← Table of contents
De Koning der Zee

Front matter (continued 2)

A. F. Pieck translation

"Ik ben onschuldig. Ik —"

"Dat is voor het oogenblik genoeg.", viel hem de luitenant in de rede. "Straks zult gij de gelegenheid krijgen, u nader te verklaren."

Eerst werden nog vijf getuigen gehoord, die de beschuldigingen kwamen bevestigen en daarna mocht de beklaagde zich verdedigen.

Hij gaf toe, dat hij het schip had verlaten, zonder daartoe verlof te hebben ontvangen, maar hij ontkende ten stelligste eenig geheim van de Olijftak te hebben verraden aan den gezagvoerder of aan een lid van de bemanning van de Afrika. Hij begon in zuiver Engelsch, maar hoe verder hij kwam, des te meer werd een vreemd accent in zijn uitspraak merkbaar.

"En ten slotte wijs ik er op, dat ik Duitsch onderdaan ben en dus onder bescherming sta van de Duitsche vlag en de Duitsche regeering," verklaarde hij aan het eind van zijn verdediging.

"Als ge inderdaad een Duitscher zijt," bracht de kapitein in het midden, "waarom hebt ge dat dan niet gezegd, toen ge hier aan boord kwaamt en waarom hebt ge dat dan tot nu toe geheim gehouden?"

"Ik ben een Duitscher," herhaalde de gevangene. "Ik heet geen Taylor, maar Schneider. Dat heb ik aan deze heeren verteld." — met een handbeweging duidde hij Gerald en Jack aan. "Ik heb hun gezegd, dat ik Duitsch onderdaan was en dat ik bij de eerste de beste gelegenheid het schip wilde verlaten; zij wisten er dus alles van."

"Waarom hebt ge mij daarvan niet op de hoogte gesteld?" vroeg de kapitein zich richtend tot Gerald.

"De man kwam op een avond zeer opgewonden in mijn hut. Inderdaad vertelde hij toen, dat hij Schneider heette en hij begon een verhaal van bijzonderheden uit zijn vroeger leven en klachten over zijn tegenwoordig bestaan. Wij hebben hem toen aan zijn verstand gebracht, dat hij zich bij u moest vervoegen, als hij grieven had. En toen gaven we hem zijn afscheid."

"Dank u," zei kapitein Brookes en toen vroeg hij aan den beschuldigde: "En kunt u mij ook zeggen, waar zich de beschrijving bevindt van de vervaardiging van onze 15 cM. granaten?"

"In één van de kasten van het laboratorium," antwoordde Schneider, die bij deze vraag nog bleeker was geworden.

"Zoo; en als ik u onder geleide naar het laboratorium zend, kunt u het stuk dan vinden?"

"Als het er niet meer is, dan is het gestolen; misschien hebt u het ergens laten verstoppen?"

"Het is gestolen, Sir," viel de kapitein driftig uit, "en wel door u. Het is gevonden door luitenant Slade in de hut van den gezagvoerder van de Afrika. Wat hebt ge daarop te zeggen?"

Schneider beefde over al zijn leden zoo hevig, dat één van de matrozen hem moest ondersteunen om te maken, dat hij niet op 't dek neerstortte.

"En nu heeren, het vonnis."

"Schuldig aan beide misdaden."

"Mark Taylor, of liever Schneider, ge zijt schuldig bevonden aan desertie en verraad. Wat de eerste misdaad aangaat, moet ik toestemmen, dat ik niet het recht had u te berooven van de bescherming van de Duitsche vlag, omdat u Duitsch onderdaan zijt. Maar daar is niets meer aan te veranderen, ik zal zelf de gevolgen van die daad moeten dragen en dat doe ik heel gerust, want ik vrees zelfs de heele vloot van Duitschland niet. Wat het verraad aangaat, wijs ik erop, dat ge geheel vrijwillig de betrekking van verantwoordelijk officier aan boord van de Olijftak onder mijn commando hebt aangenomen. In iedere gemeenschap is verraad tegen het hoogste gezag strafbaar met den dood en ik beschik over de macht om die hoogste straf aan u te voltrekken. Ik wil echter verzachtende omstandigheden laten gelden: uw misdaad heeft voor ons geen nadeelige gevolgen gehad en de verleiding was sterk, daar ge geheel de beschikking over het stuk hadt, dat ge aan uw landgenoot hebt willen overleveren. Op grond hiervan verander ik de doodstraf in die van eenzame opsluiting gedurende den tijd, waarin de Olijftak dienst doet. Natuurlijk wordt u voldoende lichaamsbeweging toegestaan met het oog op uw gezondheid. — Breng den gevangene weg!"

Onder geleide van twee gewapende matrozen werd Schneider van het campagne-dek gebracht en bij 't afdalen van de ladder ging één van de mannen hem vóór, terwijl de andere hem onmiddellijk volgde.

De gevangene daalde twee sporten van de ladder af, maar keerde zich toen plotseling om en stootte den man, die hem volgde naar beneden. Van de verwarring, die daardoor ontstond, maakte hij gebruik om naar de verschansing te snellen en het volgende oogenblik wierp hij zich met een forschen sprong over boord.

Allen snelden toe, om te zien, hoe het treurspel zou eindigen, maar de ongelukkige man was in de diepte verdwenen en kwam niet meer boven.

"Dat heeft ons ontslagen van heel wat moeilijkheden in de toekomst, en we hebben er eigenlijk ook al last genoeg van gehad," mompelde kapitein Brookes.

Den volgenden dag voer de Olijftak langs de oostkust van Patagonië, zóó dicht, dat duidelijk aan stuurboord de ruwe, kale heuvels van dat onherbergzame land te zien waren.

"Zoo, goeden morgen, Mr. Tregarthen," riep kapitein Brookes, toen Gerald aan dek kwam. Hij sprak met een minzaamheid, die in de laatste dagen ver te zoeken was geweest, maar nu had hij zijn gewone opgewektheid blijkbaar teruggevonden. "Nu denk ik, dat ons schip wel gereed is voor den strijd, tenminste wat de bewapening betreft. Er zullen nog wel gebreken zijn, maar die zullen we wel vinden en verhelpen. Ik ben van plan eens een proef te nemen met de strijdmiddelen van de Olijftak, zonder gebruik te maken van haar electrische kracht. Binnen een uur krijgen we Carlos Rock in zicht — u hebt daar zeker wel eens van gehoord."

"Neen, Sir."

"Carlos Rock is een klein, onbewoond eiland met een omtrek van minder dan een kwart mijl, terwijl de grootste hoogte 600 voet bedraagt. Hoeveel ronden van een 35 cM. kanon zullen noodig zijn, om het te vernietigen, denkt ge?"

"Dat kan ik niet zeggen, sir, maar één treffer zou er al een geducht gat in slaan."

"Als ge mij vergezellen wilt in den commandotoren, kunnen we zien, wat de Olijftak kan uitrichten."

Een hoornsignaal riep alle hens aan dek en binnen een paar minuten was de geheele bemanning bezig schotten en dwarsbalken weg te nemen. Een tweede signaal volgde en toen werd het dek door allen verlaten.

"Dat noemen ze nu, klaar voor het gevecht," dacht Tregarthen, maar voor hij zijn verwondering had uitgedrukt, bracht kapitein Brookes een paar hefbomen in beweging. Geluidloos zakten nu de massief-stalen windschutten met het dek naar omlaag, de schoorsteen verdween en de booten en andere voorwerpen, die zich op 't dek bevonden daalden neer in ruimten, die daarvoor waren aangebracht. Tegelijkertijd werden de waterdichte schotten hermetisch gesloten. Op het geheele bovendek bevond zich nu niets meer; alleen de vier torens, de lichte snelvuur-kanonnen en de zware commando-toren staken er boven uit.

"Hoe vindt ge dat?" vroeg kapitein Brookes, in geestdrift. "Nu zijn we gereed om aanvallen van torpedobooten af te slaan. En kijk nu eens, als ik dezen hefboom in beweging breng."

Nu verdwenen de snelvuurkanonnen onder het pantserdek en zware stalen platen schoven zonder eenig gerucht over de ruimten, waarin ze neerzakten.

"Dit zijn onze voorzorgen. Aan boord van bijna alle moderne slagschepen is de lichte bewapening, die dienen moet om torpedo-aanvallen af te slaan, slecht beschermd. Komt het tot een treffen, dan is het lichte geschut binnen vijf minuten vernietigd. Hier staan de kanonnen veilig en wij kunnen ze gebruiken, zoodra wij ze noodig hebben. Kijk, daar is Carlos Rock."

Gerald keek op en zag een steenen kolossus, die loodrecht uit de zee oprees, gebeukt door de golven, die in witte schuimvlokken uiteenspatten tegen zijn voet.

Intusschen had kapitein Brookes den kwartiermeester bevel gegeven op een afstand van twee mijlen om het eiland heen te varen om zich ervan te kunnen overtuigen, dat het inderdaad geheel onbewoond was. Tien minuten waren voldoende voor het volbrengen van deze rondvaart en in dien tijd zochten de officieren met hun kijkers de treurig verlaten rots af. Geen menschelijk wezen was er te zien; duizenden zeevogels waren de eenige bewoners.

"Let nu op!" zei de kapitein tot Gerald. "Ik kan niet in bijzonderheden treden, maar gij zult wel begrijpen, wat ik bedoel. Alle acht de kanonnen zijn twee aan twee met elkaar verbonden en gereed voor het afvuren van een volle laag. Kom nu hier en kijk door deze opening."

Tregarthen voldeed aan de uitnoodiging en toen haalde kapitein Brookes een hefboom over. Even ging een bijna onmerkbare trilling door het schip en een kleine terugslag werd gevoeld, een dunne, nevelachtige, bruine rook steeg omhoog, maar geluid van kanonschoten werd niet gehoord, alleen het gieren van de projectielen, die met een snelheid van 2500 voet per seconde uit de loop gedreven werden. Het geheele rotseiland werd in een stofwolk gehuld en het doffe gerommel van vallende steenblokken werd gehoord.

"De rots ziet er nu heel anders uit, Sir," riep Gerald uit, toen hij de uitwerking van het geschutvuur door zijn kijker had opgenomen.

"Zoo!" zei de kapitein. "Zou er een schip zijn, dat daartegen bestand is? Maar ga nu beneden eens kijken naar het laden van de stukken, dan zullen we daarna gedurende een halve minuut snelvuur afgeven."

Tregarthen verliet nu den commando-toren langs een stalen wentel-ladder en kwam in de ruimte onder het pantserdek, waar hij bijna de geheele bemanning van het schip bijeen vond; ook de mannen, die de pantsertorens commandeerden. Hij begreep er niets van, dat deze niet op hun post waren.

Matrozen, het bovenlijf geheel bloot, waren bezig met het aanrijden van granaten op kleine kruiwagens uit het magazijn. De projectielen werden in een grooten metalen bak geplaatst, die in verbinding stond met den voorsten toren. Wanneer er zoo twaalf ronden in den bak geplaatst waren, gingen de deuren dicht en daarboven scheen een helder rood licht.

Even ging er een zachte trilling door het schip en dat herhaalde zich tot twaalf maal toe in minder dan vierentwintig seconden. In het volgende oogenblik vlogen de deuren van den bak open en twaalf ledige, zwak rookende cilinders vielen op den vloer; een matroos wierp een emmer water in de ruimte en de nieuwe lading was gereed.

Maar daar schetterde weer een hoornsignaal: "ophouden met vuren" en de officieren gingen aan dek om de uitwerking te zien van het geschutvuur.

"Hoe is dat gegaan?" vroeg kapitein Brookes. "Met uitzondering van drie man en ik zelf, was de geheele bemanning veilig en wel onder het pantserdek. Automatisch laden en vuren, met volkomen zekere trefkans, daarmee zijn we onoverwinnelijk."

"'k Zou zeker niet gaarne aan boord zijn van een schip, dat door een volle laag van uw kanonnen werd getroffen," merkte Gerald op. "Maar als nu gedurende den strijd de richting van een paar kanonnen zich wijzigt, zoodat een deel van het schip in de vuurlijn komt?"

"Daar is rekening mee gehouden. Dan wordt onmiddellijk het verband van den toren, waarin ze zich bevinden met de rest verbroken. Het samenwerken van de vier torens is niet bepaald noodig; ze kunnen ook ieder op zich zelf vuren. Dan neemt dadelijk de kommandant van den toren de leiding van zijn afdeeling op zich. De kans, dat wij ons eigen schip zouden beschadigen, bestaat dus niet."

Hier werd het gesprek gestoord door de komst van een matroos.

"Er is zoo even een draadloos bericht ontvangen Sir," meldde hij en overhandigde, terwijl hij salueerde, een gesloten enveloppe.

Kapitein Brookes opende het couvert en las een paar malen den inhoud, zonder dat zijn gezicht door verandering deed vermoeden, van welken aard de inhoud was. Daarop wendde hij zich tot de officieren, die op het campagnedek tegenwoordig waren.

"Heeren," riep hij uit, "het bericht dat ik daar ontvang, is van de grootste beteekenis. De gezagvoerder van de Afrika heeft gerapporteerd, dat hij aangevallen is door een schip, dat de witte vlag voert en er zijn reeds klachten ingebracht bij den Duitschen gezant te Londen. De Britsche regeering heeft echter onmiddellijk verklaard, dat het ten eenen male onmogelijk was, dat de aanval zou gedaan zijn door een Engelsch oorlogsschip, volgens de beschrijving moest het de Almirante Constant geweest zijn. Ten gevolge van die verklaring hebben de Britsche en de Duitsche regeering een nota aan de andere staten gezonden, waarin dat schip als een roofschip wordt gebrandmerkt, met verzoek het aan te houden, waar daartoe de gelegenheid bestaat. En zoo, mijne heeren, is de Olijftak een boekanier van den nieuwen tijd geworden. Iedere reede en elke haven is voor ons gesloten. Maar dat zal mij niet weerhouden den taak, dien ik mij gesteld heb, te volbrengen. Bij de vervolging, waaraan wij nu blootstaan, zal ik nooit een enkel schot lossen op een Engelsch schip, ik vertrouw dan op de snelheid van de Olijftak om den aanvaller te ontkomen, maar als een schip van een andere mogendheid het waagt ons aan te vallen, dan zal ik het een geduchte waarschuwing geven. En als die niet helpt, dan zullen ze tot hun schade en schande al de kracht gevoelen, van de verdedigingsmiddelen, waarover wij beschikken."

HOOFDSTUK XI.

De strijd met twee vloten.

Zonder eenig ongeval bereikte nu de Olijftak de kust van Chili. De vijandelijkheden tusschen dit land en zijn ouden mededinger Peru, waren uitgebroken, maar uitgezonderd eenige onbeduidende schermutselingen van voorposten aan de grenzen, waren er nog geen gevechten geleverd. Geen van de beide republieken durfde er toe overgaan zijn leger in het vijandelijke gebied te zenden, voor men er zeker van was, dat er van den zeekant geen gevaar was te duchten. Het eerste bedrijf van den strijd moest ter zee worden afgespeeld en iederen dag kon men een ontmoeting van de twee vijandelijke vloten verwachten.

De Olijftak was dadelijk in verbinding gekomen met den agent van kapitein Brookes te Antofagasta aan wien door middel van een draadloos bericht werd opgedragen, aan de Presidenten van Chili en Peru een ultimatum te stellen. Binnen drie dagen moesten de vloten terug keeren in de haven, die ze hadden verlaten, of de Olijftak zou zich genoodzaakt zien, tusschenbeide te komen.

Aan de opdracht werd voldaan: het ultimatum werd aan de Presidenten gesteld en de voornaamste kranten maakten er melding van. Natuurlijk werd toen die vreemde tijding druk besproken en men vroeg elkander, wat voor schip toch eigenlijk die Olijftak was en van welke nationaliteit het was. Niemand kon die vragen beantwoorden en daarom kwam men tot het besluit, dat de heele geschiedenis een verzinsel was van een handigen grappenmaker of van iemand, die zijn verstand kwijt was. De beide Staatshoofden dachten er ook zoo over en wijdden daarom verder niet de minste aandacht aan het ultimatum. Niemand kwam op de gedachte, dat de Olijftak hetzelfde schip kon zijn als de Almirante Constant, die bij Pernambuco de Duitsche vlag beleedigd had en dat was geen wonder ook, want welk vaartuig zou den afstand van Pernambuco naar Valparaiso — 4600 mijlen — binnen vier dagen hebben kunnen afleggen.

In Chili kwam men op de gedachte, dat het ultimatum een list was van Peru om den vijand schrik aan te jagen en zoo koos de Chileensche vloot in alle gerustheid zee.

Dit nieuws werd aan de Olijftak meegedeeld uit Antofagasta en spoedig volgde het bericht dat de Peruaansche vloot de haven van Callao had verlaten, stoomende in zuidelijke richting.

Dadelijk had nu kapitein Brookes zijn plan gemaakt. Hij wilde de Chileensche schepen te gemoet varen, erlangs heen koersen, zoodat hij tusschen de beide vloten in kwam en dan had hij ze in zijn macht.

Ongelukkigerwijze zou het echter anders loopen. Eerst ging alles naar wensch: de vloot van de zuidelijkste republiek kwam in het gezicht en stoomde voorbij, maar inmiddels had de Peruaansche vloot haar koers gewijzigd en voer naar Iquique.

"Daar zijn ze," riep kapitein Brookes op een der volgende dagen tegen het vallen van den avond en hij wees naar een nevelvlek aan den overigens helderen horizon.

"'t Is nu te laat, om vandaag nog iets te ondernemen. Ik zal hun een flinke portie Z-stralen toedienen, zoodat ze gedurende den nacht machteloos zijn. Morgen kunnen we dan de zaak voortzetten."

De Peruaansche vloot, die geen gebruik kon maken van haar licht-installatie en geen zoeklicht kon laten werken, koerste hulpeloos rond en trachtte op goed geluk vooruit te komen in de richting van Iquique. Niemand begreep, hoe het mogelijk was, dat zoo plotseling de werking van alle electrische instrumenten verlamd was en de geheele bemanning verkeerde in zenuwachtige spanning, vreezende voor een aanval van de Chileensche vloot.

Bij het aanbreken van den volgenden dag besloot kapitein Brookes vooreerst den afstand tusschen de Olijftak en de vijandelijke schepen eenige mijlen grooter te maken om zelf geen last te krijgen van de Z-stralen, waarmee hij werkte. Hij gaf dus bevel, den steven te wenden.

Terwijl deze beweging werd uitgevoerd, deed plotseling een vreeselijke ontploffing het vaartuig van het voor- tot het achterschip hevig schudden en aan stuurboord spoot een reusachtige waterzuil omhoog.

"Hemel, een mijn!" riep Gerald uit.

Hij had gelijk. De Peruanen hadden de zee met mijnen bestrooid en bij de wending hadden de stuurboord-schroeven van de Olijftak zulk een gevaarlijk voorwerp geraakt.

De bemanning bleef bedaard, er was geen sprake van een paniek: ieder was dadelijk op zijn post. De timmerman kwam aan dek met de geruststellende verklaring, dat het schip geen water maakte en een machinist berichtte, dat de drie schroeven aan stuurboord vernield waren, zoodat men de motoren had moeten stopzetten. De drie overige, onbeschadigde schroeven konden dus maar alleen werken en de snelheid van het schip was teruggebracht tot vijftien knoopen.

"Daar zullen ze voor boeten!" zei kapitein Brookes volmaakt kalm. "Als het heelemaal dag is, zullen we eens laten zien, waartoe de Olijftak wel in staat is."

De schemering duurde maar kort en toen eenmaal de zon boven de kim stond, zag men duidelijk de Peruaansche vloot op een afstand van zeven mijlen naar het oosten.

Ze bestond uit vier pantserkruisers, de Santa Rosa, Lima, Independencia en de Restauracion, en drie kanonneerbooten. Met de matige snelheid van zoowat veertien knoopen verwijderden zich de schepen in oostelijke richting.

Plotseling echter tot groote verrassing van de bemanning van de Olijftak, wendde de Independencia den steven, zonder twijfel met het doel een aanval te doen. Op drie kabelslengte volgde de Restauracion.

Alles was gedurende den nacht aan boord van de Olijftak gereed gemaakt voor het gevecht, zoodat de matrozen en officieren niets anders te doen hadden dan op de hun aangewezen posten te gaan.

image: 04_ongelukkige.jpg
image: 04_ongelukkige.jpg

[Illustratie: Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen. Pag. 77]

"De afstand is niet groot genoeg, om gebruik te kunnen maken van onze ZZ-stralen," zei kapitein Brookes tot Gerald, die zich bij hem in den uitkijktoren bevond. "Ik zal bevel geven tot afzonderlijk vuren uit de verschillende torens."

Met volle kracht kwam de Independencia aanstoomen, zoodat het schuimende water hoog opspatte voor den boeg. Dikke, zwarte rook golfde uit de schoorsteenen en wel vijf roodwitte nationale vlaggen wapperden van de masten.

Eensklaps opende ze het vuur uit een 12 c.M. kanon en een 45 ponder huilde door de lucht. Gerald stond onbeweeglijk bij de nadering van het projectiel, dat recht op den toren afkwam en hij kon er niet toe besluiten de opening in de pantsering te verlaten. Het was niet de eerste maal, dat hij een projectiel met de oogen in zijn loop volgde, maar dan stond hij achter het kanon, waaruit het was afgevuurd; nu was echter de toestand een geheel andere.

Een oogenblik later hoorde hij een vreeselijken slag boven zijn hoofd, gevolgd door een regen van staalsplinters en een dikken, verstikkenden rook.

"De brug is getroffen," zei kapitein Brookes even kalm, alsof hij de meest gewone zaak van de wereld besprak. Even drukte hij op een knop, waardoor het bevel gegeven was, het vuur te openen uit den voorsten toren.

De beide 15 c.M. kanonnen werden tegelijk afgeschoten, zonder dat er eenig geluid werd gehoord. Met wiskundige zekerheid troffen de granaten haar doel en de uitwerking was verschrikkelijk. Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen en toen de zwakke rook geheel was opgetrokken, duidde alleen de beweging in het water aan, waar de kruiser in de golven was verdwenen.

De Restauracion wilde blijkbaar niet eenzelfde lot ondergaan: ze wendde den steven en zocht haar heil in een overhaaste vlucht. Ook de andere kruisers volgden dat voorbeeld en lieten de kanonneerbooten, die niet zoo snel voort konden, aan haar lot over. Kapitein Brookes, die tevreden was met de behaalde overwinning, zag echter van alle vervolging van zijn vijanden af.

"Het ziet er mooi voor ons uit," zei Gerald, toen hij zich weer bij zijn vriend Stockton gevoegd had, "een beschadigd schip en alle havens onherroepelijk voor ons gesloten."

"Zouden ze de schade kunnen herstellen?" vroeg Jack. "En als ze het niet kunnen, is dan de toestand gevaarlijk?"

"Als het er alleen maar om ging, de beschadigde schroeven door andere te vervangen, dan zou het wel in orde komen, doch de assen zijn vernield en dat maakt de zaak bezwaarlijk."

"Laten we ons maar niet bezorgd maken; ik houd me ervan overtuigd, dat kapitein Brookes er wel wat op vinden zal. Maar weet je, waarnaar ik erg benieuwd ben? Hoe het gaan zal, wanneer we worden aangehouden door een Britsch oorlogsschip. Als de kapitein zijn woord houd, dan mag hij geen gebruik maken van zijn verdedigingsmiddelen en als hij wil vluchten, dan worden we stellig ingehaald, nu we drie van onze schroeven kwijt zijn."

"Het is wel te hopen, dat we niet op de proef zullen worden gesteld. Maar heb je de uitwerking gezien van het schot, dat ons straks getroffen heeft. De heele brug is weggerukt, alsof hij van bordpapier vervaardigd was. Het stuurstoel is daardoor geheel vernietigd en we zijn dus voor het besturen van het schip aangewezen op de inrichting in den commando-toren, totdat de schade zal hersteld zijn. Maar laten we wat uit den weg gaan: daar komt kapitein Brookes."

De kapitein ging voorbij, maar hij was zoo in zijn gedachten verdiept, dat hij de twee vrienden niet opmerkte. Het was stellig een moeilijk vraagstuk, dat zijn geest vervulde en dat hij wilde gaan uitwerken in de rustige eenzaamheid van zijn hut.

"Hoe is de koers, Mr. Slade?" vroeg Gerald aan den officier van de wacht.

"We zullen spoedig een aanval doen op de Chileensche vloot."

"Weer een vuurgevecht?"

"Daar kan ik niets van zeggen."

Al heel gauw kreeg men nu den nieuwen vijand in zicht. Terstond werd de aanval begonnen en gevolgd door een zeer gemakkelijke overwinning, die geen menschenlevens kostte. Door middel van de Z. stralen werd de vijandelijke vloot machteloos gemaakt en daarop zond men een bericht naar het vlaggeschip van admiraal Zaetos, waardoor deze op de hoogte kwam van den ondergang van de Independencia. De geschiedenis van de Olijftak was dus geen fabeltje en de Chileensche vlootvoogd stemde er in toe, terug te keeren naar Iquique om nieuwe bevelen aan den President te vragen. Zoo was dus de Olijftak meester van de zee.

"En nu zullen we onze schade gaan herstellen," zei kapitein Brookes vroolijk. "Zijt ge bekend met de haven van Talcahuano, Mr. Tregarthen?"

"Neen, Sir."

"Jammer genoeg, want geen van mijn officieren is er ooit geweest, en toch moeten we er binnenvallen, want er is een droogdok, het eenige aan de westkust van Zuid-Amerika, dat groot genoeg is, om ons schip op te nemen. En of ze er in zin hebben of niet, ik ben van plan daar de Olijftak weer geheel zeewaardig te laten maken."

Vroeg in den volgenden morgen kwam de haven van Talcahuano in zicht. Kapitein Brookes begon met de stad te isoleeren, door met de Z. stralen alle telegraphische verbindingen te verstoren. Buiten de haven bevond zich ook een klein koopvaardijschip en de kapitein liet den gezagvoerder daarvan bij zich aan boord komen en verzocht hem als loods dienst te doen om de Olijftak binnen te brengen.

"Dank u wel, senor, dat durf ik niet!" riep de man doodelijk verschrikt. "De havenmond ligt vol mijnen; daarom ben ik ook buitengaats gebleven."

"Zijt ge daar zeker van?"

"Ja, senor."

"Nu heeren, ge hoort, wat de man zegt," vervolgde kapitein Brookes, zich tot zijn officieren wendend. "Wat moet er gebeuren?"

"We laten de beslissing geheel aan u over, Sir," antwoordde luitenant Sinclair.

"Dat had ik wel verwacht. En nu, senor, aan het roer, we gaan vooruit, of er één of vijftig mijnen liggen, voor zonsondergang moeten we in het droogdok zijn. Mr. Palmer, maak de duikboot gereed."

HOOFDSTUK XII.

Door het mijnenveld.

Toen Gerald dit bevel hoorde, maakte zich een eigenaardige gewaarwording van hem meester. 't Was een verrassing voor hem, dat de Olijftak ook zulk een krachtig wapen bezat, maar die bevreemding werd geheel overstemd door de onstuimige begeerten om aan de avontuurlijke tocht van zoo'n vaartuig deel te nemen.

Maanden geleden reeds had hij zich opgegeven voor den dienst aan boord van een onderzeeër en hij was op de lijst van vrijwilligers geplaatst, maar zijn hoop, om aan de beurt te komen, was nog niet verwezenlijkt.

"Mag ik Mr. Palmer vergezellen, Sir?" vroeg hij.

"'k Denk niet, dat het gaan zal. Dit is alleen werk voor geoefende mannen."

Gerald voelde zich heel onaangenaam getroffen door de weigering, maar gewend, zich te schikken naar de bevelen van zijn meerderen, liet hij niets van zijn teleurstelling blijken.

De Olijftak bevond zich nu op ongeveer twee mijlen van den ingang van de haven, die aan weerszijden beschermd werd door steenen forten en aarden werken, waarboven de Chileensche vlag wapperde; rood, wit en blauw met een witte ster in den rechter bovenhoek. Daar achter zag men de stad en aan den horizon in een blauwig waas de Andes, waarvan de besneeuwde toppen zich verhieven tot een hoogte van 1400 voet.

"Denkt ge, dat ze zullen vuren, Mr. Sinclair?" vroeg kapitein Brookes, wijzende naar de forten.

"Daar ben ik niet bang voor, Sir; ze zullen het wel op de mijnen laten aankomen. Sedert den laatsten oorlog hebben ze hier den grootsten eerbied voor pantserschepen en ze zullen zich tweemaal bedenken, vóór ze zich aan een artillerie-duel wagen."

"Goed, daar zullen we dan op rekenen. Zijn uw mannen klaar, Mr. Palmer?"

"Ja, Sir."

"Denk er dan om, dat we vóór zonsondergang in het dok moeten zijn. — Wat ik zeggen wil, Mr. Tregarthen, hebt ge wel eens deelgenomen aan oefeningen in sluipgevechten?"

"Dikwijls, Sir, toen ik diende aan boord van de Vernon."

"Dan kunt ge toch Mr. Palmer vergezellen."

In gezelschap van Stockton, wien het speet niet in de gevaren te kunnen deelen, nu zijn vriend aan de expeditie zou deelnemen, volgde Gerald den luitenant en een twaalftal manschappen naar het middendek.

Ongeveer midscheeps bevond zich daar een ovale, stalen kast, die drie voet boven het dek uitstak. Een van de mannen schoof een zwaren grendel weg, drukte op een knop en langzaam draaide het reusachtige deksel om zijn scharnieren omhoog.

Nu werd er een tweede kast zichtbaar, in vorm gelijk aan de buitenste, maar iets kleiner; dat was de toren van de duikboot.

Het deksel van den toren werd ook geopend en vijf van de matrozen daalden af in het kleine vaartuig. Palmer noodigde Gerald uit, hem voor te gaan en met een snel handgebaar nam deze stilzwijgend afscheid van zijn vriend Stockton.

Palmer volgde en voor de toren gesloten was, zag Stockton bij het heldere schijnsel van electrisch licht een samenstel van allerlei machines.

"Ga wat op zij, als u wilt, Sir!" zei een van de mannen, die op het dek waren achtergebleven.

Het deksel van de buitenste kast daalde neer, de grendel werd zorgvuldig dichtgeschoven, en Stockton hoorde een zacht geruisch van instroomend water.

"Nu zijn ze weg, Sir," vervolgde de matroos van daar even. "Als u naar het dek gaat, kunt u misschien iets zien, van hetgeen ze gaan uitvoeren."

Stockton volgde dien raad op en vond bij den commando-toren een aantal officieren bijeen. Met belangstelling volgden ze den loop van de periscoop, die zich langzaam voortbewoog aan de oppervlakte van het water. Duidelijk teekende zij den weg af, dien de duikboot volgde, recht op den havenmond toe.

Plotseling werd een waterkolom tot een hoogte van 50 voet opgeworpen. Stockton slaakte onwillekeurig een kreet van schrik, want hij dacht niet anders of de boot was in botsing gekomen met een van de verschrikkelijke mijnen.

Een minuut van angstige spanning ging voorbij. Kapitein Brookes staarde donker voor zich uit: de periscoop was verdwenen.

Weer spoot een machtige waterstraal omhoog en de angst uit de blikken der toeschouwers verdween. Viermalen nog herhaalde zich hetzelfde schouwspel kort achter elkaar en daarna gebeurde er niets meer, en de onzekerheid over het lot van hun onverschrokken kameraden deed de mannen bij den toren in bange verwachting de kijkers richten op den ingang van de haven. En eensklaps, op een kabellengte afstand van de Olijftak, verscheen de grijze romp van de duikboot aan de oppervlakte. Zij wilde blijkbaar door haar verschijning alleen haar behouden terugkeer aankondigen, want dadelijk verdween ze weer in de golven en gleed onder de kiel van het moederschip.

Een half uur later kwam haar bemanning aan dek van de Olijftak.

"Alles is in orde, Sir," meldde luitenant Palmer, "alle mijnen zijn gesprongen, zes in het geheel."

"Zeer goed," antwoordde kapitein Brookes en in den klank van die twee woorden uitte zich duidelijk zijn groote tevredenheid over de houding van de bemanning van de duikboot.

"We zullen over een uur de haven binnenvaren, want dan staat er voldoende water volgens de inlichtingen van onzen loods. Ik ga zoolang naar beneden. Wilt u mij dadelijk bericht zenden, als er iets bijzonders gebeurt, Mr. Sinclair?"

"En hoe is het gegaan, oude jongen?" vroeg Stockton, toen de twee vrienden hun hut hadden opgezocht.

"Prachtig!" antwoordde Gerald met geestdrift. "Deze duikboot is een meesterstuk. Zij was het geheimzinnige toestel, waarvan de kapitein sprak, toen we de Marconi-kamer bezochten. Ik geloof wel, dat ik de inrichting begrijp. Ze is ongeveer 30 voet lang en 8 voet breed en ze bevindt zich in een holte onder in ons schip, die juist groot genoeg is, om de bovenste helft van de duikboot te bevatten, zoodat de onderste helft een voortzetting van de kiel van de Olijftak vormt. Je hebt gezien, hoe we in de duikboot afdaalden, nietwaar?"

"Ja, door een luik in het middendek, dat hermetisch gesloten kan warden en door een dergelijk luik in den toren van de duikboot."

"Nu, toen ik in het kleine vaartuig was afgedaald, merkte ik dadelijk op, dat het werd voortbewogen door electrische motoren, van naar schatting 35 P.K. In het voorste gedeelte bevond zich een buis, van 10 cM. doorsnede, die twintig kleine torpedos kon bevatten. Ik merkte op, dat onze boot door middel van waterballast tot zinken werd gebracht."

"Zoodra alle mannen aan boord waren, opende Palmer een klep, en ik zag een bleek, groen licht schijnen door het glas van den toren, waaruit bleek, dat we vrij gekomen waren van de kiel van de Olijftak. We daalden tot 80 voet diepte, tot dicht bij den zeebodem, zooals bleek uit het troebele aanzicht van het water, waarin door de kracht van de eb heel wat slib werd meegevoerd. Toen we ons op eenigen afstand van de Olijftak bevonden, werden de motoren stopgezet en luitenant Palmer heesch de periscoop."

"Weet ge hoe een mijn eruit ziet?" vroeg hij mij. En toen ik daarop bevestigend antwoordde, verzocht hij mij in den toren plaats te nemen en uit te kijken. Hij zou den loop van het schip bepalen door middel van den periscoop.

Hij daalde een stalen laddertje af en nam plaats voor een tafel, die met gepolijst zilver was bekleed. Deze spiegel gaf een scherp en zuiver beeld te zien van den horizon, zooals die zich voordeed aan de wateroppervlakte.

"Onze vaart bedroeg zes knoopen, maar de kracht van de eb liet zich geducht voelen, zoodat we slechts vorderden met een snelheid van drie knoopen. Deze matige voortgang had meteen het voordeel, dat we nu, zoodra er een hinderpaal in den weg kwam, naar de oppervlakte konden stijgen."

"En hoe ver kon-je wel omhoog zien?"

"Zoowat 100 voet, want het water was zeer doorschijnend door het heldere zonlicht. Als het donker weer geweest was, zouden we gebruik hebben kunnen maken van een krachtig zoeklicht, dat we aan boord hadden."

"Op eens kreeg ik een tonvormig voorwerp in het oog, voorzien van een anker, dat er met een kabel aan verbonden was, waardoor het geheel deed denken aan een reusachtigen paddestoel. Ik waarschuwde Palmer, die dadelijk bevel gaf de motoren stop te zetten. De torpedo's werden weggeschoten op dezelfde wijze als hier aan boord het geschut wordt afgevuurd. Ik zag, hoe het slanke, als een visch gevormde projectiel de buis verliet en zich voortbewoog in de richting van de mijn. Het schot miste: de torpedo ging rakelings langs het doel, zeker doordat dit zoo klein was en niet stil lag.

"Het tweede schot was beter gericht en al konden we de ontploffing van de mijn niet hooren, ze was duidelijk vast te stellen door de hevige schommeling van onze duikboot.

"We herhaalden onzen torpedo-aanval op de mijnen eenige malen, tot we ons in de haven bevonden. Aan de oevers zag het zwart van de menschen, die kwamen kijken naar het vreemde slagschip, dat voor de stad verschenen was."

"En is het nu zeker, dat alle mijnen vernietigd zijn?"

"Stellig, we hebben het vaarwater, dat naar de haven leidt, nauwkeurig afgezocht en er was niets meer te vinden. Maar laten we nu weer aan dek gaan, daar is zeker meer te beleven dan hier."

Op het voorschip troffen ze den Chileenschen schipper aan, die met behulp van luitenant Sinclair, die goed thuis was in het Spaansch, de richting aangaf, die het schip volgen moest. De luitenant bracht de bevelen van den loods over aan den kwartiermeester, die zich in den commando-toren bevond om den Olijftak te besturen.

Langzaam bewoog zich het reusachtige slagschip voort door het ondiepe vaarwater, klaar voor het gevecht met het oog op mogelijken tegenstand van de forten. Dat men daar echter niet aan strijd dacht, bleek duidelijk, toen een eerbiedige groet werd gebracht door het neerhalen van de vlaggen, welke plichtpleging onmiddellijk op dezelfde wijze door de Olijftak werd beantwoord.

"Mr. Sinclair," zei nu kapitein Brookes, "laat een van de booten strijken en bemannen. Ga aan wal en overhandig dit schrijven aan het stadsbestuur. Met uw kennis van het Spaansch, zult u goede diensten kunnen bewijzen, wanneer ze den inhoud niet verstaan. Ik heb erin meegedeeld, wat we verlangen en tevens de verklaring afgelegd, dat we alle onkosten tot den laatsten penning eerlijk zullen betalen. U hebt dan meteen gelegenheid te vertellen, hoe de zaken tusschen de beide republieken staan en welk aandeel wij hebben gehad in den strijd."

Een uur later keerde luitenant Sinclair terug met het bericht, dat het verzoek van kapitein Brookes was ingewilligd en dat het schip dadelijk in het dok kon gaan. Ook deelde hij mede, dat de alcalde en de commandant van de stad voornemens waren een plechtig bezoek aan boord te komen brengen.

"Prachtig," zei kapitein Brookes, "het kan niet beter. Die twee heeren zullen we hier houden als gijzelaars, zoolang we in het dok liggen."

Zonder verdere avonturen bereikte de Olijftak het dok. Het water werd uitgepompt en zooals de kapitein voorspeld had: vóór zonsondergang was alles in orde.

HOOFDSTUK XIII.

In een hinderlaag gevallen.

Het vreemde schip in het dok trok zeer de aandacht van de bewoners van Talcahuano. Burgers en soldaten kwamen kijken naar den geheimzinnigen kruiser; ze toonden groote nieuwsgierigheid, maar er was niets te merken van kwaadwillige bedoelingen.

Niettemin waren alle voorzorgen genomen om het schip tegen elken overval te beveiligen. Twee van de kanonnen waren op het tolkantoor gericht, en de andere bestreken het tuighuis, de forten en verschillende openbare gebouwen in de stad. Een afdeeling matrozen was onder luitenant Sinclair geland en had het telegraafkantoor bezet om te verhinderen, dat er berichten omtrent het verblijf van de Olijftak werden verzonden, want de Z.-stralen konden nu geen dienst doen.

"Er nadert een sloep met officieren, Sir," meldde de officier van de wacht, juist toen men zich gereed maakte om aan tafel te gaan.

"Heel goed, laat dan de eerewacht aantreden. Heeren," zei de kapitein, "we zullen nog een oogenblik moeten wachten."

Hij begaf zich naar zijn hut, om zich in groot tenue te kleeden, welk voorbeeld door de andere officieren gevolgd werd.

Toen Gerald op het campagne-dek kwam, vond hij daar de eerewacht reeds aangetreden en hij zag aan den wal op de kade een troepenafdeeling met een muziekkorps opgesteld. De Chileensche soldaten waren blanken, kleurlingen en negers; ze droegen blauwe uniformen met rood uitgemonsterd en versierd met witte tressen, terwijl de shako's met glimmend metaal en een pluim waren opgetuigd.

De stadscommandant, die vergezeld was door den alcalde en een staf van officieren in prachtige uniformen, wachtte aan de valreep, tot de kapitein van de Olijftak zich op het dek zou vertoonen en zoodra dit gebeurde, presenteerden de soldaten op de kade het geweer en maakte het muziekkorps zich gereed te beginnen.

"'k Ben benieuwd, welk lied ze te onzer eere zullen spelen," merkte Gerald op.

"'k Zou 't ook niet weten te zeggen, want we behooren tot geen nationaliteit en dus kunnen ze niet ——."

Stockton kon zijn zin niet afmaken, want de muziek zette in en krachtig klonk het Engelsche volkslied, terwijl de Chileensche officieren zich aan boord begaven. Toen na het Engelsche ook het Chileensche volkslied was ten gehoore gebracht, volgde de begroeting van de vreemde gasten door de officieren van de Olijftak. Daarna begaven allen zich naar de groote kajuit en men zette zich aan den welvoorzienen disch.

Ondanks de moeilijkheid, dat men elkanders taal niet verstond, heerschte er toch een opgewekte stemming aan tafel. Men behielp zich, als 't noodig was, met gebaren en Sinclair maakte zich verdienstelijk als tolk. Dat was geen prettig werk, want het werd nog bemoeilijkt door het geraas, dat de werklieden maakten, die onmiddellijk met het herstellen van het schip waren begonnen.

Aan het dessert kwam de Chileensche overste, die een langen, prachtigen, Spaanschen naam droeg, tot de ontdekking, dat hij een vergissing had begaan. Tot op dat oogenblik had hij gedacht, dat de Olijftak een Engelsch oorlogsschip was, al voerde ze ook de groenwitte vlag aan den mast. En nu had kapitein Brookes hem op dat punt uit den droom geholpen.

"Ja, overste De Silva, volgens het zeerecht van de voornaamste Europeesche staten is dit schip een roofschip."

"Zijt ge een zeeroover?" stamelde de onthutste krijgsman. "En wat zijt ge dan van plan? Komt ge onze goede stad een schatting opleggen?"

"Geenszins, senor," antwoordde kapitein Brookes. "Onze bedoelingen ten opzichte van Talcahuano zijn vredelievend en oprecht. Zooals ik reeds gezegd heb, al wat we vragen, zullen we eerlijk tot den laatsten penning betalen en zoodra de herstellingen aan ons schip zijn afgeloopen, kiezen we weer zee. Intusschen moet ik u en den geëerden alcalde voorstellen, als mijn gasten hier te blijven, tot het oogenblik van ons vertrek."

"Wat, ge wilt ons hier gevangen houden? Maar dat is ongehoord!"

"Zoo moet ge het niet opvatten," antwoordde kapitein Brookes hoffelijk. "Ge zijt mijn hooggeachte gasten. Mijn eigen veiligheid maakt het noodig, u hier te houden als gijzelaars voor de vriendschappelijke houding van de bevolking van de stad."

Toen de overste inzag, dat tegenstand niet zou baten, schikte hij zich in zijn lot, te gemakkelijker, omdat hij wel op een goede behandeling aan boord meende te kunnen rekenen. Hem en den alcalde werden de vertrekken van kapitein Brookes zelf als tijdelijke verblijfplaats aangewezen.

Nadat deze zaak in orde was en de andere Chileensche officieren van boord waren gegaan, nam de kapitein alle verdere maatregelen, die de veiligheid van zijn schip vereischten.

Hij liet door een afdeeling van zijn manschappen het spoorweg-station bezetten en verbood het vertrek van treinen. Hij wilde de stad van het verkeer met de buitenwereld afsluiten, zoolang hij er zich ophield, maar dat gelukte hem niet volkomen. De vertrekkende treinen kon hij ophouden, maar hij beschikte niet over genoeg manschappen om alle uitgangen van de stad te bezetten en zoo kon hij niet verhinderen, dat men zich naar Lota, een kolenstation op ongeveer twintig mijlen van Talcahuano begaf, om vandaar telegraphisch het bericht te verspreiden van de voorvallen in de laatste haven. Dat zou echter tijd kosten en daardoor had hij een voorsprong, die hem misschien in staat zou stellen zijn schip zonder stoornis weer in orde te krijgen.

Er werd hard gewerkt en de schade aan het schip was niet van zoo groote beteekenis, als men eerst had gedacht en daardoor was men er op den avond van den tweeden dag mee klaar en was alles in gereedheid gebracht om de Olijftak bij 't aanbreken van den volgenden dag weer uit het dok te brengen.

De goede gang van zaken verwekte een vroolijke stemming aan boord, die zich ook uitte aan de officierstafel, waar de vreemde gasten mee aanzaten.

"En weet ge nu ook al, Mr. Palmer, dat uw gevaarlijk werk om het mijnenveld op te ruimen, onnoodig was?" vroeg kapitein Brookes.

"Onnoodig, Sir?" riep de verbaasde luitenant. "Hoe dat, Sir, waren het dan soms doode mijnen?"

"Neen, doode mijnen waren het niet, maar wel electro-mechanische. En nu hadden, zooals de overste mij meedeelde, onze Z-stralen de ontploffingsinrichting buiten werking gesteld. Het is dom, dat ik die mogelijkheid niet heb verondersteld, maar ik heb er geen oogenblik aan getwijfeld, dat het contact-mijnen waren."

Tegen het einde van den maaltijd, verzocht de kapitein stilte en richtte het woord tot zijn gasten.

"En nu, overste, moet ik nog eens mijn verontschuldiging uitspreken voor mijn optreden tegenover u en den alcalde. Als alles goed gaat, zullen we morgenochtend van elkander scheiden en ik wilde u verzoeken, mij voor dien tijd een opgave te doen toekomen van alle onkosten, die wij hebben te betalen. En bovendien zult u mij verplichten door dit kleine geschenk van mij aan te nemen, als een bewijs van mijn achting en het te willen bewaren als een herinnering aan uw onvrijwillig verblijf aan boord van de Olijftak."

Dit zeggende overhandigde hij den overste, met een buiging, zóó sierlijk, dat geen Spaansche grande die zou verbeterd hebben, een fijn lederen étui. In het sierlijke doosje lag een prachtig Engelsch uurwerk in gouden kast, waarop een gouden olijftakje, rijk met diamanten versierd, was aangebracht. Dit zoo kostbare en geheel onverwachte geschenk bracht den overste in verwarring, zoodat hij niet dadelijk een passend woord vond om zijn blijde verrassing te uiten.

Den alcalde bood kapitein Brookes een juweelen gesp aan voor zijn sjerp, waarop ook het gouden olijftakje was bevestigd. Het was aan geen twijfel onderhevig, of de beide heeren waren zeer in hun schik met de geschenken en te oordeelen naar hun dankbetuigingen, zouden ze er geen bezwaar tegen hebben gehad, als er iederen dag zoo'n vreemd schip de haven binnenviel.

De wisseling van beleefdheden tusschen gastheer en gasten werd eensklaps ruw gestoord.

De officier van de wacht kwam, bleek van opwinding, de kajuit binnenstormen, "We zijn in een hinderlaag gevallen, Sir!" riep hij uit.

"Er ligt een Engelsch eskader voor de haven, dat zijn zoeklichten op ons gericht heeft. Zoo even kwam er een sein van het vlaggeschip, waarbij onze onvoorwaardelijke overgave tegen morgenochtend geëischt wordt."

HOOFDSTUK XIV.

Door de spitsroeden.

"Blijf bedaard, Mr. Sinclair," zei kapitein Brookes, "we moeten onze gasten niet verontrusten. Sein als antwoord, dat we het signaal begrepen hebben; meer niet. En bericht mij zoo meteen, wanneer precies het schip het dok zal kunnen verlaten."

Toen de luitenant vertrokken was, wendde de kapitein zich tot zijn officieren.

"Dit is een onaangename geschiedenis, mijne heeren, maar we moeten nu eenmaal voorbereid zijn op dergelijke onverwachte ontmoetingen. Ik had in geen geval een Engelsch eskader in deze wateren verwacht en er moet zonder twijfel een telegraphisch bericht uit Lota of Coronel verzonden zijn om de Engelsche vloot op onze aanwezigheid hier opmerkzaam te maken. In alle gevalle zijn ze er wel vlug bij geweest."

"En wat denkt ge nu te doen, Sir?" vroeg luitenant Slade

"We zullen probeeren ongemerkt uit de haven te komen. Mr. Tregarthen," voegde hij er bij, "ik zal me houden aan de belofte, die ik u gedaan heb en wat nog meer zegt, ik heb me voorgenomen geen enkele vijandige daad tegen de Engelschen te verrichten. Ik zou u aanraden, een rapport te schrijven van uw avonturen; als ze ons morgenochtend een boot willen zenden, hebt u dan een prachtige gelegenheid, om het aan de Admiraliteit te doen toekomen."

"Het is al klaar, Sir," antwoordde Gerald. "Wilt u het soms inzien?"

"Neen, volstrekt niet. Ik heb het grootste vertrouwen in uw eerlijkheid en ik zou het een beleediging voor u achten, wanneer ik mij van uw correspondentie op de hoogte wilde stellen."

"Daar kan ik niets tegen inbrengen ——."

"Goed laten we dan verder van deze zaak zwijgen. Ha, daar is Sinclair!"

"Uw bevel is uitgevoerd. — Het schip is te middernacht gereed om het dok te verlaten," meldde de officier van de wacht.

"Very good — carry on," was het stereotype antwoord.

En toen begaf de kapitein zich weer naar de groote kajuit, waar het gezelschap nog langen tijd rustig en gezellig bijeen bleef.

Eerst omstreeks elf uur gaf de kapitein het sein om op te breken en begaven de officieren zich aan dek.

De krachtige lichtbundels van de zoeklichten van het insluitings-eskader speelden onophoudelijk op de stad en de haven. Naar het aantal van die stralenbundels te oordeelen, waren er vier schepen, maar omtrent grootte en bewapening kon men door de duisternis niets te weten komen.

Ondanks de zelfbewuste houding van kapitein Brookes, heerschte er toch aan boord onder officieren en manschappen een gedrukte stemming. Iedereen zag heel goed in, dat 't welhaast onmogelijk zou zijn aan de Engelsche schepen te ontkomen, zonder geweld te gebruiken.

Precies te middernacht kondigde het geluid van instroomend water aan, dat de sluizen, die de tunnels afsloten, waren opengezet en drie kwartier later lag het schip, geheel gereed om zee te kiezen, midden in de haven.

De overste De Silva en de alcalde waren aan wal gebracht, alle onkosten en verteringen waren betaald en voorzien van den noodigen voorraad levensmiddelen en drinkwater, schommelde de Olijftak zachtjes aan de ankerkabels in afwachting van het aanbreken van den dag.

"Kent ge de schepen daarginds Mr. Tregarthen?" vroeg kapitein Brookes, toen de zonneschijf zich liet zien boven de bergruggen van de Andes.

"Ja, Sir; het vlaggeschip is de Niobe, een gepantserde kruiser; de andere zijn de Melampus, de Cambrian en de Amethyst."

"Alle vier van een verouderd type, ze zijn niet veel meer waard," merkte kapitein Brookes op. "Ze zijn nog net geschikt voor den gewonen dienst, voor vlagvertoon maar als 't op vechten aan zou komen, zou 't er slecht voor deze schepen uitzien. 't Is tenminste gelukkig, dat ik niet van plan ben van onze krachten gebruik te maken. 't Is me echter een raadsel, hoe de commandant er toe gekomen is met zulke schepen een aanval te willen doen op de Olijftak. De man moet gek zijn, of hij weet niet, over welke strijdmiddelen wij beschikken."

"Moet men gek zijn, als men een bevel van zijn meerderen opvolgt?" vroeg Gerald rustig.

"In sommige gevallen wel, en hier had de commandant zich stellig moeten verzetten tegen zulk een onmogelijke opdracht. — Maar, daar is een boot."

Werkelijk naderde een stoompinas, die de witte vlag voerde, de haven.

"Laat de groote valreep neer," commandeerde de officier van de wacht.

"Verzoek den officier in mijn hut te komen," zei kapitein Brookes, terwijl hij zich gereed maakte, het campagne-dek te verlaten.

De pinas draaide bij en een luitenant in groot tenue, vergezeld door een onderluitenant, kwam aan boord. Onberispelijk, maar een beetje onwillig, beantwoordde hij den militairen groet, die hem werd gebracht.

"Duivels, Tregarthen, wat voer jij hier uit?" riep de Britsche officier in de uiterste verbazing. — "Zeg eens, je kent me toch nog wel?"

"Dat zou ik denken, Blake."

"Maar beste kerel, hoe kom jij nu hier in burgerkleeren onder zeeroovers?"

"Buiten mijn schuld," antwoordde Gerald. "Eigenlijk ben ik hier een gevangene, maar alleen in naam. En dan heb ik op het oogenblik verlof, maar ik twijfel er wel aan, of ik binnen drieëntwintig dagen weer aan boord van de Calder zal kunnen zijn."

"Daar behoef je niet bang voor te zijn; we zullen je spoedig je vrijheid weer teruggeven."

"Daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik zou je nog heel veel over mijn lotgevallen kunnen meedeelen, maar hier is een brief, daar staat de heele geschiedenis in verhaald. Ga nu naar den kapitein, die je in zijn hut wacht."

Dit zeggende, overhandigde Gerald den luitenant het schrijven, dat hij had gereed gemaakt en zocht toen weer zijn vriend Stockton op, die met gemengde gevoelens stond te kijken naar de pinas van de Niobe, die langszijde lag.

Binnen het kwartier verscheen de Britsche luitenant weer met kapitein Brookes op het campagnedek. Na een kort afscheid begaf hij zich aan boord van de pinas, die met volle kracht terugstoomde naar de Niobe.

Kapitein Brookes verzamelde zijn officieren om zich heen en sprak: "Mijne heeren, gij hebt het recht, geheel op de hoogte te zijn van den waren stand van zaken. Ik heb er op gewezen, dat ik nimmer vijandig ben opgetreden tegen de Britsche regeering, alleen van mijn handelwijze ten opzichte van Mr. Tregarthen en Mr. Stockton zou ze verantwoording kunnen vorderen. Daarenboven heb ik mijn twijfel uitgesproken, of de commandant van het eskader wel het recht heeft, de overgave van ons schip te eischen. Bij het volvoeren van de taak, die ik mij zelf gesteld heb, ben ik ongelukkiger wijze verplicht geweest, krasse maatregelen te nemen tegenover de Afrika, maar dat is een zaak, die alleen de Duitsche overheid en mij aangaat. Op dien grond heb ik protest aangeteekend tegen de handelwijze van den commandant."

Een uur later keerde de pinas terug en de luitenant bracht een mondelinge boodschap van den commandant. Deze verklaarde, dat hij hier was om een bevel uit te voeren en niet om te twisten over het al of niet rechtmatig zijn van de opdracht. Wel was hij bereid, het protest van den kapitein bij de Admiraliteit te steunen, indien de overgave van het schip onmiddellijk plaats had.

De boodschap was door den luitenant uitgesproken ten aanhoore van alle officieren, in de hoop, dat ze op deze den gewenschten indruk zou maken.

Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen en zijn donkere oogen flikkerden onheilspellend.

"Ga heen, Sir!" bulderde hij. "Zeg aan uw commandant, dat ik zijn eischen niet zal inwilligen. Hier ligt de Olijftak. Als hij haar hebben wil, laat hij ze dan komen halen."

Een goedkeurend gemompel klonk in den kring der officieren en de Britsche luitenant begreep, dat hem niets overschoot, dan naar zijn schip terug te keeren.

"Ik begin berouw te krijgen over de belofte, die ik u heb gedaan, Mr. Tregarthen," zei de kapitein. "Maar in ieder geval zal ik woordhouden. Voor het oogenblik hebben we niets te vreezen, want ze zullen ons nooit in de haven durven aanvallen zonder machtiging van de Chileensche regeering. Vóór die verkregen is, hoop ik weg te kunnen komen in de duisternis, als een krachtige wind van de zeezijde onze aanvallers noodzaakt het ruime sop te kiezen."

Den geheelen dag en den volgenden nacht viel er niets van belang voor en kwam er niet de minste verandering in den toestand. Scherp hielden de schepen van het Britsche eskader de Olijftak in het oog. Maar toen het weer dag werd, bood de haven en de zee een geheel ander schouwspel dan de vorige, zonnige dagen. De wind was gedraaid en nam snel in kracht en hevigheid toe.

Wind en water beukten de kust en hoog op sloegen de schuimende golven van de branding. De hemel was grauw en onophoudelijk kletterden regenvlagen neer. De Engelsche schepen kregen het hard te verantwoorden en als ze geen gevaar wilden loopen te stranden, moesten ze wel zeewaarts stoomen, toen tegen den middag de storm in kracht toenam en de golven steeds hooger werden opgezweept. Toch gaven ze hun plan niet op en toen het donker werd, wierpen ze de bundels van hun zoeklichten weer over de haven van Talcahuano.

Kapitein Brookes begreep wel, dat hij aan geen poging tot ontsnappen kon denken, zoolang de vijand hem op deze wijze in het oog kon houden. Daarom besloot hij er een einde aan te maken en wendde zich tot Tregarthen met de vraag: "Hoe denkt ge er over, Mr. Tregarthen, verbiedt onze overeenkomst me ook, gebruik te maken van de Z.-stralen tegen de Engelsche schepen?"

Gerald wist niet dadelijk, wat hij antwoorden zou. Van een vijandelijke daad kon men eigenlijk in dit geval niet spreken, want er werd geen blijvende schade aangericht: noch de bemanning, noch de schepen hebben ervan te lijden.

"Ge schijnt er even als ik over te denken," vervolgde de kapitein, "en we zullen het dus maar wagen."

Hij gaf bevel, alles gereed te maken voor het vertrek en spoedde zich daarop naar den toren.

Wat hij ging uitvoeren was een wanhoopsdaad, dat zag hij wel in, toen hij zijn blik liet weiden over de kokende zee, zilverig lichtend in de stralenbundels van de vijandelijke zoeklichten. Midden tusschen de Engelsche schepen door moest hij zijn koers nemen, een afwijking van een halve kabellengte zou noodlottig zijn, want dan kwam hij in ondiep water en als de Olijftak strandde, was bij dit weer geen redding mogelijk.

Plotseling, als door den greep van een geheimzinnige hand, werden de zoeklichten gedoofd. Kapitein Brookes had de Z.-stralen laten werken.

De ankers werden geheschen, de telegraaf naar de machine kamer bracht het bevel over: "met volle kracht vooruit" en met haar grootste snelheid gleed de Olijftak zeewaarts; iedere slag van haar schroeven bracht haar nader bij het Britsche eskader.

Ze moest door de spitsroeden. Onbekende gevaren dreigden vooruit en aan beide zijden. Binnen enkele minuten zou haar lot beslist zijn.

HOOFDSTUK XV.

Woord gehouden.

In duizelingwekkende vaart kliefde de Olijftak de wild bewogen watervlakte. Geen duimbreed week ze af van den gestelden koers en het leek wel, of geen menschenhand, maar een doode, ongevoelige machine haar bestuurde.

De geheele bemanning was op haar post, want de kruiser was gereed voor het gevecht, al was vast besloten onder geen omstandigheid een schot te lossen. Gerald bevond zich bij den kapitein in den donkeren toren in gespannen afwachting, of de ijzeren wil van dien man krachtig genoeg zou blijken om hem zijn zelfbeheersching te doen bewaren, dan of de verleiding hem te sterk zou worden, om gebruik te maken van één van die machtige hefboomen, die op armlengte van hem verwijderd waren. Één beweging van zoo'n hefboom en iedere aanvaller zou vernietigd worden. Zou iemand in staat zijn, door de spitsroeden te loopen onder het vuur van vier schepen, bewapend met modern snelvuurgeschut, als hij beschikt over verdedigingsmiddelen, zooals hier aan boord waren?

Kapitein Brookes sprak geen woord. In een ijzeren greep klemde hij het electrische stuurtoestel, terwijl zijn blik door de nauwe spleet in den pantsering drong in de zwarte duisternis daar buiten. Hij stond onbeweeglijk, als een steenen beeld.

't Leek Tregarthen een onmogelijkheid nu zonder kompas het schip te sturen, want de duisternis van den nacht werd nog verhoogd door de dichte regenbuien, die neerkletsten, maar de kapitein scheen den weg, dien hij niet kon zien, bij instinct te voelen.

Juist vier minuten na het vertrek uit de haven blonk opeens aan stuurboord in 't zwarte duister een lichtflikkering, onmiddellijk gevolgd door een knal, die 't geraas van wind en zee overstemde. En daarna gierde met een langgerekt gefluit een granaat over het schip.

Dadelijk daarna kwam van de andere zijde een projectiel aangonzen en viel geen 20 M. voor den boeg in zee, waardoor een zuil van schuimend water boven de golven werd opgeworpen.

Ongestoord vervolgde de Olijftak haar weg met ongelooflijke snelheid. De Engelsche schepen kregen eenigszins een aanduiding van de plaats waar ze zich bevond door de witte streep, die ze trok door de golven. Alle vier openden zij het vuur: de donderslagen van het zware scheepsgeschut brulden door den stormnacht en de projectielen gierden over het vluchtende schip.

"Krak!"

Een granaat sloeg een stuk van de verschansing weg en op hetzelfde oogenblik sloeg een tweede tegen het onderste deel van de pantsering van den toren, zoodat er een trilling liep door het geheele machtige gevaarte.

Gerald moest een oogenblik de oogen sluiten, maar spoedig was die onwillekeurige angst geweken en kalm, maar met gespannen aandacht, volgde hij het gevecht, dat slechts van één zijde gevoerd werd.

Onafgebroken bulderden de kanonnen van de aanvallers en telkens weer werd de Olijftak getroffen door granaten van verschillend kaliber. In den toren was het bijna niet meer uit te houden: de stormwind raasde naar binnen door de gaten der pantsering en vulde de ruimte met scherpen rook en een gewarrel van kleine gloeiende staaldeeltjes.

De bemanning was goed geborgen, zoodat er nog niet viel te treuren over het verlies van menschenlevens, totdat eensklaps een kwartiermeester, die zich onvoorzichtig te ver waagde buiten zijn veilige schuilplaats, door een doodelijk schot werd getroffen. Hij zakte ineen en bij zijn val greep hij krampachtig één van de hefboomen, die zich in den toren bevonden en waarvoor de pantsering door een granaat was weggeslagen.

Gerald zag wat er gebeurde, snelde toe en rukte den stalen stang los uit de vuist van den gesneuvelde. Maar hij kwam te laat; de neergerukte hefboom had zijn werking al verricht. Langzaam rezen de schoorsteen, de windschutten en de bergplaatsen met de booten boven het dek uit. De uitstekende voorwerpen waren echter niet bestand tegen den reusachtigen luchtdruk, die het gevolg was van de snelheid van het schip en binnen enkele minuten was er van dat alles niet veel meer over, dan stukken van stalen platen, die door den wind waren verscheurd, alsof ze van papier waren geweest.

Kapitein Brookes verliet zijn plaats in den toren om uit te kijken, niet naar de schade die de gesneuvelde kwartiermeester zonder het te willen, had veroorzaakt, maar omdat er een ander en veel grooter gevaar dreigde: de Olijftak naderde het gebied, dat onder den invloed van haar Z.-stralen stond. Met een vlugge handbeweging schoof hij de wijzers uit elkaar en nam toen zijn plaats weer in bij het stuurtoestel. Het roer werd snel omgezet en het schip beschreef een scherpen boog, zonder ook maar eenigszins zijn vaart te verminderen, waardoor het verontrustend sterk naar één zijde overhelde. Op hetzelfde oogenblik werden de Engelsche schepen bevrijd van den invloed van de Z.-stralen en helder en zilverig gleden de stralenbundels van de zoeklichten langs het woelige zeevlak, totdat ze den vermetelen vluchteling gevonden hadden.

Kapitein Brookes stuurde Zuidwaarts: in die richting meende hij kans te zien, tusschen zijn aanvallers door te komen, maar bij die beweging keerde de Olijftak voor een oogenblik één van haar zijden geheel naar de Niobe. Onmiddellijk donderde een volle laag van acht 15 c.M. kanonnen van het Engelsche schip, waaraan de Olijftak slechts door een prachtig uitgevoerde wending wist te ontkomen.

Wel werd er veel van de zelfbeheersching van kapitein Brookes gevergd, om in dezen strijd zijn woord te houden. Met één van zijn eigen 15 c.M. kanonnen had hij gemakkelijk de niet gepantserde Niobe in splinters kunnen schieten, maar hij maakte geen gebruik van zijn wapens, hij wilde slechts beproeven aan zijn belagers te ontkomen door de ongeëvenaarde snelheid van zijn vaartuig. En werkelijk slaagde hij erin. Een goed kwartier, nadat hij de haven van Talcahuano had verlaten, was hij zoover van het Engelsche eskader verwijderd, dat het geluid van de laatste kanonschoten in de verte wegstierf als het gebrul van een roofdier.

Toen kapitein Brookes het roer had overgegeven aan een kwartiermeester en het bevel in den toren had overgedragen aan een luitenant, ging hij een ronde doen om te zien, waar en hoe het schip onder de beschieting had geleden. Wel was de schade niet tot in bijzonderheden te overzien, want al de booglampen waren vernield, maar de gloeilichten waren toch voldoende om op te merken, dat de Olijftak er alles behalve zonder kleerscheuren afgekomen was.

De stalen pantsering was niet bestand geweest tegen de kracht van de granaten en op vier plaatsen doorboord.

Drie officiershutten waren geheel uit elkaar geslagen en de waterbergplaats en de bakkerij waren ook beschadigd. De boeg was op eenzelfde plaats door twee granaten getroffen en door het gat was een derde projectiel in het binnenste van het schip doorgedrongen en had een deel van de inrichting voor draadlooze telegrafie vernield.

Behalve de kwartiermeester, die gesneuveld was, had niemand van de bemanning eenig letsel van beteekenis bekomen, wel klaagden velen gedurende eenige volgende dagen over doofheid.

"Dat hebben we nu te danken aan ons lijdelijk verzet," merkte kapitein Brookes niet zonder bitterheid op. "We zullen wel een maand hard moeten werken om ons schip weer in orde te krijgen."

Toen Gerald zich met zijn vriend in hun hut bevond, om naar kooi te gaan, zei hij: "De kapitein is een man van zijn woord, dat moet gezegd worden. 'k Zou er geen kwaad van hebben durven zeggen, als hij het onder deze omstandigheden niet gehouden had."

De Olijftak bleef ook den volgenden dag haar vlucht in zuidelijke richting voortzetten, maar ze had haar snelheid aanzienlijk verminderd, zoodra ze zich veilig voelde voor haar vervolgers. Bij het daglicht bleek de schade, die het schip geleden had, nog veel grooter, dan men den vorigen avond meende. De uitwerking van het Britsche geschutvuur was over het geheele vaartuig waar te nemen.

"En Mr. Tregarthen," vroeg de kapitein, "hoe vindt ge, dat de Olijftak haar zending ten opzichte van den algemeenen vrede volbrengt?"

"Nu ge er naar vraagt, Sir, wil ik u openhartig zeggen, dat ze, naar mijn meening, nog niet veel goeds heeft uitgewerkt. In den oorlog tusschen Chili en Peru hebben wij het eerste schot gelost en een kruiser in den grond geboord."

"Toegegeven. Maar ge moet met de gevolgen rekenen. Door de Independencia op te offeren hebben we een strijd tusschen de twee vijandelijke vloten verhinderd. Ik ken die Zuid-Amerikanen: ze vechten als tijgers en we kunnen gerust aannemen, dat we door ons optreden minstens twintig maal zooveel menschen het leven hebben gered, als er nu bij de ramp van de Independencia zijn omgekomen. Jammer, dat het Engelsche eskader ons genoodzaakt heeft te vluchten, want dat is een aanmoediging voor de twee republieken om elkander naar de keel te vliegen. — Maar daar komt Mr. Selkirk! Wat ziet hij er ontsteld uit."

"Wel, Mr. Selkirk, wat voor jobstijding brengt ge?"

Selkirk was het hoofd van de machine-kamer, en ging geheel op in zijn vereerde motoren.

"Schroef n°. 3 aan bakboordszijde, Sir, onvoldoende werking."

"Schakel die dan maar uit," antwoordde kapitein Brookes.

"Wilt ge het schip voor een poos laten stoppen, Sir? We kunnen dan de schroef aan boord halen, om te zien wat er aan mankeert. 'k Weet dat nu niet zeker, maar ik geloof, dat uitschakelen alleen niet voldoende zal zijn: we krijgen er dan stellig nog meer last van."

"Dan zit er niets anders op, dan uw raad op te volgen. Mr. Selkirk. Hoe lang denkt ge, dat de geschiedenis duren zal?"

"Minstens twee uur, Sir."

"Goed, ik zal bevel geven te stoppen. Mr. Slade wilt u den bootsmansmaat opdragen de duikers te laten aantreden?"

De Olijftak bevond zich nu buiten het gebied van den storm, maar de barometer was nog zeer onrustig, wat ruw weer voorspelde. De zee was onstuimig, zoodat de opdracht, om de schroef aan boord te brengen, niet gemakkelijk was uit te voeren en veel moeite gaf aan de duikers en aan de mannen, die op het dek moesten meewerken.

Eindelijk kwam men er toch mee klaar en lag het bronzen gevaarte op het dek. Maar nu was mr. Selkirk ook bijna wanhopend, toen hij zag, dat één van de bladen van de schroef een diepe barst vertoonde. 't Was een wonder, dat er geen stuk was afgeslagen.

"Dat is een vervelende geschiedenis," merkte kapitein Brookes op, "want hier aan boord kunnen we onmogelijk de schroef herstellen. We moeten een veilige ligplaats onder de kust opzoeken, daar de schroef aan land brengen en de twee deelen aan elkaar gieten. We kunnen niets beter doen dan koers te zetten naar de Desolation Inlet."

HOOFDSTUK XVI.

Bij de Patagoniers.

Desolation Inlet is een weinig bezochte kreek aan de kust van Patagonië bij Straat Magelaan. Een enkele stoutmoedige walvischvaarder verscheen er wel eens, maar verder trok deze ligplaats geen schepen. De kreek verdiende haar naam wel, want het was daar een verlaten en vergeten oord. Zij geleek veel op een Noordsche fjord: onregelmatig van vorm, met zeer diep water en omgeven door hooge bergen met besneeuwde toppen. Maar ze miste alles, wat de fjorden zoo schoon maakt; de dalen waren troosteloos van aanblik: geen vriendelijke menschenwoningen en bijna geen plantengroei; alleen enkele verschrompelde dennen en grauw mos.

Het was in het begin van September, toen de Olijftak ankerde in de kreek; de winter op het Zuidelijk halfrond liep ten einde. Het watervlak in de kreek was zoo glad als een spiegel, maar een lang verblijf in die schijnbaar zoo veilige schuilplaats was toch niet geraden. Het kwam voor, dat geheel onverwacht een stormwind kwam neergieren langs de berghellingen, die vooral voor een zwaar vaartuig noodlottig kon worden.

Bij het invaren van de kreek gaf het dieplood meer dan zeventien vademen aan, maar de zeebodem was zeer oneffen, zoodat het bevel gegeven werd te ankeren bij een diepte van acht vademen, terwijl het schip naar alle zijden ongeveer twee kabellengten uit den wal lag.

Nauwelijks lag de Olijftak voor anker, of er verschenen aan de kust een aantal inboorlingen, die met verbazing en nieuwsgierigheid den grooten kruiser opnamen. Zij waren rijzig en krachtig gebouwd en maakten een woesten indruk, hun kleeding was schamel ondanks het ruwe klimaat. Zij waren gewapend met lange, dunne speeren, die ze dreigend schudden, toen op het schip een witte vlag geheschen werd.

Daar bij het gevecht de kleine booten waren verloren gegaan, moest de verbinding met de kust verkregen worden door middel van de motorkotter, en de pinas die zonder veel moeite met een kraan werden neergelaten. Een aantal manschappen maakten zich gereed om met deze vaartuigen aan land te gaan en daar een noodsmidse in te richten, waar de schroef zou kunnen worden hersteld.

Gerald en Jack vroegen verlof mee te gaan en de kapitein stond het hun gaarne toe, maar hij drukte hun toch op het hart, zich vooral niet te ver van de boot te verwijderen en er voor te zorgen, dat ze de inboorlingen geen aanleiding gaven, vijandig op te treden. Gewapend met hun revolver begaven ze zich in de boot.

Bij de nadering van het vaartuig, waarvan de motoren geheel geruischloos werkten, namen de inboorlingen de vlucht en zochten een schuilplaats in een dennenboschje.

Na veel moeite gelukte het door middel van geruststellende gebaren een der mannen naar het strand te krijgen. Telkens nog weer aarzelde hij en toonde neiging om terug te gaan, maar de verleiding van een blinkend stuk koper, dat men hem voorhield, was te sterk. Zoodra hij dit geschenk te pakken had, ging hij echter terug naar zijn makkers. Toen kwamen er twee anderen te voorschijn, die ook, nadat ze elk een wollen deken in ontvangst genomen hadden, dadelijk wegvluchtten. Nu het bleek, dat er van de vreemdelingen geen kwaad te duchten was, vatten de overigen moed en weldra waren de mannen van de Olijftak omringd door een groot aantal inboorlingen, die met teekenen van blijdschap en dankbaarheid de verschillende geschenken aannamen, die hun werden aangeboden.

Nadat men zich op deze wijze van de goede stemming der Patagoniërs verzekerd had, werd een begin gemaakt met het bouwen van de smidse. Toen men met dat lichte bouwwerk gereed was, werd het beschadigde schroefblad geplaatst in een zandbed, waarin het gesmolten metaal moest gegoten worden. Voor dit gedeelte van het werk had men twee dagen noodig en ook 's nachts bleef een aantal mannen in tenten aan den wal, om er voor te waken, dat de inboorlingen niet in donker het metaal wegvoerden. Het leek echter wel, of die voorzorgen geheel overbodig waren, want de Patagoniërs bleven voortdurend bewijzen geven van een vredelievende gezindheid.

Terwijl het gieten aan den gang was, maakten Gerald en Jack met een gewapend geleide uitstapjes in het binnenland. De sneeuwbuien maakten die tochten zeer bezwaarlijk en de koude was vaak zoo doordringend, dat men er niet aan kon denken te gaan zitten om uit te rusten, zonder gevaar van bevriezen te loopen.

"'k Zou wel eens willen weten, waar die arme Patagoniërs eigenlijk slapen," zei Jack, terwijl ze met moeite vorderden door sneeuw, die wel een voet hoog lag.

"In holen of ruwe hutten," antwoordde Gerald. "Het zijn geharde klanten. Hun eenig voedsel lijkt wel te bestaan in schaaldieren, die ze hier in groote hoeveelheid vinden."

"Wat zou dat daar zijn?" riep Jack en wees naar een aantal met sneeuw bedekte heuveltjes, die ongeveer een voet boven den grond uitstaken aan den oever van een kleine kreek.

"Kano's, met den bodem omhoog," zei Gerald, nadat hij geruimen tijd door zijn veldkijker had getuurd. "En aan den anderen kant van de kreek ligt een dorpje; 'k zie wel menschen, maar ik kan niet nagaan, wat ze eigenlijk uitvoeren."

"Misschien zijn ze hierheen getrokken, omdat ze zich in dit verborgen hoekje veiliger gevoelen, dan zoo dicht in onze nabijheid."

Toen ze weer bij de landingsplaats terugkwamen, was de herstelling van de schroef reeds geëindigd en had men het metalen gevaarte al aan boord van den kotter gebracht.

"We hebben al een half uur op jullie gewacht," merkte Mr. Slade scherp op; de koude en het onnoodige oponthoud hadden zijn humeur bedorven. "Komt mannen, aantreden! Nummeren!"

Tot ieders verbazing en schrik bleek nu, dat één van de mannen ontbrak en spoedig werd er uitgemaakt, dat het Black moest zijn, een officier van administratie, die aan den tocht van Gerald had deelgenomen.

"Hij moet op den terugtocht zijn achtergebleven," merkte één van de mannen op, "want daarvóór heb ik hem nog gezien."

"Goed," zei Slade, "maar of we nu hier al staan praten, daar heeft de man niet veel aan; we moeten hem gaan opzoeken. Mij is het bevel over den landingstroep opgedragen en ik acht me er dus verantwoordelijk voor. Mr. Tregarthen, wilt u het bevel over den kotter overnemen en de schroef aan boord brengen, dan ga ik met een half dozijn mannen onzen vriend Black opzoeken."

Jack Stockton wilde Slade vergezellen om den vermiste op te sporen; twaalf man zouden de smidse bewaken en de overigen den kotter bemannen. Terwijl Gerald zijn opdracht uitvoerde en den kotter naar de Olijftak stuurde, volgde luitenant Slade de duidelijk zichtbare voetstappen in de sneeuw.

Het korte tochtje met den kotter liep niet zoo heel gemakkelijk af, want plotseling schoot er een rukwind langs de bergen over de kreek. Zoo krachtig was die windstoot, dat de Olijftak draaide en dwars kwam te liggen, zoodat haar lengtezijde naar het land was gekeerd, terwijl de golven over het dek van den kotter sloegen. Gerald kon zijn boot niet langszijde van den kruiser brengen, voor hij het vrij rustige water aan de luwe zijde had bereikt.

Hij keek wel vreemd op, dat de mannen aan boord heel geen aandacht over hadden voor den kotter: niemand vertoonde zich en niemand dacht er blijkbaar aan, den mannen bij het aan boord komen behulpzaam te zijn. Toen Gerald aan dek kwam, begreep hij dadelijk, wat de oorzaak was van deze vreemde houding der bemanning. Alle schepelingen bevonden zich aan de andere zijde van het schip en tuurden naar den wal, waar zich gebeurtenissen afspeelden, die wel de algemeene aandacht waard waren.

De wacht, die bij de tijdelijk opgerichte gebouwen was achtergebleven, had een schuilplaats gezocht tegen den wind achter de smidse en was nu geheel onkundig, van wat er zich op een twee honderd meter afstand van hen afspeelde.

En de bemanning van de Olijftak, die het wel zag, was niet bij machte om tusschenbeide tekomen.

Eén van de mannen van Slade was van zijn makkers afgeraakt en trachtte nu, wadend door de rulle sneeuw, te ontkomen aan een troep Patagoniërs, die hem vervolgden. Ze zaten hem vlak op de hielen en ieder oogenblik leek het, of ze hem de scherpe, lange speren in den rug drijven zouden, maar dan hielden ze zich weer in, om het genot van de woeste jacht nog wat langer te kunnen smaken. De matroos zou niet veel kans hebben, te ontkomen aan de vlugge vervolgers, die ongeschoeid als ze waren, geen last schenen te hebben van de rulle, zachte sneeuw. Op eens echter keerde hij zich om, richtte zijn revolver en vuurde. Eén van de wilden viel en de uitwerking van het geluidlooze schot deed de andere een oogenblik afdeinzen. Maar toen er verder niets noodlottigs gebeurde, hadden ze spoedig hun vrees voor het kleine, onaanzienlijke wapen overwonnen en drongen weer vooruit.

Klaarblijkelijk was het zijn laatste patroon, die de man verschoten had, want hij slingerde de revolver, die hem verder tot niets nut was, den voorsten van zijn vervolgers naar het hoofd en zette toen weer zijn hopelooze vlucht voort, totdat hij op een twintig meters van zijn niets kwaads vermoedende makkers, struikelde en viel. Hij slaakte een kreet om hulp en dat was zijn geluk. De mannen bij de smidse grepen hun geweren en snelden toe ter bescherming van hun kameraad en de uitslag van den strijd, die nu volgde, was niet twijfelachtig: de lansen moesten wijken voor de geweren, de Patagoniërs zochten in wilde vlucht een schuilplaats in hun dennenbosch.

"Hijsch het signaal om de mannen terug te roepen en breng den voorsten toren in gereedheid voor het gevecht," commandeerde kapitein Brookes. "We zullen dien troep schelmen een geduchte les geven."

De mannen van de bewakingspatrouilles kwamen met de pinas langszijde. Drie van hen waren licht gewond in het gevecht aan de kust en dat wekte de woede der geheele bemanning van de Olijftak op. Ze wilden aan wal gaan om hun vermiste makkers te bevrijden en wraak te nemen op de Patagoniërs. Maar de kapitein wilde daar niet van hooren, hij was van oordeel, dat men het er niet op mocht wagen, nog meer verliezen te lijden en was besloten van zijn kanonnen gebruik te maken.

"Een oogenblik, Sir," riep Gerald. "Als we het vuur openen met onze 15 c.M, kanonnen, dan worden vriend en vijand vernietigd, tenminste als onze kameraden nog in leven zijn."

"Wat zoudt ge dan willen doen?" vroeg de kapitein en wenkte den luitenant ter zijde. Er volgde een kort gesprek, waarin Gerald blijkbaar zijn plan uiteenzette en dat eindigde met de verklaring van den kapitein, dat hij vond, dat men het probeeren kon. Tot groote verbazing van de overige officieren en de bemanning werd het bevel gegeven, de ankers te lichten en zeewaarts te stevenen.

Twintig minuten later had de Olijftak haar ligplaats in de weinig gastvrije wateren van Desolation Inlet verlaten.

HOOFDSTUK XVII.

De list van Gerald.

Hoe was het intusschen den mannen vergaan, die uitgezonden waren, om den vermisten Black op te sporen?

Het begin van den tocht was vrij gemakkelijk: het spoor van de wilden was duidelijk, maar het werd erger, toen ze in het bosch kwamen. Van een bosch was eigenlijk geen sprake, want het waren meer groepjes boomen, gescheiden door open plekken van vijftig tot honderd meter.

Het spoor werd hier minder goed zichtbaar en de mannen kregen hoe langer hoe meer te lijden van de koude. De snerpende wind bemoeilijkte de ademhaling en drong door de dikke, wollen kleeding der zeelieden. Tot overmaat van ellende begon het te sneeuwen en daar ze niet over een kompas beschikten, dreigde er nu een nieuw gevaar: ze liepen kans aan het dwalen te raken, want de buien beletten hen uit te zien en den terugweg zouden ze onmogelijk kunnen weervinden, doordat hun spoor dadelijk onder de sneeuw werd verborgen.

Gelukkig was er bij het troepje een man, die in de Poolstreken gediend had. Hij had meer dergelijke gevaren doorstaan en hij raadde den luitenant aan, een man terug te zenden om de boomen te merken. Al voortgaande moesten ze hetzelfde doen, dan konden ze in ieder geval den afgelegden weg terugvinden.

De luitenant volgde den raad en droeg den matroos Roberts op, terug te gaan en van elken boom, op het pad, een stuk schors af te snijden. Het troepje vervolgde nu langzaam zijn moeilijken tocht, worstelend tegen wind- en sneeuwvlagen.

Eensklaps bulderde boven het geraas van den sneeuwstorm een bloeddorstig krijgsgeschreeuw uit de kelen van een honderdtal wilden en een hagelbui van trillende speren gierde door de lucht en sloeg neer op de verschrikte zeelieden.

Drie mannen stortten neer, zonder verder een teeken van leven te geven, terwijl nog twee andere licht gewond werden. De overige, van hun oogenblikkelijke ontzetting bekomen, grepen naar hun revolvers, maar vóór ze met hun verkleumde handen in de dikke, wollen wanten van hun wapens konden gebruik maken, hadden de vijanden zich reeds op hen geworpen.

Jack Stockton weerde zich dapper. Elkander hulp verleenen, daar was geen sprake van: ieder was geheel op eigen krachten aangewezen. Hij slaagde er in, zijn revolver te trekken en vuurde op een reusachtigen aanvaller, die hem met een knots bedreigde. De uitwerking van het schot was echter onbeduidend: de kleine kogel, die een zeer groote aanvangssnelheid had, doorboorde den schouder van den wilde, zonder hem pijn te veroorzaken, want de man gaf geen bewijs, dat hij gevoelde, getroffen te zijn.

Als een bliksemstraal vloog Jack de gedachte door het hoofd, dat kapitein Brookes wel andere middelen, dan zijn geluidloosvurende revolvers mocht gebruiken, als hij wilden tot eeuwigen vrede wilde dwingen. Maar veel tijd voor bespiegelingen werd hem niet gelaten; zijn tegenstander greep hem aan en er ontstond een verwoede worsteling. Jack was krachtig gebouwd en beschikte over veel spierkracht, maar nu gevoelde hij zich als een kind tegenover den Patagoniër met zijn stalen spieren. Hij voelde, dat hij het onderspit zou delven: zijn hoofd duizelde onder de slagen en hij kreeg een gevoel, of hem de ruggegraat gebroken werd. Hij viel op den grond en zag dreigende speerpunten en knotsen en toen verloor hij het bewustzijn.

Onderwijl had Slade zich manmoedig verweerd. Drie vijanden had hij met vuistslagen buiten gevecht gesteld: ondanks zijn wanten werkten zijn knuisten als stoomhamers en een oogenblik scheen het, of hij in het gevecht de baas zou blijven. Onverwacht echter werd hij van achteren aangevallen en kreeg een knotsslag op het hoofd. Hij had letterlijk en figuurlijk een harden kop en bij deze gelegenheid was dat nu eens een groot geluk voor hem, want voor ieder ander zou de slag doodelijk geweest zijn en bij hem was het gevolg slechts, dat hij bewusteloos in de sneeuw viel.

Toen Stockton weer bijkwam, bemerkte hij, dat hij met Slade en een matroos onder een overhangend rotsblok was neergelegd. Zij lagen vlak tegen elkander aan en dat was hun geluk, want ze deelden elkander van hun lichaamswarmte mee en ontkwamen daardoor aan het gevaar te bevriezen.

In het rond zaten wel een honderdtal Patagoniërs, waarvan er eenige luid aan het krakeelen waren over de verdeeling van den buit.

Langzamerhand kwamen hem nu de bijzonderheden van het gevecht weer voor den geest en hij kon het niet best verklaren, waarom de wilden hem en de beide andere gewonden niet den genadestoot hadden gegeven. Misschien waren ze van plan hun slachtoffers een marteldood te laten sterven. In deze weinig opbeurende overpeinzing werd hij gestoord door Slade, die begon te bewegen. De luitenant stond op, deed een paar stappen en rolde toen in de sneeuw. Een uitbundig en ruw gelach van de wilden beantwoordde deze vertooning en toen pakten twee van de kerels den luitenant op en legden hem weer op zijn vorige plaats.

"Hallo, Slade!" begon Jack, maar als eenig antwoord uitte de luitenant een reeks, meerendeels onverstaanbare woorden. Hij lag te ijlen en het was duidelijk, dat hij zich in de koortshitte verbeeldde aan boord te zijn, bezig met zijn gewone werkzaamheden. Plotseling ging hij overeind zitten en steunde om water, viel weer achterover en lag doodstil, alsof alle leven uit zijn lichaam was geweken.

Stockton voelde een loome onverschilligheid voor wat er om hem heen gebeurde, over zich komen, toen zijn aandacht gewekt werd door de komst van een Patagoniër, die, te oordeelen naar de algemeene opschudding, die er ontstond, buitengewoon belangrijk nieuws bracht. De wilden trokken haastig af en lieten hun gevangenen alleen: ze wisten toch wel, dat deze niet in staat waren te vluchten. Wat was er gebeurd? De man, die daar even was aangekomen, had de tijding meegebracht, dat het schip met de blanke mannen vertrokken was. Achterdochtig als ze zijn, vertrouwden de wilden den boodschapper niet en gingen zich met eigen oogen overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.

Binnen het uur waren de meesten weer terug. Ze waren opgewonden vroolijk, want inderdaad was het groote schip vertrokken en de kreek dus vrij. Zij konden nu overvaren naar hun dorpje zonder gevaar te duchten. Vlug maakten ze drie eenvoudige draagbaren van speren en dierenhuiden, de blanke gevangenen werden erop gelegd en toen onder het bulderen van een ware zegezang werd de tocht aanvaard naar de kust.

Toen ze daar aangekomen waren, was het eerste werk de kano's om te keeren en te water te laten. Met moeite vonden alle mannen een plaats in de booten, die overvol, midscheeps niet meer dan 15 c.M. boven water uitstaken.

Stockton en zijn beide medegevangenen waren neergelegd op den bodem van een van de grootste kano's.

't Was gelukkig, dat de storm even snel was gaan liggen, als hij opgestoken was, en dat nu het water kalm was, want anders zouden de beweeglijke vaartuigjes alle kans geloopen hebben, om te slaan.

Door de krachtige slagen van een twintigtal pagaaien voortbewogen, schoot de boot van Stockton de andere een eind vooruit. Een eentonig gezang van de roeiers gaf de maat aan voor de regelmatige beweging van de pagaaien.

Eensklaps echter verstomde het gezang en er klonk een kreet van schrik. De roeiers lieten hun pagaaien vallen, sprongen overeind en stonden verlamd ten gevolge van een onuitsprekelijk afgrijzen; toen ze een oogenblik later weer tot bezinning kwamen, sprongen ze overboord.

Woest schommelde het vaartuig en hoog spatte het water op, dat weer in fijne druppels neerviel op de gekwetsten.

image: 05_speeren.jpg
image: 05_speeren.jpg

[Illustratie: dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig. Pag. 117]

Vóór Jack een veronderstelling had kunnen maken, omtrent de reden van hetgeen er gebeurde, hoorde hij een stem, die hartelijk uitriep: "Gelukkig, daar zijn ze!" Op hetzelfde oogenblik sprongen er drie matrozen in de kano.

"Voorzichtig! Til ze eruit!" commandeerde iemand, dien Jack aan het geluid dadelijk als zijn vriend Gerald herkende. Hij voelde, hoe hij vlug, maar zorgzaam van den bodem van de boot werd opgetild en een oogenblik later bevond hij zich op het kleine platform van de duikboot van de Olijftak.

"Goddank, dat je gered bent!" fluisterde Gerald hartelijk.

De drie gewonden werden daarna door het voorste luik naar binnen gebracht en om meer ruimte te maken, besloot Gerald de boot te besturen van het platform dat den toren omgaf.

Er was geen reden om de boot te laten duiken. Ze was geheel onverwacht opgestegen uit de wateren van Desolation Inlet en dat verschijnen had een panischen schrik onder de wilden verwekt en nu stoof de onderzeeër op de kano's aan als een terriër onder een zwerm ratten.

Een deel van de Patagoniërs vermanden zich in zooverre, dat ze hun speren wierpen naar het vreemde vaartuig, maar die troffen geen doel of stuitten af op den wand van de duikboot.

Het was aan geen twijfel onderhevig, of de zwakke, houten vaartuigjes zouden een gemakkelijke prooi worden van het kleine, stalen monster. Na de eerste botsing, konden de wilden zich op het lot, dat hun wachtte, voorbereiden. De grootste kano werd, alsof hij van bordpapier was, middendoor gevaren. De inzittenden waren gedood, ernstig gewond of ze trachtten al zwemmende zich het leven te redden. De vrees deed den Patagoniërs alle voorzichtigheid uit het oog verliezen; in plaats van zich te verspreiden, brachten ze hun booten zoo dicht mogelijk bij elkander, waardoor ze het hun aanvaller gemakkelijk maakten, al hun kano's in den grond te boren.

Gedurende den korten strijd met de laatste boot, slaagde één van de inboorlingen erin op den kegelvormigen boeg van den onderzeeër te springen. Vlug als een kat sloop hij langs het dek en voor Gerald in staat was, zich tegen dezen onverwachten aanval te verdedigen, had de wilde hem om het middel gegrepen.

Gerald schreeuwde om hulp, maar door het geraas van den strijd, werd dat binnen niet gehoord en voor hij zijn kreet kon herhalen, had de wilde hem met de rechterhand bij de keel gegrepen, terwijl hij probeerde hem met den linkerarm van het platform af te werken. Gerald kon voor zijn verdediging slechts beschikken over zijn linkerhand, want met zijn rechter klemde hij zich vast aan 't stuurtoestel.

Liet hij dat eenmaal los, dan was het met hem gedaan.

Krachtig sloeg hij van zich af, maar hij had dikke handschoenen aan, zoodat de Patagoniër tamelijk onverschillig voor zijn stompen bleek. Toen trachtte hij zijn tegenstander van zich af te schoppen, maar ook hierin slaagde hij niet. De Patagoniër besprong hem als een roofdier, sloeg zijn, beenen om Gerald's middel en greep hem met de handen, die hij nu beide vrij had, bij de keel.

Gerald gevoelde, dat zijn krachten hem gingen begeven zijn adem stokte en drong met benauwd, gorgelend geluid geluid naar buiten onder den krachtigen greep van de gespierde vuisten van den wilde. Er kwam een nevel voor zijn oogen, zijn handen lieten het stuurtoestel los en hij stortte met zijn aanvaller achterover.

In plaats van de aanraking met het ijskoude zeewater, voelde hij opeens een greep om zijn been, zóó krachtig, dat zijn enkel bijna brak. Onduidelijk kon hij zich later herinneren, dat hij toen naar binnen getrokken was in den toren, terwijl Watson, de machinist, bezig was aan het stuurtoestel met een grooten schroevendraaier.

HOOFDSTUK XVIII.

De wraak van den kapitein.

De list van Gerald was geslaagd. Hij was bekend met de gewoonte van de Patagoniërs, om schepelingen, die in hun handen vielen, gevangen te houden en niet vrij te laten, dan tegen een beduidend losgeld. Zoo zou 't nu ook wel weer gaan, dacht hij. Inderdaad dachten de wilden op deze wijze met de blanke schepelingen te handelen; daarom wilden zij ze naar hun dorp overbrengen. Ook dat had Gerald voorzien en hij wilde de kano's bij hun tocht over het water met den onderzeeër verrassen.

Alles liep goed van stapel; de vijand werd vernietigd, maar we zagen ook, hoe de uitvoering van zijn plan Gerald zelf bijna het leven had gekost.

Toen hij weer bij kwam, lag hij in het vooronder van den onderzeeër met Slade, die bewegingloos lag uitgestrekt.

"Wel, oude jongen, hoe gaat het er mee?" vroeg Mr. Palmer.

"Zoo'n beetje geradbraakt, maar dat is gauw genoeg weer in orde."

"Een zaakje voor den dokter, hè!"

"'k Denk er niet aan. 't Was anders wel een duw, dien ik gekregen heb. En hoe ik er in geslaagd ben, dien woesteling van me af te werken, dat begrijp ik nog niet."

"Dat geloof ik ook best, want je hebt dat niet gedaan. Als Watson geen argwaan gekregen had, toen de boot recht op de kust bleef aanhouden en was gaan kijken, dan zou jij nu niet hier liggen. Hij heeft den schelm geducht met zijn schroevendraaier bewerkt en jou gegrepen, toen je bijna te water raakte."

"En waar zijn we nu?"

"We zijn op den terugweg, we hebben naar de Olijftak getelephoneerd en die komt terug."

Tien minuten later was de kruiser in zicht en spoedig lag de onderzeeër langszijde. Stockton, Slade en de gewonde matroos werden aan boord gebracht en aan de goede zorgen van den dokter overgelaten, terwijl Gerald onmiddellijk zijn rapport omtrent het gebeurde uitbracht aan kapitein Brookes.

"Goed," zei de kapitein, toen hij alles had aangehoord, "we zullen een lading dynamiet aan wal brengen en het dorp in de lucht laten springen."

"Moet dat ook nog gebeuren, Sir?" vroeg Gerald. "Is verdere wraakoefening niet overbodig?"

"Overbodig? Neen. Mijn zinspreuk is: doe nooit iets ten halve. En kunt ge wel een gezonde reden aanvoeren, waarom ik niet geheel met die schelmen zou afrekenen?"

"Die reden ligt nog al voor de hand. Laten we veronderstellen, dat de geheele trouwelooze bevolking van dit dorp wordt uitgeroeid, welke gevolgen zal dat hebben voor de toekomst? De toestand hier aan de kust zal dezelfde blijven, want de naburige stammen zullen nooit vernemen, waaraan hun ongelukkige broeders hun ellendig lot hebben te wijten. Beperken we ons tot een geduchte les, dan zullen ze daaraan later denken en zich beter gedragen."

Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik dwaalde zijn blik langs de onherbergzame rotsen aan de kust en toen draaide hij zich met een snelle beweging om en keek Gerald scherp in de oogen.

"Mr. Tregarthen," sprak hij, "ge zijt de eenige hier aan boord, die mij durft tegenspreken. Hoe het komt, weet ik niet, maar van u hindert het me niet, uw rondborstigheid bevalt me. — Wat zoudt gij dan denken, dat we verder doen moesten?"

"We kunnen een proef nemen met de Z. Z.-stralen, Sir."

"Maar welk verschil maakt dat nu met mijn plan, Sir? De Z. Z.-stralen dooden onmiddellijk en pijnloos, maar de uitwerking is ten slotte dezelfde als die van een ontploffing, zooals ik voorstelde."

"Neen Sir, zoo bedoel ik het niet. We sturen een afdeeling van onze mannen aan wal om onze vermiste makkers op te sporen en die kunnen gemakkelijk een aantal Patagoniërs gevangen nemen."

"En dan?"

"We brengen een flinke hoeveelheid springstof onder gindsche rots, die uit het dorp goed zichtbaar is. De Olijftak vaart tot in den mond van Desolation Inlet en doet door middel van de Z. Z.-stralen de lading ontploffen."

"En de Patagoniërs dan?"

"We verhinderen ze te vluchten en zorgen ervoor, dat de gevangenen de vreeselijke uitbarsting zien. Ze zullen dat tooneel nooit vergeten en zich niet licht weer vergrijpen aan vreemde schepelingen, die genoodzaakt zijn, hier te landen. Ten slotte wilde ik u verzoeken, mij het bevel op te dragen over de mannen, die de inboorlingen zullen gevangen nemen en bewaken."

"Ge stelt meer vertrouwen in mijn uitvinding dan ik zelf, Mr. Tregarthen. Bedenk wel, een kleine fout in de berekening van den afstand, kan u en de wacht het leven kosten."

"Als de voorzorgen nauwkeurig genomen worden, ben ik daar geen oogenblik bevreesd voor, Sir."

"Goed dan, als u het wagen wilt, zullen we het beproeven. Alleen stel ik als voorwaarde, dat de mannen, die met u de wacht bij de gevangenen houden, zich vrijwillig daarvoor moeten aangeven, nadat ze geheel op de hoogte zijn gebracht van de gevaren, waaraan ze zich daarbij blootstellen."

Intusschen was de duikboot weer op haar gewone plaats gebracht en de werkzaamheden voor het aanbrengen van de herstelde schroef waren flink gevorderd. Er werd dadelijk begonnen met toebereidselen voor de landing, die den volgenden dag zou plaats hebben.

Bij het eerste ochtendgloren scheepte de landingsdivisie zich in onder bevel van kapitein Brookes, die zelf den tocht wilde meemaken. In de boot werd de zware lading springstof meegevoerd, met de noodige voorzorgen zóó geplaatst, dat geen onverwachte schok een noodlottige ontploffing zou kunnen veroorzaken.

Zonder eenig ongeval had de overvaart naar de oostelijke kust van de kreek en de ontscheping van de afdeeling plaats, die uit tachtig goed gewapende mannen bestond. Het plan was, eerst de plaats op te zoeken, waar de ongelukkige krijgsmakkers in de hinderlaag gevallen waren. Heel gemakkelijk ging dat niet, want het had gesneeuwd, en dus waren alle voetsporen verdwenen en geen van de overlevenden was genoegzaam hersteld om dezen tocht mee te maken. Eindelijk vond men echter een van de merkteekens, die op de boomen waren aangebracht en daardoor was de kapitein zeker van den te volgen weg.

Ofschoon er, na hetgeen er met de kano's was gebeurd, niet te vreezen was voor een overval, achtte kapitein Brookes het toch noodzakelijk, de grootste voorzichtigheid te betrachten. Er werd een kleine voor- en achterhoede gevormd en langzaam trok de troep voorwaarts, den vinger aan den trekker van het geweer, waarvan men den geluiddemper had afgenomen.

Na een poosje zoo te zijn voortgetrokken, maakte de voorhoede halt. Ze hadden iets gevonden, waardoor hun belangstelling in hooge mate was opgewekt. Ze durfden zich blijkbaar niet te lang ophouden, om de marschorde niet te verstoren. Toen de hoofdmacht met kapitein Brookes aan dezelfde plek was gekomen, begrepen ze dadelijk, wat de reden was geweest van het oponthoud van de voorhoede. Half onder de sneeuw bedolven, lagen daar de lichamen van hun ongelukkige kameraden, die gevallen waren als slachtoffers van den verraderlijken overval. Een kreet van woede getuigde van de verbittering, die de matrozen tegen de Patagoniërs gevoelden. Kapitein Brookes had spijt, dat hij zijn voornemen om wraak te oefenen, had opgegeven, maar hij troostte zich met de gedachte, dat de wilden toch een les kregen, die ze niet licht vergeten zouden.

In der haast werd van kleine rotsblokken een grafkelder samengesteld, waarin de lijken van de gesneuvelde matrozen werden neergelegd en toen marcheerde de troep terug naar de kust. Vlug scheepten ze zich in en voeren naar de overzijde. Nu zou de verrassing van het dorp worden uitgevoerd. Het was bijna geheel door rotsen omgeven, die slechts aan één kant een opening lieten, die toegang gaf tot den vlakken bodem van het dal eener kleine rivier. Die opening moest bezet worden door luitenant Sinclair, die met twintig man daarheen werd afgezonden. De overige matrozen beklommen de rotsen en zouden vandaar het dorp aanvallen, zoodra Sinclair door een afgesproken teeken berichtte, dat hij op zijn post aangekomen was.

Alles ging naar wensch, met ongeduld wachtten de mannen op de rotsen het bevel voor den aanval. Daar klonk in de verte een geweerschot: luitenant Sinclair had stelling genomen. "Voorwaarts, mannen!" riep kapitein Brookes en in woeste vaart stortten de mannen zich van de rotsen en bestormden de hutten, waaruit liet dorp bestond.

Zóó onverwacht had de aanval plaats, dat de overgroote meerderheid van de bevolking niet dacht aan tegenweer; slechts enkele mannen grepen naar hun wapens, maar ze werden onmiddellijk neergeschoten. De overigen ijlden in wilde vlucht in de richting van het rivierdal, maar daar bij de opening in de rotsen stuitten ze op de dreigende geweerloopen van de mannen van Sinclair. Tusschen twee vuren, zagen ze geen uitweg meer; jammerend in wanhopigen angst liepen ze dooreen, in onverstaanbare klanken smeekend om lijfsbehoud. De insluiting door de aanvallers werd steeds nauwer en terwijl een deel van de matrozen met hun geweren de wilden in ontzag hield, grepen andere de mannen aan en bonden hun stevig de handen op den rug, bij de vrouwen en kinderen achtte men die voorzorg niet noodig.

Met de gevangenen werd nu de tocht naar de kust aangevangen. Op een plek, vanwaar de rots, die Gerald had aangewezen, goed zichtbaar was, werd halt gehouden en aan de Patagoniërs beduid zich neer te zetten, de mannen in een kring en daarbinnen de vrouwen en kinderen. Eerst hadden de ongelukkige wilden niets anders gedacht, of hun laatste uur had geslagen, maar die gedachte lieten ze los, hetgeen bleek uit het verdwijnen van de uitdrukking van wilden angst uit hun oogen: onverschillig zaten ze toe te kijken, naar hetgeen de blanke menschen uitvoerden.

Zeven bussen, elk inhoudende 16 1/2 pond dynamiet, werden in holten van de rots gebracht en toen Gerald den vrijwilligers, die zich hadden aangemeld, hun plaatsen had aangewezen, was men met de voorbereiding geheel gereed.

"En nu zullen we de proef met de Z.Z.-stralen nemen, Mr. Tregarthen," zei kapitein Brookes, toen hij afscheid nam van Gerald. "Het is half elf. Precies om twaalf uur zal ik den stroom van de Olijftak vrij laten, op een afstand van negen zeemijlen van de rots. Blijf hier wachten tot ik terugkom en houdt de gevangenen tot zoo lang vast. Ik hoop om half één terug te zijn."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings