← Table of contents
De Kerels van Vlaanderen

XXV

Reading edition

Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van buiten hadden vernomen.

De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet. Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders zou onderstaan.

Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de stad of elders geschiedde.

Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd. Misschien had men besloten hen van

Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te treffen.

Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden, naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden.

Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken en zware steenen overdekt en beladen.

Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te bewonderen.

Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten; maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten, en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid naar huis gaan.

In den morgen van den zesden dag trad de veldheer Gervaas

De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene overgaaf op genade hooren.

Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn.

Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende hij, op zijnen naam zou kleven.

Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode wachtte hem in zijne woning.

Hij voegde er met luider stemme bij:

"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!"

Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde tijding overal te gaan verspreiden.

De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig, opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen.

"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet. "Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?"

"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat het

"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch hoe de gansche zaak is toegegaan."

"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond, en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.—Hier kwam ons het bericht toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger, zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons gegeven.—Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen."

"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden, heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de Kerels beslissend overwonnen?"

"[85]"

"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!"

"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien."

"Voert men hem dan naar Brugge?"

"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf Willem van Normandië zal met de meeste macht door het land der Kerels trekken; want het schijnt dat Willem

"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen."

"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn, het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft liever, aangezien de oorlog nog niet is geëindigd dat men het volk de vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij, veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen."

"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een klein half uur."

"Het zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de zaal verliet.

Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend, zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of andere plechtigheid te gaan bijwonen.

Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te beklagen of hun te willen berichten dat een

In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie.

Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren gegaan.

Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat, onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde.

Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt vertoonde.

Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden, konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht; wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder, dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde.

Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden, waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen groet.

Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en hunne verontwaardiging te betuigen.

De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmar

Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen zegevierenden intocht te doen aanschouwen.

Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren.

De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt. Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot de Kerels:

"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in het verderf gestort! Wees vermaledijd!"

Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen.

Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht, ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren!

Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen hem toe:

"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord, door Burchard Knap gepleegd, is

Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te stellen.

Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen.

Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen.

Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij:

"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!"

"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn."

"En zij dooden u vele mannen?"

"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen."

"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?"

Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op.

"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen. Waarom hebt gij niets tegen den toren be

"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!"

"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!"
"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!"

"Veroorlove mij de heer koning hem eenige uitleggingen over den toestand der zaken te geven", antwoordde de veldheer. "Men kan de gaanderij van den toren niet bereiken dan langs eenen wenteltrap die zoo nauw is dat men haar man voor man moet beklimmen. De heer koning begrijpt dat bij eenen aanval langs dezen weg de Kerels den tijd zouden hebben om duizenden ridders en wapenknechten opvolgend het hoofd te klooven of den hals af te snijden ... Beter dunkt het mij onze vijanden daarboven van honger en gebrek te laten bezwijken, dan nutteloos zoovele dierbare menschenlevens op te offeren."

"Maar zij willen zich overgeven", bemerkte Baudewijn Van Aalst.

"

"Welnu, waarom aanvaardt gij dit niet?" vroeg de koning; "gij hebt mij daar straks gezegd dat de moordenaar des graven dood is en men zijn lijk door de straten heeft gesleurd totdat het ontkennelijk geworden was."

"Maar, heer koning, wij, ridders van Vlaanderen, hebben gezworen dat geen enkele Erembald,—dit is het geslacht waaraan de moordenaar toebehoort,—genade des levens zou bekomen. Daarenboven op den toren bevinden zich nog Erembalds; onder anderen de rijkste en machtigste Kerel, Robrecht Sneloghe. Gelieve de heer koning zich te herinneren dat onze nieuwe graaf Willem van Normandië beloofd heeft de groote grondbezittingen van dezen Kerel tot belooning aan de Vlaamsche ridders uit te deelen. Werd Robrecht Sneloghe gespaard, de vervulling van des graven belofte wierd onmogelijk. Daarenboven, deze jonge ridder Robrecht is onder de Kerels zeer geacht en bemind; hij zou onfeilbaar door hen tot opperhoofd worden gekozen; en nauwelijks zou onze graaf Willem bezit van den troon genomen hebben, of een nieuwe en misschien gevaarlijkere opstand zou hem bedreigen."

"Ware het mijne zaak", zeide Baudewijn Van Aelst, "ik zou er spoedig mede gedaan hebben!"

"Door welk middel?" vroeg de koning.

"Het is door de goddelijke en menschelijke wetten toegelaten verraders te verraden. Men aanvaarde hunne voorstellen ... en zoohaast ze beneden komen, vatte men de schelmen aan en brenge ze ter dood!"

"Aan zulk bedrog weiger ik deel te nemen", morde de veldheer "Men zal van mij niet verhalen dat ik, aan het hoofd van een machtig leger staande, vijftig ellendige vijanden door list en valschheid heb verrast en doen vermoorden!"

"Gij hebt gelijk zoo teergevoelig op uwe krijgseer te zijn", viel de koning met ongeduld uit, "maar het is eene even groote schande voor u, veldheer, en voor mij, koning van Frankrijk, dat wij met twee legers voor dezen toren staan en gedurende dagen en weken onmachtig zouden blijven om vijftig ellendige vijanden, zooals gij hen noemt, in handen te krijgen."

"Indien wij het klooster en de kerk in brand deden steken?" mompelde de vorst. "De dolle Kerels zouden zich overgeven of door het vuur worden vernield?"

"O, heer koning, denk daar niet aan!" zeide Gervaas Van Praet, schier smeekende. "De Bruggelingen zouden hun bloed vergieten om den oudsten tempel hunner stad te verdedigen of zijne verdelging te wreken. Ook de geestelijkheid van Vlaanderen zou dit verlies als een schrikkelijk onheil beklagen."

"Maar, veldheer, ik wil niet dat de Kerels nog langer van daarboven mij en mijne ridders blijven hoonen! Er moet een middel zijn om een einde aan hunne trotschheid te stellen. Al moest ik den toren omverre werpen, zij zullen er af voordat de week verloopen zij! Mijne gewerkmeesters en mijngravers zijn ongelukkiglijk in het leger met Willem van Normandië. Zonder dit toeval ..."

"Dat de heer koning zich daarom niet bedroeve", zeide Baudewijn Van Aelst. "Onder de lieden van Gent zijn behendige gewerkmeesters, een onder anderen, meester Arnold, die om zijne spitsvondigheid befaamd is door geheel Vlaanderen en tot in Duitschland toe."

De koning wendde zich om en deed een teeken tot de oversten die op zijn bevel stonden te wachten.

Eene groote beweging liet zich oogenblikkelijk tusschen de ridders en wapenknechten opmerken. Ieder steeg te paard of schikte zich in zijn gelid.

Insgelijks naar zijn paard stappende, vroeg de koning aan mher Van Praet:

"Veldheer, heeft men nu eene betere herberg voor mij doen bereiden?"

"Ja, heer koning", was het antwoord, "De schepenen hebben eene woning als een paleis in gereedheid gebracht. Zij is niet verre van de Markt gelegen en men noemt ze sher Gherwijns Steen."

"Het is wel, veldheer; heb de goedheid te bevelen dat men dezen namiddag den Gentschen gewerkmeester Arnold tot mij leide. Ik wil met hem spreken."

Onder het uiten dezer laatste woorden was hij te paard gestegen.

De Kerels keken hem zwijgend achterna, totdat hij voorbij de St-Janskapelle uit hun gezicht verdween.

Dan begonnen zij onder elkander over de waarschijnlijke nederlaag van het leger der Kerels en over de gevangenneming van Willem Van Loo te kouten. Hun lot was schrikkelijk, geene de minste hoop bleef hun over. Had God waarlijk hen vervloekt en tot eenen ijselijken dood gedoemd, om voor den moord des graven te boeten? Volgens de wetten en gebruiken der Kerels waren alle magen en vrienden van eenen moordenaar mede verantwoordelijk voor de misdaad. Zij vroegen in zich zelven, waarom het daarboven in den hemel met insgelijks zoo zou zijn. Ja, er was niet aan het hoogere vonnis te ontsnappen; zij zouden sterven tot den laatste toe!

In den eerste versomberde deze mistroostige overweging hunne gemoederen; maar welhaast stonden zij weder met nieuwe hardnekkigheid uit de hopeloosheid op en maanden elkander aan om geen het minste teeken van zwakheid te geven en als onversaagde mannen te volharden, tot onder het zwaard des vijands zelven, opdat hun dood getuigenis gave van der Kerlen onverwinbaren heldenmoed.

Daar hoorden zij onverwachts weder bazuingeschal hergalmen, en zagen van den kant der Markt een tiental ridders en eene bende wapenknechten door de Hofstraat den burg naderen. De standaard, die men voor de bazuinblazers hield opgeheven, verklaarde hun wie deze lieden waren.

Inderdaad, de standaard droeg de wapenteekens der Tancmars, Het geslachtszinnebeeld van de bloedvijanden der Erembalds!

Wat kwamen deze booze vervolgers der Kerels op den burg doen? Ha, indien zij tot onder het bereik der pijlen durfden naderen, met welke vreugd zouden Robrecht en zijne gezellen de vernedering van Kerlingaland op hen wreken!

Maar de Tancmars keerden ter rechterzijde en gingen achter den opgeworpen dam tot bij de Hoogpoort. Hier traden zij met hunne wapenknechten in de gebouwen van het klooster.

Vele poorters hadden hen tot daar gevolgd, onder het uitspreken van afkeurende woorden en zelfs met dreigende gebaren;

Terwijl de volkshoop steeds voor het klooster aangroeide en men elkander tegen Rambold aanhitste, als zijnde hij de oorzaak van des graven beklaaglijken dood, werd eensklaps de standaard der Tancmars uit het bovenste venster van den gevel der proostdij gestoken.

Dan begrepen de poorters en tevens de Kerels boven op den toren wat er geschiedde: de Tancmars namen bezit van de proostdij als van hunnen eigendom. Had de koning hun dit toegelaten of was het enkel eene daad van zwetserij en overmoed?

De Kerels toonden de gebalde vuisten en deden de lucht onder hunne verontwaardigingskreten weergalmen; de poorters morden en schreeuwden, en wierpen de Tancmars scheldwoorden toe.

Dan verscheen Rambold Tancmar voor de deur des kloosters en gebood zijnen wapenlieden deze grove, vermetele lieden met geweld uiteen te drijven.

Het volk week morrend achteruit. Een enkel poorter weigerde eenen voet te verzetten, en kwetste zelfs een der wapenknechten met zijn mes. Hij werd doorstoken en viel neder in zijn bloed.

Toen de andere poorters dit zagen, vloden zij allen met groot gekerm van den burg en liepen op de Markt en door de straten, met de handen in de hoogte, schreeuwende:

"Wacharm! Wacharm! De Tancmars zijn in de proostdij! Zij hebben den beenhouwer Han Bout vermoord! Harop, harop!"

Op dit oogenblik keerden juist de Bruggelingen, die des konings stoet gevolgd hadden, naar hunne woningen terug; de straten krielden van volk, dat eveneens als de vluchtelingen van den burg: "Wee! Wee! Wacharm! Harop! Harop! Harop!" begon te roepen.

Zoo weergalmde onmiddellijk de gansche stad van den honderdmaal herhaalden noodkreet, en weinig tijds daarna stroomden van alle kanten gewapende poorters en ambachtslieden te zamen op de Markt, rondom de standaarden der neringen en der gilden.

Men zou gezegd hebben dat deze lieden elkander lang op voorhand verstaan hadden, om op dezen dag allen te gelijk onder de

Nauwelijks waren zij op de Markt ten getalle van eenige honderden te zamen, of zij liepen naar den burg en bestormden daar de deur van het klooster, en schoten de wapenknechten neder, evenals in eenen waren oorlog.

De Kerels, van boven de toren, zagen niet alleen dit gevecht, maar bemerkten nog met groote vreugde hoe uit al de straten der stad een ontelbare vloed gewapende poorters naar den burg kwam gestroomd. In de meening dat het Brugsche volk, tegen de Franschen en tegen de Isegrims in opstand was gekomen, om hen te verlossen, moedigden zij de strijdenden aan en riepen zelfs de poorters bij hunnen naam, hen met vurige woorden tegen de Tancmars en tegen de wapenknechten ophitsende.

Eensklaps verscheen de veldheer Gervaas Van Praet met eenige Vlaamsche ridders op den burg. Zonder acht te slaan op het gevaar, wierp hij zich met zijne gezellen voor de poort van het klooster en bezwoer, schier met tranen in de oogen, de poorters deze bloedige worsteling te staken. Wat was de oorzaak dezer beroerte? Wat eischten zij? Men zou hun bevrediging geven.

Door de woede van den strijd verhit, wilden de poorters in den eerste op zijne stem niet luisteren, en dreigden zelfs den veldheer en zijne ridders te doorsteken, indien hij de booze en verfoeilijke Tancmars tegen hunne woede wilde beschermen; maar eindelijk toch bedaarde het gewoel en geschreeuw een weinig, en dan traden

"Mher Van Praet", zeide een hunner, nog zeer door toorn ontsteld, "de Tancmars zijn de schuld van des graven ellendigen dood en van al de ongelukken die ons arm Vlaanderen daarom bedreigen. Zij hebben onophoudelijk den vorst aangeraden den Kerels en tevens den poorters der steden hunne vrijheden te ontnemen. Wanneer alles rustig was, en wij den vorst over onzen vrede en onzen voorspoed zegenden, dan waren de Tancmars nacht en dag er op bedacht om door listen en lagen de Erembalds, de Kerels en de poorters te verbitteren, en zoo 's lands rust te storen. Zij hebben den graaf verleid tot onrecht en verdrukking en zij zijn dus de ware moordenaars van onzen armen vorst ..."

"Wat wilt gij van hen?" vroeg de veldheer verschrikt, "gij eischt toch hun leven niet?"

"Ja, ja, hun leven!" kreet de menigte.

"Maar het is onmogelijk, vrienden", zeide de veldheer treurig. "Gij dwaalt. Vergeet niet dat de koning van Frankrijk te Brugge is, en dat ik een machtig leger tot mijne beschikking heb. Wilt gij mij dan dwingen u allen te vermoorden? Ach, ik bid u, bedaart en weest redelijk!"

"Neen, neen, veldheer", hernam de overste, die eerst gesproken had, "het leven van deze booze vijanden des volks eischen wij niet. Zij zijn met uitdagenden overmoed in Brugge verschenen, hebben bezit der proostdij genomen en eenen poorter doen doorsteken ..."

"Een wapenknecht, die zich verdedigde; het is een ongeluk!" mompelde Gervaas.

"Inderdaad; maar wij willen niet vernederd of getergd worden door degenen die de schuld zijn van des graven dood. Wij eischen dat de Tancmars oogenblikkenlijk niet alleen den burg, maar onze stad verlaten. En geeft men ons niet zonder uitstel deze bevrediging dan geschiede wat kan, zij geraken niet levend uit onze handen!"

De veldheer verzocht den poorters eene wijl zijn antwoord te wachten, en trad in het klooster.

Toen hij terugkwam, zeide hij tot den overste:

"

"Wij stemmen toe", was het antwoord.

"Maar zult gij hen niet volgen?"

"Tot bij de stadspoort, ja."

"En niet er buiten?"

"Neen, niet daarbuiten."

"Gaat dan achteruit en laat ons den weg vrij!"

De oversten der neringen en gilden dreven hunne mannen terug en spanden al hunne pogingen in, om hen tot bedaren te brengen. Meer dan de verwijdering, om zoo te zeggen de ballingschap der Tancmars konden zij nu niet eischen. Was hier noch bedrog noch list in het spel, en schonk men de poorterij deze bevrediging, dan moesten zij zich stilhouden en geene reden geven tot nuttelooze bloedstorting.[86]

De Tancmars, beschaamd en verschrikt, kwamen uit het klooster en schikten zich elk tusschen twee ridders, om tegen de woede des volks beveiligd te zijn.

Men leidde hen over de Markt, in de richting der Bouverypoort.

Wel werden zij onderwege nog met scheldwoorden en dreigende gebaren bejegend, maar toen het volk hen ter poort had zien uitstappen, en van op de vestingen hen eene wijl had achternagekeken ging elkeen juichend en bevredigd naar huis.

Voetnoten:

[85]

"De koning en de graaf belegerden Yperen. Een hardnekkig gevecht had plaats tusschen de beide legers ... Booze inwoners van Yperen, hebbende een verbond met den koning gesloten, brachten hem en zijn ontelbaar leger in de stad ... Willem, niet wetende dat hij verraden was, kwam toegeloopen. De koning en de graaf maakten hem krijgsgevangen." GALBERTUS, p. 377.

[86]

Zie het verhaal dezer volksberoerte en de uitdrijving der Tancmars, bij GALBERTDS, p. 322.

De koning van Frankrijk was lang met den Gentschen gewerkmeester Arnold in samenspraak gebleven, en had met hem overwogen welke middelen men zou kunnen uitdenken om de Kerels, die nog op den toren waren, levend of dood in handen te krijgen, zonder tot dit einde een al te groot getal zijner ridders en wapenknechten te moeten opofferen.

De uitslag dezer beraadslaging was, dat er geen ander middel bestond dan de toren te doen vallen, of ten minste de Kerels met dien val tot zooverre te dreigen dat zij, in de zekerheid van onder de puinen te worden verpletterd, zich in de genade des konings overgaven.

Men zou den voet van den toren ondermijnen, en daartoe eenen ontzaglijk zwaren beukram bouwen. Om de arbeiders en wapenknechten tegen de steenen en pijlen der Kerels te beschutten, kon men het groote werktuig binnen in het klooster stellen, daar, waar de refter van achter tegen den toren raakte. Dus onder dak staande, zouden degenen, die den beukram moesten bewegen of bestieren, geheel buiten bereik des vijands blijven, en men zou geene of zeer weinige mannen verliezen.

Dit ontwerp bekwam des konings goedkeuring. Hij gelastte meester Arnold een groot getal timmerlieden en smeden aan het werk te stellen, opdat de ram binnen eenige dagen vaardig ware. Bleven de Kerels weigeren zich op genade over te geven, welnu, de toren zou dan nederstorten en deze hardnekkige, verstokte lieden onder zijne puinen begraven!

Meester Arnold had na weinige dagen de balken en gebinten van zijn gestel in gereedheid gebracht, en deed ze stuk voor stuk in het klooster dragen.

Toen eindelijk de reusachtige balk met het ijzeren ramshoofd werd aangevoerd, bemerkten de Kerels, ofschoon nog onduidelijk, wat de vijand voornemens was tegen hen te beproeven. Dat men

In deze onzekerheid moedigden zij elkander aan om voor niets te zwichten. Zij hadden het nu reeds zoolang volgehouden, twee machtige legers getrotst en hunne vijanden beschaamd; het was toch oneindig schooner en heerlijker tot den laatste toe vrij en met het zwaard in de vuist te bezwijken, dan gemarteld en door de Isegrims vertreden en bespot, te moeten sterven.

Alhoewel zij slechts weinige pijlen nog bezaten en reeds groote holten in den toren hadden gebroken, om zich werptuigen te verschaffen poogden zij elken vijand, die onder hun bereik kwam, met steenen of schichten te treffen.

Dagelijks sneuvelden er dus eenige Franschen en Vlamingen, ridders en wapenknechten. Dit verlies vergramde den koning uitermate en vuurde dusdanig zijn ongeduld aan dat hij bij dag zijn intrek in de Loove nam en niet zelden binnen het klooster ging om de arbeiders tot vlijt en haast aan te drijven.

Nu was hij weder met eenige ridders in het klooster getreden, omdat men hem de voltooiing van den grooten beukram was komen aankondigen. Met genoegen beschouwde hij het ontzaglijk gestel, dat waarschijnlijk in weinig tijd de Kerels tot overgaaf zou dwingen of door den akeligsten dood een einde aan hunnen onbeschaamden trots zou maken.

De refter van het klooster was bijna hoog als de beuk eener kerk. Daar hing nu, in evenwicht tusschen eene timmering van opgaande balken, een zware eikeboom, nauwelijks van zijne schors ontbloot en vooraan met een ijzeren ramshoofd beslagen.

Aan het achterst einde waren vele zelen gehecht en aan elk dezer zelen stonden vele arbeiders en wapenknechten. Om te beuken, moesten deze lieden achteruitloopen, den balk hoog uit zijn evenwicht trekken en dan, op een sein of een woord, allen te gelijk de zelen loslaten. Dan schoot de balk, om zijn evenwicht te zoeken, vooruit tegen den torenmuur en verbrijzelde de steenen en schokte het gebouw tot in zijne grondvesten.

Dan betuigde hij zijne ontevredenheid aan meester Arnold; maar deze, door zijne eerbiedige uitleggingen, deed den vorst begrijpen dat de steen van den toren uitnemend hard was en daarom de ram, ondanks zijne zwaarte, bij elken afzonderlijken slag zoo weinig uitwerksel had. Het was evenwel slechts eene zaak van tijd, en hij kon de verzekering geven, dat na twee of drie dagen arbeids, de toren zou ten gronde liggen, indien de Kerels zich niet vroeger in 's konings genade overgaven.

De vorst verwijderde zich half tevreden over deze verklaring, en meester Arnold zette met ijver het begonnen werk voort; ja, om zijne mannen moed in te boezemen, deed hij hun wijn bij volle kannen schenken, en zong onder den arbeid een zeker lied, waarvan de maat de bewegingen der beukers eenstemmig regelde. Gansch door het dak van den refter beschut en door den wijn aangejaagd zongen zij welhaast allen te samen en waren vroolijk als op eene kermis.

Evenwel in den namiddag werd hunne vreugde eensklaps op eene bloedige wijze gestoord ... Een geweldige slag en een schrikkelijk gekraak liet zich hooren, en er viel een zwaar voorwerp, als een rotsbonk, door het dak en door het welfsel.

Toen de verschrikte arbeiders door de stofwolk konden heenzien bevonden zij dat drie hunner makkers verpletterd dood lagen en vier of vijf met gebroken leden om hulp kermden.

Terwijl men naderde, om de dooden en gekwetsten op te rapen, viel weder zulk voorwerp met ijselijk gebons op het dak, doch ditmaal weerstond het welfsel, en het voorwerp rolde neder op een keukendak, dat onder den slag instortte en een tiental wapenknechten verpletterde of verwondde.

Er rees een algemeen noodgeroep in het klooster op, en al de ridders en wapenknechten, die zich daar of in de Loove bevonden,

Na eene wijl kwam de veldheer Gervaas Van Praet in het klooster, om te vernemen wat er geschiedde. Hij vond meester Arnold, met de armen overeen en als verbaasd nederziende op een groot brok metaal, dat ten gronde lag.

Op des veldheer ondervraging, zeide Arnold:

"Het zijn ware duivels daarboven, mher Van Praet. Daar hebben zij nu met mokers eene klok uit den toren aan twee stukken geslagen en deze als dondersteenen ons op het lijf geworpen! Zie het gat daar in het welfsel! Hoe zij zulke bonken metaal over de gaanderij kunnen porren, dit weet God![87]"

"En wat gaat gij nu beginnen?"

"Ha, veldheer, het voorzichtigste is ons werk voor heden te laten steken, en gedurende den nacht naar middelen uit te zien om het dak met balken te sluiten."

"Het is om schaamrood van te worden!" mompelde de veldheer "Vijftig man die ons blijven tergen en ons zooveel spels leveren als een groot leger! De koning zal wel ontevreden zijn, meester Arnold, indien hij verneemt dat gij het beuken wilt staken."

"Wat mij betreft, ik ben bereid om het werk voort te zetten, veldheer; maar de heer koning heeft mij bevolen de mannen zoo weinig mogelijk in gevaar te brengen."

Er kwam een overste geloopen, en deze riep op verstoorden toon tot Arnold:

"Welnu, meester, waarom staakt gij het werk? Ga voort, ga poort, kost wat kost, de koning wil het zoo! Men zal u nog meer wapenknechten zenden: de ram moet beuken, nacht en dag![88]"

"'s Konings wil zal geschieden", antwoordde meester Arnold.

Hij verliet de ridders, vergaderde de arbeiders en zeide hun hoe

Eene wijl daarna waren zij weder aan het werk, en beukte de ram opnieuw met korte tusschenpoozen tegen den toren.

Waarschijnlijk hadden de Kerels geene klokken meer om naar beneden te werpen, of waren deze te zwaar om te worden verbrijzeld of verplet. Althans er verliepen ten minste twee uren zonder dat de beukers door iets werden gestoord of bedreigd.

Wel was iemand hun komen zeggen dat men boven op de gaanderij van den toren veel rook zag opgaan en vuren zag vlammen; maar dewijl men niet raden kon wat de vijand daarmede in den zin had, onderbrak men het werk van den ram daarom niet.

Buiten het klooster was men min gerust. De ridders die in de Love waren, en zelfs de koning zagen met zekere bekommerheid naar den toren en vroegen elkander wat toch die razende en onuitputtelijke Kerels nu weder aan het uitvinden waren om hunnen beslissenden val te vertragen.

De zaak was echter zeer eenvoudig. Toen de Kerels, na het werpen der klok, den ram zijn werk hoorde hervatten, begrepen zij dat zij door dit middel het dak, dat de Isegrims voor hunne pijlen beschutte en aan hun gezicht onttrok, niet zouden kunnen verbrijzelen. Na eenige overweging waren zij dan op de gedachte gekomen eene poging te doen om dit dak door het vuur te vernietigen.

Zij brachten daartoe al het was, al het vet en zelfs de weinige boter die hun overbleef te zamen. De zelen der klokken hakten zij aan stukken en ontwonden en openden ze; lijnwaad, zakken en zeildoeken werden bijgehaald.

Dan begonnen zij met hout, dat zij uit den toren braken, vuren te stoken en de vette stoffen in ketels te smelten. Hierin doopten zij al de bijgebrachte brandstoffen en legden ze terzijde, totdat alles klaar zou zijn.

Het waren deze vuren en al deze bewegingen die de ridders en den koning door het voorgevoel van eenig groot gevaar bekommerden.

Nu waren de Kerels gereed tot het uitvoeren van hun ontwerp.

Allen te gelijk hieven zij de ingevette brandstoffen boven de

Dan begrepen de ridders ten volle het inzicht en het doel hunner hardnekkige vijanden: zij wilden al de geestelijke gebouwen door den brand vernielen en dus de beukers en de wapenknechten van alle beschutting berooven.

Een groot geroep rees op; de bevelen klonken verward door elkander, en de oversten der Isegrims en der Franschen poogden hunnen mannen het gevoel in te drukken dat men, ondanks alle gevaar, moest pogen den brand te blusschen, wilde men niet den ganschen burg in asch te zien vergaan.

De wapenknechten, evenals hadden zij op het slagveld tegen den vijand te strijden, liepen in menigte naar boven met al wat water kon bevatten, en sprongen door de zoldervensters op de daken.

Maar de Kerels, die zulks wel hadden voorzien, wierpen zoo duchtig met steenen en schoten zoo onophoudend met hunne laatste pijlen, dat een groot getal wapenknechten doorboord of verpletterd werden en onder het slaken van doodskreten nedervielen in het vuur zelf dat zij wilden blusschen.

De wind blies tamelijk sterk en hitste de vlammen aan[89].

Dank aan wanhopige pogingen en ten prijze van vele menschenlevens gelukten de wapenknechten er in den brand boven den refter uit te dooven; maar op hetzelfde oogenblik sloegen de vlammen met nieuw geweld uit het dak van een ander gedeelte des kloosters ...

Dit geschiedde nog herhaalde malen. Toen men eindelijk den brand geheel meester was geworden, lagen verscheidene daken neergevallen; maar de Kerels hadden evenwel hun voornaam doel gemist, aangezien het dak boven den beukram, dat men allereerst had gebluscht, was behouden gebleven.

Toen hij de Loove tegen den avond verliet, herhaalde hij nog deze onmeedoogende veroordeeling tot groote vreugd der Isegrims, die aldus de verzekering kregen dat al de grondbezittingen, zoowel van Robrecht Sneloghe als van de andere Erembalds, hun tot belooning zouden worden uitgedeeld.

Den ganschen nacht bleven de Franschen en de Isegrims werkzaam om de geledene schade zooveel mogelijk te herstellen en nieuwe gevaren van dien aard te voorkomen. Het dak van den refter werd overdekt met versche of natgemaakte ossenhuiden, en hier en daar van binnen met balkwerk versterkt. Nog werden vele mannen door de steenen of de pijlen der Kerels getroffen; maar het was een waar gevecht, en niemand meende het te mogen ontwijken.

Reeds des anderen daags in den vroegen morgen begon de ram zijn werk opnieuw.

Nog poogden de Kerels hunne vijanden door het werpen van zware steenen of van brandstoffen te verontrusten; maar alles botste op de vochtige ossenhuiden af, of verteerde zonder eenig uitwerksel. Eindelijk, na alle mogelijke middelen te hebben beproefd erkenden zij hunne onmacht en staakten hunne pogingen. Buiten vier of vijf, die de wacht hielden, om nog de ridders en de wapenknechten te treffen, die zich roekeloos onder hun bereik waagden, bleven de Kerels van dan af gansch ondadig. Zij legden zich hier en daar binnen ten toren ter ruste of luisterden in sombere stilzwijgendheid op de holle slagen van den beukram, of keken mijmerend in de verte over burg en stad naar het betreurde Kerlingaland, als waanden zij nog dat van daar verlossing kon komen.

Den derden dag moest het werk der beukers reeds verre gevorderd zijn, want bij elken stoot van den ram beefde de toren nu

Nu begonnen de Kerels te vermoeden wat hunner vijanden inzicht was. De schrikkelijke gedachte, dat men den toren kon doen nederstorten, om hen allen onder de puinen te verpletteren, ontstelde hen in den eerste; maar zij twijfelden nog aan de mogelijkheid van zulk ontwerp; en moest het zich verwezenlijken, welnu, zij waren bereid om dezen gruwelijken dood zonder klagen te aanvaarden. Allen te zamen sterven, was in hunnen hachelijken toestand nog een geluk.

Toen de avond van dien dag zichtbaar begon te dalen, werden zij door den vijand zelven uit hunne onzekerheid getrokken. Een wapenbode stuurde hun, in name des konings van Frankrijk, het woord toe. Hij zeide hun, met vele bedreigingen, dat de ram reeds bijna de helft van des torens voet had uitgebeukt, en dit gebouw welhaast in gruis zou nederstorten. Al de Kerels zouden onder zijne puinen worden begraven. Wilden zij zich op genade des konings overgeven, men zou hen beneden laten komen; weigerden zij, de beukram zou onmeedoogend zijn werk voltrekken. Men gunde hun een vierendeel uurs.

Op dit voorstel antwoordden de Kerels met koele fierheid, dat zij volstrekt weigerden zich over te geven, tenzij de koning en de ridders hun de reeds meermaals uitgedrukte voorwaarden toestonden. Weigerde men dit voorstel, het was een bewijs dat men voornemens was, zonder vonnis hen te dooden, en in dit geval stierven zij nog liever als vrije Kerels onder de puinen van den toren.

De wapenbode sprak in naam des konings eene vermaledijding en een doodvonnis tegen hen uit, en keerde dan terug naar de Loove.

Onmiddellijk daarop begon men in het klooster met nieuwe kracht te beuken, tot verre in den avond. Dan echter werd het werk der vernieling gestaakt, ongetwijfeld omdat men vreesde den toren onverwachts te zien instorten, en men wilde vermijden dat zulks gedurende den nacht geschiedde.

...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd.

...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd.
...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd.

De zon was reeds sedert een goed uur boven de kim gerezen, toen Robrecht ontwaakte. Hij voelde zijnen geest verzwaard door den langen, loomen slaap, en stapte naar buiten, om op de gaanderij eene verfrissching voor zijn neergedrukt gemoed te zoeken.

Daar zag hij eensklaps aan den zuiderkant des torens Dakerlia op eene houten bank in het stralend morgenlicht zitten. De maagd had het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd en hield de oogen gesloten. Was zij onder de koesterende warmte der zon ingesluimerd of mijmerde zij in vergetelheid van het verloren geluk en van den akeligen dood die haar jong leven ging verslinden?

Mher Sneloghe naderde tot op twee stappen van haar, bleef

Welke eindelooze wereld van gedachten en herinneringen stormde hem op dit oogenblik door de hersens! Alwat hij had gedroomd, gehoopt, gevreesd, geleden, warrelde als een spokig gezicht hem voor de oogen. Wat was toch de mensch in de handen Gods? Zandkorrel dien het lot mede voert, evenals de wind een vlokje stof! Hij, Robrecht, was de rijkste ridder van geheel West-Vlaanderen geweest, hij had toebehoord aan een vrij land en een edel geslacht. Hij was schoon en sterk geweest als man, geacht en bemind als mensch. Hij had eene zuster gehad, zoet, eenvoudig en lieftallig als eene duive. Zijne ziel had eene zuivere, beminnende ziel ontmoet; de huwelijkszegen moest hen onafscheidbaar vereenigen en hun leven tot een paradijs van liefde en zoet genot herscheppen ... Eenige sombere dagen slechts waren voorbij—en van dit alles bestond niets,—niets meer! Kerlingaland was bezweken, de vrijheid, het erfdeel der edele voorvaderen, verloren! Hij, die de gelukkige bruidegom der aangebeden maagd moest worden, ging den dood vinden onder de puinen van St-Donaastoren ... Van de Erembalds zou zelf in 's lands geschiedenis niets overblijven dan eene gevloekte gedachtenis! en dit alles tot boete eener afschuwelijke misdaad, waaraan zij vreemd gebleven waren,—tot betaling der bloedschuld van den moordenaar Burchard Knap!

Eene wijl bleef nog de blik des jongelings strak en dof, als ware de denkingskracht in hem opgeschorst geweest.

Allengs nochtans vormde zich op zijne lippen een onduidelijke glimlach, en hij hield de oogen met eene soort van treurige bewondering op het gelaat van Dakerlia gevestigd.

Zij was toch zoo schoon en zoo ontzagwekkend, zijne verloofde, die daar op den rand van den waggelenden toren lag te slapen als een onnoozel kind dat sluimerd op de kruin van eenen vulkaan.

Waren Robrecht en zijne gezellen bleek, vermagerd, gekwetst, vuil en gescheurd, Dakerlia had geheel het voorkomen der gezondheid van den zielevrede en der zindelijkheid behouden. Iedereen toch had gewedijverd om haar tegen de ongemakken van hunnen schrikkelijken toestand te behoeden; en, hoe zij ook wederstand

Dakerlia's wangen hadden nog iets van hunnen vorigen blos behouden, haar aangezicht was zuiver en frisch gebleven. Haar zoo op de leuning der gaanderij onder het zonnelicht ziende rusten, zou men gewaand hebben eene teeder gekleurde roze te beschouwen, die even door een storm uit het dal was gerukt geworden en boven op eene naakte rots gevoerd.

Robrechts hart popelde van bewondering en liefde, terwijl hij, van het gevoel der wezenlijkheid verdwaald, den blik op het zoet gelaat zijner verloofde hield gevestigd; maar eindelijk toch ontviel hem de tooversluier der begoocheling, en welhaast sidderde hij onder den slag van bedroevende gepeinzen.

Zij ook, zij, Dakerlia, ging eenen akeligen dood sterven! Van die schoonheid, van dat jong leven, van al die hoop op geluk zou niets overblijven dan ... dan een verpletterd en verminkt lichaam ... ijselijk, gruwelijk!

Tranen schoten den ontroerden ridder in de oogen; maar hij bedwong deze teekens der smart met geweld, en zette zich in stilte nevens zijne verloofde.

Dakerlia ontwaakte en opende de oogen; zij aanschouwde Robrecht eene wijl met eene soort van onbewustheid en glimlachte dan helder, als stond er eene verheugende herinnering in haren geest op.

"Gij lacht, Dakerlia?" murmelde de jonge ridder verbaasd, "Uwe sterke ziel is dus boven alle vrees verheven?"

"Wat schoon, wat heerlijk gezicht!" riep de maagd met begeestering uit. "Robrecht, ik heb mijn vader en uwe zuster gezien ... gezien en omhelsd en gesproken!"

"Een droom, lieve, eene begoocheling ..."

"Neen, neen, meer dan dat; eene inspraak van God, een troost in ons lijden, eene voorspelling van toekomende dingen!"

Robrecht haalde mismoedig de schouders op en zeide met eenen zucht:

"Luister, luister, hoe de ram daarbeneden beukt; voel, Daker

"Gij gelooft mij niet?" sprak de maagd, met een gelaat dat van vreugde straalde, "Ik heb den toren reeds zien vallen ... Zoo zat ik hier bij den rand der gaanderij: de ram beukte geweldiger nog dan nu, de toren waggelde op zijne grondvesten en ging nederstorten. Ik was vervaard en hief de handen biddend ten hemel. Een Engel verscheen aan mijne zijde. "Vrees niet, Dakerlia," zeide hij; "voor wie ongelukkig is of onrecht lijdt, is de dood eene verlossing, een nieuw en beter leven." De goede geest gaf mij moed en versterkte mij tegen den hachelijken stond. Daar viel de toren met ijselijk gekraak; maar terwijl ik met de puinen naar beneden stortte, greep de engel mij in zijne armen en vloog met mij naar den hemel. In eene zaal, die verblindend glansde van goud en licht, kwamen mijn vader en uwe zuster juichend mij te gemoet geloopen en omhelsden mij met uitstorting eener onzeglijke blijdschap. Tranen van geluk ontrolden onzen oogen bij dit vroolijk wederzien. Onze vrienden Eggard Van IJsendijke, Yorg Koevoet, uw oude oom, de proost, en nog velen van de dappere gezellen die gesneuveld zijn, kwamen mij omringen en drukten mij de handen. Eene treurnis slechts benevelde onze vreugd; allen riepen wij: "Waar is Robrecht? Waar blijft de edele Robrecht?" Ha, er ging tusschen ons een schallende jubelkreet op. Daar kwaamt gij! Wij liepen met uitgestrekte handen u toe en sloten u in de armen ... Dan overstroomde ons eensklaps een stralend licht, en uit den schoot van dien gloed sprak de stemme Gods zelve tot ons: "Robrecht, Dakerlia, zielen die op aarde hebt bemind en geleden, weest vereenigd en gelukkig tot het einde der eeuwen!" En dan, Robrecht, dan ben ik ontwaakt en heb u nevens mij zien zitten. Het is een droom; ja, ja, een droom; maar hij zal waarheid worden. Daarboven zullen wij eeuwig te zamen leven, met mijnen vader, met uwe zuster, in Gods aanschijn!"

De jonge ridder had zich door de begeesterde taal van Dakerlia tot begoocheling laten verleiden, en ook op zijne lippen was een zoete glimlach verschenen; maar zoohaast zij ophield van spreken, keerde hij tot het gevoel der wezenlijkheid terug en schudde met treurigheid het hoofd.

"

"Voor mij niet, gij weet het wel", antwoordde hij. "Maar u te zien sterven, Dakerlia, u, zoo jong, zoo onschuldig, zoo schoon! Eilaas, het is eene ijselijke gedachte!"

"Vermits ik dit lot zonder beven aanvaard ..."

"Er is nog één middel, Dakerlia; en onze arme gezellen zouden, uit liefde tot mij en tot u, er in toestemmen."

"Alweder het voorstel dat ik reeds tienmaal heb verstooten?"

"Inderdaad, lieve; maar ik smeek u, aanvaard het, uit medelijden met mijne smart! Indien ik u gered mocht weten, ik stierve met een gevoel van geluk, en ik zegende dan den dood als eene weldaad. Laat mij doen: ik zal den koning onze overgaaf op zijne genade voorstellen, indien hij zijn vorstelijk woord wil verpanden dat men u in volle vrijheid naar Kerlingaland zal laten vertrekken."

"Nimmer, nimmer! Ik weiger ..."

"Dakerlia!"

"Met u wil ik leven en sterven. Mijn droom zal waarheid blijven."

"Wees niet onmeedoogend; uwe weigering maakt mij den dood tot eenen galbeker."

"Ha, Robrecht, hoe is het mogelijk!" kreet het meisje met verontwaardiging. "Gij wilt dat ik op aarde blijve na uw vertrek? Bemint gij mij? Waarom dan wenscht gij dat ik blootgesteld worde aan de vervolgingen van den verrader Disdir Vos? En wierd ik het slachtoffer zijner boosheid, hoe zou uwe ziel zich beschuldigen de oorzaak te zijn geweest mijner onzaligheid en mijner schande! Ik ben eene Kerlinne: zuiver zal ik voor God verschijnen; ik wil het recht behouden mijnen vader, uwe zuster en u zelven daarboven in de armen te drukken ..."

Tot dan hadden de Kerels, die zich op de gaanderij bevonden, volgens hunne gewoonte de samenspraak van hunnen overste met jonkver Wulf geërbiedigd, en waren zij aan de andere zijden van den toren gebleven; maar nu kwam Ivo-de-Wolvenjager nader en zeide:

"Mher Sneloghe, indien ik mij niet bedrieg, gaat daar beneden

Op dit oogenblik bereikten de poorters het middelplein van den burg, en Robrecht hoefde slechts het hoofd over de leuning der, gaanderij te buigen, om op den stoet neder te zien. Hem werden insgelijks teekens gedaan, doch hij kon er geene andere beduidenis aan toekennen, dan dat men waarschijnlijk eene laatste poging bij den koning wilde wagen om levensgenade te bekomen voor de arme Kerels, die andere door den val van den toren ellendig zouden worden verpletterd.

Inderdaad, hij misgreep zich niet. De schepenen der stad, vergezeld van wel veertig oversten der gilden en neringen, boden zich op dit oogenblik voor de poort der Loove aan en verzochten den koning te mogen spreken.

In de tegenwoordigheid des vorsten toegelaten en over de reden hunner komst ondervraagd, zeide de voorschepen:

"Heer koning, de droeve mare dat men den toren van St-Donaas gaat doen vallen heeft onze poorters zeer ontroerd. Op hun aandringen komen wij uwe goedheid afsmeeken en, voor uwe voeten neergebogen, u bidden dit oudste kerkelijk gebouw onzer stad te willen sparen. Valt deze logge toren, dan zal hij niet alleen de kerk en de proostdij verpletteren, maar nog daarenboven zonder twijfel vele menschen dooden."

"Wij begrijpen wel, heeren, dat gij liever den toren zoudt gespaard zien", antwoordde de vorst. "Maar gij hoopt zeker niet 'dat wij, koning van Frankrijk, ongestraft onze macht zullen laten hoonen, of van hier zouden kunnen vertrekken zonder die slechte, hardnekkige lieden tot overgaaf te hebben gedwongen? Te lang heeft dit belachelijk spel geduurd; en, vermits er geen ander middel is om die razende Kerels te doen bezwijken, zal de toren vallen!"

"Gelieve de heer koning mij oorlof te geven om eene overweging ootmoedig hem te onderwerpen", hernam de voorschepen. "Het getal der Kerels op den toren is niet vijftig; wij meenen

"En Robrecht Sneloghe dan?" riep Disdir Vos, die met den veldheer Grervaas en met andere ridders achter den koning stond.

"De koning late mij toe het te zeggen", antwoordde de voorschepen "mher Robrecht Sneloghe heeft door al zijne daden bewezen dat hij vreemd is gebleven aan de misdaad en deze dieper betreurt dan wie het zij; ja, hij heeft in het openbaar tranen van deernis en rouw op het lijk van graaf Karel gestort en het met gevaar des levens tegen schennis verdedigd. Is hij het niet die den moordenaar heeft gedood[90]?

Van allen die bekend zijn als hebbende deel aan de misdaad genomen, is geen enkele meer op den toren; zij zijn gesneuveld, gemarteld of gevlucht ... O, machtige koning van Frankrijk, kan de onmiddellijke dood dezer ellendige lieden eenigen luister voegen bij den glans van uwen roem? Zeker, de moord van onzen graaf is een afschuwelijke aanslag; maar, heer koning, in uw grootmoedig hart kan het gevoel der wraak slechts toegang vinden, voor zooveel het nuttig of geheel rechtvaardig zij...."

"Hoe?" morde de vorst verwonderd. "Onze wraak tegen deze overmoedige lieden zou niet rechtvaardig zijn? Hebben zij niet genoeg onzer ridders en wapenknechten gedood of gekwetst?"

"Inderdaad, heer koning, en het is wel te betreuren; maar indien uw edelmoedig hart het wilde aanzien als enkelijk geschied tot hunne verdediging ..."

"Sa, begrijp ik het wel", viel de koning half vergramd uit, "dan zoudt gij vermetel genoeg zijn om te wenschen en te verwachten dat wij genade schenken aan deze lieden die ten minste vrienden en handlangers der moordenaars zijn?"

"Neen, heer koning, genade niet; maar wij durven u smeeken hun de voorwaarden toe te staan welke zij op hunne overgaaf

Bij deze laatste aanroeping zonken al de schepenen en poorters geknield ten gronde en bleven zoo, met neergeslagen blik, voor den koning gebogen.

De vorst scheen gevoelig aan hunne hulde en aan hunne bede. Hij keerde zich tot de ridders, waarschijnlijk om hen te raadplegen over de beslissing welke hij geneigd was te nemen. De Isegrims morden hevig; hunne gebaren konden laten gissen dat zij den koning poogden over te halen tot het volstrekt verwerpen van het verzoek der poorters.

Wat ook de indruk dezer korte samenspraak op des vorsten gemoed ware geweest, hij wendde zich weder tot de schepenen en zeide op minzamen toon:

"Staat op, heeren. Wat gij van ons vraagt is moeilijk toe te staan. De Kerels sparen? Zouden dan al onze mannen, die zij gedood hebben, ongewroken moeten blijven? Evenwel, wij zouden indien het ons mogelijk ware den toren te behouden, ons gelukkig achten, deze gelegenheid te vinden om den goeden lieden der stad Brugge een hoog bewijs onzer bijzondere welwillendheid te geven. Gaat tot uwe mannen, stelt ze gerust en zegt hun dat wij het werk van den beukram zullen doen opschorsen, totdat wij met rijp beraad hebben overwogen wat ons mogelijk is, ten believe der poorters dezer goede stad Brugge te doen. Hebt vertrouwen ik hoop dat wij den toren van St-Donaas zullen kunnen behouden."

Onder het uiten van dankzeggingen en met blij gemoed, verlieten de schepenen en hun gevolg de Loove.

De schepenen deelden aan de menigte de goede woorden des konings mede. Dit bericht ontlokte het volk een schallend gejuich en, terwijl menige kreet van "Leve de koning!" in de hoogte steeg, poogden eenige stoutere lieden met de Kerels te spreken en hun door sterk roepen te doen verstaan dat er nog groote hoop op verlossing voor hen was.

Maar nu traden eenige wapenknechten op het plein en dreigden de poorters met gevangenis indien zij, tot de Kerels sprekende, het gebod des konings overtraden.

Het duurde zeer lang eer men iets nieuws vernam. De toevloed der menigte groeide immer aan, en met ongeduld wachtte een ieder op het besluit des konings.

Eindelijk liep een blij gemor door het volk, dat zich opende om eenen wapenbode en eenen bazuinblazer door te laten.

De bode, nadat men de aandacht der Kerels door een kort geschal had opgewekt, riep hun toe:

"Op de bede der poorters van deze goede stad Brugge en om den toren van St-Donaas te sparen, vergunt onze heer, de koning van Frankrijk, u de voorwaarden op welke gij aangeboden hebt u over te geven. Gij zult in de gevangenis geleid worden en daar afwachten totdat rechters over uw lot uitspraak hebben gedaan. Laat mij weten of gij deze gunst aanvaardt: ik wacht uw antwoord."

Na eene wijl onder elkander te hebben geraadpleegd, riepen de Kerels[91]:

"

"Komt dan beneden!" zeide de bode. "Men zal den uitgang van den trap vrijmaken en u in de kerk uwe wapens afnemen!"

"Het zij zoo!" antwoordden de Kerels.

Een lang gejubel klonk over het plein, en herhaalde malen weergalmden er kreten ter eere van den Franschen vorst.

Ongetwijfeld hadden de Kerels nog druk te arbeiden om zich eenen doorgang te banen tusschen al de hindernissen waarmede zij tot hunne verdediging de torentrap hadden versperd.

Schier een uur verliep er, vooraleer een dof gebruis en een koortsig gewoel onder de menigte aankondigden dat de Kerels gingen verschijnen.

Inderdaad, uit de kerkpoort trad nu eene sterke wacht van wapenknechten; daarachter stapten de Kerels, ten getalle van slechts zevenentwintig man en drie vrouwen.—Zij waren sedert meer dan veertig dagen in den burg opgesloten gebleven, en hadden daarvan zestien dagen op den toren doorgebracht! Gedurende deze lange tijdruimte hadden zij met onplooibaren heldenmoed zich verdedigd tegen twee legers en tegen al de befaamde stormtuigen van den burg van Gent!

Ook was het wel aan hun ellendig opzicht te zien wat zij hadden doorstaan en geleden. Allen waren geel en mager, met ingevallen wangen en weggezonken oogen. Velen droegen op aangezicht en handen de roode litteekens van slecht geslotene wonden; hunne kleederen waren vuil en hingen aan flarden. Ware het niet hunne trotsche houding geweest, hadde niet uit hun somber oog nog de vonk der onplooibare trotschheid ontschoten, men zou voorzeker gewaand hebben eene bende verhongerde bedelaars te zien.

Dakerlia alleen, met hare rijzige gestalte, hare bekoorlijke wezenstrekken en reine, nette kleeding scheen eene koningin tusschen eenen hoop noodlijdenden. Zij stapte aan Robrechts zijde en verbaasde elkeen door den stillen, zoeten glimlach en door den glans van fierheid die haar schoon gelaat verlichtte.

Ridders en wapenknechten boden als met eerbied eenen vrijen doorgang aan deze heldhaftige vijanden, en bekeken hen zonder een enkel hoonend woord te laten hooren of door eenig zegevierend gebaar hen in hun ongeluk te bespotten.

Verre hoefden de gevangenen niet te gaan: het Gyselhuis, in welks kerker men ze ging opsluiten, stond op den burg, schuins over de proostdij.

Toen de Kerels binnen in het Gyselhuis gekomen waren, gebood de overste der wachten, dat men de mannen in den grooten kerker ter rechterzijde, en de vrouwen in de cellen ter linkerzijde zou opsluiten.

Een angstschreeuw ontsnapte terzelfdertijd aan Dakerlia en Robrecht en, als vreesden zij dat dit afscheid eeuwig zou zijn, sprongen hun beiden de tranen uit de oogen.

Dakerlia hief met een plechtig gebaar den vinger ten hemel, wees dus aan haren verloofde de baak der hoop en riep:

"Robrecht, Robrecht, er is een beter leven. Vaarwel, tot wederziens daarboven ... mijn vader, Witta!"

"Vaarwel, dat God u bescherme!" murmelde de jonge ridder, schier bezwijkende van smart.

De wapenknechten grepen de Kerels en de vrouwen bij de armen en leidden ze naar de kerkers die hun waren toegekend.

Voetnoten:

[87]

"Zij sloegen de klokken aan stukken om daarmede hunne vijanden te verpletten." GALB., p. 319.

[88]

"In zijne gramschap gebood de koning den toren spoedig omverre te doen storten ... Onmiddellijk begonnen zij met ijzeren werktuigen den toren van onderen uit te breken." GALB., p. 370.

[89]

"Zij wierpen kolen, gedoopt in pik, in was en in boter. Deze kolen, zich hechtende aan de daken, deden vlammen ontstaan, welke de wind aanblies, en die, zich uitbreidende, het dak naar alle kanten verslonden." GALB., p. 354.

[90]

Den Maandag, 18 April, wierpen onze burgers zich weder geknield voor den koning neder, en smeekten om genade voor Robrecht. GALB., p. 370.

[91]

"De koning verleende aan de belegerden, volgens hunne vraag, oorlof om van den toren te komen, dewijl het voordeeliger was dat zij zich zelven overgaven zonder de belegeraars aan de gevaren der Instorting bloot te stellen."

GALB., p. 371.

"Zij kwamen dus uit de kerk ten getalle van zevenentwintig."

GALB., p. 371.

Volgens Galbertus werd de stad Brugge bij verraad ingenomen den 9en Maart, en gaven de Kerels zich over den 19en April. Het beleg had dienvolgens tweeënveertig dagen geduurd

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings