HOOFDSTUK XI.
Reading edition
In de bedreigde veste.
In stormpas waren de twee jonge Vrijbuiters naar de plaats des gevechts geijld, de oogen glinsterende van strijdlust, en met het wapen in de vuist.
't Was waar, wat zij gedacht hadden. De Haarlemmers deden dien middag een geduchten aanval op het zoogenaamde Voorhout. Des middags waren een twee- of driehonderd Engelsche, Waalsche en Schotsche haakschutters de Zijlpoort uitgetrokken, en hadden de vijandelijke regimenten naar die plaats gelokt, waardoor verscheidene kampen geheel van krijgers waren ontbloot. Toen deze list zoo goed gelukt was, trokken zes- à zevenhonderd vendels soldeniers en schutters de Leidsche Waterpoort en de Kleine Houtpoort uit, zoodat de Waalsche en Duitsche vendels, die in den Hout gelegerd waren, van verschillende kanten tegelijk werden aangevallen. De Walen stonden onder bevel van De Licques, de Duitschers onder Fronberg en Ebersteyn. Deze vendels kregen het ontzaglijk kwaad te verantwoorden, en de Haarlemmers vochten met onstuimigen moed.
„Weg met de Spanjaarden! Leve de Prins van Oranje,” was de strijdleus, waarmede zij zich op de overmachtige vijandelijke vendels stortten.
„Weg met de Spanjaarden, leve de Prins van Oranje!” was ook de kreet, waarmede Aelbert en Marten zich onbevreesd te midden van het krijgsgewoel wierpen. 't Werd een vreeselijke strijd. Overal hoorde men het rinkelen der zwaarden op de kurassen en helmen, de woeste kreten der strijdenden, het gereutel der stervenden en gewonden. En in het leger der Spaanschen ontstond eene groote verwarring. Zij waren tegen dezen verwoeden aanval niet bestand.
„Vlucht! Vlucht!” werd er geroepen. En niet minder dan 14 vendels Duitsche voetknechten en 12 Waalsche zochten een goed heenkomen in het achterste gedeelte van het Bosch, waar zij zich opnieuw trachtten te vereenigen om den aanval te weerstaan. Maar zij konden het niet volhouden tegen het geweldige schieten, slaan en steken, en moesten opnieuw hun heil zoeken in de vlucht, achtervolgd door de Haarlemmers, die hen voortdreven tot zelfs over de Noordwijkervaart en de daarachter gelegen duinen.[1] De Spaanschen verloren niet minder dan 600 man, waaronder hoplieden, luitenants, vaandrigs, wachtmeesters, „groote monsieurs,” „groote cadetten” en „groote hanssen.”
De Haarlemmers staken een aantal huizen, hutten en tenten in den brand, waarin de vijanden gehuisvest waren, en werden daarbij onverwachts aangevallen door Spaansche ruiters en haakschutters, die van Heemstede en andere plaatsen kwamen opdagen, en hen dwongen tot den aftocht. Met verlies van niet meer dan tien of twaalf man werden zij genoodzaakt af te trekken en zich binnen Haarlems muren in veiligheid te stellen. Maar groot was de buit, dien de krijgers met zich medevoerden, bestaande uit harnassen, spietsen, stormhoeden, rapieren, hellebaarden, kostbare kleederen van hoplieden, vaandrigs en oversten, juweelen en goud, zelfs schotels en gouden ringen, trommels, ketels en nog vele andere dingen.
Aelbert en Marten hadden zich in den strijd geducht geweerd, zoodat zij zelfs de opmerkzaamheid trokken van den vaandrig Pieter Dirksz Hasselaar, die den uitval had medegemaakt.
„Leven de Vrijbuiters van 't Oude Hoen!” riepen zij meermalen in de hitte van den strijd, en die kreet had de aandacht van den vaandrig gaande gemaakt, terwijl hij met bewondering had gezien, hoe dapper de beide jongelieden zich in het gevecht gedroegen. Toen hij zich gedurende eene korte poos dicht in hunne nabijheid bevond, hief hij zijn vaandel omhoog, en riep hun toe:
„Leven de Vrijbuiters van 't Oude Hoen! Goed zoo, dappere jongens, goed zoo! Weg met de Spanjolen en leve de Prins!”
Later had hij hen meermalen in het gevecht opgemerkt, en telkens weer had het hem goed gedaan te zien, met welk eene dapperheid zij streden.
Eindelijk was de terugtocht begonnen. Aelbert en Marten hadden zich bij elkander aangesloten, en Marten had gezegd:
„Nu zullen wij dan toch ons doel bereiken. Thans gaan wij naar Haarlem!”
En meegesleurd door den stroom der strijdende krijgslieden waren zij de muren der bedreigde veste al vechtende genaderd, en deze eindelijk door de geopende poort binnengetrokken. Groote vreugde heerschte onder de stedelingen over de behaalde overwinning en over den rijken buit, die binnen gebracht werd. Overal zag men mannen en vrouwen, die de terugkeerende krijgers toejuichten....
Maar langzamerhand werd het stiller in de straten, want de uitgeputte mannen zochten hunne kwartieren op, om uit te rusten van de vermoeienis.
En doelloos dwaalden Marten en Aelbert door Haarlems straten. Zij kenden daar niemand, en niemand kende hen. Overal keken zij rond, of soms iets hun op het spoor zou kunnen brengen van de verloren zuster, maar tevergeefs. Zij dwaalden de stad door van het eene einde tot het andere, en overal zagen zij de sporen van den geduchten strijd, die nu reeds vier maanden had geduurd, en de verbrokkelde en vergruisde muren en de gehavende poorten, waarin de bressen met aarde, puin, meubelen, en zelfs met de beelden uit de kerken waren dichtgestopt.
Op hun tocht door de stad ontmoetten zij den bevelhebber der vesting, Wybot Ripperda, den dapperen krijgsman, die door zijn moed en krachtig beleid reeds zooveel had bijgedragen tot het behoud der stad. En zij zagen ook Kenau Simons Hasselaar, de dappere vrouw, wier moed reeds tot ver buiten de muren bekend was. Met bewondering aanschouwden zij de kloeke weduwe, die zich zoozeer beijverd had bij het herstellen van muren en poorten, en die zich zelfs niet had ontzien de mannen ter hulp te snellen op de wallen, als de Spanjaarden de stad bestormden en mannenkrachten te kort schoten, om hen te wederstaan. Dan snelde zij met het zwaard in de hand ter hulp, en verscheidene vrouwen en meisjes, aangevuurd door haar moed, volgden haar in den strijd.
De beide jongelingen bleven staan om haar goed te kunnen zien, en zij deden dit met een blik vol bewondering. Hoe kloek en sterk was die gestalte, hoe vurig tintelde dat oog!
Toen Kenau bij het voorbijloopen hunne bewonderende blikken opmerkte, knikte zij hen vriendelijk toe. Ook ontmoetten zij den dapperen vaandrig weder, dien zij in den strijd hadden gezien, en van de voorbijgangers vernamen zij, dat het Pieter Dirkz. Hasselaar was, de neef van de beroemde Kenau.
Maar,—van Anna ontdekten zij geen spoor, en de avond begon reeds te vallen. Gelukkig dat ook zij een gedeelte van den buit hadden bemachtigd, en dus niet met ledige handen behoefden te komen, als zij hier of daar om een nachtverblijf verzochten. Toen het reeds geheel donker was geworden, traden zij een eenvoudige taveerne binnen, en het gelukte hun, daar voorloopig een onderkomen te vinden. De waard was een oud man, die niet moede werd hun te vertellen over alles, wat de stad reeds had moeten verduren. Hij sprak over de geduchte bestormingen, die de Spanjaarden hadden beproefd, en over de verschrikkelijke bombardementen, die hadden plaats gehad en waarbij al meer dan zeven duizend bommen in de stad waren geworpen.
Den volgenden morgen al vroeg zetten de beide jongelieden hun onderzoek voort. Overal informeerden zij, of hier of daar ook menschen woonden, die vóór het beleg uit Saardam waren gevlucht,—maar even dikwijls werden zij teleurgesteld. En toen het middag geworden was en zij nog geen stap nader tot hun doel gekomen waren, zei Aelbert:
„'t Is moeielijk zoeken in een vreemde stad, waar wij niemand kennen en zelfs den weg niet weten. Ik geloof, dat wij beter gedaan hadden door in Westzaan te blijven. En hoe moeten wij de stad weer verlaten? Ik weet er geen middel op.”
Marten antwoordde niet, maar ook hij voelde zich teleurgesteld. Zoo stellig had hij verwacht, Anna hier te zullen vinden. 't Was zijn laatste hoop geweest, en thans begon hij steeds meer te vreezen, dat zij in de handen der Spanjaarden zou gevallen zijn, wat wel het schrikkelijkste lot was, dat haar treffen kon. Verdrietig dwaalde hij de stad door, van de eene straat in de andere, en ook de tweede dag was nu bijna verstreken. Hij sprak weinig of niets, en op de vragen van Aelbert antwoordde hij slechts met een enkel woord. Toen de schemering inviel, zei Aelbert:
„Willen wij ons nachtkwartier maar weer opzoeken, Marten; de avond valt...”
Opeens greep Marten hem bij den schouder, en riep uit:
„Kijk dáár eens, Aelbert,—dáár...!”
Aelbert stond stil en keek in de aangewezen richting, maar hij zag niets dan enkele krijgslieden, die in druk gesprek op eenigen afstand liepen. En zijn vriend aanziende, bemerkte hij, dat deze doodsbleek zag en zijn fonkelende oogen steeds op dezelfde plaats gevestigd hield.
„Dáár,—dáár,—zeg, is dat Kees niet, onze hond?—O, 't móét hem zijn,—'t kan niet anders!—Maar, groote God,—dan kan ook Anna niet ver weg zijn!”
Aelbert zag nu ook een grooten, zwarten hond, die eenige huizen voor hen uit op de straat liep, snuffelende aan de stoepen en steenen palen, die hij passeerde.
Marten klapte in de handen, en riep op gejaagden toon:
„Kees! Kees! Waar ben je dan?—Hallo Kees!—Kees! kom hier! kom bij den baas!”
De hond stond stil en keek om. Maar hij bewoog zich niet.
„Kom Kees!—kom Kees!—Kees—Kees—Kees!” hield Marten vol, en hij klapte met beide handen op zijne knieën, om den hond tot zich te lokken.
Het beest stond nog eenige oogenblikken onbeweeglijk,—toen kwam zijn staart langzaam in beweging, wat weldra in een levendig kwispelen overging,—en „woef, woef!” blafte hij, zoodat de zware stem van den hond door de geheele straat weerklonk. Op hetzelfde oogenblik rende Kees op zijn jongen meester toe, dien hij herkend had. Met groote sprongen kwam hij nader en hij vloog woest tegen Marten op, blaffende van blijdschap. Hij deed dat met zoo'n geduchte vaart, dat Marten bijna omver viel.
Wat was Kees blij! Als dol rende hij nu eens om Marten heen, blaffende en jankende, en dan weer vloog hij plotseling op hem toe, en legde hem de dikke pooten op de schouders.
„Kees!—Goede Kees!” zei Marten, den hond streelende en liefkoozende. De goede jongen had tranen van blijdschap in de oogen.
„O Aelbert,—nu kan Anna niet ver weg zijn,” stamelde hij door zijne tranen heen.
Ook Aelbert was ontroerd. Hij verheugde zich er in, dat Marten zijn hond teruggekregen had, en hij hoopte voor zijn vriend, dat nu ook Anna zou gevonden worden. Maar dit was toch immers nog niet zeker? Al was Kees gevonden, daarom kon toch Anna wel een ongeluk getroffen hebben?
Hij zei daarvan echter geen woord, want hij wilde de vreugde van zijn vriend niet vergallen.
Kees kwam langzamerhand tot kalmte. Hij stond thans stil bij Marten en liet zich diens liefkoozingen gaarne welgevallen. De lange, roode tong hing hem uit den bek, wat een gevolg was van zijn geducht rennen en springen, en hij keek met zijn trouwe oogen zijn jongen meester aan, alsof hij hem vragen wilde, of hij hem nu voortaan niet meer verlaten zou. En Marten kon niet nalaten, hem de armen om den ruigen nek te slaan en hem tegen zich aan te drukken.
„Hoe nu verder, Marten?” vroeg Aelbert. „Wij hebben Kees nu wel, maar Anna nog niet. En Kees kan, wat jammer genoeg is, niet praten.”
„O, wij zullen haar wel vinden!” riep Marten uit. „Laten wij langzaam oploopen. Misschien wijst Kees ons dan den weg wel.”
„'t Is te probeeren,” zei Aelbert. En langzaam wandelden de jongens verder. Kees liep vroolijk om hen heen, doch hij bleef voor geen enkel huis stilstaan, zoodat de jongens niet wijzer werden. Toen zij aan het einde der straat gekomen waren, stelde Marten voor:
„Wij moesten de straat een poosje op en neer loopen. Ik geloof vast, dat Kees hier thuis hoort. Misschien zoekt hij eindelijk zijne woning zelf weer op, dan kunnen wij hem volgen.”
„Goed!” zei Aelbert. „Misschien heb je gelijk.”
De jongelieden wandelden langzaam in de straat heen en weer, en hielden den hond nauwlettend in het oog. En toen Kees over de eerste vreugde van het wederzien heen was, en niet meer zoo zorgvuldig in de onmiddellijke nabijheid van Marten bleef, werd hunne spanning op het grootst. Want Kees begon blijken te geven, dat het wandelen hem ging vervelen en dat hij naar huis verlangde. Blijkbaar werd hij onrustig, en was hij niet gewoon, als het donker werd buiten te zijn.
't Werd stiller in de straat; de menschen trokken zich in de huizen terug, voorzoover zij de wacht niet moesten houden op de muren.
Opeens klonk een heldere stem op eenigen afstand achter hen, terwijl een handgeklap zich deed hooren. Kees spitste de ooren.
„Kees!—Kees!—Waar zit je, Kees?—Kees!”
Een luid blaffen was het antwoord van den hond.
Marten bleef ontroerd stilstaan.
„Dat is Anna!—Dat is haar stem!” mompelde hij zacht. Kees keek Marten aan, alsof hij hem wilde vragen, met hem mede te gaan. En de heldere stem achter hem herhaalde: „Kees!—kom, Kees!”
Met groote sprongen ijlde Kees weg, en de jongens liepen even hard met hem mede. Ha, ginds zagen zij in de geopende deur de gestalte van een meisje.
„Brave hond!” zeide ze vriendelijk, toen Kees tegen haar opsprong, en zij wilde hem streelen, maar toen zij de beide knapen op zich zag afkomen, maakte zij eene beweging van schrik en wilde snel de deur sluiten.
„Anna!—Anna!” riep Marten haar toe, en zijne stem bleek tooverkracht te bezitten. Zij herkende dadelijk de stem van haar broeder.
Schreiende van geluk en aandoening vielen zij elkander in de armen en zij konden geen woord uiten van ontroering. Hoe hadden zij beiden naar dit oogenblik van wederzien verlangd!
De tegenwoordigheid van Aelbert waren zij gedurende enkele oogenblikken geheel vergeten, zoodat deze eindelijk zeide:
„En wanneer kom ik nu aan de beurt, Anna? Of ken je mij niet meer?—Wat ben jij groot geworden!”
Anna maakte zich uit de omarming los, en keek hem aan. En nog met tranen in de oogen zei ze:
„Neef Aelbert 't Hoen! Of ik je ken!” En zij drukte hem hartelijk de hand.
„Maar komt beiden binnen,” vervolgde zij. „O, ik heb zooveel aan je te vragen!”
„En ik niet minder,” zei Marten, wiens oogen tintelden van vreugde, nu hij zijn lang gezochte zuster gezond en ongedeerd terug had mogen vinden.
Anna snelde hen vooruit naar de woonkamer, en kondigde de komst der beide jongelieden aan. Een man en een vrouw heetten hen hartelijk welkom, en Marten herkende in hen direct een echtpaar, dat hij te Saardam meermalen had gezien. 't Waren Willem Hooft en zijn vrouw, die, dadelijk na den inval der Spanjaarden in Saardam, met hun geld en kostbaarheden de vlucht hadden genomen naar Haarlem, waar zij veilig meenden te zijn. Zij noodigden de beide jongelieden vriendelijk uit, bij hen hun intrek te nemen, wat natuurlijk gaarne aangenomen werd. En het vijftal bracht den avond druk pratende door. Marten vernam van Anna, hoe zij bij den vreeselijken dood van hare ouders tegenwoordig was geweest, en dat de Spanjaarden getracht hadden haar gevangen te nemen, maar dat dit door den trouwen Kees belet was. Verder, hoe zij naar het arbeidershuisje aan den Waterlandschen dijk gevlucht en door Willem Hooft in diens schuitje opgenomen en naar Haarlem gevaren was, waar zij sedert haar verblijf had gehouden. En nu bleek het Marten ook, hoe zij op middelen had gepeinsd, om hem bericht te zenden van hare tegenwoordige verblijfplaats, maar daar zij niet wist, waar hij zich bevond, was haar dit onmogelijk geweest. Meermalen had zij zelfs het plan opgevat, om de stad te verlaten, en hem op te sporen. Maar waarheen moest zij zich wenden? En hoe had een jong meisje zonder geleide in dezen boozen tijd een dergelijken tocht kunnen ondernemen? Willem Hooft en Maartje, zijne vrouw, hadden het haar ten stelligste ontraden. Eindelijk was het ook zelfs eene onmogelijkheid geworden door het beleg.
„Zoo zie je, Marten,—we zijn van den regen in den drop gekomen,” zei Hooft met een diepen zucht. „Te Saardam zijn wij de honderden Spanjaarden ontloopen, om hier door duizenden te worden ingesloten. God weet, wat nog het einde zal zijn. Ik vrees, dat Haarlem bezwijken zal, en wat dan?”
„Ja, wat dan?” vroeg Marten. „Ik weet het niet, maar Anna moet in ieder geval het einde niet afwachten. Wij moeten Haarlem zien te ontkomen...”
„O, als dat eens kon!” riep Anna uit. „Ik ken de Spanjaarden genoeg om te weten, wat wij van hen te duchten hebben.”
„Wacht maar en heb geduld, Zusje,” zei Marten vroolijk. „Twee Vrijbuiters van 't Hoen zijn gekomen om je te redden, en zij zullen het wel klaarspelen. Heb maar geduld, tot er een geschikt oogenblik gekomen is.”
Anna antwoordde niet, maar richtte peinzend haar blik op de beide menschen, die haar zoo liefderijk in hun huis hadden opgenomen. Vrouw Maartje schudde zacht het hoofd en sprak, hare bedoeling radende:
„Neen Anna,—wij kunnen u niet vergezellen, hoe gaarne wij deze stad ook zouden ontvluchten. Ik ben oud en grijs, en niet meer in staat, een dergelijken gevaarvollen tocht te ondernemen. Wij moeten hier blijven en geduldig afwachten, welk lot de Hemelsche Vader over ons beschoren heeft. Ons leven is in Zijne hand. Maar jij moet vluchten, als de gelegenheid daartoe openkomt. Jij bent jong en sterk, en hebt nog een lang leven vóór je.”
Zoo werd er nog langen tijd gesproken.
Soms werd het gesprek gestoord door het doffe geluid van kanonschoten, en hield men den adem in om te wachten, of wellicht een bom op het huis zou nederstorten. Want voortdurend bevond men zich in gevaar. Ook hoorde men af en toe den regelmatigen tred van krijgslieden, die de wachten op de muren gingen aflossen.—
Voordat zij zich te bed begaven, richtten ook de twee jonge Vrijbuiters hunne schreden naar de wallen, om het vijandelijk kamp bij nacht te zien. En zij ontwaarden rondom de stad brandende wachtvuren, en zagen in de verte krijgslieden als zwarte schimmen langzaam heen en weder loopen. Ook dáár werd goede wacht gehouden.
