Front matter (continued 3)
A. F. Pieck translation
"Zeer goed, Sir," antwoordde Gerald met een militair saluut en toen gaf de kapitein aan de overige mannen bevel af te marcheeren.
Intusschen had men op de Olijftak hard gewerkt, zoodat, toen de kapitein weer aan boord kwam, de duikers met hun arbeid gereed waren en de schroef weer dienst kon doen.
De ankers werden gelicht en het schip zette koers naar den mond van Desolation Inlet.
De bewaking van zijn gevangenen gaf Gerald weinig moeite, zoodat hij al den tijd had, om na te denken over hetgeen hij begonnen was. In zijn ijver om de Patagoniërs van een wissen ondergang te redden, had hij wel wat overijld een plan gevormd en nu de uitvoering zoo nabij was, kwamen de bezwaren van kapitein Brookes zich met groote kracht aan hem opdringen.
De Z.Z.-stralen konden wel eens op grooteren afstand werken, dan de uitvinder veronderstelde; de straal van haar gebied kon wel eens grooter zijn, dan de wijzer op het bord aangaf, de afstand en de ligging van de rots ten opzichte van de Olijftak konden wel eens niet zuiver zijn bepaald; — en wat dan?
Tregarthen keek op zijn horloge. Het was een kwartier vóór elven.
"Smith!" riep hij, zich richtend tot één van de onderofficieren.
"Sir?"
"Gelast den mannen hun bandelieren af te doen en de magazijnen van hun geweren leeg te maken en stop de patronen in den grond bij dien boom daar."
Zonder eenige toelichting te vragen bij dit oogenschijnlijk zoo zonderlinge bevel, bracht Smith het aan zijn mannen over: aan blinde gehoorzaamheid waren ze op de Olijftak gewoon.
Nu had Gerald alle voorzorgen genomen, die te bedenken waren en kalm wachtte hij den loop der dingen af.
Langzaam kropen de minuten om en de spanning van den bewakingstroep werd bij ieder seconde grooter; ook de Patagoniërs schenen te gevoelen, dat er iets bijzonders zou gaan gebeuren.
Met zijn uurwerk in de hand wachtte Gerald en toen de groote wijzer één minuut voor de twaalf stond, riep hij: "let op!" en strekte den arm in de richting van de rots.
Wel verstonden de Patagoniërs den uitroep niet, maar ze volgden met de oogen de aangeduide richting. Een benauwende, doodelijke stilte hing in de lucht.
Precies om twaalf uur deed een vreeselijke ontploffing den harden bodem schudden en de rots ging schuil in een zware wolk van damp en rook. Toen die wolk was opgetrokken, was de rots geheel verdwenen: alleen wees een hoop steenklompen de plaats aan, waar ze gestaan had.
De uitwerking op de inboorlingen was niet te beschrijven. In doodsangst wentelden ze zich stuiptrekkend over den grond, gillend en kermend op een erbarmelijke manier.
Hun ontzetting was zoo groot, omdat juist déze rots voor hun oogen vernietigd werd. Daar was, zooals ze geloofden, de verblijfplaats van hun krijgsgod, die hen beschermde bij hun verraderlijke aanvallen op de bemanningen van vreedzame koopvaarders of visschersvaartuigen, die hier een schuilplaats zochten tegen zwaar weer. En nu bleken die blanke mannen op hun drijvend dorp sterker dan hun machtige oorlogsgod; dit maakte, dat hun vrees groeide tot wanhoop.
Om half één, precies op den afgesproken tijd, landde kapitein Brookes. Door middel van gebaren werd den Patagoniërs duidelijk gemaakt, dat men hun leven zou sparen, op voorwaarde, dat ze zich in de toekomst zouden onthouden van elke vijandelijke daad tegenover de bemanning van schepen, die Desolation Inlet aandeden. Ze schenen te begrijpen, wat van hen gevergd werd en gaven ook door teekens te kennen, dat ze de bevelen van hun overwinnaars getrouw zouden volgen.
"Laat ze nu heengaan," beval kapitein Brookes en zich toen tot Gerald richtend, zei hij: "Dat is prachtig gegaan. De Z.Z.-stralen hebben uitstekend de proef doorstaan en we kunnen er voortaan met alle gerustheid gebruik van maken, daar we zeker zijn omtrent de uitwerking. Dat is een groote gerustheid, want we zullen ze spoedig noodig hebben. Zoo even ontving ik een draadloos bericht, dat onze tegenwoordigheid in de Middellandsche Zee noodzakelijk maakt. Ik ken nog geen nadere bijzonderheden en kan dus niets verder zeggen, maar één ding weet ik wel en dat is, dat onze avonturen van de laatste maanden kinderspel zullen blijken bij hetgeen we daar zullen beleven."
HOOFDSTUK XIX.
In de middellandsche zee.
Een week later kliefde de Olijftak de golven van het noordelijk deel van den Atlantischen Oceaan. Haar uiterlijk voorkomen was veel veranderd sedert ze Desolation Inlet had verlaten, want alle sporen van haar ontmoeting met de Engelsche kruisers waren verdwenen. Alle schade, door de granaten aangericht, was hersteld, alleen het automatische stuurtoestel had men niet weer in orde kunnen krijgen en daarom stonden nu voortdurend een kwartiermeester en twee matrozen aan het groote stuurrad, terwijl vroeger een uitkijkpost voldoende was, wanneer het schip, als een bezield wezen, een vasten koers volgde.
Omstreeks dezen tijd was het bestaan van de tot nu toe zoo geheimzinnige Olijftak algemeen bekend en de voornaamste Europeesche staten hadden wel ingezien, dat men voortaan met haar strijdkracht zou moeten rekenen. Het rapport van Gerald aan de Britsche Admiraliteit had een zeer gunstig gevolg gehad, waarvan kapitein Brookes en zijn officieren niets wisten. Aan de talrijke schepen, die de Engelsche vlag over alle zeeën voeren, waren code-telegrammen gezonden, die het bevel inhielden de Olijftak ongemoeid te laten, zoolang deze zich onthield van vijandelijkheden tegen Britsche vaartuigen. De wijze, waarop kapitein Brookes was opgetreden bij Talcahuano, was zeker ook van grooten invloed geweest op deze vriendschappelijke gezindheid.
Aan boord van de Olijftak was, zooals we zeiden, van deze gunstige wending niets bekend en de kapitein deed al het mogelijke, om een ontmoeting met Engelsche schepen te vermijden. Zeer moeilijk zou dit gaan bij het doorvaren van de Straat van Gibraltar. Een andere weg om in de Middellandsche Zee te komen was er niet, want aan het Suez-kanaal kon in geen geval gedacht worden en daarom zag kapitein Brookes zich genoodzaakt zeer bijzondere voorzorgen te nemen. Hij had vernomen, dat een groot deel van de Russische, vrijwillige vloot den tocht zou maken van Libau naar Sebastopol en nu besloot de kapitein zijn schip het voorkomen te geven van een Russisch oorlogsvaartuig. Op die wijze hoopte hij ongehinderd voorbij Gibraltar te komen.
In de eerste plaats werden twee hooge schoorsteenen van zeildoek opgericht, verder werd er een mast bijgeplaatst met een nagemaakt toestel voor draadlooze telegraphie. Het geheele schip werd groen geschilderd, de kleur van de vaartuigen van de Keizerlijke Russische Marine en de naam Jekaterinoslav werd in Russische letters op den boeg gezet. De Russische vlag, het blauwe St. Andrieskruis op een wit veld, die aan den mast wapperde, voltooide de vermomming.
"Ik denk, dat we er zóó prachtig zullen doorkomen," zei kapitein Brookes tevreden, toen alles klaar was. "Alleen is het te hopen, dat we geen krachtigen wind krijgen in de Straat, want dan liggen onze mooie, nieuwe schoorsteenen dadelijk tegen het dek."
"En dan is onze verdere vermomming niets meer waard," voegde luitenant Sinclair er bij. "We hebben ze zoo stevig mogelijk bevestigd, maar toch bewegen ze nog door den wind."
"We moeten maar een beetje op ons goed gesternte vertrouwen. In allen gevalle reken ik er op, dat we wel op een geschikte manier door de Straat zullen heenkomen. Wilt ge in de machinekamer verzoeken de vaart terug te brengen tot vijftien knoopen en wilt ge de windstutten inspecteeren?"
Tegen zonsondergang veranderde de Olijftak, die in noordelijke richting langs de Spaansche kust voer, haar koers en voer naar het Z.O.
Het was een warme avond: Gerald zocht met zijn vriend Stockton een beetje koelte op het dek. Jack was onder de goede zorgen van Dr. White snel in beterschap toegenomen, zijn wond was wel heel gevaarlijk geweest, maar er deden zich gelukkig geen complicaties voor.
"Daar hebben we kaap Tarifa," zei Gerald, toen er aan bakboord een rood licht zichtbaar werd. "Spoedig zullen we nu wel het witte licht van Europa Point in het oog krijgen. Ik ben wel benieuwd naar de gebeurtenissen, die ons wachten. Het zal nog wel gaan, de Middellandsche zee binnen te komen, maar hoe moet het, als we weer terug willen. Door zoo'n paar kruisers als bij Talcahuano kom je wel heen, maar hier krijgen we de heele Britsche Middellandsche zeevloot aan den hals: dat is wat anders."
"Laten we geen zorgen maken voor den tijd. Tot nu toe gaat alles best, we zijn al in de Straat en worden niet opgemerkt."
"Ja, onze vermomming helpt er ons voor 't oogenblik doorheen, maar als het eenmaal bekend is, dat de Olijftak in de Middellandsche zee is, dan worden we van alle kanten aangevallen."
"Als zij —."
Den volzin, dien Jack wilde uitspreken, kon hij niet voleindigen, want eensklaps blies er een rukwind uit de richting van Carnero Point, greep de Olijftak aan stuurboord en wierp de twee schoorsteenen van zeildoek in zee. Het doek raakte verward in de roerkettingen, en daardoor was de werking van het roer verlamd.
Even snel als de wind was opgestoken, ging hij ook weer liggen.
Kapitein Brookes verloor geen oogenblik zijn kalmte en nam dadelijk zijn maatregelen. De motors werden stopgezet, om te voorkomen, dat de schroeven door het zeildoek onklaar zouden worden en dadelijk werden de noodige mannen aan het werk gezet om de hinderlijke doekmassa's uit den weg te ruimen.
Vlug togen ze aan den gang, maar nog geen tien minuten waren ze bezig, of daar grepen met de grootste juistheid de verblindende stralen van een zoeklicht de Olijftak.
"Een schip," sprak kapitein Brookes, "ieder op zijn post, mannen."
Toen hij den commando-toren had bereikt, was het zoeklicht gedoofd en door middel van een signaallicht in den mast, riep het vreemde schip de Olijftak aan, die bewegingloos wachtte, op hetgeen er volgen zou.
"Geef antwoord," beval de kapitein kort en daarop volgden van de brug van het andere schip korte lichtschitteringen, die beduidden: "Welk schip?"
"We zullen maar geen schuilevinkje spelen, Tregarthen. Ik wil mijn eigen, geliefde vlag toonen en als ze maar eenigszins hun veiligheid liefhebben, dan zullen ze daar wel afblijven."
Daarna gaf hij bevel te antwoorden: "De kruiser, de Olijftak."
Een oogenblik later volgde van het andere schip de vraag: "Is kapitein-luitenant Tregarthen aan boord?"
"Zoo, Mr. Tregarthen, hoort ge wel, ge zijt in rang verhoogd, laat me u van harte gelukwenschen."
Er werd bevestigend geantwoord en nu seinde het Britsche schip — want het was ontwijfelbaar een Engelsch vaartuig —:
"Ik heb u een mededeeling te doen; ik zend u een boot."
"Als die boot langszijde ligt hebben we niets meer te vreezen," merkte kapitein Brookes op, "maar we zullen toch op onze hoede moeten zijn. Laat de schroeven een paar slagen doen, dan kunnen we zien of ze te gebruiken zijn en laat flink voortmaken met het opruimingswerk."
Nauwelijks was de valreep neergelaten, of men hoorde het geluid van riemen en de omtrek van de naderende boot werd zichtbaar.
"Twee brieven, Sir; één voor den commandant van dit schip en één voor kapitein-luitenant Tregarthen. Wilt u zoo goed zijn mij voor beide een bewijs van ontvangst te geven?" zei de officier, die de sloep commandeerde, "Ge zult me toch zeker wel de eer aandoen, een oogenblik aan boord te komen," sprak kapitein Brookes hoffelijk en terwijl de officieren naar de campagne gingen, vervolgde hij: "Mag ik zoo onbescheiden zijn, te vragen, hoe het mogelijk is, dat ge brieven voor mij aan boord hadt?"
"Het gevolg van een algemeene order, Sir," antwoordde de luitenant van de Galatea, één van de nieuwste super-Dreadnoughts. "Ten gevolge van uw ongelooflijke snelheid, is men altijd in het onzekere omtrent de plaats, waar uw schip zich bevindt. We zijn zoo gelukkig geweest in uw vaarwater te komen."
Er was een groot verschil tusschen de wijze, waarop de kapitein zijn brief in ontvangst nam en die, waarop Gerald hetzelfde deed.
Terwijl de eerste bedaard de enveloppe met een vouwbeen opensneed, scheurde Gerald de zijne in koortsachtige haast stuk.
Hij vond erin het afschrift van een besluit, waarbij luitenant Tregarthen tot kapitein-luitenant bevorderd werd, terwijl hij voor onbepaalden tijd voor speciale diensten werd aangewezen. Wat zijn verblijf op de Olijftak aangaat, daarover sprak de Admiraliteit zich niet duidelijk uit, toch lag er in haar woorden een aanmoediging voor hem om aan boord te blijven. Het bericht wentelde een grooten last van Geralds gemoed, maar door de opwinding van het oogenblik was het hem niet mogelijk, het voordeel, dat het hem bracht, geheel te overzien.
Intusschen had ook kapitein Brookes de lezing van zijn brief ten einde gebracht, maar geen trek op zijn gezicht verraadde den indruk, dien de inhoud op hem gemaakt had. Met zorg koos hij een veeren pen, versneed die en begon te schrijven.
Deze voorliefde voor veeren pen was een van de zonderlingheden van den kapitein. Overal op zijn schip waren zijn eigen nieuwste vindingen toegepast en hij schreef met de ouderwetsche ganzeveer.
Hij schreef keurig zijn antwoord, sloot zijn brief met een zuiver gevormd lakstempel en overhandigde dien met een hoffelijke buiging aan den Britschen officier.
Toen Gerald ook gereed was met het schrijven van zijn bericht van ontvangst, noodigde de kapitein zijn bezoeker uit, een fijne flesch Madera te blijven drinken en gezellig bleven de drie mannen nog een half uur bij elkander.
Nadat de sloep naar de Galatea was teruggekeerd, was men ook gereed met het wegruimen van de overblijfselen van de verongelukte schoorsteenen en na een vriendschappelijk afscheid met lichtsignalen, verlieten de beide schepen elkander. De Galatea keerde terug naar de haven van Gibraltar en de Olijftak zette, met een snelheid van vijf en veertig knoopen, koers naar het oostelijk deel van de Middellandsche zee.
Vroeg in den volgenden morgen stond de geheele bemanning aangetreden op het campagnedek. Alleen zij, die elders onmisbaar waren, ontbraken in de gelederen.
Toen Gerald aan dek kwam, bemerkte hij, dat de Russische vlag was neergehaald en dat een man gereed stond om de groene-witte van de Olijftak op een gegeven teeken te hijschen.
Iedereen gevoelde, dat er iets bijzonders aan de hand was.
Het was wel algemeen bekend, dat er een belangrijk bericht was ingekomen, maar bijzonderheden kende niemand en het was dus niet te verwonderen, dat alle oogen zich nieuwsgierig richtten op kapitein Brookes, toen deze, in groot tenue gekleed, aan dek verscheen.
De kapitein haalde het schrijven, dat hij den vorigen avond ontvangen had, voor den dag en begon, na een korte inleiding, het stuk voor te lezen.
"Van My Lords, uitoefenend het gezag van Opper-Admiraal van Z.M.'s hoogzeevloot aan den officier, commandeerende den kruiser (nationaliteit onbekend) de Olijftak.
"Sir, — Hierbij berichten we u, dat het decreet, waarbij ge als zeeroover werd aangeduid, d.d. 29.8, is ingetrokken. Dit besluit is van kracht, overal waar Z. M.'s Regeering geëerbiedigd wordt. Aangenomen wordt verder, dat ge u zult onthouden van elke vijandige daad tegen onderdanen, schepen, gebouwen en verdere eigendommen van de Kroon — (Was geteekend) Balderstowe, Secretaris van My Lords, enz., enz."
De eerste oogenblikken, die volgden op de lezing, bleef het doodstil. De officieren toch waren te phlegmatisch om hun gevoelens op luidruchtige wijze te uiten en de manschappen zagen niet dadelijk in, hoe belangrijk de inhoud van het schrijven was. Toen dit tot hen doordrong, uitten ze hun vreugde in een krachtig hoezee. Niets zou de trouw aan hun kapitein kunnen schokken, maar ze bleven toch steeds gevoelen Engelschen te zijn en het verwekte een groote vreugde, dat ze niet langer door de zeelieden van hun vaderland als zeeroovers zouden worden opgejaagd en aangevallen.
"Ge hebt zeker wel opgemerkt, mannen," sprak kapitein Brookes, "dat er meer uit dit stuk te lezen is, dan de Britsche Admiraliteit erin heeft willen neerschrijven. Wij zijn erkend ais een belangrijke factor voor het bewaren van den wereldvrede. En we kunnen gerust nog verder gaan, we kunnen verklaren, dat, mochten voor Engeland uren van beproeving aanbreken, de Olijftak zich zonder bedenken zal scharen aan de zijde van den kampioen voor waarachtige vrijheid.
"Aan den politieken horizon komen dreigende wolken opzetten. Welk aandeel de Olijftak zal hebben in de gebeurtenissen, die in de eerstvolgende weken kunnen verwacht worden, wil ik u meteen meededen.
"Eenigen tijd geleden zijn er ernstige moeilijkheden gerezen tusschen Turkije en Griekenland en verschillende omstandigheden wijzen er op, dat het geschil niet tot deze twee staten zal beperkt blijven, maar dat het leiden zal tot een algemeenen Europeeschen oorlog.
"Er loopen stellige geruchten omtrent het bestaan van een geheim verdrag tusschen Griekenland en Rusland, waarbij bepaald is, dat de Russische Zwarte-zee-vloot de Dardanellen zal forceeren, zoodra het eerste schot in den Grieksch-Turkschen oorlog wordt gelost. Tevens zullen Oostenrijk en Italië zich voegen aan de zijde van Turkije. Rusland zal dus zijn legers over de Karpathen zenden en wanneer we de noodige aandacht schenken aan de bondsverhouding tusschen Duitschland en Oostenrijk, dan moeten we wel aannemen, dat het eerste land niet zal toelaten, dat Rusland reusachtige troepenmassa's samentrekt op Duitschlands oostgrens. Frankrijk wacht slechts op een gelegenheid om de verloren provincies Elzas en Lotharingen terug te krijgen en zal dus stellig Rusland, waarmee het verbonden is, steunen.
"Het geschil tusschen Griekenland en Turkije mag dus niet tot uitbarsting komen. De ontmoeting tusschen de beide vijandelijke vloten mag niet plaats hebben; en die te verhinderen is de taak van de Olijftak."
Toen de kapitein zijn rede geëindigd had, klonk er nogmaals een luid hoezee en de bemanning marcheerde af.
Kapitein Brookes maakte zich juist gereed de campagne te verlaten, toen Mr. Selkirk, de chef van de machinekamer hem een niet zeer welkome mededeeling kwam doen. Er dreigde namelijk gebrek aan brandstof. Mr. Selkirk meende, dat men met de grootste zuinigheid nog voor twee dagen genoeg zou hebben.
De kapitein ontveinsde zich de moeilijkheid van het geval niet. In de motoren zat de kracht van de Olijftak, als die niet voldoende gevoed konden worden, was het geheele schip machteloos. Er moest dus dadelijk naar een middel worden uitgezien, om den voorraad brandstof aan te vullen.
Malta zou men nog wel kunnen bereiken, maar de kapitein had er groot bezwaar tegen nu reeds dadelijk Engelsche hulp in te roepen en daarom vormde hij een ander plan.
De Olijftak zou koers zetten naar de Straat van Messina en daar goed- of kwaadschiks bezit nemen van de lading van één van de vele olie-tankschepen, die uit Baku naar de Fransche havens aan de Middellandsche zee varen.
HOOFDSTUK XX.
De amerikaansche vlieger.
Het was tegen het vallen van de schemering, dat de Olijftak den noordelijken ingang van de Straat van Messina bereikte. In de verte, aan stuurboord, schitterden de lichten van de Siciliaansche stad Milazzo, terwijl aan de andere zijde een roodachtig schijnsel in de lucht de plaats aanwees, waar Stromboli lag.
"Dat is Kaap Faro," merkte Sinclair op, terwijl hij een voorgebergte aanduidde, dat zich wazig afteekende in het bleeke, vervloeiende licht. "Nu komen we gauw in het: drukste vaarwater."
"Hoe gauwer hoe beter," zei luitenant Palmer. "De kapitein heeft juist de mededeeling ontvangen, dat we nog maar twee uur varen kunnen."
"Licht aan bakboord, Sir," riep de uitkijk, toen een mat-roode ster langzaam van achter het voorgebergte te voorschijn kwam.
"Zorg ervoor dat ze geen achterdocht krijgen," zei kapitein Brookes, toen het vreemde schip de sirene liet werken. "Vraag naar het register-nummer."
Het code-boek wees aan, dat men te doen had met het Engelsche schip Bletchley Hall.
Men liet het schip voorbijvaren. Ook een tweede ontmoeting beantwoordde niet aan het doel, want dat vaartuig was de Pluto, van Zante naar Castellamare.
De toestand werd bij het oogenblik meer dreigend en om de laatste brandstof zooveel mogelijk te sparen, werden de machines van de Olijftak stopgezet.
Bij het aanbreken van den volgenden dag zou echter het geluk beter dienen, want een groot vrachtschip kwam langzaam de Straat binnenstoomen en het geoefende oog van den kapitein zag al gauw, dat hij nu gevonden had, wat hij zocht.
"Als dat geen olietank is," riep hij vroolijk, "dan mag ik een Duitscher zijn!"
Zonder iets kwaads te vermoeden gaf het vrachtschip zijn naam op, de haven van uitklaring en van bestemming en den aard van de lading: ruwe petroleum. Maar daarop volgde tot niet geringe verbazing van den gezagvoerder een bevel van de Olijftak om bij te draaien.
Tot eer van den Rus moeten we echter verklaren, dat hij maar niet onmiddellijk dat bevel opvolgde. Hij versnelde den gang van het schip en trachtte zoo snel mogelijk weg te komen. Het tooneel, dat nu volgde, deed denken aan een jacht van een hond op een stekelvarken, want de Olijftak had het, dank zij het bespaarde overschot van haar brandstof, gebracht tot een snelheid van dertig knoopen. Ze loste een kanonschot en toen een granaat op twintig meter afstand van den boeg voorbijgonsde, besloot de Rus te stoppen en bij te draaien.
"Laat een boot neer," beval kapitein Brookes. "Mr. Palmer, gij wilt de zaak wel in orde brengen, niet waar? Nadere bevelen behoef ik u niet te geven."
"Neen, sir," antwoordde de luitenant.
Zoodra de boot bij het schip was gekomen, begon de kapitein, een groote, breedgeschouderde Rus, uit te varen en hij slingerde den indringers scheldwoorden, ontleend aan alle Europeesche talen, naar het hoofd.
"Gooi eens een touw uit!" riep Palmer. "En maak je niet zoo dik, oude jongen. We komen alleen maar een beetje olie halen."
"Jullie hebt hier niets te halen," antwoordde de vertoornde schipper.
"We zullen er natuurlijk een goeden prijs voor betalen."
"Dank je wel, mijn olie is niet te koop."
"Dan zullen wij ze moeten nemen."
"Zoo, dus jullie zijn zeeroovers, dan weet ik wat me te doen staat. 'k Heb geschut aan boord en ik zal jullie een lesje geven, dat je lang zal heugen. Hoe heet eigenlijk je schip?"
"De Olijftak!"
De uitwerking van die mededeeling was wonderbaarlijk: de bemanning van het vrachtschip sprong van de verschansing, de kapitein verliet de brug en zorgde ervoor, dat onmiddellijk de valreep werd neergelaten.
In een ommezien waren Palmer en zijn mannen aan boord en namen bezit van het schip, terwijl de boot werd teruggezonden. Voorzichtig manoeuvreerend kwam nu de Olijftak langszijde en men begon dadelijk de olie over te laden.
Slangen werden aangeschroefd en zes groote centrifugaalpompen begonnen te werken en vulden de tanks van de Olijftak, die zes honderd ton konden bevatten.
Toen het werk was afgeloopen, stelde kapitein Brookes den gezagvoerder een wissel op een Engelsche bank ter hand, ruimschoots de waarde vertegenwoordigend van de overgenomen olie en ten overvloede gaf hij hem nog een kist whisky ten geschenke.
Zoodra de Olijftak zich nu op eenigen afstand van het vrachtschip bevond, deelde kapitein Brookes mee, dat het zijn plan was, den gezagvoerder nog even kennis te laten maken met de uitwerking van de Z-stralen.
Gerald maakte de opmerking, dat er dan misschien schade zou worden toegebracht aan den onderzeeschen kabel tusschen Reggio en Messina, maar de kapitein merkte op, dat men, als er stoornis ontstond, zeker wel aan andere oorzaken zou denken. Daar ginds immers lag de Etna en vulkanische verschijnselen konden ook invloed op den kabel hebben.
Gedurende tien minuten liet men de Z-stralen werken, terwijl de Olijftak de in de oudheid zoo beruchte Scylla en Charibdis voorbijvoer op weg naar de haven van Catania, zestig mijlen ten zuiden van de straat.
"Een wrak vooruit, Sir," riep de man op den uitkijk.
Dadelijk grepen de officieren naar hun kijkers en spoedig hadden ze een voorwerp ontdekt, dat op het eerste gezicht veel geleek op een zeilboot, die op zijde lag.
"Als dat zoo is, dan is het een heel vreemde boot," merkte Stockton op.
"'t Is een monoplan," riep kapitein Brookes. "De vlieger is met zijn toestel in zee gevallen. Opgelet, vooruit!"
Er werd bevel gegeven de vaart van het schip te minderen, terwijl de bemanning de noodige maatregelen voor het reddingswerk nam. Na enkele minuten was de afstand al zooveel kleiner geworden, dat men van het schip af met het bloote oog duidelijk het verongelukte vliegtuig zien kon. Het dankte zijn behoud aan twee cilindervormige drijvers van aluminium, maar het lag toch voor het grootste deel onder water. Van de motor was niets meer te zien, de beide schroeven staken nog even uit boven 't watervlak en de toppen der vleugels doken onder bij iedere golving van de zee.
De vlieger, in een rubber overjas gestoken, zat tot aan zijn middel in het water. Hij had al begrepen, dat er redding kwam opdagen en dat had hem blijkbaar geheel op zijn gemak gesteld, want hij had met de grootste bedaardheid een kolossale sigaar uit zijn koker genomen. Een automatisch toestelletje verschafte hem een vlammetje en nu zat hij te rooken, zoo rustig, alsof een val met een vliegtuig in zee het meest alledaagsche avontuur is, dat een vlieger kan overkomen.
"Recht het roer!" commandeerde kapitein Brookes, toen de hooge romp van de Olijftak langzaam voort gleed aan de lijzijde van het drijvende vliegtuig en toen riep hij over de verschansing: "Ahoy, daar! Hoe lang zijn je vleugels?"
"Vijftien voet," klonk het antwoord.
Geruischloos draaide één van de groote kranen buitenboord en het blok met den haak, die door een electrisch werktuig werd bestuurd, zakte langzaam. Juist in het midden werd het vliegtuig gegrepen en een oogenblik zweefde het in de ruimte, terwijl een stroom van water en olie eraf gutste.
"Dat is een leelijk ongeval," merkte kapitein Brookes op, toen de vlieger met een vlugge beweging uit zijn toestel op het dek sprong.
"Niet noodig me dat te vertellen, Sir," zei de ander met sterk Amerikaansch accent, "en ik gaf er graag een paar dollars voor, als ik te weten kon komen, wat er eigenlijk de oorzaak van is. Mijn motor is van de Maxfield Universal Gold Star Motor Company te Petersburg, een prachtig stuk werk, waarop ik volkomen vertrouwde en die heeft me nu zulke parten gespeeld. Maar laat ik me eerst even voorstellen, Sir: Sidney P. Flew, van New-York; ik was met mijn vliegtuig op weg van Queenstown naar Cairo. En aan boord van welk schip ben ik nu, Sir?"
"Aan boord van de Olijftak!"
"De bekende zeeroover? Sir, laat ik u de hand drukken; wat een buitenkans!"
"Hebt u dan van de Olijftak gehoord?"
"Ervan gehoord? Heel Europa en de Vereenigde Staten waren er vol van. Toen ik New-York verliet, waren de laatste woorden, die mijn vader bij het afscheidnemen sprak: 'Sidney, jongen, blijf die ellendige Olijftak uit den koers en zorg, dat die je niet te pakken krijgt.' ''k Wou, dat het al zoo ver was,' zei ik, 'dat zou het mooiste oogenblik van mijn leven zijn en gij waart de beroemdste man van Broadway, als ge zoudt kunnen zeggen: mijn zoon is aan boord van de Olijftak.' En kijk, nu is mijn wensch vervuld."
"Dat is zeker," merkte kapitein Brookes op, "en ik hoop voor u, dat uw verblijf hier aan boord geen teleurstelling zal zijn. Eén van mijn officieren zal u naar onze kajuit brengen, waar ge alles zult vinden, wat men voor een stevig ontbijt kan wenschen."
"Dank u, Sir, 'k heb nog geen twee uur geleden te Cosenza ontbeten. Als ge het mij toestaat, wil ik liever mijn machine uit elkaar nemen en de motor nazien, voor het zeewater er nadeelig op inwerkt. Die motor liep als een klok, tot ze opeens stopte en begon te gloeien. Als een aangeschoten vogel, gleed ik toen naar beneden."
"'k Geloof, dat ik de verklaring van uw ongeval geven kan," zei kapitein Brookes. "Om bepaalde redenen zag ik mij genoodzaakt een electrischen stroom af te geven en ongelukkigerwijze zijt ge onder den invloed daarvan gekomen."
"Ongelukkigerwijze, Sir? Integendeel tot mijn onuitsprekelijk groot geluk!" riep de jongeman geestdriftig uit. "Denk eens aan, Sir, wat een prachtig bericht voor de New-York Herald: Sidney P. Flew, van New-York werd getroffen door de electrische kanonnen van de Olijftak, de wereldberoemde kruiser."
"Wat een geestdrift!" zei kapitein Brookes met een glimlach tot Gerald, toen de aviateur met zijn gehavende machine bezig was. "Wilt u hem rondleiden en de gedeelten van het schip laten zien, die geen geheimen bevatten. Zoodra zijn vliegtuig weer in orde is, zullen we hem zijn reis laten vervolgen. En dan wilde ik u meteen nog vertellen, dat ik gehoord heb, dat de Turksche vloot kalm in den Gouden Hoorn ligt en dat er in de eerste dagen niets bijzonders te wachten is. Wat zoudt ge er van zeggen, als ik u in de gelegenheid stelde, om in dien tijd een bezoek te brengen aan het eiland Malta?"
"Als het geen last veroorzaakt, zou ik dat zeker heel graag doen."
"Heelemaal geen last. We zetten u met uw vriend Stockton af in de haven van Catania, vanwaar een geregelde stoombootdienst op La Valette onderhouden wordt."
De twee vrienden hadden nu ongeveer vijftien uur voor hun bezoek en ze gebruikten dien tijd goed: ze lieten geen minuut verloren gaan. Gerald wist den weg op het eiland en deed dus dienst als gids bij het tochtje. Een voorname reden, waarom hij 't aanbod van den kapitein zoo gretig had aangenomen, was, dat hij wilde trachten op Malta een uniform te krijgen. Nu de Admiraliteit geen bezwaar maakte tegen zijn verblijf aan boord van de Olijftak, meende hij ook gerechtigd te zijn tot het dragen van een Britsche uniform met de onderscheidingsteekenen van zijn rang. Inderdaad slaagde hij erin een militairen kleermaker te vinden, die zich verbond, zulk een uniform binnen twaalf uren te leveren, natuurlijk tegen een veel verhoogd tarief.
Toen Gerald van zijn uitstapje terugkeerde, werd hij door kapitein Brookes ontvangen met de mededeeling, dat de Turksche vloot de Dardanellen verlaten had. "We zullen spoedig de handen vol hebben," zei hij, "ga eerst naar kooi en slaap een paar uur, want dat zult ge wel noodig hebben."
"Een oogenblikje nog, Sir — hoe gaat het met onzen vlieger."
"Ja, dat wordt een vervelende geschiedenis. Hij is er niet in geslaagd, zijn machine zoo ver te herstellen, dat hij ze weer gebruiken kan, maar ik geloof, dat hij praatjes verkoopt en dat het er hem alleen om te doen is, hier te kunnen blijven. En zoo zijn we met hem opgescheept: ik heb de onderdeelen van het vliegtuig laten bergen onder het pantserdek. Als we onze zaken hier hebben afgedaan, kunnen we hem ergens aan land zetten, als hij nog in staat is te vliegen. Kijk, daar is hij in gezelschap van Palmer: hij lijkt zich bijzonder aangetrokken te gevoelen tot dien jongeman. — Maar ga nu rusten, Mr. Tregarthen, want morgen vroeg gaan we aan den dans."
HOOFDSTUK XXI.
De marconigraaf gestolen.
De smalle Straat tusschen de eilanden Negropont en Andros vertoonde een ongewoon schouwspel aan de bemanning van de Olijftak.
Vier Turksche slagschepen: de Azizieh, Mahmoudieh, Orkanieh en Osmanieh kwamen aanstoomen met een snelheid van negen knoopen. Alle krachten moesten worden ingespannen om deze uiterste grens van snelheid door de oude schepen te doen bereiken. Op de flanken van de flottielje, zeker om haar te beschermen, voeren de kruisers Abdul Mejid, Fezibahri en Hamidieh, die wel vlugger vooruit hadden gekund, maar haar gang moesten matigen met het oog op de slagschepen. De slagschepen waren opgeknapt en schoongemaakt en uiterlijk was er niets te zien van de gebreken, die moesten zijn ontstaan in den langen tijd, dien ze ongebruikt en verwaarloosd in den Gouden Hoorn hadden doorgebracht. Of ze opgewassen zouden zijn tegen de kleinere, maar meer zeewaardige Grieksche schepen, stond wel te bezien.
De Helleensche vloot bestond uit drie slagschepen: de Hydra, de Psara en de Sparai benevens drie moderne kruisers. Tot op zeven mijlen waren de vijandelijke machten elkander genaderd en aan beide zijden maakte men zich gereed, den strijd te beginnen.
Met een groote, witte vlag in top, verscheen plotseling de Olijftak tusschen de twee vloten en stopte op ongeveer drie kabels lengte van het Turksche vlaggeschip, de Azizieh.
Ieder was op zijn post. Op de brug en in den commando-toren bevonden zich kapitein Brookes, Gerald, Slade en een bootsman met twee maats voor het hijschen van de signalen.
Met de grootste snelheid rezen en daalden de signaal-vlaggen en deelden het volgende mee:
"Van den kapitein van de Olijftak aan de bevelhebbers van de Turksche en de Grieksche vloot.
Valt niet aan, maar keert terug naar uw havens. Ieder schip, dat mijn bevel niet opvolgt, doch het vuur opent, zal worden vernietigd."
De Turksche Admiraal was buiten zich zelf van woede.
Hij had van de Olijftak gehoord en hij wist, hoe ze tegen de Peruaansche vloot was opgetreden, maar zijn trots als Muzelman liet niet toe, dat hij zich liet bevelen door een Giaour. Langzaam draaide de toren voor den mast van de Azizieh rond, totdat het 9,2 Krupp-kanon dreigend gericht was op de Psara. Tien seconden bleef de vuurmond in dien stand: de Admiraal aarzelde blijkbaar het bevel tot vuren te spreken.
Toen kwam er weer beweging in den toren en een oogenblik later was nu het kanon op de Olijftak gericht.
"Zoekt dekking, heeren," zei kapitein Brookes volmaakt bedaard, "De oude heer daarginds schijnt heelemaal buiten westen te geraken."
Daar viel het vijandelijk schot. De Turksche kanonnier was echter niet op de hoogte van de kwaliteit van de lading: hij had gerekend op slecht kruit en nu was het toevallig veel beter dan de gewone soort.
Het gevolg daarvan was, dat de granaat zonder eenige schade aan te richten over de Olijftak heen vloog, maar op zoo geringen afstand, dat de mannen, die zich op de brug bevonden, door den luchtdruk op den grond werden geworpen.
"Voorste toren: laden met projectiel n°. 2," commandeerde kapitein Brookes en zich tot Gerald wendend, ging hij voort: "die kanonnier daar weet beslist niet, wat hij wil, maar wij zullen hem laten zien, dat het hier anders gesteld is."
De kapitein dacht er blijkbaar niet aan, het Turksche schip te sparen. Het schot was door den Turkschen admiraal met voorbedachten rade afgevuurd en toen er geen antwoord kwam, maakte hij zich gereed voor de tweede maal te vuren.
Vóór het echter zoo ver kwam, zou de Olijftak ook een woord spreken Het rechtsche kanon van den voorsten toren sloeg even achteruit en een blauwig rookwaas steeg omhoog, terwijl de granaat den weg naar het Turksche vlaggeschip doorliep.
De Azizieh was een oud schip, gebouwd aan de Clyde in 1864. De pantsergordel had een dikte van 5 1/2 c.M. en de Turken dachten, dat dit voldoende was om het schip tegen elken aanval te beveiligen.
De granaat van de Olijftak trof juist midscheeps. Een klein gat werd slechts in den wand van het schip geslagen, maar een oogenblik later volgde de ontploffing waarvan de uitwerking verschrikkelijk was. Inwendige deelen van het vaartuig werden hoog de lucht ingeslingerd en een zware rookzuil warrelde omhoog.
Met hun gewone zorgeloosheid hadden de Turken niet voor reddingsmiddelen gezorgd. De houten booten stonden in vlam, voor ze konden worden uitgezet en de mannen sprongen voor 't grootste deel in zee, toen ze zagen dat de ondergang van het slagschip zeker was. Redding vonden ze echter niet, want ze konden niet vrij komen uit het woest bewogen water om het zinkende schip. Eerst zakte het achterschip, maar plotseling werd dit met de woest rondslaande schroeven hoog opgeheven en met den kop vooruit verdween het gevaarte in de golven, de ongelukkige drenkelingen meesleepend in de warreling van het water. Een brullend geluid steeg omhoog, toen het zeewater in aanraking kwam met de stoomketels en toen werd het doodstil. De Azizieh had haar graf in de golven gevonden.
Daarmee was de zaak afgedaan. De andere Turksche schepen wendden onmiddellijk den steven en zetten koers naar de Dardanellen. De bevelhebber van de Grieksche vloot betuigde door een signaal zijn dank aan kapitein Brookes, doch deze deed alsof hij het niet opmerkte; daarna verdwenen ook de Grieksche schepen, maar in zuidelijke richting.
Zoo was dan de verwikkeling in het Oosten onbegrijpelijk vlug opgelost, maar daarmee was nog volstrekt niet alle gevaar voor een Europeeschen oorlog verdwenen. Er bestond veel kans, dat de brand op een ander punt zou uitslaan.
Een paar dagen, nadat het gevecht met de Mazizieh was geleverd, werd Gerald door den Amerikaanschen vlieger aangesproken. "Ik zou toch zoo graag eens een kijkje nemen in dien geheimzinnigen commando-toren, Mr. Tregarthen," zei hij. "Kunt u mij daartoe niet in de gelegenheid stellen?"
"Ik ben bang, dat het niet gaan zal, Mr. Flew; stellig niet zonder de toestemming van kapitein Brookes. Vraag het hem zelf maar."
"Dank u; dat wilde ik juist liever niet. — Spreek er ook maar niet over met den kapitein."
Vijf minuten later kwam kapitein Brookes aan dek.
"Waarom zou die Yankee toch zoo nieuwsgierig zijn naar het inwendige van onzen toren, Mr. Tregarthen?" vroeg hij.
Gerald kreeg een kleur van verrassing, nu het bleek dat de kapitein wist, wat de Amerikaan hem had gevraagd. 't Was onbegrijpelijk, hoe hem dat bekend kon zijn.
"Kijk maar niet zoo beteuterd, Mr. Tregarthen. Ge zijt niet de eerste, wien de jongeman met zoo'n vraag aan boord komt. Het begint me te vervelen, hij is lang genoeg hier aan boord geweest en ik denk er hard over hem zijn congé te geven. 't Is best mogelijk, dat hij te goeder trouw is, maar hij speurt me te veel rond."
"Die speurzin is een karaktertrek van de Amerikanen, Sir."
"Dat zal ik niet tegenspreken. Maar waarom komt hij met zijn verzoeken niet rechtstreeks bij mij?"

[Illustratie: en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden Pag. 151]
Flew wandelde met luitenant Palmer het campagnedek op en neer en kapitein Brookes wenkte hem om nader te komen.
"Hoe lang denkt ge noodig te hebben, om den motor voor uw vertrek in orde te maken?"
"Een paar uur, Sir. Waarom vraagt u dat zoo?"
"Kijk, daar ligt de kust van Syrië; ik wilde u voorstellen van dat punt uw reis per vliegmachine voort te zetten Onze vaart langs de kust van Syrië en Palestina is weinig belangwekkend voor u en spoedig zullen we het oostelijk deel van de Middellandsche zee verlaten en dan raakt u heelemaal van uw weg."
Ofschoon deze woorden door den kapitein op vriendelijken toon werden gesproken, maakten ze toch op den vlieger den indruk van een bevel, waartegen hij geen bedenkingen durfde opperen.
Eerbiedig antwoordde hij dan ook: "Zeer goed, Sir. 'k Zal mij zoo spoedig mogelijk gereedmaken."
Binnen anderhalf uur was de eendekker in elkaar gezet en de motor in orde gemaakt, terwijl de Olijftak steeds zuidwaarts voer, evenwijdig aan de kust van Syrië.
"Alles is in orde, Sir."
"Goed, ga dan naar beneden, om nog wat te eten, voor ge u inscheept. En, wat ik nog zeggen wil, is de afstand van hier tot de kust niet te groot voor een vlucht?"
"Volstrekt niet, Sir."
"En zal er op het dek ruimte genoeg zijn om op te stijgen?"
"Daar ben ik niet bang voor, Sir. Ik heb niet zoo heel veel ruimte noodig en kan zeer steil omhoog vliegen; 't eenige waarvoor ik bang ben, is, dat ik de verf hier en daar zal beschadigen, maar ik zal er zooveel mogelijk voor oppassen."
Toen de kapitein verder niets opmerkte, begaf de vlieger zich met Palmer naar de kajuit, waar ze zich nog een goed half uur ophielden in gezelschap van de andere officieren, die geen dienst hadden. En daarna ging hij zich gereed maken voor de vlucht. Toen hij weer aan dek verscheen, was hij in zijn vliegersuitrusting gestoken; alleen had hij zijn rubber-overjas niet aangetrokken, omdat het te warm was, zooals hij zeide.
De geheele bemanning was op het dek gekomen, om hem te zien opstijgen. Nadat hij alle officieren hartelijk de hand had gedrukt, nam Sidney P. Flew plaats in zijn machine. De motor werd aangezet; een paar schokjes vooruit en toen schoot de eendekker als een reusachtige vogel omhoog onder geestdriftig gejuich van matrozen en officieren.
Met gespannen aandacht volgden allen de beweging van het vliegtuig, toen eensklaps groote opschudding ontstond, want luitenant Palmer kwam doodsbleek en duizelig als een beschonken man de campagne-trap opscharrelen.
"Houdt hem tegen!" riep hij. "Hij heeft de seingevers van onze marconigraaf gestolen!" Meer kon hij niet uitbrengen, hij viel bewusteloos op het dek neer.
Kapitein Brookes verloor bij de algemeene verwarring, die deze mededeeling veroorzaakte, geen oogenblik zijn kalmte.
"Naar den toren, Mr. Tregarthen! De Z.-stralen!"
Gerald volgde onmiddellijk het gegeven bevel. Het vliegtuig moest door middel van den electrischen stroom naar beneden gehaald worden en wilde dat gelukken, dan moest men er voor zorgen dat het niet buiten de zone van de Z.-stralen kon komen, vóór men ze in werking had gebracht. Alles kwam dus aan op snel handelen. De opeengedrongen zeelieden maakten van zelf den weg naar den toren vrij en Gerald snelde er heen.
Vlug, maar bedaard en omzichtig richtte hij de wijzers. Er sprong geen vonk over. Hij probeerde het in een ander vierkant en in nog één, maar nergens vertoonde zich de vonk om het bewijs te leveren, dat de electrische stroom werkte. Het toestel voor de Z.-stralen was dus ook in de war gebracht.
Gerald begreep wel, dat op dit oogenblik een onderzoek naar de oorzaak van de storing tot niets zou leiden. Hij verliet dus den toren en stelde kapitein Brookes op de hoogte van hetgeen hij had ervaren.
De kapitein keek met aandacht naar het verdwijnende vliegtuig en commandeerde: "Laad dien zesponder."
Onmiddellijk waren de mannen, die het stuk moesten bedienen, op hun post en schoven de groote granaat erin.
"Vierduizend meter," riep luitenant Sinclair, zonder bevel af te wachten. Met zijn zak-toestel had hij den afstand tot het vliegtuig opgenomen.
"Vuur!"
"Prachtig schot," riepen eenige officieren tegelijk, toen ze door hun kijkers zagen, dat de granaat sprong vlak boven den vluchteling.
Nog tien seconden vervolgde het vliegtuig zijn weg, maar toen maakte het, als een aangeschoten vogel, een buiteling en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden.
"Full speed vooruit," commandeerde kapitein Brookes, terwijl hij zich naar de brug begaf.
Een paar minuten waren voor de Olijftak voldoende om de plek te bereiken, waar de vliegmachine in de golven verdwenen was en die aangewezen werd door de drijvende kap van den vlieger.
Het dieplood werd uitgeworpen en wees tachtig vademen aan.
HOOFDSTUK XXII.
Gevaarvolle oogenblikken.
"Breng de sloep uit. Laat de bemanning zich inschepen en drie dreggen met de noodige lijnen meenemen," beval kapitein Brookes en daarna wendde hij zich weer tot zijn officieren en zei: "Voor we ons moeite geven, om onze verloren toestellen terug te krijgen, moeten we eerst hier aan boord een onderzoek instellen. Mr. Slade, wilt ge zoo goed zijn de marconi-kamer te inspecteeren en mij meedeelen, wat ge er voor bijzonders hebt opgemerkt.' En Mr. White, mag ik u verzoeken, naar Mr. Palmer te gaan zien; die zal stellig uw zorgen wel noodig hebben. Doe uw best, om hem spoedig zoo ver op te knappen, dat hij ons het een en ander kan vertellen, van hetgeen hem overkomen is. En Mr. Tregarthen, laten wij eens nagaan wat er eigenlijk aan het toestel voor de Z.-stralen hapert."
Het laatste was al heel gauw gevonden. Er was een klein gat geboord in den stalen mantel, die de draden beschermde, die van de batterijen naar het wijzerbord liepen. In dat gat was een metalen staafje gestoken, dat contact tusschen de draden veroorzaakte, waardoor de stroom was afgeleid.
't Was echter onbegrijpelijk, hoe iemand onbemerkt in den toren was kunnen komen en hoe hij daar zoo lang had kunnen blijven, als noodig was, om een gat te boren in de dikke, stalen plaat. Er zouden toch uren noodig zijn geweest, om dat werk te verrichten. Of het toestel voor de Z.Z.-stralen nog in orde was, kon men niet dadelijk zeggen; eerst moest er een gelegenheid komen om er een proef mee te nemen.
Het onderzoek van den toren was dus spoedig afgeloopen en ook luitenant Slade was gauw gereed met zijn inspectie van de marconi-kamer en bracht nu zijn rapport uit aan den kapitein.
"Al de seingevers zijn weg, Sir, behalve die naar Plougastel."
"Is de ontvanger beschadigd?"
"Neen, Sir; ik kon in verbinding komen met Plougastel."
"Daar mogen we wel dankbaar voor zijn. Door het verlies van onze seingevers zijn we van alle verbindingen afgesneden, maar met onzen Britschen agent kunnen we nu toch de gemeenschap onderhouden. — Laten wij nu hooren, wat Mr. Palmer ons zal kunnen zeggen."
"Mr. Palmer is weer in zoo verre hersteld, dat hij kan ondervraagd worden, Sir," zei de dokter. "Hij is nog een beetje soezerig door de werking van een bedwelmende stof, volgens de verschijnselen opium."
"Zeer goed, Mr. White, dan zal ik hem in zijn hut gaan opzoeken."
Luitenant Palmer zag er nog bleek en ontdaan uit. Hij stond met zichtbare inspanning op van zijn stoel en maakte het saluut voor zijn commandant.
"Ga zitten, Mr. Palmer," zei deze vriendelijk, "en vertel me, wat ge van de geschiedenis weet." Rustig ging hij op een stoel zitten en wachtte, tot de luitenant zijn gedachten zou verzameld hebben en onderwijl keek hij eens rond in de hut. In de kleine ruimte stonden de gewone meubels en de eenige bijzonderheid was een seintoestel aan den wand, waarin nu een blauw licht gloeide. Dit duidde aan, dat de marconigraaf niet in werking was, doch zoodra het blauwe in rood licht veranderde, wist Palmer, dat hij zich naar de marconi-kamer moest begeven.
Op de tafel stond een koffiepot, waarvan de inhoud dienst gedaan had bij de behandeling van de opiumvergiftiging en op den grond een galvanische batterij, die ook door Dr. White gebruikt was.
"Komaan, Mr. Palmer, vertel nu eens op."
"Het spijt mij, Sir, meer dan ik zeggen kan, dat dit nu gebeuren moest."
"Zoo ver ik kan nagaan, is er niets, waarover ge spijt dient te hebben. Vertel nu maar rustig, wat ge u nog van de zaak herinnert."
"Dat is niet zoo heel veel, Sir. De Yankee kwam in mijn hut, om afscheid te nemen en bood me een sigaret aan. Toen ik een paar trekken gedaan had, voelde ik eensklaps een groote loomheid over me komen en was het net, of ik alles door een nevel zag. Flauwtjes herinner ik mij, dat Flew mij op mijn slaapbank neerlei. Hoe lang ik daar heb gelegen, weet ik niet, maar ik ben toch weer overeind gescharreld en ben er in geslaagd de deur open te maken en door de frissche lucht, die binnenstroomde, kwam ik weer wat tot mijzelf. Het eerste, wat ik toen opmerkte, was, dat de sleutel van de marconi-kamer niet meer op zijn plaats hing. Dadelijk begreep ik, dat er een schurkenstreek was uitgehaald en ik besloot aan dek te gaan om alarm te maken. Toen ik daar kwam, hoorde ik dat de vlieger al weg was."
"Hoe waren de seingevers vastgemaakt?"
"Ze bevonden zich elk in een kleinen cylinder, waaraan een ring zat, terwijl door die ringen een stalen ketting liep, die aan den wand was bevestigd."
"Zouden ze losgemaakt zijn, toen ze zijn weggenomen?"
"Dat denk ik niet, Sir!"
"Dat maakt het werk heel wat eenvoudiger, wanneer we ernaar gaan dreggen. Nu ga ik weer eens aan dek kijken, hoever men daar gevorderd is."
De sloep was al afgevaren en beschreef langzaam voortdurend kleinere kringen om de ankerboei, die de plaats aanwees, waar het vliegtuig gezonken was. Aan den voorsteven hing aan een stevig touw de dreg.
Op een gegeven oogenblik stopte de sloep en de bemanning begon het touw in te palmen, maar toen eenmaal de kabel strak stond, kon men onmogelijk verder komen: de dreg wilde niet omhoog. Alle krachten werden ingespannen maar alle pogingen waren vergeefsch. Toen besloot men een boei vast te maken aan de lijn van de dreg en het dieplood op te halen. Dit was ingericht voor diepzee-onderzoek, drong met een punt door in den bodem en bracht dan in een kegelvormig bakje eenige deeltjes van dien bodem mee naar boven. Toen het toestel boven water kwam, werd met de grootste nauwkeurigheid de inhoud van het bakje onderzocht, die tot groote verwondering van de officieren bleek te bestaan uit ijzerschilfers, die met roest bedekt waren.
Kapitein Brookes kon die vreemde vondst niet verklaren en gaf bevel de tweede dreg een eind verder uit te werpen. Het dieplood werd opnieuw neergelaten en wees nu aan, dat er zich op vierenzeventig vademen een dikke modderlaag bevond. Met de tweede dreg ging het precies als met de eerste, ze raakte in iets verward en kon niet worden opgehaald. Een poging met de derde dreg was even vruchteloos.
"Daar beneden moet iets bijzonders zijn," zei kapitein Brookes, "en ik ben bang, dat we onze seingevers niet zullen terugzien."
"Mag ik u wat vragen, Sir?"
De kapitein draaide zich snel om en stond nu tegenover Palmer, die nog wel bleek zag, maar overigens geheel hersteld was.
"Wel?"
"Ik ben aansprakelijk voor al wat er gebeurd is en ik hoop in staat te zijn, mijn fout te herstellen. Mag ik met de duikboot dalen?"
"Met de duikboot? Maar ben je niet wijs? Weet je wel, hoe diep het hier is? Tachtig vademen, zoodat de druk op een vierkanten centimeter 224 pond bedraagt."
"De duikboot is bestand tegen een druk van 230 pond, Sir."
"Ik stel uw ijver zeer op prijs, en ik had gaarne onze marconigraaf weer in orde, maar het waagstuk, dat ge voorstelt, mag ik niet toelaten."
"Sir, ik ken de gevaren, waaraan ik mij ga blootstellen en we zullen alle mogelijke voorzorgen nemen. Het zal ook niet noodig zijn, dat we tot op den zeebodem dalen, want we kunnen immers gebruik maken van de electrische dreg."
"Mr. Palmer, ik ken u als een koelbloedig en bekwaam officier en als ge mij wilt beloven, zoo voorzichtig mogelijk te handelen, dan zal ik me verder niet verzetten tegen de uitvoering van het plan. Ge zult vijf man noodig hebben, om de boot te bemannen; we zullen vrijwilligers vragen, dan kunt ge daaruit een keus doen."
"Ik ga mee," zei Gerald vastbesloten.
"Dank je," antwoordde Palmer en stak hem de hand toe, die Gerald hartelijk drukte.
De oproep van vrijwilligers werd niet te vergeefs gedaan, want alle mannen, die wel eens een tocht met de duikboot hadden meegemaakt, meldden zich aan en het was niet zoo gemakkelijk, daaruit een keus te doen. Maar eindelijk kwam men er toch mee klaar en Palmer, Gerald en drie matrozen maakten zich gereed om den avontuurlijken tocht te wagen.
Kapitein Brookes wees hen nog eens op het gevaarlijke van de onderneming en raadde hun aan goed na te denken over den stap, dien ze gingen doen. Hij verzocht Palmer, in geen geval langer weg te blijven dan een uur; was na verloop van dien tijd de boot niet weer boven, dan zou hij het ervoor houden, dat hun een ongeluk was overkomen. En ten slotte gaf hij hun in overweging, eerst een kwartier rust te nemen. Mocht iemand in dien tijd van gedachte veranderen, dan kon hij zich altijd nog terugtrekken.
Toen het kwartier om was, waren de mannen echter nog even vastbesloten en met een krachtigen handdruk namen ze afscheid van hun makkers en scheepten ze zich in.
Langs een spiraalvormige baan met groote kromming daalde de duikboot. Voortdurend zwakker werd de bleek-groene lichtschemering, die door het water drong en de toenemende druk bemoeilijkte meer en meer de beweging van de schroef. Er werd bijna geen woord gesproken, alleen hoorde men de stem van Palmer, die door middel van de draadlooze telephoon kapitein Brookes op de hoogte hield van de vorderingen, die de duikboot bij de daling maakte.
Toen een diepte van vijf en dertig vademen bereikt was, werd het zoo donker, dat men zijn toevlucht moest nemen tot het krachtige electrische zoeklicht. Er was niets te zien, dan een onbegrensde watermassa, die door haar onbeweeglijkheid en verlatenheid een beangstigenden indruk maakte. Zestig vademen! De motor werkte krachtig en er werden groote vonken gevormd, wanneer de schroef door den druk van het water op de bladen, geheel stilstond.
"Wat is dàt?" fluisterde Palmer, terwijl hij naar een dikke streep wees, die de stralen van het zoeklicht doorsneed.
Gerald keek uit en haalde vlug het roer om, ten einde de boot om de lijn heen te sturen.
"'t Is het touw van één van de dreggen."
"Onmogelijk!"
"Toch wel, je hebt niet gedacht aan het gezichtsbedrog, waardoor alles onder water grooter lijkt. We weten nu meteen, dat we niet uit den koers zijn geraakt."
"Is alles in orde beneden, Halliday?"
"Ja, Sir."
"Meld me dadelijk, als er aan 't een of ander te zien is, dat de wanden gebogen worden."
De matroos was even bedaard, als hij geweest zou zijn, wanneer hij veilig en wel op het dek van de Olijftak gezeten had. Hij stelde onvoorwaardelijk vertrouwen in de beide officieren in den toren, ofschoon hij heel goed wist, dat de stalen boot ieder oogenblik in elkaar kon gedrukt worden als een eierschaal door de ontzaglijke kracht van het water.
Plotseling, op een diepte van vijfenzestig vademen, bracht Palmer de boot tot stilstand. Hij en Gerald zagen een tooneel, dat hen beide met vrees vervulde.
Hun vaartuig lag tegenover den top van een berg van zeegras en schaaldieren, waarvan de kern bestond uit het wrak van een prachtig stoomschip.
Palmer bracht de boot in beweging, die nu langzaam rond het sombere gevaarte voer. Spookachtig speelden de stralen van het zoeklicht langs de massa roestig ijzer en staal, overdekt met zeewier. Donker gaapte een geschutspoort, waaruit de loop van het stuk dreigend naar buiten stak, een vervaarlijke toren teekende zijn omtrek af en toonde den loop van twee monsterkanonnen, terwijl een eind verder de overblijfselen van de brug te zien waren, dragend de voor eeuwig zwijgende semaphoren.
Spookachtig was de indruk, die het gezonken vaartuig maakte daar op den bodem der zee. Twee groote schoorsteenen half in elkaar gezakt, hingen nog aan stevige metalen draden en een mast met twee marsen stak omhoog.
Palmer bracht de duikboot achteruit, om niet in aanraking te komen met de gevaarlijke brokstukken van het wrak, die in den omtrek verspreid lagen en de beide officieren riepen tegelijk: "De Victoria!"
Inderdaad hadden ze daar de treurige overblijfselen gezien van een prachtig slagschip, dat twintig jaar vroeger was ondergegaan. Een groot verlies had die ondergang veroorzaakt voor de Britsche vloot. Op een diepte van tachtig vademen rustte de Victoria, nadat ze geramd was door de Camperdown en door een zonderlingen samenloop van omstandigheden was de duikboot van de Olijftak op dezelfde plek gedaald.
"Als de seingevers tusschen de overblijfselen van het wrak zijn terecht gekomen, zijn we ze stellig kwijt," zei Palmer.
"Daardoor konden we de dreggen niet ophalen, ze raakten hier vast," voegde Gerald erbij. "Maar, wat de seingevers aangaat, ik geloof niet, dat ze op het wrak zijn terecht gekomen, want de vliegmachine zal bij 't zinken door den weerstand van de vleugels wel een spiraalvormiger weg gevolgd zijn. We moeten maar goed in de omgeving rondkijken. Zijn we ver genoeg achteruit gegaan om te keeren?"
"Ik denk het wel," antwoordde Palmer, die nu bevel gaf langzaam vooruit te gaan, terwijl hij het roer omzette.
Vijf en zeventig vademen; nog maar dertig voet van den zeebodem! Het zoeklicht, hoe sterk ook, kon slechts een zwak lichtschijnsel doen dringen door de modderlaag, die den bodem vormde van deze water-woestijn.
"De boot houdt zich prachtig," zei Palmer met voldoening. "Er is nergens een zwakke plaats te vinden."
"Ja, we behoeven niet bang te zijn. Laten we nu maar goed uitkijken."
In groote cirkels ronddraaiend, zette de boot haar onderzoekingstocht voort.
Het zoeklicht bescheen een plek, die de meest denkbare verlatenheid te aanschouwen gaf. In niets kwam het hier overeen met de afbeeldingen, die kunstenaars maken van de ruimte onder den zeespiegel. Geen zacht, groenig licht, geen wapperend zeewier en zilver- of goudgeschubde visschen, maar een uitgestrekt gebied van dikken modder en daarboven donker water, dat geen licht doorliet.
Gerald begon te wanhopen aan den uitslag van hun onderneming, want ze dwaalden op goed geluk in den doolhof van modder, zonder eenige aanwijzing voor den weg, dien ze hadden te volgen. Hij keek op zijn horloge en zag, dat het kwartier vóór vijven was. Binnen vijf en twintig minuten zou de boot weer aan de oppervlakte moeten zijn, anders zou kapitein Brookes gaan denken, dat er een ongeluk gebeurd was.
"Hoe is het met de lucht beneden?" riep Palmer.
"Zuiver genoeg, Sir; de muizen zijn zoo vroolijk als 't kan," antwoordde een van de matrozen.
Gerald greep op dat oogenblik Palmer bij den arm en wees naar buiten en toen de luitenant de aangewezen richting met de oogen volgde, bemerkte hij een verwarde hoop gebogen aluminiumstangen en zeildoek. Daar lag het vernielde vliegtuig. Tusschen de overblijfselen van zijn machine lag het lijk van den aviateur.
De eerste opwelling, die de beide jongemannen kregen, was er een van afschuw van dit treurige tooneel en onwillekeurig wendden ze het hoofd af, maar ze begrepen toch, dat ze moesten uitkijken naar de seingevers, hoezeer het hun ook tegenstond. De boot was tot stilstand gebracht en rustte met de kiel op de modderlaag, terwijl het koude zoeklicht strak gericht bleef op het beklagenswaardig slachtoffer van het treurspel.
"Daar zijn ze, geloof ik; daar onder zijn jas. Zie je die bobbels wel?" riep Palmer.
"Dat zal wel zoo zijn," stemde Gerald mee in. "En wat moeten we nu doen, denk je?"
"Recht boven de vliegmachine zien te komen, de electrische dreg in werking brengen en dan de ballast-tank laten leegloopen."
"Ben je niet bang, dat we er tegenaan varen en dat de schroef erin verward zal raken?"
"We zullen voorzichtig zijn. Vooruit, daar gaan we!"
Langzaam bereikte de boot haar doel; de dreg werd neergelaten en greep het verongelukte vliegtuig.
"Langzaam omhoog!"
De motoren, die den druk van het water op de schroefbladen moesten overwinnen, hadden spoedig de grenzen van haar kracht bereikt, maar hoe ze ook werkten, de duikboot bleef onbeweeglijk aan den zeebodem verankerd. Een poosje later zakte ze met korte rukken hulpeloos in de modderlaag.
"Maak de voorste ballast-tank leeg," commandeerde Palmer bedaard.
Twee mannen wilden het bevel uitvoeren, maar al hun inspanning was vergeefsch, want de druk van buiten was zoo sterk, dat het water niet uit de pomp kon worden gestuwd.
"Schei er maar mee uit," zei Palmer, toen hij zag, dat dit middel niet kon worden toegepast. "Wat moeten we nu beginnen?" fluisterde hij tot Gerald.
"Laat met alle kracht achteruit werken."
Een oogenblik scheen het, of deze beweging gunstige gevolgen hebben zou: de boot ging omhoog, maar spoedig kwam de teleurstelling, want ze zakte weer terug naar haar vorige plaats.
"Ook al vergeefsch!" riep Palmer spijtig. "Nu zijn al onze middelen uitgeput; zeg niets, waardoor de mannen den moed zouden kunnen verliezen, maar ik heb geen hoop meer op redding."
Gerald antwoordde niet. Werktuiglijk keek hij op zijn horloge: er was een uur en twintig minuten verloopen, sedert ze de Olijftak hadden verlaten.
HOOFDSTUK XXIII.
Toch nog gered.
"Het zoeklicht kunnen we wel dooven," zei Gerald.
"Het is ons verder van geen nut en we moeten zuinig zijn met de lucht."
"We hebben nog zuurstof voor twee uur," merkte Palmer op, "we moesten de motoren maar met volle kracht vooruit laten werken; schaden kan dat niet en hoe langer we stil blijven liggen, des te dieper zinken we in de modder."
De motoren werden aangezet, maar een gunstige uitwerking had dit niet; de toestand bleef even gevaarlijk.
Palmer stelde nog voor, alle torpedo's uit te werpen, om daardoor het gewicht van de boot te doen verminderen, maar Gerald toonde hem aan, dat dit een zeer gevaarlijk middel zou blijken, doordat er alle kans bestond, dat er dan water in de luchtkamer zou stroomen. Dit plan werd dus ook opgegeven.
"Neem me niet kwalijk, Sir," riep één van de matrozen, "maar zullen we hier voor goed moeten blijven?"
"'t Begint er wel naar te lijken," antwoordde Palmer openhartig.
"Laat mij er dan uit door de luchtklep; ik wil het er op wagen en neem een kabel mee omhoog. We hebben wel honderd vademen touw aan boord."
"Onmogelijk, man, je zoudt worden doodgedrukt."
"We zullen er toch iets op moeten vinden, Sir. De zuurstof lijkt op te raken, want de muizen worden slaperig."
"Ik dacht, dat we nog voor twee uur genoeg hadden."
"Ik ook, Sir, maar dat is bepaald een vergissing geweest."
"Dan moeten we onze toevlucht nemen tot de zuurstofmaskers. Haal ze te voorschijn. Daarmee kunnen we tenminste ons leven een paar uur verlengen, ofschoon ik niet inzie, wat dit ons eigenlijk geeft."
Langzaam kropen de minuten om. Een enkel gloeilampje verlichtte het treurige tooneel, dat het inwendige van de duikboot te zien gaf. De bemanning begreep, dat ze levend begraven waren.
"We moeten toch probeeren, in verbinding te komen met de Olijftak," zei Gerald, met een krachtige poging om zich te verzetten tegen de loomheid en slaperigheid, die over hem kwamen. "Laten we een rapport opmaken van onze wederwaardigheden; we kunnen het in één van de torpedo's sluiten en die naar boven schieten."
"Waartoe kan dat dienen?" vroeg Palmer. "Ze kunnen ons toch niet helpen."
"Ze zullen dan tenminste weten, wat we hier ontdekt hebben en dat we onzen plicht hebben gedaan."
"Vooruit dan maar; ik blijf het echter als vergeefsche moeite beschouwen."
Gerald maakte nu een kort verslag op, van hetgeen ze hadden ondervonden, dat door hem en Palmer onderteekend werd. Het stuk werd in een torpedo gesloten, die daarna werd gelanceerd.
Toen er niets meer te doen was, bereidde de bemanning zich voor op het ergste. Een eigenaardig gevoel maakte zich van hen meester. Oogenschijnlijk onverschillig voor het dreigende gevaar, zaten ze bij elkaar met het hoofd gebogen op de armen, die gekruist op tafel rusten. Zoo gevoelden ze de slaap over zich komen, die den dood zou voorafgaan. De witte muizen, zoo uiterst gevoelig voor onzuiverheid in de lucht, waren gestorven en het eenige geluid, dat men hoorde in deze schrikwekkende omgeving, was het gerucht van de dynamo en de moeilijke ademhaling van de ongelukkige zeelieden.
Hoe lang Gerald in dien staat van halve verdooving had doorgebracht, wist hij zich later niet meer te herinneren; begrip van tijd en plaats had hij niet meer. Hij wist welk lot hem wachtte en toch was hij er onverschillig voor.
Plotseling werd zijn oor getroffen door een geluid van twee stukken metaal, die tegen elkander bonsden; hij hoorde het, maar lette er verder niet op. Er schoof iets langs de buitenzijde van de boot en dat bracht hem aan het droomen van één van die reusachtige zeemonsters, die alleen op zeer groote diepte leven en een enkele maal op het strand worden geworpen.
Langzaam begon de voorsteven van het vaartuig te rijzen.
Met een schok richtte Gerald zich op; hij kon niet gelooven aan de juistheid van hetgeen hij meende op te merken. Zijn makkers, die geheel bezwijmd waren, rolden van hun zitplaatsen op den vloer. Hij greep zich vast aan de onderste sport van de ladder, die naar den commando-toren voerde en probeerde zijn gedachten meester te worden en een verklaring te vinden voor het wonderlijke verschijnsel, dat de boot, die hulpeloos op den zeebodem lag, plotseling omhoog steeg.
En weer voelde hij over zich komen, maar nu sterker dan straks, dat gevoel van doffe slaperigheid. Zijn kracht begon hem te begeven, hij zou de ladder moeten loslaten en hij was op het punt neer te vallen bij zijn makkers, die daar over elkaar op den vloer lagen — dood misschien — toen er eensklaps een stem duidelijk riep: "Maak de ballasttanks ledig!"
Het geluid kwam uit den ontvanger van de draadlooze telephoon en de boot moest wel een flink stuk gestegen zijn, om het toestel weer geschikt te maken voor zijn dienst.
Met groote inspanning sleepte Gerald zich naar de tank midscheeps en greep den hefboom van de pomp. Hij haalde de stang over en de pomp begon te werken.
Helder zonlicht stroomde plotseling door de venstertjes van den commando-toren. Gerald strompelde tegen de ladder op en schoof den zwaren grendel weg, maar hij was niet in staat de metalen afsluitplaat opzij te krijgen. Het duizelde hem en er kwam een waas voor zijn oogen; doch dat duurde maar een oogenblik. De onderzeeër had de oppervlakte bereikt en een onderofficier van de Olijftak had den sprong naar 't dek van het kleine vaartuig gewaagd. Hij had den commando-toren opengerukt en Gerald naar buiten getrokken, waar deze in de frissche lucht weer tot zich zelf kwam.
"Breng vlug de mannen over!" riep kapitein Brookes. "'t Is te hopen, dat ze nog niet allen dood zijn."
Gerald was het eerst op het dek van de Olijftak en geleund op den arm van zijn vriend Stockton strompelde hij naar de campagneladder om zijn hut op te zoeken.
"'t Is een mooie geschiedenis," hoorde hij kapitein Brookes zeggen. "'k Had nooit gedacht, dat Palmer zich niet aan mijn bevelen zou houden en er is tenslotte niets mee gewonnen ook."
Gerald liet zijn vriend los, richtte zich op uit zijn gebogen houding, liep naar den kapitein en zei: "Neen, Sir, er is wel wat mee gewonnen. Het vermiste deel van de marconigraaf hangt onder de boot."
Deze laatste inspanning had zijn krachten geheel uitgeput en als luitenant Sinclair hem niet gegrepen had, zou hij op het dek zijn neergevallen.
"We dachten, dat het met jullie allemaal gedaan was, toen het uur verstreken was en de boot niet bovenkwam," zei Stockton den volgenden morgen.
"Dat begreep ik wel, maar hoe zijn ze erin geslaagd ons omhoog te krijgen?"
"Vooreerst doordat de fortuin gunstig was en dan door het flink optreden van kapitein Brookes. Zoodra we vreesden, dat er iets met de duikboot gebeurd was, zond hij een paar mannen naar het kabelruim, om de groote dreg gereed te houden. De dynamometer gaf slechts een zeer zwakken stroom aan. ——"
"Dat moet dan geweest zijn, nadat wij het zoeklicht hadden gedoofd en de motors hadden stopgezet."
"In elk geval was de aanwijzing voor ons voldoende om de ligging van de duikboot te bepalen. Driemalen werd de dreg zonder eenig gevolg neer gelaten en terwijl we daarmee bezig waren, kwam er een torpedo boven."
"Ja, we hebben er één afgeschoten en wel zóó, dat de schroef van het projectiel niet kon werken, waardoor het bijna loodrecht omhoog ging."
"Toen de torpedo boven water kwam en dat gebeurde op een bootlengte van de sloep af, vloog ze nog wel twintig voet de lucht in. Als ik er niet bij geweest was, zou ik het niet hebben willen gelooven. We hebben het projectiel daarna aan boord gehaald en onderzocht, waarbij het schrijven, dat erin geborgen was, te voorschijn kwam."
"We wisten nu, dat jullie waarschijnlijk allemaal dood waart en dat de boot niet door den waterdruk bezweken was, zooals kapitein Brookes gevreesd had. Eensklaps greep de dreg vast en door een ontzettend groote kracht aan te wenden, kregen we den last omhoog. Angstige oogenblikken volgden nog, omdat we niet wisten, of de kabel het wel uithouden zou. Maar alles is goed afgeloopen, zooals je weet."
"Hoe gaat het met Palmer?"
"Slecht. Hij was ook nog niet heelemaal hersteld van die opium-vergiftiging en daarop weer deze geschiedenis. De andere mannen knappen flink op; maar Gerald, neem je scheerspiegel eens en houd hem zóó, dat je je achterhoofd zien kunt."
Tregarthen deed, wat zijn vriend zei, en tot zijn groote verbazing zag hij in zijn donkerbruin haar een witte plek, ter groote van een manshand.
"Dat is vreemd, Jack. Ik herinner me, dat ik naar mijn hoofd gegrepen heb, toen de boot begon te stijgen."
"Je hebt voor je verder leven tenminste een herinnering aan je verblijf op een diepte van tachtig vademen onder het zeevlak."
"Daar heb ik geen uiterlijke herinnering aan noodig," zei Gerald, terwijl hem een rilling overviel.
"Komaan, 't is alles nu voorbij en goed afgeloopen ook. Maar weet je, wat heel vreemd was in de beschrijving van jullie wederwaardigheden, die in de torpedo naar boven kwam? Dat er met geen enkel woord gesproken werd over de seingevers van het marconi-toestel en daar was toch alles om begonnen."
HOOFDSTUK XXIV.
Een mislukte aanslag.
De teruggevonden seingevers hadden niet geleden van het water, dank zij de stalen cylinders, waarin ze besloten waren.
Een duiker had ze met het lijk van den aviateur naar boven gebracht en daarna liet men de beschadigde vliegmachine, waarvan men toch geen nut kon hebben, weer zinken. Den ongelukkigen Flew wilde men met de plechtigheden, die aan boord gebruikelijk zijn, een graf in de golven geven maar voor men daartoe overging, werd er nog een belangrijke ontdekking gedaan. Tusschen de beide lagen van zijn rubber-overjas werden papieren gevonden, waaruit bleek, dat hij geen Amerikaan was. Hij stond als politiek agent in dienst van een van de groote mogendheden van het Europeesche vasteland en had een opdracht, om zich zooveel mogelijk op de hoogte te stellen van alle bijzonderheden omtrent de Olijftak. Zijn vlucht over de Straat van Messina was een onderdeel van een vooraf beraamd plan en hoewel de val van zijn machine onder invloed van de Z.-stralen niet was voorzien, had die hem toch goede diensten bewezen voor het bereiken van zijn doel.
De schade, die aan de inrichting voor de Z.-stralen was toegebracht, bleek zeer belangrijk. Om ze te herstellen moest het groote bord in den commando-toren worden losgebroken, om de draden tusschen de dynamo en den toren te kunnen bereiken. Gedurende die werkzaamheden zou er ook geen gebruik kunnen gemaakt worden van de Z.Z.-stralen, zoodat het geen wonder was, dat kapitein Brookes aanspoorde tot den grootsten spoed bij den arbeid, om zoo gauw mogelijk weer over al zijn krachten te kunnen beschikken.
Men bevond zich in de nabijheid van de Santorineilanden en de kapitein besloot daar voor anker te gaan, om dan meteen van dit oponthoud gebruik te maken om de kiel van het vaartuig te reinigen.
De eilandengroep was van vulcanischen oorsprong, wat duidelijk bleek uit de aanwezigheid van talrijke zwavelbronnen. Een groot voordeel was het, dat het water van die bronnen uitstekend geschikt was om het zeewier en de schaaldieren, die zich aan de kiel hadden gehecht, te dooden en weg te nemen. Langer dan anderhalf etmaal zou men niet noodig hebben voor de reiniging van het schip.
"Wat zoudt ge zeggen van een bezoek aan het grootste eiland, mijne heeren?" vroeg kapitein Brookes in den kring van zijn officieren. "De krater op Megalos moet zeer belangwekkend zijn."
"Ik zal graag van de partij zijn," riep Sinclair, "als ik tenminste van boord kan gemist worden."
Gerald, Stockton, Temple en Slade meldden zich ook aan, om deel te nemen aan het uitstapje.
"Best," zei de kapitein, "maar denkt eraan niet te dicht in de nabijheid van de heete springbronnen te komen. Blijft ook zooveel mogelijk in zicht van ons schip en keer dadelijk terug, wanneer ik daartoe een sein geef."
Na een moeilijken en afmattenden tocht van twee uur hadden de officieren den rand van den krater bereikt. Ze zetten zich neer om uit te rusten en kwamen onder den indruk van de doodsche stilte en verlatenheid te midden van dit woeste natuurtooneel.
Eensklaps echter sprong Jack Stockton op en riep: "Kijk eens, wat is dat daarginds?" Hij wees naar een langwerpig geelachtig voorwerp, dat op een afstand van eenige honderden meters in een diepe vallei in de lucht zweefde.
"Dat is een luchtschip — een van het Zeppelin-type," zei Gerald. "Wat zou dat ding hier komen uitvoeren?"
"Je hebt gelijk," riep Sinclair, die zijn zeekijker gebruikte. "Dat is wel een zonderlinge ontdekking. Het luchtschip ligt blijkbaar voor anker."
"Kijk en daar komen een paar mannen dezen kant uit; ze kwamen langs een touwladder naar beneden. 'k Ben benieuwd, of ze ons hebben opgemerkt."
"Dat denk ik niet. Ze doen anders wel geheimzinnig! 'k Geloof niet, dat ze veel goeds in den zin hebben. We moesten ons verdekt opstellen, om te zien, wat ze in hun schild voeren."
De eenige dekking van beteekenis werd gevormd door een boschje verdorde doornstruiken. Er zaten geen bladeren aan, maar als de officieren er achter gingen liggen, plat op den grond tusschen de verspreide rotsblokken, dan waren ze vrij goed verborgen en konden de bewegingen volgen van de mannen van het vreemde luchtschip.
Deze hadden het blijkbaar ook op het doornboschje gemunt. Ze waren met hun drieën, zwaar gebouwde mannen in bruine uniformen. Eén van hen droeg een revolver in een foudraal op zijde, terwijl de anderen ongewapend schenen te zijn en alle drie droegen ze veldkijkers aan een riempje om den hals.
Zonder iets kwaads te vermoeden, kwamen ze naar het doornboschje en plaatsten zich ervoor, zoodat ze slechts door enkele takken van Gerald en zijn vrienden gescheiden waren. Ze namen hun kijkers ter hand en richtten die nieuwsgierig op de Olijftak. Doordat ze zich voor het boschje geplaatst hadden, staken ze niet af tegen de heldere lucht en liepen dus geen gevaar door de schepelingen te worden opgemerkt.
"Daar ligt dan het schip," riep een van de vreemdelingen in een taal, die Gerald en Sinclair gemakkelijk aan de keelklanken herkenden. "Adolf heeft dus wel gelijk gehad."
"Zoo gezien lijkt het schip niet bijzonder sterk."
"'t Uiterlijk bedriegt dikwijls, kapitein Dorge. Maar laten we daar niet over twisten. In allen gevalle ligt daar het schip en hebben we een prachtige gelegenheid om het uit den weg te ruimen."
"Zou veertig kilogram van de springstof voldoende zijn?"
"Genoeg om het schip geheel te vernietigen. Vóór de maan om twee uur opkomt moeten we klaar zijn."
"En als we missen?"
"Onmogelijk. Ik zal de 'Vorwärts' vlak boven het vaartuig brengen en laten dalen tot op dertig meter afstand van het dek. Ze zullen daar aan boord op deze plaats geen aanval verwachten en stellig niet uit de lucht."
Gerald stootte Sinclair veelbeteekenend aan en deze waarschuwde Temple met een gebaar, dat geen naderen uitleg behoefde en dat ook door Stockton begrepen werd.
"Vooruit!" fluisterde Sinclair.
Tegelijk sprongen de vier mannen overeind, drongen door de struiken en wierpen zich op de verbaasde vreemdelingen.
De man, die als kapitein Dorge was aangesproken, probeerde zijn revolver te trekken, maar Gerald had zijn armen om hem heen geslagen en Jack Stockton maakte zich meester van het wapen. Hij werd op den grond geworpen, waar Stockton hem gemakkelijk in bedwang hield.
Temple, een pootige Schot, had het gauw klaargespeeld met zijn tegenstander, maar Sinclair had meer moeite en deze slaagde eerst na een woedend vuistgevecht erin zijn vijand neer te vellen.
"Wat moeten we nu doen?" hijgde Gerald, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wischte.
"De kerels naar boord brengen," meende Sinclair. "We hebben dan drie gijzelaars in handen, die ons een goed gedrag van de verdere bemanning van het luchtschip waarborgen."
"Gemakkelijker gezegd dan gedaan."
"'t Zal meevallen. Maar we moeten op onze hoede zijn, want die vriend daar begint ook al bij te komen, 't lijkt dat de opstoppers, die ik hem toegediend heb, hebben uitgewerkt."
Al pratende had Sinclair den twee gevangenen beduid, dat ze moesten opstaan. Hij plaatste ze vlak naast elkaar en bond toen den rechterarm van den een met een riem aan den linkerarm van den ander. Als meerdere voorzorg bond hij nog de duimen aan elkaar met een dun touwtje.
Intusschen hadden Gerald en Stockton den nog half bezwijmden officier op de been geholpen en tusschen hen in genomen, en toen werd de terugtocht naar het schip ondernomen. Temple hield met de revolver in de vuist, de gevangenen scherp in het oog, zoodat ze niet aan eenig verzet denken konden.
Twee uren hadden de vrienden noodig gehad om den krater te bereiken, maar den terugweg legden ze af in twintig minuten en toen ze het strand bereikten, vonden ze daar een boot om hen naar boord terug te brengen.
"Wat is er aan de hand heeren?" vroeg kapitein Brookes, toen het gezelschap het campagne-dek bereikte. "Ik had al door den kijker gezien, dat er iets bijzonders gebeurde."
Gerald bracht een kort verslag uit, van hetgeen ze ondervonden hadden.
De kapitein fronste de wenkbrauwen en zei: "dat is slecht nieuws. Het versterkt me in mijn vermoeden, dat er in Europa iets broeit. Toch bericht onze agent in Swanage nog daareven in een marconigram, dat alles rustig is en er geen onmiddellijk oorlogsgevaar dreigt. Maar in allen gevalle is het uitstekend, dat ge het helsche plan van deze lieden verijdeld hebt. Ik zal nu eerst eenige vragen stellen aan uw gevangenen."
Op een desbetreffende vraag, gaf de oudste der drie vreemde officieren te kennen, dat hij Hans von Rippach heette, doch kapitein Brookes meende alle reden te hebben, te veronderstellen, dat hij een lid van een der voornaamste Europeesche vorstenhuizen vóór zich had.
"En," vervolgde hij, "mag ik de reden weten, waarom ge van plan waart, mijn vaartuig verraderlijk te overvallen in neutraal zeegebied?"
"Aan een zeeroover geef ik geen verklaring van mijn daden," antwoordde de ander op onbeschofter toon.
De kapitein brak toen dadelijk het gesprek af en gaf bevel de gevangenen naar beneden te brengen en ze onder gewapend toezicht in een hut op te sluiten.
"En moet nu het luchtschip geen lesje hebben?" vroeg luitenant Sinclair. "We kunnen zonder veel moeite een zesponder aan wal brengen."
"Dan komt de bevolking van het eiland in rep en roer. Ik denk me tegenover de Zeppelin alleen tot verdediging te bepalen. Durven ze ons aanvallen, dan kunnen ze op een warme ontvangst rekenen, maar wij moeten alle krachten inspannen om zoo gauw mogelijk klaar te komen. Onmiddellijk zetten we dan koers naar de Engelsche wateren, want ik heb een voorgevoel, dat er heel spoedig een oorlog in Europa zal uitbarsten."
Vóór de nacht viel had de Olijftak Santorin verlaten en was op weg naar de Straat van Gibraltar. Onophoudelijk werd er naar den agent te Swanage geseind om inlichtingen, zoodat de man eindelijk kort en goed antwoordde, dat er niets gebeurde en dat hij dus verder niets zeggen kon.
Vier uren na het doorvaren van de Straat kwam er echter een marconigram binnen, dat groote opschudding verwekte. Het luidde: "Duitschland en Oostenrijk zijn de vijandelijkheden tegen Engeland begonnen."
HOOFDSTUK XXV.
De groote Zeestrijd.
Binnen een paar uren was de geheele bemanning op de hoogte van den staat van zaken, tenminste voor zoover de Engelsche agent die kon meedeelen. Er hadden belangrijke gebeurtenissen plaats, maar over het geheel was men onkundig omtrent de eerste voorvallen op het tooneel van den strijd.
Drie groote Europeesche Staten hadden een geheim verbond gesloten tegen Engeland en zoo geheimzinnig was men te werk gegaan, dat het Ministerie van Buitenlandsche zaken van het Britsche rijk er niets van te weten was gekomen. Om in staat te zijn den gemeenschappelijken vijand onverwacht op het lijf te vallen, hadden de bondgenooten gelijktijdig groote herfst-manoeuvres aangekondigd voor hun vloten in den Atlantischen Oceaan. Zoo konden ze zonder argwaan te wekken, een groote scheepsmacht bijeenbrengen op een afstand van twaalf uur stoomens van de zuidkust van Engeland.
Terwijl dit plaats had, kruiste het grootste gedeelte van de Britsche vloot op de westkust van Schotland en Ierland en een grooter aantal schepen dan gewoonlijk lag in de havens om de schade te herstellen, die ze bij onvoorziene ongevallen hadden beloopen. Daarover kon dus de opperbevelhebber, Sir Protheroe Hobbes niet beschikken.
In de week, die vooraf ging aan het uitbreken van den oorlog, waren er verschillende dingen gebeurd, waarvan men toen de beteekenis niet overzag.
Een groot vrachtschip, dat op naam stond van een Engelsche reederij en geladen met Noorsch graniet voor de havenwerken, raakte bij het binnenvaren van de haven van Portsmouth aan den grond. Dit gebeurde juist tegenover de Round Tower, waar de invaart het smalst is. Onder den invloed van den krachtigen vloedstroom zwaaide het schip rond en tegelijkertijd had er midscheeps een zoo hevige ontploffing plaats, dat het in tien minuten zonk. Hierdoor was het vaarwater versperd en lagen er zes krachtige eskaders van de Britsche marine in de haven opgesloten.
Op denzelfden dag had er een geheimzinnige aanslag plaats in Schotland; de middelste bogen van de brug over de Forth werden opgeblazen. Deze misdaad werd toegeschreven aan anarchisten, die in den laatsten tijd bijzonder krachtig optraden. Gelukkig gingen er geen menschenlevens bij verloren, maar de gevolgen waren ernstig genoeg, want zoolang de vergruizelde steenmassa niet was weggeruimd, was de maritieme basis van Rosyth geheel onbruikbaar.
Den volgenden avond verlieten de gezanten van de verbonden staten Londen en zonder voorafgaande oorlogsverklaring begonnen de vijandelijkheden.
Begunstigd door de duisternis deed een vijandelijke luchtvloot een aanval op de voornaamste zeemagazijnen voor de Engelsche strijdmacht. De aanval op Priddy's Hard Magazine mislukte door het koelbloedig optreden van een jongen luitenant-aviateur, die het luchtschip aanviel en verdreef, maar de vijand slaagde er in de magazijnen van Bedenham, Chattenden en Bull Point te bombardeeren. Het luchtschip, dat den aanval op het laatste punt deed, daalde zoo laag, dat het zelf beschadigd werd door de ontploffingen, die het veroorzaakte en genoodzaakt was te landen. De bemanning werd onmiddellijk gevangen genomen.
Een klein kustvaartuig, dat Plymouth Sound binnenvoer, stootte op een onderzeesche mijn op een paar kabels lengte van de Mewstone en verging met man en muis. Bij onderzoek bleek nu, dat er in het Kanaal een groot aantal drijvende mijnen waren gestrooid, zoodat een oorlogsschip, dat de haven van Plymouth wilde verlaten, een zekeren ondergang tegemoet ging.
Intusschen trachtten de Verbondenen, die beschikten over een meerderheid van zeven Dreadnoughts en super-Dreadnoughts, elf gepantserde kruisers en ruim twintig torpedovernielers, de vloot van Admiraal Hobbes van haar basis af te snijden en te noodzaken tot het aannemen van een zeestrijd. Was de vloot vernietigd, dan zou een gering aantal landingstroepen voldoende zijn om het Koninkrijk in enkele weken te veroveren en dan zouden zeker de ondergang en verdeeling van het rijk volgen.
Admiraal Hobbes kreeg per marconigram bericht van het uitbreken van den oorlog en gaf onmiddellijk bevel aan zijn vloot, koers te zetten naar het Engelsche Kanaal.
Zijn bekende moed en doortastendheid deden hem niet rekenen met de meerdere sterkte van den vijand: hij besloot aan te vallen en wilde trachten een beslissenden slag te slaan.
Bij het aanbreken van den dag, volgende op het vertrek van de Britsche vloot van Bantry Bay, brachten twee kleine torpedojagers, die op verkenning waren uitgeweest, de tijding, dat de vijandelijke schepen zich in slagorde bevonden in noordwestelijke richting.
Deze inlichtingen waren wel juist, maar onvolledig, want een andere krachtige vijandelijke divisie stoomde in het zuid-westen evenwijdig aan de waargenomen scheepsmacht. De Engelsche vloot zou zich dus tusschen twee vuren bevinden, zoodra de strijd zou aanvangen.
Admiraal Bloch, die bevel voerde over de vereenigde vijandelijke vloten, had zijn maatregelen dus op uitstekende wijze genomen, maar hij had geen rekening gehouden met de Olijftak. Hij was de man die het plan gevormd had, om dat machtige schip te doen vernietigen door een Zeppelin.
De bemanning van het luchtschip had wel telegraphisch bericht gezonden van het mislukken der onderneming, maar ongelukkigerwijze had een Grieksch postbeambte het codewoord voor "ontsnapt" verwisseld met dat voor "vernield."
Nu meende admiraal Bloch, dat er van de Olijftak geen gevaar meer te duchten was en hij aarzelde niet langer een ontmoeting te zoeken met de Britsche vloot, die wel sterk, maar in aantal schepen zijn mindere was.
Intusschen kliefde de Olijftak de baren van de Golf van Biscaye. Op een afstand van tweehonderd mijlen haalde ze een transportschip in, dat, onbekend met de dreigende gevaren, naar het vaderland stoomde. Kapitein Brookes bracht den commandant op de hoogte van den oorlogstoestand, waarop het vaartuig den steven wendde en onder daverend "hoezee" van de troepen, die het aan boord had, koers zette naar Gibraltar.
Wat er aan de electrische toestellen van de Olijftak ontbrak, was weer geheel in orde gebracht. De 15 c.M. granaten waren geladen met de verschrikkelijke ontploffingsstof en alle waterdichte schotten gesloten. Niets was verzuimd om het schip gereed te doen zijn voor het moeilijke werk, dat wachtte.
Eindelijk werd in de verte in het noordwesten het doffe gerommel van een kanonnade gehoord; de voorhoede van de vloot van admiraal Bloch was in aanraking met den vijand gekomen.
Het werd een langdurige en hevige strijd. De Britsche vloot, die in dubbele linie een frontaanval deed, leed groote verliezen. Admiraal Bloch week onder krachtig vuren terug, gebruik makend van mijnen en torpedo's, totdat de tweede divisie de Engelsche vloot in de flank kon aanvallen.
Binnen twintig minuten waren de Engelsche Orion en Thunderer in den grond geboord, terwijl de Princess Royal, Vanguard, Inflexible en Foudroyant buiten gevecht gesteld waren. Ondanks het uitstekende stelsel van waterdichte schotten maakten de schepen veel water en waren de krachtige centrifugaal-pompen bijna niet in staat ze drijvende te houden. Vooral de Foudroyant was zoo ernstig beschadigd, dat het schip onmogelijk verder aan den strijd kon deelnemen.
Admiraal Hobbes kon er niet aan denken zijn beschadigde schepen te beschermen. Hij moest ze aan hun lot overlaten en gaf den kapiteins het bevel, te trachten Haulbowline te bereiken en een ontmoeting met zwervende kruisers van den vijand te vermijden.
Deze had ook zware verliezen geleden. Het groote slagschip Kronprins Gustav was ernstig beschadigd in een strijd met de King George V en bevond zich in zinkenden toestand. De Askoldin en de Trodet waren ondergegaan en in de diepte verdwenen, terwijl de Styx, de Von der Flack en Gelion, tot wrakken geschoten, met moeite de andere schepen volgden. Ze werden door de Engelsche vloot ingehaald en gaven zich onvoorwaardelijk over, doch admiraal Hobbes kon er niet aan denken, ze in bezit te nemen.
Eensklaps sprong met donderend geraas een kleine kruiser uit elkaar, die op een afstand van twee kabelslengte achter de Donetz — het vlaggeschip van Bloch — aanstoomde. Admiraal Hobbes had niet meer verheugd kunnen zijn, wanneer één van de super-Dreadnoughts van den vijand was ondergegaan, want het verongelukte schip was de Hekla, een bekende, gevaarlijke mijnenlegger.
Zoo hadden de Verbondenen dus één schip meer verloren dan de Engelschen, maar die uitslag was voor de laatsten verre van bevredigend. Bleven gedurende den verderen strijd de verliezen in dezelfde verhouding, dan zouden de vijanden, na geheele vernietiging van de Engelsche vloot, nog beschikken over een overschot van elf schepen, ongerekend de divisie van Vice-Admiraal Neboff.
Tegen den middag bevonden de vijandelijke vloten zich met een front van ongeveer twaalf mijlen in de nabijheid van kaap Lizard. De Britsche vlootvoogd keek verlangend uit naar versterking voor zijn scheepsmacht en hoopte, dat een eskader uit Devonport een flankaanval zou doen op den vijand. Daar de installatie voor draadlooze telegraphie gedurende den strijd van zijn schip overboord was geschoten, was zijn verbinding met den wal verbroken en kon hij dus niet om hulp vragen.
Zijn hoop werd niet verwezenlijkt. Er kwam geen versterking, maar wel kreeg hij van één van de kleine vaartuigen, die als verkenners dienst deden, het onrustbarende bericht, dat een nieuwe vijandelijke divisie de vloot naderde.
Een half uur later openden de schepen van Admiraal Neboff het vuur.
Admiraal Hobbes begreep nu, dat hij zich in een hoogst gevaarlijken toestand bevond, tusschen twee vuren. Hij zou moeten kiezen tusschen een smadelijke vlucht, of een strijd op leven en dood. De keus viel hem niet moeilijk: hij besloot te strijden, zoolang er nog een enkel schip zich boven water houden kon.
In dit gevaarvolle oogenblik naderde uit het zuidoosten een kruiser, die de golven met verbijsterende snelheid doorsneed. Admiraal Hobbes volgde het vreemde vaartuig met zijn kijker in gespannen verwachting. Toen het op een afstand van ongeveer een mijl voorbij de half ontredderde Herzog voer, loste deze een kanonschot. Onmiddellijk volgde het antwoord: de Herzog werd als een kaartenhuis in elkaar geschoten en verdween in een wolk van rook en stoom onder de oppervlakte der zee.
"De hemel zij gedankt!" riep de Britsche Admiraal in geestdrift uit, "daar is de Olijftak!"
HOOFDSTUK XXVI.
De Olijftak toont haar kracht.
Gedurende de drie dagen en nachten, die aan de verschijning van de Olijftak op het tooneel van den strijd voorafgingen, was kapitein Brookes haast niet uit de kleeren geweest. Hij had zich tevreden gesteld met een nachtrust van hoogstens twee uur en het leek wel, of hij niet meer slaap noodig had. De ontzettende lichamelijke en geestelijke inspanning, die in deze dagen van hem gevergd werden, deden zich echter van dag tot dag meer gevoelen.
Gerald spoorde hem herhaaldelijk aan, toch meer rust te nemen, maar dan was zijn gewone antwoord: "als we deze zaak hebben afgedaan, zal ik tijd in overvloed hebben om te rusten, dan zal mijn levenstaak volbracht zijn."
Na een van die gesprekken noodigde hij Gerald uit, hem te vergezellen bij een bezoek, dat hij aan de gevangenen wilde brengen.
Vóór de hut, waarin de officieren van het luchtschip waren opgesloten, stonden twee gewapende matrozen. Bij de komst van den kapitein schoven ze de grendels weg en volgden hem naar binnen, maar deze beduidde hen door een gebaar heen te gaan.
"Goede morgen, Herr Hans von Rippach," sprak kapitein Brookes. "Het spijt me, dat ik u lastig moet vallen met het verzoek, te willen verhuizen naar een hut op het hoofddek, met het oog op mogelijke gebeurtenissen in de eerstvolgende dagen."
"Onder het pantserdek, denk ik?" vroeg de officier in vloeiend Engelsch met een spoor van vreemd accent. "Dat wil dus zeggen, dat ge denkt aan een zeestrijd deel te nemen?"
De kapitein knikte toestemmend.
"En mag ik dan meteen deze gelegenheid waarnemen," vervolgde de officier, "om mijn spijt uit te drukken over de ruwe wijze, waarop ik u heb bejegend bij mijne komst hier aan boord?"
"Gaarne neem ik die verontschuldiging aan, Sir."
"En laat ik dan uw oorspronkelijke vraag ook beantwoorden en mij zelf voorstellen als —"
"Prins E. von Bülow von Ratalewitz, tweede zoon van —," vulde de kapitein aan.
"Dank u, Lord Stanningborough," viel de prins hem in de rede, met een gezicht als van een schermer, die handig een stoot heeft afgeweerd. "Het is me een behoefte u nog eens te herinneren aan uw welgeslaagde meeting te Weenen in 1909."
"Ge hebt gehoord, wat de Prins zei," sprak de kapitein, toen hij tien minuten later met Gerald de gevangenen verliet. "Houd die wetenschap voor u zelf, want tot elken prijs wil ik vooralsnog onbekend blijven."
Gerald had bijna met een "ja, mylord" geantwoord, maar hij bezon zich nog bijtijds en zei: "ja Sir." Hij had den naam van Lord Stanningborough vaak gehoord en wist dat deze een invloedrijk lid van den Raad voor de Verdediging van het Rijk was geweest. In dien Raad had Stanningborough krachtig gestreden tegen de richting, die men daar volgen wilde en dat maakte hem bij velen gehaat. Zijn persoonlijke vrienden beschouwden hem als een verblinden doordrijver, terwijl de regeering geen aandacht schonk aan zijn ernstige waarschuwingen. Geheel teleurgesteld, nam hij toen ontslag en wilde een onderzoekingstocht maken door Uganda. Een maand na zijn aankomst in Afrika was hij echter spoorloos verdwenen.
Er klonk een hoornsignaal: "Aan de stukken!" Uit den commandotoren kon Gerald de talrijke masten zien van de divisie van Admiraal Neboff, die aan den horizon kwam opdagen.
"Afzonderlijk vuren, voorste toren," commandeerde kapitein Brookes, toen een granaat van een beschadigd, vijandelijk schip op honderd meter voor den boeg van de Olijftak in zee viel.
"Prachtig," riep de kapitein, toen één schot uit den voorsten toren den vermetelen aanvaller in den grond boorde. "Nu naar de schepen, die den flankaanval ondernemen."
Neboff was nog geheel onkundig van de komst van de Olijftak. Hij verkeerde in den waan, dat het schip vernietigd was en dacht er dus niet aan, dat het zich in dezen strijd zou kunnen mengen. Zoodra hij echter zijn dwaling bemerkte, besloot hij vóór alles dezen nieuwen, machtigen vijand te vernietigen. Hij gaf het bevel aan alle schepen van zijn divisie om tegelijk uit alle beschikbare 11 c.M. kanonnen het vuur te openen op de Olijftak.
Gedurende twaalf seconden gierden meer dan vijftig zware granaten door de lucht met een snelheid van ongeveer duizend meter per seconde. Maar de kanonniers hadden niet gerekend met een zeer belangrijke omstandigheid: ze hadden er niet aan gedacht, dat hun vijand zich met een fabelachtige snelheid verplaatste. Het gevolg daarvan was, dat de projectielen, uitgezonderd één, achter de Olijftak in zee vielen, zonder eenige schade aan te richten.
De eenige treffer sloeg in het achterschip en deed het heele vaartuig schokken en trillen.
"Laat een bootsman de schade opnemen," commandeerde kapitein Brookes, "en begin onmiddellijk het lek te stoppen."
"De afstand?" ging hij voort, zich buigend over de wijzers voor de Z.Z.-stralen.
"Veertien duizend meter, Sir," antwoordde Gerald.
Een oogenblik later was het, alsof de horizon in vlammen stond, terwijl een dikke rookmassa omhoog warrelde en het doffe gerommel van een groot aantal ontploffingen bromde in de verte.
"Hoezee!" riep Gerald, meegesleept door de opwinding van den strijd. "De ——"
De woorden bestierven hem op de lippen, want toen hij achter zich keek, zag hij, dat de kapitein in elkaar was gezakt met het hoofd op het wijzerbord.
"Wat is er, Sir?" riep hij angstig.
Er kwam geen antwoord. Vlug tilde hij den kapitein op en legde hem voorzichtig neer op den vloer van den commandotoren. Hij riep om hulp en twee matrozen kwamen in den toren, en droegen den kapitein naar beneden, waar ze hem aan de goede zorgen van Dr. White overlieten.
"Verzoek Mr. Sinclair het bevel over te nemen." beval Gerald en zonder de komst van den luitenant af te wachten, gelastte hij den kwartiermeester aan te houden op de linkerflank van de hoofdmacht van den vijand.
Een enkele blik op het toestel voor de Z.Z.-stralen was voldoende om tot de overtuiging te komen, dat dit machtige strijdmiddel voor het oogenblik onbruikbaar was. Toen de kapitein het bewustzijn verloor, waren de wijzers blijven staan, zooals hij ze gesteld had en daardoor waren de bronnen, die de electriciteit leverden, geheel uitgeput. Met de uiterste inspanning van de dynamo's zouden er toch nog zes uren noodig zijn om aan de Z.Z.-stralen haar normale kracht terug te geven.
De Olijftak was dus alleen op de kracht van haar kanonnen aangewezen om den strijd tot een beslissend einde te brengen.
"Afzonderlijk vuren!" commandeerde de luitenant. Door de ontploffing van de granaat in het achterschip was de electrische geleiding tusschen de geschuttorens beschadigd, zoodat elke toren afzonderlijk werken moest.
Binnen een kwartier was het lot van den vijand beslist: zijn aanvankelijke overwinning was overgegaan in een ordelooze vlucht. Verscheidene schepen werden in den grond geboord en de andere, ingehaald door de snelle Britsche stoomers, heschen de witte vlag.
"Waar is Sinclair?" vroeg Tregarthen, toen de bemanning na het einde van den strijd aan dek gekomen was.
"Beneden, Sir; gevaarlijk gewond."
"En de kapitein?"
"Hij is dood, Sir," antwoordde Dr. White, bijna niet in staat zijn ontroering meester te blijven.
Gerald stond sprakeloos, zoo trof hem de droeve tijding en eerst na eenige oogenblikken was hij in staat te vragen: "En waar werd hij geraakt?"
"Hij werd niet getroffen door een kogel van den vijand, maar hij is overleden tengevolge van de inspanning van de laatste dagen. De opwinding gedurende het gevecht heeft zijn dood veroorzaakt."
"Verzoek den officieren op het campagne-dek te komen," gelastte nu kapitein-luitenant Tregarthen.
In enkele korte woorden deed hij mededeeling van het groote verlies, dat de bemanning geleden had door den dood van hun commandant en toen haalde hij een schrijven te voorschijn, dat de kapitein hem had ter hand gesteld en las de beschikkingen voor, die deze gemaakt had voor 't geval, dat hij mocht sneuvelen of ongeschikt worden, het bevel te blijven voeren.
Toen de lezing was afgeloopen, haalde hij zelf de groene vlag neer en heesch de blauwe halfstok. Als laatste hulde spreidde hij het dundoek, waaronder kapitein Brookes gevaren en gezegevierd had, in tegenwoordigheid van de overige officieren over het lijk van hun beminden aanvoerder, dat in een van de hutten aan dek was neergelegd.
"De Admiraal komt aan boord, Sir."
Tregarthen keek uit en zag dat een sloep, die de admiraalsvlag voerde, in aantocht was.
Met de gewone eerbewijzen werd Admiraal Hobbes aan boord ontvangen.
Gerald in zijn uniform van kapitein-luitenant der Engelsche marine begroette den hoogen bezoeker en deed hem mededeeling van het overlijden van kapitein Brookes. Volgens een opdracht, vervat in de laatste wilsbeschikking van den doode, droeg hij de Olijftak over aan de Britsche Admiraliteit.
"Ik schaam me niet te bekennen," sprak de Admiraal, toen hij met Gerald voor de baar stond, waarop de overledene rustte, "dat zonder den bijstand van de Olijftak onze toestand hopeloos zou zijn geweest. En nu, dank zij kapitein Brookes, is alle gevaar voorbij en Engeland behoudt rustig de heerschappij ter zee, waardoor het in staat is er vrede en veiligheid te doen heerschen. Meer dan dat, voor altijd is die heerschappij bevestigd. De les voor de aanvallers is hard geweest, maar zal haar uitwerking niet missen. Alle eer voor den man, die zijn zending tot het einde heeft volbracht en door één krachtig optreden allen verderen oorlog ter zee onmogelijk heeft gemaakt."