoopen teruggebracht en er werden toebereidselen gemaakt om met de Puma in verbinding te komen. Toen Tregarthen heenging om zijn vriend op te zoeken, was de afstand tusschen de beide schepen nog ongeveer vijf mijlen.

"'t Is in orde, Jack; je moogt aan boord van de Olijftak blijven," riep hij.

"Ja, dat weet ik al, ik dank je voor de moeite. En ze hebben me verteld, dat we samen deze hut zullen bewonen."

"Laten we eens aan dek gaan kijken, Jack," stelde Gerald voor.

"Goed, maar vertel me nu eerst eens, wat je eigenlijk van de Olijftak denkt. Zijn we hier onder zeeroovers?"

"'k Geloof het niet, maar we zullen toch goed doen, met flink uit onze oogen te kijken."

Toen ze het halfdek betraden, presenteerde de schildwacht het geweer. De man wist dus al, dat Gerald niet meer als gevangene beschouwd werd, maar als officier een plaats onder de bemanning had ingenomen.

De Olijftak en de Puma lagen evenwijdig op een kabellengte afstand van elkander. Het was volkomen windstil, de zee was zoo effen als een spiegel en de zon flikkerde op het vlakke water.

De bootsmansmaat had gefloten: "klaar op het benedendek" en op het bovendek hadden enkele mannen trossen uitgelegd om aan het andere schip te bevestigen.

De Puma was een schip van ongeveer 6000 ton, met twee stompe masten, en een zwarten schoorsteen. Aan een vlaggestok hing de Amerikaansche vlag, met de sterren en strepen, slap neer in de stille lucht. De Olijftak voerde geen kleuren.

"Nu is er toch geen sprake van zeerooverij," merkte Jack op. "De matrozen zijn niet eens gewapend."

"Dat denk ik ook niet," stemde Gerald mee in. "Voor zoover ik er nu al over oordeelen kan, is de bemanning een bevaren en goed geoefende troep. 'k Zou wel eens willen weten, hoe die eigenlijk bij elkaar zijn gebracht en hoe ze hier aan boord zijn gekomen. Ze doen voor onze beste Britsche matrozen niet onder."

Gerald had niet te veel goeds van de mannen gezegd. Vlug en behendig volgden ze de bevelen op, die kort en zonder de minste drukte gegeven werden.

Vlug werd de Olijftak langszijde van de Puma gebracht en er werd begonnen met het lossingswerk. In minder dan twee uur waren acht kanonnen van 15 c.M. overgebracht uit het ruim van het vrachtschip op het dek van den kruiser, benevens een flinke hoeveelheid snelvuurgeschut van kleiner kaliber, een aantal kisten en een groote voorraad granaten.

Toen het werk afgeloopen was, kwam de gezagvoerder van de Puma, een echte Amerikaan, aan boord van de Olijftak, gewapend met een bundel papieren. Nadat hij ongeveer een half uur bij kapitein Brookes had doorgebracht, verliet hij het schip en de trossen werden weer losgeworpen.

Tregarthen had opgemerkt, dat intusschen de vlag op den kruiser geheschen was: een groene olijftak op een wit veld.

Toen de beide schepen weer in beweging kwamen, werd er van weerszijden met de vlag gesalueerd en een uur later was de Puma in noord-westelijke richting geheel uit het gezicht verdwenen.

Het overige deel van den dag werd gebruikt om de kanonnen te stellen en dat werk ging verwonderlijk vlug, dank zij de vernuftige werktuigen, waarover men daarbij kon beschikken. Men was al een heel eind gevorderd, toen het sein voor het middagmaal gegeven werd, dat Gerald en Jack in gezelschap van de andere officieren zouden gebruiken. Vóór ze aan tafel gingen, werden de beide vrienden aan hun nieuwe makkers voorgesteld door kapitein Brookes.

Er waren vijftien officieren bij elkaar, waarvan Gerald er al een paar kende, namelijk White, den dokter en Christoffel Weeks, den jongen luitenant, die hem naar de hut van den kapitein had gebracht. Het waren knappe, vroolijke menschen, die gemakkelijk over allerlei onderwerpen praatten. Alleen vermeden ze zorgvuldig te spreken, over hetgeen ze vroeger geweest waren. Met één uitzondering echter: Taylor, die het opzicht had over het laboratorium, waar de granaten werden gevuld, praatte zonder terughouding, zonder acht te slaan op de teekenen van afkeuring van zijn dischgenooten.

Na den maaltijd begaven Gerald en Jack zich weer naar het dek, waar nu bij 't heldere licht van een aantal booglampen hard werd doorgewerkt. Kapitein Brookes was overal tegenwoordig om tot spoed aan te zetten, aanwijzingen te doen en te helpen. Hij leek geen vermoeienis te kennen.

"Waartoe dient die buitengewone haast, Mr. Sinclair?" vroeg Tregarthen aan den dienstdoenden officier op de brug.

"Weet u dat niet? Heeft de kapitein u het nieuws nog niet verteld? In den namiddag is er een draadloos bericht ontvangen, dat de oorlog verklaard is tusschen twee Zuid-Amerikaansche republieken. Daar zullen we aan meedoen."

"'k Zou wel eens willen zien, hoe hier de inrichting voor draadlooze telegraphie in elkaar zit," zei Stockton, toen ze samen in hun hut zaten.

"Ja, dat zal wel weer wat bijzonders zijn, maar aan boord van dit schip verwonder ik me over niets meer. Toch ben ik benieuwd, hoe het eindelijk met dit vaartuig zal afloopen. De Olijftak kan toch niet eeuwig in volle zee blijven. De voorraden moeten worden aangevuld en het schip moet van tijd tot tijd dokken om te worden schoongemaakt en gerepareerd. Dat kost alles schatten en waar komt al dat geld vandaan? En dan vraag ik mezelf af: "Wie is eigenlijk die kapitein Brookes? Is hij een millionnair — een fantastisch plannenmaker, — wat is hij?""

"Ik denk — Hallo, wie is daar? Binnen!"

Een bescheiden tikje op de deur had Jack verhinderd zijn meening uit te spreken.

Een kleine man, met een rond, blozend gezicht kwam stilletjes binnen en sloot behoedzaam de deur achter zich.

Het was Taylor, de scheikundige.

"Wel, Mr. Taylor, waarmee kunnen we u van dienst zijn?" vroeg Gerald.

"Zacht wat, Sir, niet zoo luid, als ik u verzoeken mag," zei de kleine man, terwijl hij zenuwachtig met de hand door zijn kortgeknipt, grijzend haar streek. "Mijn naam is niet Taylor, maar Schneider. Ik ben onderwijzer in talen en andere wetenschappen. U kwaamt van Poole, niet waar? Hebt u daar soms kolonel Mortebeque gekend? Ik ben gouverneur van zijn zoon geweest ——"

"Neem me niet kwalijk, Mr. Schneider," viel Tregarthen hem ongeduldig in de rede, "ik ken dien kolonel Dinges niet, en ik stel geen belang in uw levensgeschiedenis. Kom tot de zaak, wat wenscht ge van ons?"

"Ach! zuchtte de man, terwijl hij een treurig gezicht zette, ik ben erin geloopen en ze hebben me hier onder valsche voorspiegelingen aan boord gehaald. Ik zou scheikundige onderzoekingen doen en nu moet ik granaten vullen. Dat bevalt me heelemaal niet. — Hij is een zeeroover."

"Hoe weet u dat?"

"Ja, ziet u, misschien is dat de goede naam niet. Hoe noemt u dat in 't Engelsch? Ha! Nu weet ik het — een toovenaar. U verkeert dus beiden in groot gevaar. Vraag in de eerste de beste haven verlof om aan land te gaan en neem mij dan mee. We vluchten dan en zijn weer veilig."

"'t Spijt me, Mr. Schneider, maar ge zijt hier aan het verkeerde adres. Als ge wat te klagen hebt, waarom wendt ge u dan niet tot den kapitein zelf? En als ge zoo zeker weet, dat hij een toovenaar is, dan zal hij nu ook wel gehoord hebben, wat ge ons hebt verteld. Ge kunt dus wel heengaan."

Mr. Schneider, die wel begreep, dat hij hier geen troost zou vinden, volgde den raad op, die hem zoo zonder complimenten gegeven was.

"Dat is een gluiper, dien ik voor niets vertrouw," zei Jack, toen de deur van de hut weer dicht was. "'t Zijn natuurlijk allemaal praatjes, die hij ons heeft willen wijsmaken."

"Ik geloof tenminste niet, dat we bij een toovenaar aan boord zijn," zei Gerald lachend, terwijl hij zich gereed maakte om naar kooi te gaan. "In allen gevalle moeten we ons er maar zoo goed mogelijk in schikken, nu we eenmaal hier zijn. En om je de waarheid te zeggen, ik ben er niet rouwig om, dat het toeval ons aan boord van de Olijftak gebracht heeft."

HOOFDSTUK VIII.

Verraad.

Gedurende verscheidene dagen vervolgde de Olijftak haar onstuimige vaart in zuidelijke richting met het doel Straat Magelaan te bereiken, die de Atlantische met de Groote Oceaan verbindt.

In dien tijd had Tregarthen weinig gelegenheid om met kapitein Brookes te spreken, die letterlijk nacht en dag werkte.

Toen men de Linie passeerde, werd er niet aan gedacht de oude gewoonte, om den klassieken zeegod met zijn gevolg te ontvangen, in eere te houden. Naar het scheen, was de oude Neptunus daarover verbolgen, want vóór de streek der windstilten bereikt was, werd de Olijftak door een verschrikkelijken orkaan beloopen.

Het leek wel, of de zee en de lucht samenwerkten bij deze wraakoefening op het schip. De golven werden bergenhoog opgezweept en de bulderende stormwind joeg witte schuimvlokken door de grijze, laaghangende wolken. De regen viel als een stortvloed neer en midden op den dag was het zoo grauw en schemerig, dat men niet verder dan een kabellengte voor zich uit kon zien.

Maar ondanks de woede der elementen, joeg de Olijftak met een vaart van ongeveer dertig knoopen voort door het kokende en bruischende water. Het leek wel, of het schip niet langer door de golven gedragen werd, maar of het er dwars doorheen boorde.

Geweldige watermassa's werden over het dek geworpen en sloegen bij oogenblikken tot hoog boven de brug, maar daarbij bleef het schip verwonderlijk goed in evenwicht.

Gerald moest, evenals de overige bemanning, beneden blijven en sprak zijn verbazing uit, over den rustigen gang van het schip in zoo'n woest bewogen zee.

"Ja, dat is een wonder!" stemde Alex Sinclair toe. "Het is niet mijn doel u ongerust te maken, maar we danken dezen rustigen gang alleen aan de lage ligging van het zwaartepunt, onze groote snelheid waarborgt onze veiligheid. Zoolang we recht tegen den golfslag ingaan, hebben we geen gevaar te duchten, maar als een golf ons van terzij aangreep, zouden we er anders voor staan: dan gaf ik niet zóó veel voor mijn leven."

Gelukkig duren zulke hevige stormen betrekkelijk kort en daar de Olijftak zulk een buitengewone snelheid had, was men spoedig door het gebied der orkanen heen en bereikte het schip ongedeerd kalmer streken.

Met vreugde begroette het scheepsvolk het oogenblik, toen de luiken weer werden geopend en ze op het dek frissche lucht konden inademen.

"Zeil aan stuurboord!"

Toen de officier van de wacht dezen uitroep hoorde, haastte hij zich kapitein Brookes te waarschuwen. Gedurende de reis waren er meermalen schepen in zicht geweest, maar de Olijftak had ze steeds zorgvuldig vermeden, behalve de Puma, waarmee een ontmoeting op een bepaalde lengte en breedte vooraf was vastgesteld. Het verwekte dan ook algemeene verwondering, toen de kapitein bevel gaf koers te zetten in de richting van het vreemde schip.

Snel naderde de Olijftak het vaartuig, dat een Duitsche vrachtboot bleek te zijn van ongeveer 4000 ton. Hulpeloos dreef het rond als een speelbal van de golven: aan de groote mast wapperde de signaalvlag, die beteekent, dat het roer is weggeslagen.

Met de noodige voorzorgen om een aanvaring te voorkomen, naderde de Olijftak zoo dicht mogelijk het schip, dat in nood verkeerde en door middel van een megaphoon deelde kapitein Brookes den Duitschen gezagvoerder mee, dat hij het schip op sleeptouw zou nemen naar Pernambuco.

"Heb ik te doen met een Engelsch oorlogsschip?" vroeg de Duitscher, die heel goed wist, dat hij in dat geval geen bergloon te betalen had.

"Neen," antwoordde kapitein Brookes kortaf.

"Hoeveel moet ik dan betalen?"

"Evenveel als aan een schip van de Britsche regeering — niemendal. Breng nu maar een tros uit."

Toen vroeg de ander nog naar den naam van den kruiser, maar kapitein Brookes deed, alsof hij die vraag niet gehoord had. Of hij bijzondere redenen had voor die geheimzinnigheid, kon Gerald natuurlijk niet beoordeelen.

Het uitbrengen van een tros was geen gemakkelijk werk, want tweemaal brak de kabel af, maar de derde maal slaagde men beter en toen zette de Olijftak koers naar Pernambuco met een snelheid van twaalf knoopen, terwijl het vrachtschip er achter dreef als een geharpoeneerde bruinvisch.

"En laten we nu samen het schip nog eens nader bekijken, Mr. Tregarthen," zei kapitein Brookes, "deze ontmoeting maakt, dat ik mijn werkzaamheden moet onderbreken, ik heb dus weer eens tijd; laat Mr. Stockton ons vergezellen."

"Tot uw dienst, Sir, heel gaarne," antwoordde Gerald en een paar minuten later daalde de kapitein met zijn beide vrienden langs een ijzeren ladder af naar het gedeelte van het schip onder het pantser-dek.

Deze ruimte, die onder de waterlijn lag, was geheel electrisch verlicht, en dat was niet overbodig, want overal liepen bundels draden, beschermd door metalen kokers, die in verschillende kleuren geschilderd waren.

Ze kwamen voor een stalen schuifdeur, die door kapitein Brookes geopend werd, terwijl hij de beide vrienden uitnoodigde binnen te gaan. Ze kwamen in een portaaltje, dat aan de andere zijde afgesloten was door een tweede deur, die volkomen gelijk was aan die, welke ze reeds waren doorgegaan. Zorgvuldig sloot de kapitein de buitenste deur en maakte daarna de binnenste open, die toegang gaf tot een klein donker vertrek, dat nu en dan verlicht werd door den blauwachtigen schijn van vonken, die door de werking van een electrische machine ontstonden. Een jonge officier zat over het toestel gebogen, het hoofd zorgvuldig beschermd door een metalen kap, die voorzien was van ontvangers, zooals men gebruikt bij een telephonisch gesprek.

"Dit is onze Marconi-kamer," zei de kapitein, zijn stem verheffende om zich verstaanbaar te maken bij de snel opeenvolgende, krakende geluiden, die aan het knallen van een zweep deden denken. "Onze draadlooze berichten gaan niet door de lucht, maar ze worden overgebracht door een electrischen stroom, die door het water gaat. Deze manier van doen is slechts een uitbreiding van het systeem, waarop het seinen-wisselen tusschen duikbooten berust. Wij staan op deze wijze in verbinding met onze agenten te Swanage in Engeland, Plougastel in Frankrijk, Kaap Cod in de vereenigde Staten, Sydney in Nieuw Zuid-Wales en Antofagasta in Chili. Zoo worden we dus uitstekend ingelicht, omtrent omstandigheden, die het noodig kunnen maken, dat wij tusschen beide komen."

"En zoo hebt u ook den uitslag vernomen van uw proefneming met de Zieten, niet waar?" vroeg Tregarthen.

"Dat is een heel slimme gissing, maar het is toevallig niet waar. Bij gelegenheid zal ik u echter wel eens vertellen, hoe dat in zijn werk is gegaan."

Nadat ze de Marconi-hut hadden bezichtigd, bracht de kapitein hen naar het voorste deel van het schip. Ze gingen door de kabelbergplaatsen en bereikten toen een klein luik. Hierdoor daalden ze af in het lagere gedeelte van het scheepsruim en traden een wigvormig vertrek binnen, dat in verbinding stond met den boeg van het schip. In het midden van de kamer stond een tafel, waarop verscheidene opgerolde electrische kabels lagen en een paar toestellen stonden, die veel op galvanometers geleken.

"En wat denkt ge nu hiervan?" vroeg de kapitein. "Waarvoor zouden deze toestellen dienen?"

"'k Weet het niet," zei Gerald, die na zijn vergissing van straks, voorzichtiger was geworden.

"Dit toestel waarschuwt ons, wanneer we over een onderzeeschen telegraafkabel varen. We weten allen, dat het haast onmogelijk is, de ligging van die kabels te vinden, maar met ons toestel kunnen we ze ontdekken op iedere diepte tot honderd vademen toe. En dan is het een kleinigheid om ze op te visschen en af te leiden. Een groot nadeel echter is het, dat het schip bijna geen vaart moet hebben, wil de aanwijzer werken en bij 't opvisschen van den kabel moet het heelemaal stil liggen."

"Dan hebt u zeker den kabel tusschen Borkum en Lowestoft afgesneden — ik herinner me, dat in de krant van een storing in die verbinding werd melding gemaakt."

"Neen, dat heb ik niet gedaan, dat was het gevolg van een ongelukkig toeval. Wat zou ik er ook aan hebben een kabel onbruikbaar te maken: 't is me juist te doen om de berichten op te vangen, die erlangs geseind worden? Niet den kabel van Borkum naar Lowestoft hebben we afgetapt, maar die van Middelkerke naar Dumpton Gap en zoo kwamen we precies op de hoogte van hetgeen met de Zieten was gebeurd."

Nadat ze nu nog een bezoek hadden gebracht aan de machine-kamer, merkte kapitein Brookes op, dat ze nu wel de voornaamste bijzonderheden van het schip kenden. "We beschikken nog over een uitvinding, waarop ik werkelijk een beetje trotsch ben. Maar het toestel is nog niet geheel klaar en tot zoo lang zullen we wachten, vóór ik u de werking verklaar."

"Mag ik dan nog één ding vragen?" zei Gerald. "'k Hoop niet, dat u het onbescheiden vindt, maar ik zou graag weten, hoe u aan uw officieren gekomen zijt."

De kapitein antwoordde niet dadelijk. "De meeste van hen zijn mannen van eer," merkte hij op, "maar er is in hun leven 't een of ander gebeurd, waarom ze liever niet over het verleden spreken. Enkele gevallen wil ik u meedeelen, maar zooals vanzelf spreekt, geheel vertrouwelijk. Mr. Palmer, bijvoorbeeld, één van onze luitenants, was tot voor eenige jaren commandant van een Engelsch oorlogsschip. Zijn vaartuig liep op de rotsen, hij werd voor een zee-krijgsraad gebracht en moest zijn loopbaan opgeven. Zijn vrienden leven in de overtuiging, dat Mr. Palmer — maar dat is zijn ware naam niet — voor drie jaar op reis is naar de Rockies. En dan White, de dokter — dat is ook een pseudoniem tusschen twee haakjes — die was dorpsgeneesheer met een uitgebreide, bloeiende praktijk. Bij een lijkschouw verzuimde hij een onbeduidende kleinigheid, waardoor hij met den rechter in aanraking kwam. In Engeland was hij nu verder onmogelijk."

"En de matrozen?"

"Voor het meerendeel zijn ze slachtoffers van het korte dienstverband, dat de Britsche Admiraliteit slechts toestaat, waardoor de mannen op betrekkelijk jeugdigen leeftijd worden afgedankt en verder zijn er nog vroegere koopvaardij-matrozen bij van verschillende naties."

"Zijt u niet bang, dat er enkelen bij zijn, die op een goeden dag zullen deserteeren en de geheimen van de Olijftak verraden."

"Dat zou niets hinderen, zoolang ze niet allen tegelijk wegliepen; maar daarbij komt, dat ze op zulke voordeelige voorwaarden zijn aangemonsterd, dat ik me in 't geheel niet bezorgd behoef te maken voor desertie. En dan is geen van de mannen op de hoogte van de geheele inrichting van het schip. Zoo is 't ook met de officieren: zij zijn alleen bekend met het onderdeel, dat onder hun leiding staat. Neem bijvoorbeeld Sinclair, die het geschut bedient, hij, zou geen raad weten met de Z-stralen; Taylor — o! nu heb ik toch nog iets vergeten. Eigenlijk is het wonder, dat ik niet meer vergeet, bij alles wat op mij neerkomt. — Taylor, de scheikundige, beheert met behulp van Guy Temple het laboratorium. Ik heb u zijn heiligdom nog niet laten zien. We kunnen er dadelijk nog even heengaan."

Het laboratorium was een ruim vertrek, gelegen aan stuurboordzijde, onder den voorsten toren, door een luik in verbinding met het middendek. In één van de hoeken stond een groote werktafel, overdekt met reageerbuisjes, retorten en meer dergelijke voorwerpen, die men gebruikt bij scheikundige onderzoekingen, terwijl op den vloer ongeveer honderd cilinders in rijen waren neergezet.

"Waar is Mr. Taylor?" vroeg kapitein Brookes aan een jong officier, verdiept in een scheikundige proefneming.

"De laatste twee uur heb ik hem niet gezien, Sir."

"H'm!"

"Wil ik hem laten roepen, Sir?"

"Neen, dat is niet noodig. Nu, Mr. Tregarthen, hier zijn de ontplofbare ladingen voor de 15 c.M, granaten. De projectielen worden afgevuurd door middel van Whaddiet, een verbeterden vorm van cordiet; maar waaruit bestaat de springlading, denkt ge? 'k Zal het u maar zeggen: vloeibare lucht. Met deze springstof heeft een 15 c.M. granaat grooter uitwerking dan een 35 c.M. met lyddiet. Geen pantserplaat is er tegen bestand. Zoodra we het vrachtschip kwijt zijn, dat we op sleeptouw hebben, zal ik u de kracht laten zien." — Hier werd de kapitein gestoord door de komst van een luitenant, die bleek zag van blijkbare opwinding, ondanks de donkere tint van zijn gebruind gelaat.

"Sir," riep hij uit. "Wilt u dadelijk aan dek komen? De officier van de wacht zendt mij hierheen, om u te zeggen, dat er verraad wordt gepleegd aan boord van de Olijftak."

"Zoo?" zei kapitein Brookes heel kalm op vragenden toon en zich daarna tot Tregarthen wendende, noodigde hij dezen uit hem te vergezellen naar het campagne-dek.

"Wel, Mr. Sinclair, wat is er gaande?" vroeg de kapitein aan den officier van de wacht, die hem te gemoet kwam.

"Ik bemerkte op het schip daar ginds iemand, die van de brug seinen gaf, Sir. Onmogelijk kon ik de beteekenis van die signalen vaststellen, maar ik kreeg de stellige overtuiging, dat de man, die ze gaf, trachtte zoo min mogelijk de aandacht te trekken van lieden, die er niet mee te maken hadden. Toen ik naar den achtersteven slenterde hield het spelletje dan ook geheel op. Daarop zond ik Mr. Weeks naar uw hut, om u op de hoogte te stellen. Hij vond u daar niet, maar kwam mij berichten, dat Mr. Taylor bezig was op het achterschip seinen te wisselen met den Duitscher."

"Heel goed, Mr. Sinclair; doe verder alsof er niets aan de hand is."

Daarna zocht kapitein Brookes een plaatsje bij den achtersten toren, waar hij, zonder zelf te worden opgemerkt, alles zien kon, wat er op het vreemde schip gebeurde.

"Verstaat u Duitsch?" vroeg hij.

"Ja Sir," antwoordde Gerald.

"Zeg dan eens, wat dat daar beteekent," en hij wees naar de snelle bewegingen van een vlag daarginds.

"Beproef van nacht het schip te verlaten; wij zullen u wachten," las Gerald af.

"Juist," bevestigde kapitein Brookes. "Ze hebben blijkbaar voor 't oogenblik niets meer te zeggen, maar ik weet genoeg."

HOOFDSTUK IX.

Zeeroof.

Gedurende den maaltijd was het aan niets te bemerken, dat er aan boord van de Olijftak vreemde gebeurtenissen te wachten waren. Kapitein Brookes had aan hen, die wisten, wat er gaande was, zeer strenge bevelen gegeven, tegenover de verdere bemanning het stilzwijgen te bewaren en er voor te zorgen, dat de verrader door geen woord of gebaar argwaan zou krijgen.

Aan tafel heerschte dan ook dezelfde opgewekte en vriendelijke toon van anders, maar Taylor, of liever Schneider was niet geheel op zijn gemak; dat merkte Gerald wel. Hij mengde zich niet in de gesprekken en aan zijn zwevende blikken was het heel goed te zien, dat zijn gedachten elders waren.

Toen de maaltijd geëindigd was en de sigaren voor den dag kwamen, verontschuldigde de kapitein zich en ging heen.

"Nog iets bijzonders, Mr. Sinclair?" vroeg hij aan den officier van de wacht.

"'k Heb het achterste promenade-dek onderzocht en daar een katrol met een kabel gevonden."

"Ge hebt toch alles stil laten liggen, hoop ik."

"Ja, Sir."

"Heel goed. Het licht moet in mijn hut worden aangestoken en de gordijnen moeten gesloten worden. Houd een oogje op Taylor, zonder dat hij er iets van bemerken kan en kom mij waarschuwen, zoodra hij zich naar het achterdek begeeft."

Kort na middernacht kwam het bericht, dat Taylor zich in de achtergalerij bevond en kapitein Brookes, Gerald, Stockton en de officier van de wacht verborgen zich op een plek, waar ze duidelijk de bewegingen van den verrader konden volgen.

Het was stikdonker. Alle lichten aan dek waren gedoofd, alleen een paar lantarens aan den voorsteven brandden, maar die waren van het promenade-dek af niet te zien. De Olijftak vervolgde kalm haar weg met een gang van ongeveer tien knoopen en ze liet een wit, lichtend spoor van schuim achter, dat afgebroken werd door den donkeren romp van het vrachtschip, dat een kabellengte verwijderd was.

Een kwartier lang bleef het doodstil, maar toen hoorden de mannen plots een plomp in 't water, veroorzaakt door den val van een donker voorwerp, dat ze overboord hadden zien vallen.

"Is hij over boord gesprongen?" fluisterde Jack Stockton.

"St! Neen, hij heeft de reddingboei over boord gegooid. 'k Zie de lijn, die er aan vast zit."

"Zoo is het," merkte kapitein Brookes op, die met een nachtkijker den omtrek verkende. "De reddingboei is uitgeworpen."

En toen hoorden ze voetstappen, dichtbij. Onwillekeurig weken ze achteruit en wierpen zich plat op den grond. Met ingehouden adem wachtten ze en daar verscheen boven de stalen verschansing de donkere omtrek van een menschelijke figuur. Dat was Schneider.

Dadelijk ging de man aan het werk. Met den meesten spoed hing hij den takel over den kabel, die de beide vaartuigen met elkander verbond en toen sloeg hij zijn eene been over den haak, die onder aan het blok bevestigd was. Stevig greep hij den takel vast en in deze ongemakkelijke houding waagde hij den moeilijken maar vrij ongevaarlijken overtocht. Hij stootte met het vrije been af en snel gleed de takel met zijn vracht langs het touw.

"We zullen wachten, tot hij halfweg is," zei de kapitein. Door zijn nachtkijker volgde hij den vluchteling en toen hij zag, dat deze zich midden tusschen de schepen bevond, een paar voet boven den waterspiegel, haalde hij zijn mes te voorschijn en begon den kabel door te snijden.

"Goede hemel!" fluisterde Stockton. "Zoo wordt die man vermoord!"

"Wees daarvoor maar niet bang," zei Gerald, "hij wordt alleen maar ondergedompeld: ze halen hem daarginds wel aan boord met het touw. Ga uit den weg en kijk uit, als de kabel stuk springt."

Nauwelijks was die waarschuwing gegeven, of de laatste vezels van den kabel scheurden stuk en het deel, dat op de Olijftak was vastgemaakt, zwaaide met kracht over het dek en het schip kreeg plotseling een sterk versnelde beweging, 't leek wel een hond, die zich van zijn ketting had losgerukt.

"Laat de zoeklichten werken," commandeerde kapitein Brookes. "Roer naar stuurboord!"

Het schip draaide rond en de machtige lichtbundels gleden over het golvende water en beschenen het vrachtschip, dat een paar mijlen verder onbeweeglijk lag als een zilveren bark.

"Nu zijn we klaar. Houdt het schip daar in het oog," vervolgde de kapitein. "En nu, mijne heeren, zullen we slapen gaan en de zaak tot morgen laten rusten."

Bij het aanbreken van den dag ging Gerald weer naar boven, nieuwsgierig om te zien, hoe het met de zaken stond. De kapitein was al present.

Het Duitsche vaartuig bevond zich op een kleine mijl afstand. De bemanning had de rest van den kabel aan boord gehaald en ze hadden zeker wel bemerkt, dat de breuk van het touw geen toeval was, maar dat het doorgesneden was, want ze hadden zeilen bijgezet en het schip bewoog zich langzaam naar het Z. Z. W.

Volgens het bevel van den kapitein, was de Olijftak zoo dicht bij het schip gebracht, dat het te beroepen was.

"Draai bij," riep kapitein Brookes met een stentorstem. "Ik zal een boot zenden."

"Mr. Slade," ging hij voort, zich tot één van de luitenants richtende, "wilt ge naar dat schip gaan en Mr. Taylor tot elken prijs terugbrengen. Mr. Tregarthen, wilt u Mr. Slade vergezellen?"

In een oogenblik was de boot gestreken en bemand met matrozen, die met sabel en revolver gewapend waren. De luitenant beschikte ook over een pistool, maar Gerald wilde liever ongewapend meegaan.

Toen ze het vreemde schip naderden, zagen ze op de verschansing de krachtige figuren der Duitsche matrozen, die niet van plan schenen hen aan boord te laten komen.

"Werp ons een lijn toe, als ge wilt?" riep Slade.

"Wat komt ge hier doen?" vroeg de gezagvoerder van het vrachtschip.

"We komen den man halen, die van nacht van ons schip gedeserteerd is. We weten, dat ge hem geholpen hebt bij zijn vlucht."

"Hier aan boord komt ge niet," riep de gezagvoerder vastberaden. "Hebt ge onze vlag gezien? Dit schip is Duitsch grondgebied," en hij wees naar den achtersteven, waar de rood, wit en zwarte vlag wapperde.

"Riemen binnen boord!" commandeerde de luitenant en de boot gleed langs de zijde van het schip en de bootsman probeerde zijn haak over de verschansing te slaan. Het glimmende staal van een bijl flikkerde in de zon en het volgende oogenblik viel de ijzeren haak met een stuk van den stok in de boot, gelukkig zonder iemand te treffen.

"Doe dat nog eens, en ik zal laten vuren," schreeuwde Slade, die rood geworden was van ergernis.

Toen boog zich de gezagvoerder van het Duitsche schip over de leuning van de brug en richtte zijn revolver.

"Zeeroovers!" bulderde hij. "Houdt af, of ik schiet."

Hij gaf een onverstaanbaar bevel en toen daalde er een hagelbui van brokken steenkool en stukken ijzer neer op de mannen in de boot, waarvan sommige ernstig werden gekwetst.

Nu was het uit met het geduld van den luitenant: zonder een oogenblik te aarzelen trok hij zijn revolver, richtte snel en haalde den trekker over.

Er kwam geen vuurstraal, geen rook, toen het schot afging, alleen trilde de arm van den luitenant even, maar Tregarthen zag den Duitscher wankelen, de linkerhand aan den rechterschouder brengen en op 't dek vallen, terwijl zijn machtelooze hand het pistool losliet.

"Nu aan boord, mannen!"

Ontsteld door hetgeen ze hun gezagvoerder zagen overkomen en verrast door de geheimzinnige wijze, waarop hij getroffen was, bood de bemanning weinig weerstand en binnen enkele minuten waren de matrozen van Slade meester van het dek van het Duitsche schip.

Nadat Slade een sein gegeven had, kwam er een tweede boot van de Olijftak, waarin zich een aantal matrozen en de dokter bevonden. Toen deze aan boord was, werd eerst de wond van den gezagvoerder onderzocht en die bleek niet gevaarlijk, het was een vleeschwond, het been was niet geraakt. Nadat een verband was aangelegd, werd de gekwetste naar zijn hut gebracht.

"Zeg, Tregarthen," riep Slade, "jij spreekt hun taal; vraag eens aan den eersten stuurman, of hij al zijn volk op het dek wil laten aantreden."

Gerald voldeed aan het verzoek en bracht het bevel over, dat door den Duitscher, die den moed niet had te weigeren, werd opgevolgd.

Zoodra de matrozen op het dek bijeen waren, droeg Slade aan enkele van zijn mannen op, de Afrika — zoo heette het schip — te doorzoeken.

Een nauwkeurig onderzoek leverde echter niets op: er was geen spoor van den vermiste te vinden. De stuurman werd in verhoor genomen, maar ook daardoor kwam men niet verder: zelfs bedreigingen hadden geen uitwerking.

Ten slotte verloor Slade zijn geduld; hij trok zijn revolver en richtte het op het hoofd van den stuurman, terwijl hij Tregarthen verzocht hem mee te deelen, dat Taylor voor den dag moest worden gebracht, dood of levend en wel binnen vijf minuten.

image: 03_wankelen.jpg
image: 03_wankelen.jpg

[Illustratie: Tregarthen zag den Duitscher wankelen. Pag. 60]

De vastberaden uitdrukking in de oogen van den luitenant deed den stuurman vreezen, dat hij zijn bedreiging zou ten uitvoer brengen en daarom vond hij het raadzaam, zich niet langer te verzetten. Hij gaf een bevel aan twee van zijn mannen, die nu met vier matrozen van Slade in het voorste ruim afdaalden.

Hier werd de deserteur gevonden, verborgen in een ledige tank en ondanks zijn heftig verzet werd hij aan dek gebracht en zonder omslag geboeid en daarna in de boot geplaatst. Daar nu het doel van den tocht bereikt was, keerden de booten naar de Olijftak terug.

"Brengt hem beneden en sluit hem op in zijn hut," beval kapitein Brookes kortaf. "Laat twee man op hem toezien, dat hij de hand niet aan eigen leven slaat. Mr. Tregarthen," voegde hij er bij, "ik dank u voor den dienst, dien ge bij deze gelegenheid bewezen hebt. Ge zult zeker wel behoefte hebben aan wat eten; uw ontbijt staat klaar."

"'t Verwondert me, dat de kapitein zoo goed wist, dat ik nog ontbijten moet," zei Gerald tot zijn vriend Jack, toen ze beiden aan tafel zaten.

"Daar begrijp ik ook niets van," antwoordde Stockton, die op de hoogte was van alle bijzonderheden omtrent den tocht naar de Afrika. "Maar wat me nog meer verwondert, is, dat hij zich ten doel stelt den oorlog uit te roeien. Daarvoor kiest hij al een heel vreemden weg. Het slot zal zijn, dat de Olijftak als een roofschip zal worden aangemerkt en dat wij aan de galg komen."

"We hebben hier zeker met een geval van zeeroof te doen," zei Gerald. "En het zou me niet verwonderen, als binnen een paar weken een internationaal eskader werd uitgezonden om ons te vervolgen."

Terwijl Tregarthen zoo sprak, had kapitein Brookes zonder eenig bedenken de witte vlag laten hijschen op de Olijftak, die snel wegvoer van het Duitsche schip, dat ze hadden aangevallen.

HOOFDSTUK X.

Gereed voor den strijd.

Zes glazen in de voormiddag-wacht. De Olijftak gleed met een snelheid van tien knoopen door het kalme water, terwijl de tropische zon fel brandde op de zonnetent, die over het campagne-dek was uitgespannen.

Alle officieren waren daar in een halven kring gezeten en daarachter stonden de matrozen opgesteld, voor zoover ze niet elders op het schip onmisbaar waren. Er heerschte een stemming van ernst, want er zou recht gesproken worden over Taylor, beschuldigd van desertie en verraad.

"Breng den gevangene voor!" beval de kapitein en een oogenblik later verscheen de beschuldigde onder geleide van twee gewapende matrozen aan dek en werd tegenover zijn rechters geplaatst.

"Mark Taylor," zoo begon luitenant Palmer, die als aanklager optrad, zijn rede, "ge wordt beschuldigd van desertie. Ge hebt uw post en dit schip zonder voorkennis en toestemming van den kapitein verlaten om een schuilplaats te zoeken aan boord van het Duitsche schip de Afrika. Niet tevreden met deze schending van de krijgstucht hebt ge aan den gezagvoerder van genoemd Duitsch vaartuig geheimen verraden, die alleen aan den kapitein van de Olijftak toebehooren. Bekent ge aan deze misdaden schuldig te zijn of niet?"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings