IV
Reading edition
Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden geworden.
Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds hunne hulde bewezen.
Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.
Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij in zijn graafschap hoog was geëerd en algemeen bemind, stemde de zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt, te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in te slaan.
De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf. Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten hertog van Normandië, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd vereerd en ontzien.
Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen; maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.
Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden, en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.
Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.
De hertog van Normandië, toen zij meer genaderd waren, keek met eene bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.
"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken", zeide de graaf.
"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandië. "Zij hebben waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"
In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen, het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare versiersels.
Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met zilveren drijfwerk was opgeluisterd.
Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het voorbijrijden.
"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandië verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij edelgeborenen?"
"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten dooden dan hun zwaard af te leggen."
"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij weigeren u eenige schatting te betalen?"
"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen Gildenschat noemen."
"En zij zouden kunnen weigeren?"
"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."
"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."
"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner zaken."
"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"
"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden, hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een rechtsgebied, dat zij een Ambacht[32] noemen, en de bewoners van zulk Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of verrichten."
"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem van Normandië, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"
"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb gezworen te eerbiedigen."
"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"
"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven; maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."
"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit opstaan."
"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"
"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande gekomen?"
"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied. Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is Engeland, veroverden."
"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"
"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot op de grenzen van uw hertogdom Normandië."
"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners van Engeland?"
"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in Engeland vindt."
"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot onderwerping te dwingen, heer graaf?"
"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en ridders."
"En zijn er geene edelen onder hen?"
"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."
"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer graaf!" kreet Willem van Normandië. "De gansche ridderschap zal u betichten van zwakheid!"
"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers, werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen vernietigen."
"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandië verwonderd, "gij spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van moordenaars en dieven."
"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht der Erembalds is."
"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem; "mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan zijnen vorst."
"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."
Willem van Normandië wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn paard nevens de vorsten.
"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."
"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durve
"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor alsnu daarvan te zwijgen."
"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende, terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong achteruit te blijven.
Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis, voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke woorden te hebben gewisseld.
"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van Normandië.
"Hij is een Kerel", zeide de graaf.
"Een Kerel? Onmogelijk!"
"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe. Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."
Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg. Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge bereiken ...
Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had opgetimmerd.
Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.
De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren herhaald.
Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide een standaard met de wapenteekens van den bewoner.
Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst des graven met blijdschap werd afgewacht.
De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters, reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of bruine verf hunner kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.
Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.
De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.
Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.
Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar. Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.
"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"
"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"
"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer uitblijven."
"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot op deze stelling geleiden."
"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."
"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen. De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."
Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de menigte te kunnen heenzien.
Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.
"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"
De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer stil:
"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met zwarten baard?"
"Ja, zeer wel", antwoordde zij.
"Herkent gij hem?"
"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."
"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"
"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij misgrijpt u: die man is Warad niet."
"Hij is het, zeg ik u, Strena."
"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"
"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen broeder niet ongewroken laten."
"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm vattende.
"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet, dan kom ik onmiddellijk bij u terug."
Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.
De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden? Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon het weten?
Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.
"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."
"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."
"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben; maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."
"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op eenen anderen dag?"
"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen ... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt, kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."
Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.
Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en geurige wolken in de hoogte deden stijgen.
Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge, vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.
Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.
Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven hield.
Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen, gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van goudlaken was behangen.
Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".
Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken was van zijne tochten in het Heilig Land.
Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van Normandië. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.
Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester; Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van Aelst en Daniël Van Dendermonde.
De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die
Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en daar het volk zijnen groet toestuurde.
Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap te betuigen en den graaf te verwelkomen.
Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar hare blijde kreten herhaalde.
De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandië, wanneer deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem betuigde.
Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de man met het fluweelen kussen.
De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwe
De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte der redevoering niet had gehoord.
De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en zij daalden half mismoedig de trede af.
Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te begiftigen.
Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit belangrijk gesticht in te roepen.
Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?
Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de Markt deed hergalmen[33].
Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden "kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat d
Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.
"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"
Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen. Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem geweld aandeed.
Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:
"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"
"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."
"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter kwaad te vermijden."
"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."
"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u onderdanig uit voorzichtigheid."
"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling vooruitstapte.
Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.
"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld, ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten toon hangen!"
Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering in de oogen, dat deze verrast murmelde:
"Vermetele, gij gelooft het niet?"
"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"
"Spreek", morde de vorst met ongeduld.
"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Am
"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.
...viel met gekloofd hoofd ten gronde.

"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb gedaan."
"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."
"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten wie het deed vergieten!"
Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.
De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier belachelijk.
"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."
Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond, sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van zijn zwaard.
"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om hem te naderen.
Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden en gebeden dat zij zich nog stilhielden.
Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling, naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:
"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet
"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel, eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."
"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts. "Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."
De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne vrienden tot bedaren.
Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de paarden bij te brengen en den stoet te vormen.
Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen, welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.
Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren. De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.
Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch gevolg van de trede.
Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen. Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen rondom hem geschiedde.
Zoo kwam de stoet op den Burg.
Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat het middenplein van den Burg er van hergalmde.
Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.
Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge tot zich en vroeg met dreigenden blik:
"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"
"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u gelieve hem te ontslaan."
"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den moordenaarskuil geketend?"
"Neen, heer".
"Waarom niet, kastelein?"
"Hij is een vrij man, heer graaf."
"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen voeren."
De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stil
Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:
"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"
Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandië, stapte door eene zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en toonde Willem van Normandië eenen zetel nevens zich.
Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren, Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.
Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:
"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"
"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al de raadsheeren.
"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen, moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van
"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren. Wie zal zijn vonnis uitspreken?"
"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"
"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandië, "mij dunkt dat er reeds te veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de plichtige hinge reeds aan de galg."
"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn, aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"
"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."
"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer, Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen alle wettelijke overheid durft opwerpen. M
"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer Tancmar met eenige bitterheid.
"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen? Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen ontkennen?"
"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."
"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast wij het met zekerheid kunnen doen?"
"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."
"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!" schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus in de gevangenis ..."
"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,—en, willen andere begoede Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren. Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar insgelijks."
De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.
"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?" kreet hij. "Zulke vernedering!"
"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft! Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"
"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn Ambacht zullen hem oordeelen."
"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf. "Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen mijnen wil."
"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel, waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak op eenen enkelen persoon te plegen."
De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond op en sprak:
"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze d
Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten bevestigend.
"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet; men moet ze breken."
"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold. "Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."
"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"
Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht, waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen vriend zou beslissen.
"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets belangrijks mede te deelen."
Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop de wraakneming was geschied.
Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.
Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne vrijheid zou terugbekomen.
Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.
Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de gevangenis te volgen.
De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de uitslag van des kasteleins poging zou zijn.
Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven vergiffenis.
Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het hof.
De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal en wachtte daar een verder bevel.
"Treed nader!" gebood de vorst.
Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de Kerel vooruit.
"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"
"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen plicht gedaan."
"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel slaande.
"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen, "Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe grootmoedige verschooning te gunnen."
"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden o
Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep en welhaast tot op het middenplein hergalmde.
Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.
Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden, die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen. Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden. Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte. Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had gebracht, van allen grond ontbloot.
De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen.
Allen volgden hem in den Steen.
Voetnoten:
[30]
"De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin."
Ann. du Com. fl. de Fr., tome VIII, pag. 68.
[31]
Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.
[32]
Het woord Ambacht is later te zamen getrokken tot Ambt en in het Duitsch tot Amt. Zie J. CRIMM, Worterbuch bij Amt.
LAPPENBERG, Geschichte von Engeland, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de oudste districts-benamingen, die het Engelsche Shire voorafgingen, behoorde nog maegthe, een land, dat de leden van een geslacht of van ene maegschap, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd hadden, ook in den vrede te zamen bezaten."
Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische maegt, met het samenvoegend voorzetsel an of am, dus Ammaegt, waarvan Ambacht.
[33]
Harop, Harop, voces Belgicae quae et clamorem ob crimen perpetram, DUCANCE, Gloss.
"Convictus ex dousslach et harop emendabit comiti III libras"
Keure van Veurne van 1240.
[34]
"Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (de mageborge, maegburh), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der moorden, de bescherming der weezen, enz."
LAPPENBERG, Geschichte von Engeland, vertaald door Thorpe. t. II, pag. 332.
[35]
Keurmans, Keurlieden, Keurheers, waren bij de Kerels de bestierders en rechters, die door Keure of kiezing werden aangesteld.
Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een venster, met een borduurwerk op den schoot.
Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen eenen lichten rimpel geplooid.
Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden, en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige beweging van ongeduld.
Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen tot haar kwam.
Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing:
"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart. Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds middag!"
"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia", antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u, vriendinne. Hoe gaat het heden met u?"
"Wel genoeg, gij ziet het."
"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend.
"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch, vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!"
"
"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..."
En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop:
"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!"
Witta greep hare hand en zeide troostend:
"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij. Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had, sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..."
"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta."
"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?"
"Ja, geheel en zonder de minste terughouding."
"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?"
"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen."
"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden ongevoelig te blijven."
"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft daar niet van, zegt hij."
"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia."
"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!" zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon.
Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: "
Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden blik ten hemel stuurde.
"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken! Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden om mij in de uitspraak van het lot te getroosten."
Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij:
"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?"
"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot."
"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!"
Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen die haar in de oogen schoten.
"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend. "Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij."
"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan de andere zijde treurt en verkwijnt."
"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere
"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf.
"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger. Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten. Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan. Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..."
"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid in de oogen.
"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta. "Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..."
Dakerlia slaakte eenen blijden kreet.
"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart verlichten."
"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta.
"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!"
"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?"
"
"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia."
"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is die ziekte der ziel!"
"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om te vernemen hoe het met u gaat."
"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen! Blijf, ik smeek u!"
"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher Rijkaard te brengen."
"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met mij!"
"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij."
"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O, bevestig mij in die hoop!"
"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren."
"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen hart. Tot straks, tot straks!"
Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond.
"Welnu, zuster?" vroeg hij.
"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden."
"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht.
Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven:
"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat. Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit."
Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop snikte.
"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij."
Met eenen zucht voegde hij er bij:
"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het verloren geluk ..."
Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld:
"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!"
Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige gerust
Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg vervorderde.
Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen; ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen, wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ...
Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij sher Rijkaards Steen.
Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher Robrecht, meende de schalk.
Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude dienstmeid Martha.
Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen, misschien had zij zich er mede versierd?
Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten;
Hij boog zich voor de maagd en murmelde:
"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren onpasselijk, zeer ziek zelfs."
De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde.
"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij aanschouwde haar zwijgend.
"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand anders moest gij bezoeken, niet waar?"
"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon verlaten."
"En niemand hebt gij gezien of gesproken?"
"Niemand dan mijne zuster."
Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige glimlach op hare lippen sidderde.
"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan te wenden om u te behagen."
"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene gramschap die zij niet poogde te bedwingen.
"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene genster van verontwaardiging uitschoot.
Maar hij bedaarde even spoedig en sprak:
"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen; in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?"
"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal bezitten? Ik aanvaard uwe hand.—Ah, dit zou men geene valschheid moge noemen?—Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?"
Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan.
"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach.
Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht, indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte. Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld.
"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd; zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop, bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met schoonheid ..."
"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?"
"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen, "dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!"
"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven. Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!"
"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet. Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..."
"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?"
"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij."
"Maar wat zal uw heer vader zeggen?"
"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn besluit, doch wil mij niet dwingen."
"En hij zal ons ten vijand worden?"
"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!"
"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!"
"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!"
"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel nemende.
"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef.
"
"Onherroepelijk en voor altijd?"
"Voor altijd!"
"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne tassche stak en aarzelend nog bleef staan.
"Geene hoop meer?" zuchtte hij.
"Geene. Vaarwel!"
Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen.
Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden lach op het gelaat in zich zelven mompelde:
"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!"
En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte.
Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met verdoofde stem:
"Heer, herkent gij mij niet?"
"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde Robrecht, haar beziende.
"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ... Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te hebben geschonken?"
"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht verwonderd.
"
Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om, vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen helderen glimlach op het gelaat:
"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne zijn!"
En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde der Ridderstrate.
Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen en zeide:
"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!"
Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit:
"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!"
Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij haastig zeide:
"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten."
Het meisje weerstond hem eensklaps.
"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!"
"Zij is droef, zij lijdt, Witta."
"Ja maar, die onverwachte tijding ..."
"Welnu?"
"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig."
"Gij verschrikt mij! inderdaad ..."
"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks."
"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek u!"
Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen.
Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort.
Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis
"Nu, ween niet meer, vriendinne ..."
"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik gevoel het wel!" riep jonkver Wulf.
"Aanvaard het uit mijne hand."

"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..."
"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den boezem verteerd.
O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en verscheurt."
"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet."
"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek, spreek!"
"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk verbroken is?"
Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit:
"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?"
Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen, verzamelde zij haren moed en zeide:
"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken worden."
"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van haren zetel opstaande.
"Bijna zeker."
"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!"
"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken."
Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt.
De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen.
Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen; maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met neergeslagen blik, te midden der kamer staan.
Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand en sprak op schier plechtigen toon:
"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel dezelfde wenschen voedt
Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde riep haar tot bewustzijn terug.
"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij, geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God ... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!"
"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe.
"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene begoocheling mijner zinnen?"
"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder.
"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!"
"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich verwezenlijken gaat."
"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet gelooven!"
Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de jonkvrouw het kostbare halssnoer.
"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand."
De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep:
"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!"
En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriend
Robrecht stond op en zeide:
"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede zuster.—Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel blijdschap ons toekomend leven overwegen."
Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal uit.
Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg.
Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket, den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij schenen tevreden en welgemoed.
"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!"
"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou doen.
"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne beide ooms.
"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot het terugnemen mijner beloftegift."
"
"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik."
"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?" vroeg de kastelein.
"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart eene andere vrouw te hebben geschonken."
"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?"
"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd ..."
"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te verzaken?"
"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in éénen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de krachten mijner ziel ..."
"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verze
"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!"
"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder. "Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde wordt ooit mijne bruid!"
"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd schuddende.
"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht.
"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en dat men hem heeft bedrogen."
"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!"
"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker een onverzoenbare vijand worden?"
"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons geene redenen tot vijandschap tegen
"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem beproeven."
"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens: Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!"
"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans."
"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden."
"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?"
Mher Sneloghe knikte bevestigend.
"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom, Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb gesproken."
"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit."
"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden."
"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen."
De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal.
"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?"
Hij had deze woorden niet geheel geëindigd, toen Burchard binnentrad en zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette.
De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk:
"Ha, ik breng goede tijding."
"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein.
"
"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen."
"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik meester!"
"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein. "Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de aanslagen onzer vijanden behoeden."
"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard. "Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen. Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!"
"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..."
"
"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal bewijzen wie er gelijk had."
De hand tot Robrecht reikende, sprak hij:
"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend huwelijk met jonkver Van Woumen."
"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne beloftegift teruggegeven."
"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van daar komt u deze vernedering."
"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte werd verbroken."
"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees zeker, hij zal sterven door mijne handen!"
"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein.
"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd hebbe!"
"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder, boozer en gewelddadiger zijn dan zij?
"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst bewezen en mij gelukkig gemaakt."
Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het voorhoofd slaande:
"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen."
"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer.
"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk geslagen, dat hij er van te bedde ligt."
"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken, niet waar?"
"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en de kastelein.
"
"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik."
"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe verwonderd.
"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen, opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen."
"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht.
"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein.
"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid."
Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde zichtbaar zijne beide ooms met vrees.
"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf.
"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost, dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen."
"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen", bemerkte de kastelein.
"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden. Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold onmogelijk geloofdet!"
"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik vrees Rambold Tancmar niet meer."
"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een onweder voorafgaat ..."
"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden."
"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?"
"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende.
Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en den doek van den korf.
"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond gegroeid", sprak Burchard schertsend.
Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven.
Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed.
Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten bevatte de nootlottige korf![36]
Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener afschuwelijke wraak.
Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij de teenen, hief ze uit den korf en telde: één, twee, drie, vier ...
Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg.
Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig te weenen.
"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood,
"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde wat wil, geduld is hier lafheid!"
De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden hem te stillen en te troosten.
"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?"
"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met beradenheid te werk gaan."
Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal.
"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht, dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden.
De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk, voorkomen.
Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen.
Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ...
"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..."
"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!"
Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten.
Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over het binnenplein van den burg.
Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de hofpoort.
Voetnoten:
[36]
KERVYN DE LETTENHOVE. Histoire de FL, t. I, pag. 369.