← Table of contents
De Kerels van Vlaanderen

XI

Reading edition

De dag waarop de Hoop[49] zou gehouden worden, was verschenen.

Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven, en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de bijzonderste herbergen stilhouden.

Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor het beroepsgerecht of jaarwaarhede, anderen zouden zekere zaken aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om vrienden of bekenden te ontmoeten.

Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren, met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had eener jaarmarkt of eener kermis.

Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd.

Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel ui

De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken.

Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit genade had laten behouden.

Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren, havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd. Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden, wanneer de vorst hun eene bede toerichtte, verleenden zij hem vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat.

Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld, als kastelein of burggraaf het bevel voerde.

Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulke gemeente bestierders of schepenen en liet er het recht uitoefenen in zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein.

Geheel anders was het met de Kerels buiten dminne, en verscheidene zulker minnen vormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen als over wetsovertredingen en misdaden.

Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er de wekelijksche rechtspleging te oefenen.

Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en met ijzeren staven gesloten.

Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle hielden verwijderd.

Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den Gildeneed met hen waren verbonden.

Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren overdekt.

Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid getimmerd en er talrijke banken gezet.

Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd, lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier banken der vierschaar tusschen eene ringvormige haag waren geschikt.

Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord.

In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk hunner belast was.

Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens de zaken welke zij te bezorgen hadden.

In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage waren verschuldigd.

Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens eene kas van onderlinge verzekering.[50]

In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en dijkwerken, die ten laste van meer dan één Ambacht moesten worden onderhouden.

Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom de vierschaar.

Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of recht was geweigerd. Deze vierschare, die men jaarwaarhede noemde, vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van den Hoop en zetelde verscheidene dagen.

Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het was slechts ten één uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop aankondigde.

Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht, hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen vertegenwoordiger had gekozen.

De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte, nevens zijne vrienden of bekenden.

Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige Ambachten afgevaardigd.

Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken neder.

Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm als een donder door de zaal dreunde.

Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht.

De Voorman of de voorzitter was een Keurman

"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk verzoeken het u voor te lezen."

De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering; maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en vermaledijdingen.

"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!" galmden de driftigsten.

"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen eenige anderen.

Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde voort.

Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen dwong.

Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel verzocht hij zijne gezellen h

Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers die zich aanboden.

Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend.

Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig edelgesteente.

Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan, bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden.

"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te zitten?" vroeg men elkander.

Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de stem riep hij uit:

"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet? Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen, Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven, ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is."

"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem.

"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap. "Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen zijne broeders hebben uitgesproken."

"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal.

De slag van den hamer weergalmde.

"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen. Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg."

Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe.

Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op de bank nevens Disdir Vos.

"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman.

Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid. Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt wor

Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring begroet.

"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te verworgen!"

"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan Burchard, die hem daarom de handen drukte.

"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman.

Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid.

De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan.

"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman.

Robrecht begon dus zijne rede:

"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms. Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij dezelfde overtuig

Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van "leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind.

Hij hernam zijne rede:

"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht, het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog, die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen, veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.—Wat hebben wij te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg; benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten, in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in ontzaglijke drommen onze vijanden te gemoet trekken en Kerlingaland en de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste verzekering heb

Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden.

Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat, eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord.

Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere, hun gevoelen uit. Één of twee rieden met weinig aandringen de voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade.

Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk deed op zijne aanhoorders.

"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles! Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag zijner troonsbeklimming ons een Heerliken vrede noemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen, die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen hart ..."

Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond er een groot gerucht in de zaal.

De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak:

"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op persoonlijke vrijheid zich beroemen ..."

"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht.

"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar, zegt h

Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen.

"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben."

Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde.

Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen, maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd.

Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden zij niet onf

Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de Engelschen in Normandië te verdedigen. En wat de overige gewesten van Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet minder ontevreden waren dan in Kerlingaland.

Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen? Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling.

Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen voorstelde.

Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat voor graaf Karel uitgedrukt.

Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan.

De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden.

Dan zeide hij:

"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het verkla

De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven.

En toen de Voorman uitriep:

"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen tegen de Isegrims.

De hamerslag hergalmde driemaal.

"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?"

Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken.

Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde, en de Voorman kondigde dus den uitslag af:

"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer als graaf van Vlaanderen erkennen."

Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet.

Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid.

"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap.

En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij:

"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij, gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan, zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken leidsman te g

"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders; maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam:

"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot graaf van Vlaanderen uit."

De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de stemming door het opsteken der handen te bevestigen.

Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou mher Willem toestemmen om deze kans te wagen?

"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren."

"Hoe? Wat beduidt dit? Hij kende dus op voorhand onze beslissing?" riep eene stem.

"Neen", wedervoer Burchard, "ik ben naar Yperen gegaan en heb hem medegedeeld welke voorstellen ik hier wilde doen. Ten volle zeker van uw besluit, omdat het alleen Kerlingala

"Ja, ja, eenen grooten dienst!" riep men van alle kanten.

"Welnu", zeide Burchard, "de Voorman geve aan de wachten en klerken, bij de deur der zaal en bij de poort der Halle, bevel om eenen ridder, die tot de Hoop niet toebehoort, met mij in de zaal te laten treden,"

Hierop verliet hij de Halle.

De vergadering bleef met groot gerucht over deze haastige keus twisten en kouten, totdat de deur weder werd geopend en mher Willem Van Loo waarlijk in de zaal trad.

Hij werd onder het herhaald gejubel van: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" door Burchard op de verhevenheid geleid, waar de Voorman, met eenige woorden van hulde en gelukwensching, hem den middelzetel aanbood.

Willem Van Loo was een ridder van meer dan gewone gestalte en lichaamskracht. Zijn blik was trotsch en indrukwekkend, doch zijne lippen waren dun, en rondom zijnen mond liepen twee zonderlinge rimpels, die zijn gelaat een voorkomen van list of van achterdocht gaven.

Terwijl men nog immer voortging met hem als graaf van Vlaanderen toe te juichen, zette Willem zich neder; en toen hij bespeurde dat de welkomskreten verminderden, stond hij op en sprak dus tot de vergadering:

"Vrienden van Kerlingaland, gij biedt mij de kroon van Vlaanderen aan, die mijne voorvaderen zoo roemrijk hebben gedragen. Ik aanvaard ze uit uwe handen, dit is te zeggen, dat wij te zamen goed en bloed gaan wagen om ze den vreemden overweldiger te ontrukken. Elk uwer doe zijnen plicht als vrij man en als Kerel; ik zal den mijnen doen als uw aanleider en uw vorst. Eischt gij van mij eene belofte of eenen eed, ik zweer u dat ik uw recht en uwe vrijheid zal eerbiedigen; maar mij insgelijks zult mij beloven gedurende dezen oorlog mij in alles te gehoorzamen en mij willekeurig onze krijgsverrichtingen te laten leiden, zooals ik het goed zal vinden. Ik eisch deze belofte van u niet als vorst, maar als legeroverste. Zonder een éénig hoofd kan men in den oorlog niets ... Nu, belooft uwen veldheer deze gehoorzaamheid."

Al de handen gingen in de hoogte en de kreten: "Ja, ja, wij beloven het, wij zullen u gehoorzamen!" versmolten tot een verward en luidruchtig geraas.

Willem Van Loo moest reeds op voorhand overwogen hebben wat hij hier zou zeggen; want hij hernam onmiddellijk het woord.

Vrienden van Kerlingaland

Vrienden van Kerlingaland
Vrienden van Kerlingaland

"Welaan dan, gezellen", sprak hij, "ziehier mijne eerste bevelen. Zooals gij het hebt besloten, zal gansch Kerlingaland zijne weerbare mannen te wapen roepen en ze tot mijne beschikking stellen, opdat ik ze aanvoere tegen den vijand. Het is niet raadzaam dat onze gewapende Kerels eenzaam of bij kleine benden de Ambachten doorkruisen, vooraleer wij eene zekere macht hebben verzameld. Daarom, bereidt alles metterhaast en in stilte, opdat uwe mannen allen te gelijk zich op weg kunnen begeven in den nacht van Maandag tot Dinsdag toekomende, dat is binne

Eenig gemor liet zich hooren.

"Mishaagt u deze wet?" vroeg Willem ontevreden. "De vergadering zegge het mij, en ik verzaak onmiddellijk de zware taak die ik had aanvaard."

"Neen, neen; leve Willem, onze graaf!" riep men met herhaald gejuich.

"Wel zoo, gezellen", zeide Willem. "Doen wij nu allen onzen plicht met vastberadenheid en trouw ... Ik zie in de vergadering velen mijner vrienden, wien ik te dezer gelegenheid gaarne de hand zou drukken, en andere gezellen, met welke ik wensch kennis te maken. De Voorman hebbe de goedheid mij tot hen te geleiden en mij hunne namen te noemen, opdat ik ze herkenne, als wij te zamen tegenover den gemeenen vijand zullen staan."

Na deze woorden daalde hij met den Voorman van de verhevenheid en ging tusschen de banken, hier minzaam groetende, daar handen drukkende, overal vriendelijke woorden sprekende en elkeen door eenige aangename woorden gunsti

"Vrienden, om redenen, welke gij licht zult begrijpen, acht ik het noodig nu deze vergadering en zelfs de stad Veurne te verlaten In het Wolvennest-bosch zullen wij elkander wederzien. Daar zullen wij uwe keus met veel plecht, in tegenwoordigheid van het vergaderde leger, afkondigen; want dan eerst zullen wij de macht hebben om haar tegen andersdenkenden te verdedigen. Tot dan houdt alles, wat hier beslist is geworden, zoo geheim mogelijk. In het Wolvennest zullen wij te zamen regelen wat nog te regelen is. Hebt betrouwen in onze zaak, gezellen. Ik heb reeds jaren lang oorlog gevoerd tegen Karel van Denemarken, en hem bijna overwonnen, alhoewel ik mij slechts door een gering gedeelte der Kerels geholpen zag. Nu gaat gansch Kerlingaland opstaan tot het verdedigen zijner vrijheid. Sterk door zulke eendracht, wat zouden wij vreezen? Wij zijn onverwinnelijk!"

"Ja, ja, onverwinnelijk! Leve Willem Van Loo, onze graaf!" riep men met geestdrift van alle kanten.

"Ik herhaal u nog eens mijne oprechte dankbetuiging voor uw vertrouwen in mij", zeide Willem. "Blijft in deze zaal, vrienden, en zet vreedzaam uwe beraadslagingen voort; doch haast u, na afgedane zaken naar uwe Ambachten weder te keeren, om daar zonder tijdverlies alles te bereiden. Vaartwel, tot wederziens in het Wolvennest!"

Eene laatste toejuiching dreunde hem achterna, toen hij de zaal verliet.

Burchard, die hem alleen volgen zou, doch niet met hem in de straten van Veurne wilde gezien worden, bleef nog eene wijl met Disdir Vos in stilte kouten. Dan, naar de deur stappende, ging hij tot Robrecht Sneloghe en zeide hem met eenen glimlach:

"De zaken zijn hier niet afgeloopen naar uwen wensch?"

"Niet gansch, inderdaad", antwoordde Robrecht. "Wat beslist is eerbiedig ik evenwel en onderwerp er mij aan."

"En gij zult den nieuwen graaf verkleefd zijn en gehoorzamen?"

"Zeker, hij is der Kerlen vorst."

"En gij zult zijne bevelen volbrengen zonder onwil?"

"Blindelings. Het is mijn plicht. De uitspraak van den Hoop aanvaard ik als eene onverbrekelijke wet."

"Alzoo, wij mogen u in het Wolvennest verwachten met de mannen van Houthem?"

"En met de mannen van Ravenschoot en nog anderen: te zamen meer dan vijfhonderd man."

"Gij zijt een eerlijk en edelmoedig ridder", zeide Burchard, hem de hand reikende. "Ik zal u in de gunst van onzen graaf bevelen. Nu vaarwel!"

"Gij ziet wel dat gij u over Robrecht misgrijpt", murmelde hij aan het oor van Disdir Vos, die deze samenspraak had afgeluisterd "Hij is bereid om mher Van Loo in alles zelfs blindelings te gehoorzamen."

Disdir Vos schudde zwijgend het hoofd.

Na eenen handdruk met hem te hebben gewisseld, verliet Burchard de zaal en haastte zich, in eene herberg aan het uiteinde der stad, Willem Van Loo te gaan vervoegen.

Deze zat reeds te paard met vier andere ruiters, die hem als lijfwacht hadden vergezeld. Een der ruiters hield een los paard voor Burchard Knap gereed.

Zoohaast deze laatste opgestegen was, reed het gezelschap de stadspoort uit en vervorderde zijnen weg op eenen goeden draf, totdat men Bulscamp voorbij was en Wulveringhem ging naderen.

Dan vertraagde Willem den gang van zijn paard en gaf den wapenlieden bevel om op eenigen afstand achteruit te blijven.

Hij begon in vol vertrouwen met Burchard te kouten over zijne kiezing door den Hoop, over den oorlog en over zijne uitzichten voor de toekomst. Dat de koning van Frankrijk zich met de zaak zou willen bemoeien en zich in dit geval tegen de Kerels zou verklaren, dit moest men als mogelijk aanzien; maar Willem Van Loo zou onmiddellijk boden uitzenden om de hulp des konings van Engeland te verzoeken, en men mocht verhopen dat er zoohaast mogelijk eene Engelsche vloot in het Swin zou verschijnen om de Kerels te ondersteunen. De twijfel aangaande de vraag, welk gedrag de koning van Frankrijk in dezen strijd voor de kroon van Vlaanderen zou houden, bekommerde mher Wille

Ter gelegenheid dezer bedenking, stortte Burchard geheel zijnen haat tegen Karel van Denemarken uit; hij noemde hem huichelaar, valschaard, bedrieger en dief; ja, hij zeide dat de gelukkigste dag zijns levens die zou zijn waarop hij zou vernemen dat die verachtelijke Karel gestorven of gesneuveld was, en dus eindelijk zijne ziel der helle, waaraan zij toebehoorde, had overgeleverd.

Deze taal behaagde Willem Van Loo ten uiterste; want in zijn hart lag evenveel haat tegen graaf Karel, iets dat genoeg te begrijpen was, aangezien hij hem kon beschuldigen de kroon van Vlaanderen hem te hebben ontroofd.

Nadat zij dus langen tijd waren voortgegaan met gal tegen hunnen gemeenen vijand te spuwen, zagen zij van verre twee ruiters in vollen draf hen te gemoet komen.

Het verwonderde hen in het eerst, maar toen zij meer genaderd waren, herkende Willem eenen der beide ruiters als zijnen dienaar.

Deze hield zijn paard voor zijnen meester staan en zeide:

"Heer burggraaf, ziehier een man die u zoekt; hij komt van Atrecht en heeft eene haastige boodschap van mher Godevaart Van Belle voor u."

"Komt gij van het leger? En weet gij wat uwe boodschap behelst?" vroeg mher Willem.

"Ik kom van het leger, heer", antwoordde de bode, "maar de tijding die ik u breng is mij onbekend."

Dit zeggende, haalde hij eenen gesloten brief van onder zijn kleed, en reikte hem mher Willem toe, die hem met zekere bekommerdheid opende.

Wat daarin te lezen stond, moest hem onaangenaam verassen, want hij scheen te verbleeken. Hij bedwong evenwel onmiddellijk zijne ontsteltenis en stak den brief in zijne tasch, terwijl hij tot zijnen dienaar zeide:

"Rijdt in allerhaast terug naar Loo met den bode; geef hem eten en drinken. Hij wachte mij daar; ik moet hem spreken."

Hij deed teeken tot zijne wapenlieden, dat zij achteruit zouden blijven, zette zijn paard op eenen langzamen stap en sprak dan met eenen diepen zucht tot Burchard:

"Noodlottige tijding, mijn vriend: de kroon die ik reeds op mijn hoofd voelde, ontsnapt mij!"

"Wat wilt gij zeggen, heer graaf?" mompelde Burchard verschrikt.

"Weet gij wat dien brief mij meldt? Morgen zal er een leger ridders, met hunne wapenlieden tweeduizend sterk, allen Isegrims, uit Atrecht vertrekken, om de Kerels tot het eerbiedigen van het edict over den balfaart te komen dwingen. Zij zullen onmiddellijk door talrijke benden wapenlieden te voet worden opgevolgd; met hoe weinig spoed deze ridders ook reizen, zullen zij in Kerlingaland verschijnen voordat ons leger vergaderd zij."

"Maar laat ons in allerijl naar Veurne terugrijden en bevelen dat men de mannen der Ambachten onmiddellijk tot u zende", antwoordde Burchard. "Zoo zouden de ridders eenen krachtigen wederstand ontmoeten, en wij zouden tijd winnen tot het verzamelen onzer heirkrachten."

"Onmogelijk. De meeste leden van den Hoop hebben Veurne reeds verlaten; het daglicht vermindert, de avond zal welhaast vallen. En daarbij, wat zou het helpen? Meent gij dat ik met eenige bijeengeraapte mannen de kans zou wagen tegen tweeduizend ridders? Eilaas, de hemel is ons niet gunstig! De Isegrims zullen metterhaast alle burgen en kasteelen bezetten, en dan zijn onze pogingen op voorhand verijdeld. Ik ben reeds in zulken ongelukkigen oorlog bezweken. Nu wil ik het zwaarwichtig spel niet meer wagen, zonder eenige kans op overwinning. Wij moeten plooien en betere tijden afwachten. Ik zal boden naar alle Ambachten sturen om voorloopig eene lijdzame onderwerping te doen veinzen."

Burchard gromde wel in zich zelven en knarste de tanden; maar hij zeide niets: de erge tijding vervulde hem met angst.

"De listige, booze Karel van Denemarken!" morde hij eindelijk "Dit geheele spel van rechtsverkrachting en huichelarij was op voorhand bestoken!"

"Ja, Karel van Denemarken is ons te slim!" zeide Willem met eenen zucht. "Mocht hij van zijn paard storten of op eene andere wijze den hals breken, dan waren wij van den dwingeland verlost, en de ridders zelven zouden mij als graaf van Vlaanderen erkennen. Maar dit is eene ijdele wensch. Het staat daarboven geschreven, dat ik nimmer den troon mijner vaderen zal beklimmen Waarom langer worstelen tegen het onverbiddelijk noodlot? Onderwerpen wij ons verduldig. Anders blijft mij niet meer over ..."

Beiden zwegen eene wijl, als neergedrukt onder de overtuiging hunner onmacht.

Eensklaps slaakte Burchard eenen zonderlingen kreet. Mher Willem zag hem verwonderd aan.

"Indien iemand u kwam zeggen: Karel van Denemarken is dood", vroeg Burchard met verdoofde stem, "zoudt gij den bode gunstig onthalen?"

"Ik ware bekwaam om hem op mijn hart te drukken!"

"En zoudt gij hem vragen op welke wijze Karel van Denemarken is gestorven?"

"Wat geeft het mij, indien Vlaanderen slechts van den vreemden overweldiger wordt verlost?"

"Hoor mij aan met aandacht, heer graaf", sprak Burchard, "en heb vertrouwen in mij. Vraag mij niets meer, geen enkel woord; laat de Kerels binnen zes dagen vergaderen op de aangewezene plaats, en wacht op eene ontzettende tijding van mij. Ik hoop dat gij mij hebt begrepen? Uw handdruk is mij daarvan een bewijs. Welnu, laat mij vertrekken; ik wil over Beerst en Thourout naar Aartryke. Daar moet ik zekere Houtkerels spreken. Morgennacht ben ik in Brugge. Wederhoud mij niet, graaf, het is nu bijna duister: alles begunstigt mij. Vaarwel!"

En zonder eenigen anderen uitleg dreef hij zijn paard in eenen aardeweg. Willem Van Loo, ontsteld en stom, schouwde hem achterna, totdat hij tusschen de eerste boomen van een klein bosch uit zijn gezicht verdween.

Voetnoten:

[49]

"De Hoop was eene volksvergadering waar men over de staatsbelangen der bevolking van de Vlaamsche zeegewesten beraadslaagde."

VICTOR DE RODE. Ann. Fl. de Fr., t. VIII, p. 113.

[50]

Dat niemand zich verstoute den eed te zweren, waarmede men zich pleegt aan de gilden te verbinden. Welke ook de voorwaarden zijn, dat niemand zich bij eede verplichte tot geldelijke bijdrage, aangaande de gevallen van schipbreuk of van brand.

Capit. Caroli Magni a. 779, art. XIV.

Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene volledige stilte.

Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste vaarwel op de lijkbaar geworpen ...

Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij veranderd.

Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid:

"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ... En ik zou er niet aan mogen denken?"

"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk, Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld. Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek maakt?"

"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve

"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen."

Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna.

Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna
Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna

"Van wat kunnen wij spreken?"

"Van mijnen broeder."

"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..."

"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte

"Een geheim?"

"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken. Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..."

"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij heeft gelijk."

"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde, ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!" Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt, Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!"

"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet meer verdedigen; hij ligt in het koude graf."

"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden."

"Misschien."

"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?"

Zij ontstak eene kaars en zeide:

"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden."

Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad binnen.

Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak eenige zoete troostende woorden tot haar.

Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig:

"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet."

"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met angstige verrassing.

"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige. Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en u dagelijks meer dan eens bezoeken."

De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan.

"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia.

"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent", antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga verlaten."

"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde, mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!"

Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen, zeide zij:

"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg! Voor zonsopgang?"

"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo haastig."

"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen, wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk."

"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God tot morgen."

Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur.

Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren schouder en murmelde aan haar oor:

"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders hooren. Houd dit geheim!"

"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!"

"Goeden nacht, zuster, tot morgen."

Met deze woorden verliet hij de zaal.

Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende, of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren.

Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige stappen verwijderd.

De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in.

Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde, scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan met verdoofde stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen.

"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?"

"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik heb eene boodschap u te vertrouwen."

"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben."

"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort openen."

Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er een schalk achter de poort staan.

"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij.

Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten.

Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende, zeide hij:

"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks mijnen raad, besloten toch eenen brief aan

"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten, oom, wat de brief behelst?"

"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan."

"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld. "Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd te winnen en ons in slaap te wiegen!"

"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven. Hij kan dan nog beslissen wat hij wil."

"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt."

"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden."

"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen. De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij."

"Doe naar uw goeddunken, neef."

"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief dien ik dragen ga?"

"Ja, ik heb hem gelezen."

"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?"

"Hij noemt hem burggraaf."

"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is.

"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen."

"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,—zoo noem ik hem—zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen."

"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen."

"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij gehoorzamen?"

"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede reis!"

Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder, met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte gericht.

Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen, nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor Kerlingaland konden ontstaan.

Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken.

Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze kunnen hooren, want zij spraken zeer stil.

"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene.

"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer, indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!"

"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe."

"Hij zal weigeren."

"Geenszins."

"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle krachtdadigheid."

"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed zal ten offer brengen."

"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid begaan."

"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons met eene schromelijke verantwoordelijk

"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem."

"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na den slag, te verzekeren."

"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt. Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde. Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!"

Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis tot voor de poort van sher Robrechts Steen.

Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende tusschenpoozen nedervallen.

Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk achter de poort staan.

"Wie daar?" riep hij door het kijkgat.

"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen."

Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"

"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat.

"Stil, stil, en ontsluit de poort!"

Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sloot de deur en zeide met verrassing:

"Burchard, gij hier! Vreest gij dan niet voor uw leven? Indien men u herkende!"

Burchard antwoordde schertsend:

"Zonderlinge vraag op het oogenblik dat wij allen lijf en have voor de vrijheid van Kerlingaland gaan wagen! Vreest mijn vriend Disdir Vos eenen banneling in de straten van Brugge te vergezellen? De tijd is gekomen dat elke Kerel moet spotten met den dood!"

"Het is waar", bevestigde Robrecht. "Gij hebt mij ongetwijfeld iets bijzonders te melden, heeren; want zoo, te midden van den nacht, bezoekt men toch zijne vrienden niet zonder gewichtige redenen."

"Ik kom vanwege den graaf van Vlaanderen tot u."

"Vanwege graaf Willem!" kreet Robrecht twijfelende.

"Vanwege den eenig wettigen graaf van Vlaanderen", herhaalde Burchard met nadruk. "Gij weet het, of anders maak ik het u bekend, ik geniet gansch zijne gunst en ben zijn vertrouweling. Hij heeft mij met eene moeilijke onderneming belast. Wat ik u kom vragen, Robrecht, is of gij bereid zijt, op mijn verzoek en ten dienste van Kerlingaland, alles te wagen, zelfs uw leven."

"De vraag is kwetsend!" morde de jongeling.

"Hij heeft gelijk", zeide Disdir Vos. "Gaf mher Sneloghe ooit iemand recht om aan zijne onversaagdheid te twijfelen? In deze zaak is eer en roem te behalen. Hoe zou hij kunnen weigeren?"

"Nu, laat ons klaar zijn; de tijd is kostelijk", viel Burchard hem in de rede. "Ziehier, Robrecht, waarom wij tot u gekomen zijn. Iemand heeft onzen graaf Willem een ontwerp medegedeeld dat, kan het uitgevoerd worden, de vrijheid der Kerels voor altijd moet redden en waarschijnlijk den oorlog nog zal voorkomen. In alle geval zal het de macht onzer vijanden eenen ontzaglijken slag

Robrecht stapte naar eenen hoek der zaal en zeide:

"Ik trek mijn maliehemd aan; want men kan ..."

"Neen, neen, nuttelooze voorzorg", onderbrak hem Burchard; "de onderneming is niet voor heden. Nu gaan wij slechts naar eene vergadering van vrienden, die op u wachten om te beraadslagen over de beste middelen tot gelukken. Daar zal men u kennis geven van het ontwerp. Binnen een uur zijt gij hier terug."

"Welaan, ik volg u, heeren", zeide Robrecht, terwijl hij zrijn zwaard aangordde. "Gij twijfeldet aan mijne bereidwilligheid? Is er waarlijk eene poging, hoe vermetel ook, ten voordeele van Kerlingaland te beproeven, ik zal u toonen dat niets mij kan doen aarzelen; integendeel, ik ben u innig dankbaar omdat gij in zulke omstandigheid aan mij hebt gedacht."

"De graaf weet dat gij van de onzen zult zijn. Hij zelf duidde u aan."

"Hoe is het mogelijk, Burchard? Kent hij mij?"

"Wie kent u niet onder de ridders van Kerlingaland?"

"In alle geval, ik zal bewijzen dat ik zijn vertrouwen waardig ben. Vertrekken wij!"

Toen zij bij de poort waren en in de straat zouden stappen, fluisterde Burchard:

"Zwijgt nu en volgt mij. Langs de St-Jansstraat mogen wij niet gaan. Laat ons afdalen tot op de Spiegelrei: daar is de weg gansch eenzaam."

Na eenigen tijd door de duisternis te hebben voortgeslopen, kwamen zij in de Grauwwerkersstraat voor eenen grooten Steen, waarvan de poort op een enkel teeken van Burchard werd geopend.

Men leidde Robrecht over den neerhof tot in eene zaal, die in de diepte van het gebouw was gelegen.

Burchard sloot de deur en stak bedektelijk den sleutel in zijne tassche.

Deze ridders betuigden eene groote blijdschap bij de intrede van Robrecht; zij stonden van hunne zetels op, gingen hem te gemoet en drukten hem de handen, met allerlei vleiende bewoordingen hem lovende voor zijne bereidwilligheid.

Het was bovenal Isaac Van Reninghe, die meer dan anderen prijs aan de tegenwoordigheid van mher Sneloghe scheen te hechten.

"Maar, heeren", vroeg Robrecht met eenige spijt in de stem "twijfeldet gij aan mijnen moed?"

"In het geheel niet", antwoordde Willem Van Wervick, "maar het ontijdig uur, de bijzondere, de ongewone aard onzer onderneming ..."

"Hoe het zij, heeren", morde Robrecht, "ik zal mij wreken over uw mistrouwen, door u te toonen dat ik niet gierig ben op mijn bloed."

"Het is Burchard die ons wilde doen gelooven dat gij niet zoudt komen", bemerkte Isaac.

"Mher Sneloghe is tot nu toe toe min of meer van het gevoelen zijner ooms geweest", zeide Burchard, "die gelooven dat men Kerlingaland kan redden met voor zijne dwingelanden te knielen en om genade te smeeken. Heb ik mij aangaande mijnen vriend Robrecht misgrepen, het verheugt mij, en ik wensch hem uiterharte geluk. Nooit heb ik aan zijne dapperheid getwijfeld."

"Mij toch kan mher Sneloghe niet beschuldigen", riep Disdir Vos. "Getuigt het, heeren, dat ik van den beginne af mij borg heb gesteld voor zijnen moed en zijne bereidwilligheid."

"Ik dank u, Disdir", murmelde Robrecht, zonder eenig mistrouwen de hand van zijnen geheimen bloedvijand drukkende.

"Nu, zitten wij neder, heeren", sprak Ingelram Van Eessen. "Deze betwisting is overbodig: onze blijdschap over de tegenwoordigheid van mher Sneloghe moet hem bewijzen hoe wij allen hem liefhebben en eerbiedigen. Gaan wij over tot de zaak welke ons hier doet vergaderen."

"Is mher Sneloghe bereid om met ons de handen te zamen te leggen, als eenen eed van getrouwheid jegens elkander, en als eene belofte dat hij verborgen zal houden wat hij hier gaat vernemen?"

"Ik ben er toe bereid", antwoordde Robrecht. "Ziedaar mijne hand, heeren; ik beloof u te helpen als een trouw gezel, en verbind mij tot het geheimhouden van alwat ik hier kan vernemen."

Allen stonden op en traden in het midden der kamer, waar zij met Robrecht de handen te zamen legden. Dit was onder de Kerels de vorm van den duursten eed, en daardoor verbonden zij zich te gader en elk jegens al de anderen tot het trouw vervullen der aldus bezworene beloften.

Ieder nam weder zijne plaats bij de tafel.

"Nu gaat gij alles weten, mher Sneloghe", zeide Ingelram Van Eessen. "De verklaring der zaak eischt niet veel woorden. Tweeduizend ridders, gevolgd door talrijke benden wapenknechten zijn uit Atrecht vertrokken om ons het slavenjuk te komen opdwingen. Dit leger zal te Yperen zijn voordat de Kerels der Ambachten in het Wolvennestbosch kunnen vergaderen. Kerlingaland is dus beslissend verloren, indien wij het niet redden door eenen stouten slag. Met goedkeuring van onzen graaf en veldheer Willem Van Loo, gaan wij dien slag wagen. Overmorgen, in den namiddag, geeft Karel van Denemarken eenen grooten maaltijd ter eere der twee gezanten, die vanwege den Keizer aan zijn hof zijn gekomen. Natuurlijk zullen de voornaamste Isegrims, de gezworene vijanden der Kerels, aan den disch zitten. Het feestmaal zal lang duren; de dagen zijn kort; het wordt vroeg donker. Welnu, een vijftigtal onbevreesde Houtkerels, meer, indien het noodig is, wachten slechts een bevel van ons, om bedektelijk in de stad te vergaderen. Wij stellen ons aan hun hoofd, sluipen, door de duisternis begunstigd, op den burg, stormen in de feestzaal, vallen op de Isegrims en dooden al de dischgenooten, behalve de afgezanten des Keizers ..."

"En de graaf?" morde Robrecht ontsteld.

"Onze eerste slag is voor Karel van Denemarken; hij vooral moet sterven, de dwingeland!"

Mher Sneloghe sprong recht; hij was bleek en scheen te beven.

"

"Uw eed; gij zijt verbonden!" kreet Burchard.

"Gij hebt mij bedrogen, door listige woorden mij verleid", wedervoer Robrecht. "Het is eene snoodheid. Ik moodenaar? Ha, nu begrijp ik uw mistrouwen en ik roem er op! Ja, heeren, gij waart rechtvaardig jegens mij, toen gij vreesdet dat ik zou weigeren deel te maken van zulk gruwelijk verbond."

"Gij hebt gezworen en zijt slaaf van uwen eed!" zeide Ingelram Van Eessen.

"Dien eed hebt gij door vuige list mij ontrukt. Ik verbreek hem. Hoe? Gij komt mij vragen of ik bereid ben mijn leven voor de vrijheid van Kerlingaland te wagen ... en nu eischt gij dat ik het helpe vermoorden door de schandelijkste euveldaad?... Ja, vermoorden! De gansche wereld zal tegen ons opstaan; de Kerels der Ambachten zelven zullen terugschrikken; de wapens zullen hunne handen ontvallen; uit schaamte zullen zij het hoofd buigen en moedeloos het juk aanvaarden, als eene rechtvaardige straf der ijselijke misdaad!..."

"Gij hebt te Veurne onzen graaf Willem eene blinde gehoorzaamheid beloofd", zeide Burchard.

"Ha, daarin bestaat vooral uw bedrog", wedervoer Robrecht met verontwaardiging. "Gij wilt mij doen gelooven dat graaf Willem dezen moord goedkeurt? Welnu, het is niet waar, het kan niet waar zijn! Gij lastert hem. Hij zou u geboden hebben Karel van Denemarken te dooden? bij verrassing? als laffe sluipmoordenaars?"

"Het vonnis is geveld, Karel moet sterven!" gromde Willem Van Wervick.

"Welnu, neen, hij zal niet sterven!" riep Robrecht met kracht. "Uw afschuwelijk opzet wil ik beletten. Morgen vroeg reeds zal de proost van St-Donaas weten wat hier is beraamd ... en, moest ik zelf tot graaf Karel gaan om hem te waarschuwen, ik zou niet terugtreden voor zulke daad!"

Isaac Van Reninghe was opgestaan en legde nu den arm over Robrechts schouder.

"

Robrecht, door eene plotselijke gemoedsomkeering ontroerd, stiet langzaam den arm van sher Ingelram terug, aanschouwde met diepe droefheid de andere ridders en hief de handen als eene klacht ten hemel.

"Wat? Tranen in zijne oogen!" schertste Willem Van Wervick "Hij bemint wel vurig den dwingeland, dat de gedachte zijns aanstaanden doods hem doet weenen[51]!"

"Ik ween, ja", antwoordde Robrecht, "van afgrijzen, van medelijden! Mijne tranen vlieten over Kerlingaland, dat gij ten prooi gaat geven aan de vermaledijding der gansche Christenheid; over u, die u zelven en de Kerels gaat bevlekken met eeuwige schande ..."

Hij meende te bemerken dat Disdir Vos en Isaak Van Reninghe hem met min onwil dan hunne gezellen aanhoorden. Dit boezemde hem eenige hoop in. Hij trad een paar stappen vooruit en sprak biddende:

"Ach, vrienden, hoort mijnen raad aan! Gij zijt de speelbal van den boozen geest, die u met verblindheid slaat. Karel van Denemarken eenen koningszoon, eenen telg onzer graven, vermoorden laffelijk, bij verraad? O, ik smeek u, doet het niet! Het is nog tijd; keert terug op uw noodlottig besluit. Ik bezweer u, doodt toch niet zoo uitzinnig onze vrijheid en ons vaderland!"

"IJdele woorden, wat besloten is zal uitgevoerd worden!" antwoordde Ingelram met somberen toon. "Al haddet gij gelijk in uwe voorspelling, Kerlingaland is toch verloren. Welnu, het verga

"Alles wil ik wagen, alles wil ik opofferen voor de vrijheid", sprak Robrecht, fier het hoofd verheffende, "Met blijdschap zou ik sterven voor Kerlingaland ... in den oorlog, tegen gewapende vijanden, als een man, als een ridder. Maar weerlooze menschen gaan vermoorden, terwijl zij aan tafel zijn gezeten? Het denkbeeld zulker lafheid alleen doet mij sidderen van schaamte ... Gij blijft bij uw afschuwelijk besluit? Welnu, worstelt dan tegen mij; ik ben uw vijand, ik zal uw verfoeilijk opzet verijdelen! Neen, neen, gij zult ons dierbaar Kerlingaland niet met u nederstorten in eenen afgrond van vermaledijding en schande. Hoopt niet Karel van Denemarken te treffen: Kerels, zoo onversaagd als gij, zullen waken rondom hem. Vaartwel, ik wil niets gemeens meer hebben met moordenaars!"

Deze stoute taal trof al de aanhoorders met verbaasdheid. Ingelram Van Eessen raasde als een dolzinnige, en sprak van niets min dan van Robrecht het hoofd te klooven, om hem te beletten zijne eedgenooten te verraden. Isaac Van Beninghe had veel moeite om hem te wederhouden van zijn zwaard te trekken. Wat Burchard Knap betreft, wonderlijk genoeg, die scheen te droomen en zeide niets.

Onderwijl was mher Sneloghe naar de deur der zaal gegaan en meende deze te openen; maar hij vond ze gesloten.

Daar stond hij nu, de andere ridders met vlammende oogen en met eenen grijns van misprijzen te bezien.

"Beloof ons ten minste dat gij ons geheim zult bewaren", zeide Isaac Van Reninghe.

"Neen, neen", kreet Robrecht zeer aangejaagd, "integendeel, ik zal het openbaren! Uwe namen zal ik verzwijgen; maar vorst Karel doen verwittigen, daarvan weerhoudt mij niemand!"

"Zijt gij dan een verrader? een verborgen vijand der Kerels?" vroeg Willem Van Wervick.

"De vijanden der Kerels zijn degenen die ons arm vaderland het brandmerk van den sluipmoord op het voorhoofd willen drukken!"

"

"Wat doet mij zulke bedreiging?" wedervoer Robrecht met eenen zuren spotlach. "Al spookte de dood voor mijne oogen, hij deed mij niet terugwijken voor het vervullen van mijnen plicht."

"Heeren", zeide Disdir Vos, als hadde hij iets uitgevonden dat alle moeilijkheid uit den weg kon ruimen, "ik bid u, blijft eene korte wijl nog bedaard en laat mij toe eenige woorden alleen met mher Sneloghe te wisselen."

Na een oogenblik wederstand te hebben geboden, gaf Robrecht toe aan zijn dringend verzoek en volgde hem tot in eenen hoek der zaal, waar beiden begonnen te kouten, Disdir ernstig en vleiend, Robrecht met onwil en spijtige gebaren.

Ondertusschen staken de anderen bij de tafel, op eenen wenk van Burchard, de hoofden bijeen en beraadslaagden geheimelijk over hetgeen hun te doen stond; want dat mher Sneloghe zou weigeren, daarvan achtten allen zich zeker.

Disdir Vos keerde tot zijne makkers en zeide:

"Vergeefsche moeite, heeren. Ik zelf begin te twijfelen of onze vriend Robrecht niet zou kunnen gelijk hebben. Ware het inderdaad niet raadzamer dat wij met gemeene toestemming van de gevaarlijke onderneming afzagen?"

En daar hij bemerkte hoe een glimlach van misprijzen Burchards lippen samentrok, haastte hij zich er bij te voegen:

"De verwijdering van mher Sneloghe bedroeft mij, ik beken het: maar ik wil evenwel mijnen eed getrouw blijven."

"Welnu, heeren, opent men mij de deur, of niet?" vroeg Robrecht dreigende. "Moet ik met mijn zwaard het slot verbrijzelen en mij door geweld eenen vrijen weg banen?"

"Nutteloos, gansch nuttelloos, mijn vriend Sneloghe", zeide Burchard, opstaande. "Ik heb den sleutel en zal de deur openen, niet voor u alleen, maar voor ons allen, ongetwijfeld; en gij, Robrecht, zult des te geruster kunnen slapen, daar gij u zult mogen beroemen ons door uwe redenen te hebben overwonnen. Bezie mij zoo zonderling niet. Wat ik zeg, is waarheid. Ik heb op

"Inderdaad", antwoordde Isaac Van Reninghe.

"En indien mher Ingelram wil toestemmen om van de uitvoering van ons ontwerp af te zien?"

"Alleen kan ik niets ondernemen", morde Ingelram, in schijn verstoord.

"Wat Disdir Vos betreft, die heeft reeds zijnen twijfel bekend", hernam Burchard. "Aldus vriend Sneloghe, gij ziet het, wij laten op uwen raad de voorgenomen poging varen. Wees gedankt, gij hebt ons teruggehouden van eene onvoorzichtige daad. Dat Karel van Denemarken, als verdrukker der Kerels, den dood verdient, wie zou dit durven loochenen? Maar gij hebt gelijk, het is niet zoo dat wij zijn bloed moeten vergieten. Laat ons nu dezen Steen verlaten, heeren, en ieder rustig zijnen weg gaan. Het is reeds diep in den nacht."

Allen begaven zich naar de deur en verlieten de zaal.

Robrecht sprak niet. Hem verwonderde de plotselijke ommekeer in de gemoedsstemming zijner gezellen. Lag daaronder eene list verborgen? Zouden de eedgenooten evenwel den beraamden moord pogen te plegen? Hij kon het beletten en zou niet nalaten dezen plicht te vervullen. Hij behoefde slechts, zonder iemand te noemen, den kastelein Hacket te verwittigen van het gevaar dat graaf Karel gedurende het feestmaal kon bedreigen. Daartoe had hij tijd genoeg, en hij was zelfs niet verplicht de nachtrust zijner ooms te gaan storen, vermits het bedoelde feestmaal slechts overmorgen moest gehouden worden. De kastelein zou alle wegen tot den burg doen bewaken en al de toegangen der Loove met genoegzame macht bezetten. Indien dan de saamgezworenen op den burg traden, zouden zij wel bemerken dat hun aanslag was bekend en op voorhand verijdeld.

Maar toen Robrecht in de straat door zijne gezellen nogmaals in schijn rechtzinnig werd bedankt, en hij hen, na het murmelen van eenen goeden nacht, ieder zijnen weg hoorde gaan, begon hij meer en meer te denken dat zij waarlijk door zijne redenen waren

Disdir Vos, na afscheid van de anderen te hebben genomen, volgde Robrecht en ging twee straten verre aan zijne zijde, hem vleiende en hem prijzende over zijnen wijzen raad en over zijne standvastigheid; maar mher Sneloghe antwoordde hem niet veel. Sedert dien avond toch was in hem een onuitlegbaar, doch diep gevoel van afkeer tegen Disdir Vos ontstaan. Waarom, dit wist hij niet wel; maar er groeide in zijn hart een vermoeden van valschheid tegen Disdir.

Het was zelfs met eene soort van blijdschap dat hij bij de St-Janskapelle afscheid nam van zijnen gezel en alleen zijnen weg vervorderde, om over den Maalberg de Hoogstraat en zijnen steen te bereiken.

Disdir Vos ging terug over de Kranebrug, maar nauwelijks had hij eenige stappen in de enge Robijnstraat gedaan, of hij bleef staan en keerde zich om; zijne gedachten veranderden echter weder en hij zette, in zich zelven sprekende, zijnen weg voort.

"Ja, dat Burchard en de anderen weder te zamen zijn, daarvan ben ik zeker", mompelde hij. "Zij hebben zich willen ontdoen van Robrecht en van mij, die inderdaad nooit den minsten lust had om aan dit helsche waagspel deel te nemen. Eilaas, ik heb mijnen slag gemist! Hij was zoo goed berekend nochtans! Had Robrecht tot den moord des graven toegestemd, ik hadde hem in eenen strik doen vallen, waaruit hij niet levend zou losgeraakt zijn ... Maar wij zijn nog niet dood ... tijd genoeg om mij te wreken ... zijn huwelijk is nog niet voltrokken ..."

Terwijl Disdir dus denkend en mijmerend voortstapte, wandelde er op den Dyver, niet verre van de Eeckhoutstraat, een man over en weder, die met inspanning zijner gezichtskracht door de duisternis poogde te dringen om te zien of niemand in de verte naderde.

Hij had reeds eene lange wijl gewacht, toen hij meende een gerucht van stappen te hooren. Sluipend week hij terug tot tegen de poort van eenen Steen, op den hoek der Eeckhoutstraat.

Iemand naderde hem.

"

"Storm op zee!" antwoordde eene grove stem.

Hij duwde de poort open, trad met zijnen gezel binnen en sloot ze weder.

"De vrienden zijn reeds hier", morde de eene. "Wij gingen haast vreezen dat u een ongeval was geschied."

"Ik dwaalde van mijne baan", antwoordde de andere. "Om de Markt te ontwijken, sloeg ik het Palmstraatje in. Daar hoorde ik stappen van menschen. Eene wacht misschien. Ik heb eenen langen omweg gedaan.—Nu, geenen tijd meer verloren! Leid mij tot de vrienden."

Zij traden schuins door den neerhof en gingen in eene kamer, waar eene kleine lamp brandde.

"De schalken zouden ons kunnen afspieden", zeide degene die den andere had ingeleid. "Ik doof het licht uit.—Spreek zeer stil![52]"

Daar zaten zij nu in eene zoo volledige duisternis dat zij elkaar niet konden zien.

"Gelukkiglijk zijn wij van de twijfelaars verlost", murmelde er een met verdoofde stem. "Niets kan ons nog verhinderen ons besluit uit te voeren. Haast gemaakt dus, en geene overbodige woorden."

"Maar de zaak van het feestmaal is verloren. Wat gaan wij doen?" vroeg iemand.

"Ik heb tijd gehad, om alles te overwegen", antwoordde de man met de zware stem. "Ziehier mijne meening. Wij moeten ons eerste ontwerp hervatten. Karel van Denemarken, zijt des zeker, gaat alle dagen ter vroegmis in de bovenkerk van St-Donaas. Iedereen mag er de mis bijwonen. Het is met deze korte dagen dan nog bijna donker. Mijn paard staat buiten de Zandpoort. Ik zal mij haasten naar Bethferkerke. Daar heb ik eene bende onverschrokken Houtkerels onder de hand. Komt morgen in de vroegmis op den burg; gij zult mij en mijne mannen daar, [53]."

Zij zochten tastend elkander en zwoeren zwijgende den gruwelijken eed.

"Op weg nu! Verlaten wij, de eene na den andere, dezen Steen. Ik vertrek eerst; want mij is de tijd het kostelijkst. Tot morgen, heeren; ik betrouw op u als op mij zelven."

Hij werd door een der aanwezigen tot buiten de poort geleid en liep met lichte doch haastige stappen vooruit in de duisternis.

Voetnoten:

[51]

"Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet, zal ik uw verraad den graaf openbaren."

GALBERTUS. in de Mém rel. à l'hist. de France, tom. VIII, p. 258.

[52]

"Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen."

GALBERTUS, p 259.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings