HOOFDSTUK X.
Reading edition
Hoe de jonge Vrijbuiters in het vijandelijk kamp kwamen, en hoe zij het verlieten.
Het was enkele dagen na het gevecht op den Sparendammerdijk. 't Oude Hoen, Aelbert en Marten keerden op de hoeve terug van hun dagelijkschen tocht naar den toren van de Westzanerkerk, van welks trans zij gewoon waren de gangen der vijanden te bespieden,—maar dezen keer hadden zij niets bijzonders opgemerkt. In den omtrek heerschte rust, en die het niet beter wist zou gedacht hebben, dat het vrede was.
Zij waren echter nog maar kort in de hoeve teruggekeerd, of er kwam bezoek. Een vreemdeling trad binnen, in wien zij onmiddellijk een krijgsman herkenden, ook al scheen hij ongewapend.
„Goeden morgen, huisman!” klonk zijn groet, en aan zijn tongval was duidelijk te merken, dat hij een Vlaming was. Zijn gelaatsuitdrukking had iets gebiedends, iets, dat den man van geboorte verried. 't Oude Hoen twijfelde dan ook geen oogenblik, of hij had een man van aanzien voor zich, misschien wel een Spaansch officier. Deze groette ook de vrouw des huizes en de beide jongelieden, nam plaats op den hem toegeschoven zetel, en vervolgde:
„Ben ik hier terecht bij Govert 't Hoen, bijgenaamd 't Oude Hoen?”
„Die man ben ik,” was het antwoord, en men kon duidelijk zien, dat de vreemdeling er door verrast was. Hij keek 't Hoen met groote, vragende oogen aan, en scheen zelfs wel eenigszins aan de waarheid van 't Hoens woorden te twijfelen.
„Hoe?” riep hij na eene korte weifeling uit. „Zou U het Oude Hoen wezen, de man, die met een klein troepje Vrijbuiters eene zoo roemrijke overwinning heeft behaald op eene talrijke ruiterbende?”
En hij mat met zijne oogen de gestalte van den kleinen boer voor hem, wiens uiterlijk volstrekt geen aanleiding gaf, om in hem den beroemden Vrijbuiter te zien, wiens naam alleen reeds geschikt was, om wel een dozijn Spanjaarden op de vlucht te jagen.
't Hoen lachte even, en ook Aelbert en Marten konden een glimlachje niet bedwingen bij het zien van de verbazing van den vreemdeling. En 't Hoen sprak:
„Toch is het zoo, Heer, ik ben 't Oude Hoen en niemand anders. Wat wenscht U van me?”
De vreemdeling haalde een brief te voorschijn en overhandigde dien met de woorden:
„Uw roem is tot het leger om Haarlem doorgedrongen en heeft bij verscheidene Oversten en Hoplieden het verlangen gewekt u te zien en kennis met u te maken. De Heer Van Licques, die in het bosch het bevel voert over de Walen, noodigt u in dezen brief uit hem een bezoek in zijn kamp te willen brengen. Hij waarborgt u, als eerlijk krijgsman, dat u zelfs geen haar op uw hoofd zal worden gekrenkt en biedt u vrijgeleide aan. Hij heeft mij gelast er bij u op aan te dringen, dat u deze uitnoodiging aanneme.”
Er heerschte, nadat de vreemdeling deze woorden had gezegd, eenigen tijd stilte in het vertrek. 't Oude Hoen fronste de wenkbrauwen en verzonk in diep gepeins. Vrouw Geerte keek haar man met angstige oogen aan, als om hem te smeeken, de uitnoodiging af te wijzen, en ook de beide knapen hielden hun blik op hem gericht, alsof zij hem het antwoord van de lippen wilden lezen.
Eindelijk sprak Vrouw Geerte met een zucht:
„Maar Govert, je denkt er toch niet over, de uitnoodiging aan te nemen? Je zult je toch niet wagen in het hol van den leeuw? Wie weet, welk lot je daar te wachten staat! Ga toch niet, wat ik je bidden mag.”
Een fijn lachje krulde de lippen van den vreemdeling.
„Vrees niet, vrouw,” sprak hij, zonder zich beleedigd te toonen, „ook een Spanjaard kan een man van eer zijn, trouw aan zijn gegeven woord...”
„Dat hebben wij aan Zutfen gezien, en aan Naarden...” viel vrouw Geerte scherp in. „Ik vertrouw dat fluiten van den vogelaar niet.”
De vreemdeling haalde licht de schouders op, en hernam: „Ook ik ben Hopman in Spaanschen dienst, vrouw, en ik verpand u mijn eer, dat hier geen verraad in het spel is. De groote, stoutmoedige daden van uw man hebben mij en mijn vrienden doen wenschen, hem te zien en te spreken,—ziedaar alles. Ik herhaal, dat wij hem vrijgeleide aanbieden, en dat zelfs het geringste gevaar hem niet bedreigt.”
„Als vader gaat, zou ik wel meêwillen,” viel Aelbert in.
„En ik ook!” riep Marten uit. „Ik zou graag het vijandelijke kamp willen zien, en de verwoesting van de muren.”
„Ik heb in het geheel geen bezwaar ook u beiden onder het vrijgeleide te begrijpen,” sprak de Hopman. „'t Zal wellicht voor 't Hoen ook aangenamer zijn den tocht in uw gezelschap te ondernemen. Ik herhaal met nadruk en onder verpanding van mijne krijgsmanseer, dat u geen leed zal geschieden. Integendeel, men zal uw bezoek op hoogen prijs stellen en u met eere ontvangen.—Welnu, wat is uw antwoord?”
't Hoen bedacht zich nog een oogenblik, en zei toen bedaard en eenvoudig:
„Ik neem de uitnoodiging van den Heer Van Licques aan, en zal in gezelschap van deze jongelieden een bezoek in zijn kamp brengen. Ik vertrouw, dat uwe woorden waarachtig zijn en neem uw vrijgeleide aan. Wanneer wenscht u, dat ik komen zal?”
„Uw antwoord doet mij genoegen,” sprak de Officier, „en ik stel u voor, nog heden de reis met mij te ondernemen. Mijne tegenwoordigheid zal u over alle moeielijkheden heenbrengen, en persoonlijk zal ik u weer naar uwe vrienden terugvoeren.”
„Aangenomen,” sprak 't Hoen opstaande. „Wij zijn gereed, en keeren nog voor de avond gevallen is, hier terug.—Wees niet bezorgd, vrouw, en droog uwe tranen, want waarlijk, ik zou mij al zeer moeten bedriegen, indien hier verraad in het spel was en ons eenig gevaar dreigde.”
Aelbert en Marten wierpen zich, evenals 't Hoen, een musket over den schouder en gespten zich een rapier aan de heup, namen afscheid van Moeder Geerte, die hen met een hart vol angst zag vertrekken, en verlieten met den vreemdeling de hoeve.
Zij roeiden naar den Westzaner Overtoom en vertelden aan den verbaasden en ontstelden Jan Slob, dat zij op weg waren naar het Spaansche legerkamp, waarvan de officieren 't Oude Hoen wenschten te zien.
De dikke waard kon zijne ooren nauwelijks gelooven en keek zijn drie vrienden hoofdschuddend aan. 't Was duidelijk, dat hij de zaak allerminst vertrouwde en dat hij haar eenvoudig beschouwde als een middel van den Spanjaard, om zich op eene gemakkelijke, zij het dan ook verraderlijke wijze, van een gevreesden tegenstander te ontdoen.
Toen dan ook de Hopman zich een oogenblik verwijderde, zei hij op gedempten toon, maar met grooten nadruk:
„Ben je nu van 't verstand beroofd, 't Hoen? Hoe is het mogelijk, dat je je zóó laat bedriegen door die Spaansche bloedhonden! Hebben zij dan ooit hun woord gehouden? Begrijp je dan niet, dat het er hun om te doen is, je in hunne macht te krijgen en je op te hangen?—Keer terug, wat ik je bidden mag,—keer terug! 't Is een list, een valstrik, een...”
Op dit oogenblik kwam de Hopman weder binnen, en zag Jan Slob zich dus genoodzaakt zijne verdere waarschuwingen te staken.
Maar 't Hoen liet zich niet raden.
„Ik heb vertrouwen in het mij aangeboden vrijgeleide,” antwoordde hij kalm aan het oor van Jan Slob. „En wie weet, waar mijn bezoek misschien goed voor is. De toekomst is duister te lezen.”
De reis werd vervolgd. Het viertal roeide het IJ over, langs het eilandje Ruichoort, en legde aan de overzijde het schuitje op eene veilige plaats vast. Te voet gingen zij verder tot zij het Spaarne bereikten, waar een jacht gereed lag, bemand met Spaansche krijgers, die thans echter als roeiers dienst moesten doen.
„Ziedaar het vaartuig, dat ons naar het kamp zal brengen,” sprak de Hopman, terwijl hij aan boord stapte. Met een hoffelijk gebaar wees hij 't Oude Hoen een plaats aan naast zich op de bank, en de beide jongelieden op een andere. Daarna gebood hij de krijgsknechten van wal te steken, en voegde hun toe:
„Mannen, ziehier drie dappere Vrijbuiters, die zich op verlangen van Uw Overste naar ons kamp begeven. Vergeet niet, dat Uw leven borg is voor het hunne.”
Onder den tocht voerde de Hopman een druk gesprek met 't Hoen, en Marten zei zacht tot zijn vriend:
„Geloof jij, dat er verraad in het spel is?”
„Neen,—geen oogenblik!” was het antwoord. „En ik vind het wat aardig, dat ik nu eens op mijn gemak een kijkje kan nemen in het kamp der Spanjaarden. Ik heb daar al lang naar verlangd.”
„Ja,” zei Marten droevig, „maar nog meer wensch ik in de belegerde stad te komen...”
„Waarom?” vroeg Aelbert met eenige verwondering. „Heb je dan lust, daar vandaag of morgen den plunderenden vijand in handen te vallen? Want het staat bij mij vast, dat Haarlem verloren is. Alle pogingen, die de Prins tot ontzet heeft aangewend, zijn tot nog toe mislukt.”
„Och ja, dat alles weet ik wel,” zei Marten. „Maar de gedachte wil mij maar niet uit het hoofd, dat mijn zuster Anna zich in die stad bevindt, en ik zou het vreeselijk vinden, als zij bij de overgave, die ook volgens mijne meening volgen móet, den vijand in handen viel.”
„Hoe kom je toch op de gedachte, dat Anna juist dáár zou wezen?”
„Omdat ik stellig al bericht van haar had gehad, als zij ergens anders was. Neen Aelbert, ik geloof vast en zeker, dat zij zich in Haarlem ophoudt, en ik maak mij daarover bekommerd en angstig. Zeg,—zou er geen middel voor mij zijn, om in de stad te komen? O, ik verlang zoo vurig...”
„Om er in te komen misschien wel, maar om haar te verlaten, zeker niet...”
„Dat is ook niet noodig!” viel Marten in. „Als ik er maar eerst in was, dan kon ik zoeken en zoeken, totdat ik haar gevonden had, en wie weet, of ik dan ook geen middel zou vinden, om met haar te vluchten. Maar dáár mag zij niet blijven.”
„Wij zullen er met Vader over spreken en diens raad vragen,” zei Aelbert peinzend. En zijn vriend de hand drukkende vervolgde hij met ernst:
„Vergeet nooit, dat waar jij ook heengaat, ik je vergezellen zal. Ik heb je beloofd, dat ik je zou helpen zoeken, en ik zal mijn woord houden, zelfs al moesten wij haar terughalen uit het paleis van Alva zelf!”
Deze hartelijke woorden deden Marten goed, en hij bleef gedurende den verderen tocht steeds peinzen op een middel om in de bedreigde stad te komen. Doch hoe hij zich ook pijnigde met het ontwerpen van allerlei plannen, hij zag geen kans zijn doel te bereiken.
Zonder eenigen tegenspoed bereikten zij het kamp om Haarlem. De Hopman geleidde hen naar den Hout, waar de veldheer de Licques met zijne Walen gelegerd was.
Den veldheer zelf troffen zij echter niet in zijn tent aan, daar hij bij Don Frederik ontboden was, om diens bevelen te vernemen. De Hopman noodigde hen uit plaats te nemen en een oogenblik te wachten. Hij zou dadelijk van de aankomst der Vrijbuiters kennis gaan geven aan de verschillende Oversten, die het verlangen hadden te kennen gegeven hen te zien, en spoedig terugkeeren.
Zoo bleven zij dus met hun drieën alleen, en had Marten een goede gelegenheid, om 't Oude Hoen zijn wensch kenbaar te maken en diens raad te vragen.
't Oude Hoen keek hem ernstig aan, maar gaf geen antwoord.
„Schijnt mijn verlangen u eene dwaasheid toe, Neef?” vroeg Marten.
„Neen,—ook ik houd het voor mogelijk, dat Anna naar Haarlem is gevlucht,” was het antwoord. „Ik zou er ook niets op tegen hebben, dat je eene poging...”
„Maar als Marten gaat, houd ik hem gezelschap, met uw goedvinden,” viel Aelbert in.
Zijn vader glimlachte even, en zeide:
„Welnu, ik heb niets tegen je plan, en Aelbert mag mijnentwege meêgaan,—doch met den besten wil ter wereld zou ik geen middel weten te bedenken, om binnen gindsche muren te komen. Ik acht dat bepaald eene onmogelijkheid.”
Er werd nog geruimen tijd over het plan gesproken, maar van welken kant zij de zaak ook bekeken, zij stuitten telkens op onoverkomelijke moeielijkheden.
Het duurde niet heel lang, of de Hopman keerde terug, thans in gezelschap van een groot aantal voorname Veldoversten, die allen nieuwsgierig waren naar den gevreesden Vrijbuiter, dien zij zich voorstelden als een voornaam Hollander, met een groote, indrukwekkende gestalte en buitengewone spierkracht.
Wie schetst echter hunne verbazing, toen zij daar een eenvoudig boertje voor zich zagen, klein van gestalte en zonder eenig aanzien. Want de kleeding der drie Vrijbuiters bestond slechts uit eene wijde broek, een eng, maar geschoot wambuis en een breedgeranden hoed. Was deze eenvoudige man 't gevreesde Hoen? En behoorden die twee knapen tot de zoo beroemde Vrijbuiters? Zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven, en keken elkander vragend aan.
Het drietal was bij de nadering der deftige Heeren opgestaan en had het hoofd ontbloot.
„Zijt gij het Oude Hoen?” riep de Heer Van Licques uit, terwijl hij het boertje van het hoofd tot de voeten opnam.
't Hoen glimlachte fijntjes, en sprak:
„Om U te dienen, Edele Heer, ik ben Govert 't Hoen. Op Uw verzoek ben ik hier gekomen, vertrouwende op Uw woord als krijgsman...”
„En daar hebt ge wèl aan gedaan!” riep de Heer Van Licques hem toe. „Gij hebt niets te vreezen, en ik dank U zeer voor uwe komst. Uwe dapperheid, pas nog zoo klaar gebleken bij het gevecht op den Sparendammerdijk, heeft onze bewondering opgewekt, en wij allen wenschten U te zien. Gaat zitten, Heeren!”
De aanzienlijke krijgsoversten namen plaats, en de Heer de Licques haalde een paar kostbare steenen te voorschijn, die hij 't Hoen als een aandenken aanbood. Maar 't Hoen weigerde met groote beslistheid.
„Hartelijk dank, Heer, voor uwe vriendelijke bedoeling, maar ik mag van den vijand geen geschenken aannemen.”
De Heeren keken den eenvoudigen, waardigen man met bewondering aan, en de Heer de Licques bleef er op aandringen, dat hij het geschenk zou aannemen.
„Zeer zeker niet, Heer,”—sprak 't Hoen, en glimlachend liet hij er op volgen: „Maar mocht het lot willen, dat ik ooit als krijgsgevangene tegenover u kom te staan, wil dan mijner gedachtig wezen.”
„Daarop geef ik U mijn woord!” zei de Licques met een krachtigen handslag.
Er volgde nu een levendig gesprek, waaraan allen deelnamen, en de drie Vrijbuiters gevoelden zich volkomen op hun gemak. Zij waren er thans ten volle van overtuigd, dat hier geen verraad in 't spel was.
Zoo ging er een uurtje voorbij, toen plotseling de stemmen verstomden en alle aanwezigen opschrikten door een hevig musketvuur en het gedruisch van wapenen.
Vlug sprongen de aanwezigen van hunne zetels op, en onder den uitroep:
„De Haarlemmers doen een uitval! Te wapen! Te wapen!” snelden zij de tent uit. In minder dan geen tijd was ons drietal alleen, en ook zij begaven zich naar buiten, om te zien, wat er aan de hand was.
Er heerschte in het Spaansche kamp een groote levendigheid. Van alle kanten zag men krijgslieden naar de bedreigde plaats snellen, vanwaar zich een verward gedruisch van menschelijke stemmen, musketschoten en wapengekletter deed hooren. In de verte zagen zij den strijd...
Ha, de oogen der Vrijbuiters tintelden met een heeten gloed, en zij sloegen onwillekeurig de handen aan het rapier.
„Vader!” riep Aelbert met geestdrift uit, „Vader, laten wij toch hier niet als lafhartigen blijven staan, terwijl ginds onze broeders hun leven wagen...”
En hij trok zijn rapier half uit de scheede met bevende handen. Maar 't Oude Hoen zei kalm en bedaard:
„Dat kan en mag niet, jongen. Ik ben onder vrijgeleide hier gekomen, en daardoor tegen wil en dank verplicht hier te blijven.—Maar je wilt immers binnen gindsche muren komen?”
„Ja,—ja!” riep Marten heftig uit. „Dat wil ik!”
„Ga dan, mijn jongen,” klonk het ernstig. „Ginds doen de Haarlemmers een uitval, zooals zij er reeds zoovele deden. Ga, en sluit u bij hen aan. Ook nu zal wel het einde wezen, dat zij teruggedreven worden. Voeg U bij hen, en de poorten zullen u, als voor hen, geopend worden. Ga, zeg ik, en God bescherme u!”
„Ja, ik ga!” riep Marten vurig uit. „Eene betere gelegenheid krijg ik nooit!”
„En ik ga met je!” sprak Aelbert.
Haastig drukten de jongelieden 't Oude Hoen de hand, en snel verwijderden zij zich in de richting van de plaats, waar de strijd gevoerd werd. 't Oude Hoen zag hen na zoo lang hij kon, en het was den dapperen Vrijbuiter aan te zien, dat hij ontroerd was...
Enkele uren later keerde hij naar zijne hoeve terug, geheel alleen. De Heer de Licques had eerlijk zijn woord gehouden en hem door eenige krijgsknechten, onder bevel van denzelfden Hopman, naar 't IJ terug laten brengen. Toen hij van 't Hoen vernomen had, dat de beide jongelieden hun strijdlust niet hadden kunnen bedwingen en zich bij de Haarlemmers hadden aangesloten, had hij even geglimlacht en gezegd:
„Dat is niet volgens de afspraak, doch ik zal maar denken: „'t Muist, wat van de katten komt.” Jammer, dat zulke rappe gasten de zaak der oproerlingen dienen.”
